Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4329

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-04-2016
Datum publicatie
13-07-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 6205
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel; lesbische geaardheid ongeloofwaardig; WI 2015/9; beroep ongegrond

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/6205

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2016 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden).

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), die op 27 juni 2015 is ingediend, afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2016.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. [tolk] is verschenen als tolk.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1992 en bezit de Ethiopische nationaliteit.

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit – samengevat – op het standpunt gesteld dat de gestelde geaardheid van eiseres ongeloofwaardig is. Ook de gestelde vrees bij een terugkeer naar Ethiopië wordt niet geloofwaardig geacht door verweerder.

3. Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Werkinstructie 2015/9 maakt niet voldoende inzichtelijk hoe de toetsing van de verklaringen omtrent de geaardheid van eiseres tot stand komt en waar het zwaartepunt ligt voor verweerder. Dat eiseres geen inzicht kan bieden in de zelfacceptatie/bewustwording zegt niet noodzakelijkerwijs iets over haar geaardheid. Verweerders stelling dat de bewustwording – mede gelet op het feit dat de gestelde geaardheid van eiseres in Ethiopië niet geaccepteerd wordt – een ingrijpende gebeurtenis is, is niet op enig wetenschappelijk inzicht gebaseerd. Dat eiseres eerder met een man heeft samengewoond zegt niets over haar geaardheid. Voorts is het onduidelijk waarom iedere homoseksueel zich zou moeten verdiepen in de situatie van homoseksuelen in het land van herkomst. Ook de betrokkenheid van eiseres bij de situatie van homoseksuelen in Nederland draagt niet bij aan de beoordeling van de geloofwaardigheid van de geaardheid van eiseres. Dat eiseres niet de precieze gegevens van haar partners, adresgegevens e.d. kent kan ook niet aan eiseres worden tegengeworpen nu zij kortdurende en vaak vooral seksuele relaties heeft gehad. Verder komt het wel vaker voor dat homoseksuelen eenvoudigweg niet geïnteresseerd zijn in uitgaansgelegenheden voor homoseksuelen. Ten slotte loopt eiseres niet te koop met haar geaardheid. Omdat het in de vorige procedures niet nodig was om het daarover te hebben, heeft ze er voor gekozen om dat niet te doen. Dit kan haar nu niet worden tegengeworpen.

4. Verweerder voert gemotiveerd verweer.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. De ongeloofwaardigheid van de gestelde geaardheid staat reeds in rechte vast met de uitspraak van de rechtbank van 24 april 2014. De rechtbank begrijpt de uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2015 zo dat, ondanks dat de vernietigde uitspraak van de rechtbank van 7 augustus 2014 ziet op de herhaalde aanvraag – en dus nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als toetsingskader heeft – er in onderhavige zaak wederom een inhoudelijke beoordeling dient plaats te vinden van de gestelde geaardheid van eiseres. Derhalve zal de rechtbank deze aanvraag niet beoordelen op nieuw gebleken feiten en omstandigheden, maar op het bestreden besluit op zich en hetgeen daartegen is aangevoerd.

7. Eiseres betoogt dat Werkinstructie 2015/9 niet voldoet aan de door de Afdeling gestelde eisen in de uitspraak van 8 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2170).

7.1

De Afdeling heeft in voormelde uitspraak van 8 juli 2015 het volgende overwogen:

“7. De door het Hof geformuleerde grenzen scheppen een algemeen kader waarbinnen de staatssecretaris de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid in een concreet geval mag verrichten. Teneinde de bestuursrechter in staat te stellen de zorgvuldigheid en motivering van besluiten, als bedoeld in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, te toetsen in het licht van deze grenzen, moet de staatssecretaris evenwel inzichtelijk maken op welke wijze hij die beoordeling daadwerkelijk in een concrete zaak heeft verricht. Hierbij is met name van belang het soort vragen dat de staatssecretaris heeft gesteld en de wijze waarop hij de antwoorden op die vragen onderling heeft gewogen. Het gaat er hierbij niet alleen om dat de staatssecretaris inzichtelijk maakt wat hij niet doet bij het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid, maar ook hoe hij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid met inachtneming van artikel 4 van Richtlijn 2004/83 wél heeft ingericht.

(…)

7.7

Wegens het ontbreken van een beleidsregel of een vaste gedragslijn van de staatssecretaris over de wijze waarop hij een gestelde seksuele gerichtheid onderzoekt en beoordeelt, terwijl dat onderzoek en die beoordeling binnen het Nederlandse bestuursrechtelijke stelsel in eerste instantie aan hem is, is het voor de bestuursrechter thans niet mogelijk effectief te toetsen hoe de staatssecretaris in een concreet geval dat onderzoek en die beoordeling verricht en aldus een zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd besluit neemt over de geloofwaardigheid van een seksuele gerichtheid als asielmotief. Het is binnen dit stelsel niet aan de bestuursrechter, maar aan de staatssecretaris om hieraan in de vormgeving en uitvoering van het vreemdelingenbeleid nader invulling te geven. ”

7.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder naar aanleiding van bovengenoemde uitspraak van de Afdeling de IND Werkinstructie 2015/9 openbaar heeft gemaakt. In de Werkinstructie staat dat in zijn algemeenheid kan worden gesteld dat het zwaartepunt ligt op de antwoorden op vragen over de eigen ervaringen (o.a. bewustwording en zelfacceptatie) van de vreemdeling met betrekking tot zijn/haar seksuele gerichtheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst van de vreemdeling en hoe diens ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas, in het algemene beeld passen. Dit geldt temeer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar homoseksualiteit maatschappelijk onacceptabel of strafbaar gesteld is.

De IND hanteert bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid niet als uitgangspunt dat er in alle gevallen een interne worsteling moet hebben plaatsgevonden voordat de vreemdeling zijn LHBT-gerichtheid heeft geaccepteerd. Echter, wel mag verwacht worden dat bij een vreemdeling die afkomstig is uit een land waar men LHBT-gerichtheid niet accepteert en waar dit mogelijk strafbaar is gesteld, sprake zal zijn van een proces van bewustwording. Daarbij zal de vreemdeling zich onder andere voor de vraag gesteld zien wat het betekent om anders te zijn dan hetgeen de maatschappij verwacht/verlangt. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de LHBT-gerichtheid zal gewicht worden toegekend aan het proces van ontdekking van de gerichtheid en de wijze waarop de vreemdeling stelt daarmee te zijn omgegaan. Deze elementen wegen zwaarder als de vreemdeling uit een land afkomstig is waar LHBT-gerichtheid niet geaccepteerd wordt.

7.3

De rechtbank overweegt dat uit de Werkinstructie blijkt op welke wijze verweerder onderzoek verricht en welke uitgangspunten daarbij worden gehanteerd. Voorts staat in de Werkinstructie welke thema’s aan de orde zullen worden gesteld. Daarnaast maakt de omstandigheid dat volgens de Werkinstructie in zijn algemeenheid kan worden gesteld dat het zwaartepunt ligt op de antwoorden op vragen over de eigen ervaringen, waaronder een proces van bewustwording, niet dat alleen daaraan waarde wordt gehecht. Het is volgens de Werkinstructie uitdrukkelijk niet de bedoeling om een eenduidig sjabloon beschikbaar te stellen waarmee de seksuele gerichtheid getoetst kan worden. In iedere zaak moet een individuele afweging plaatsvinden van wat relevant is en welk gewicht toekomt aan de antwoorden op de vragen die zijn gesteld.

7.4

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank, anders dan de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, in de uitspraak van 26 februari 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:1055), van oordeel dat verweerder met de Werkinstructie het de bestuursrechter mogelijk heeft gemaakt effectief te toetsen hoe verweerder de geloofwaardigheid van de gestelde LHBT-gerichtheid van een vreemdeling beoordeelt.

De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn betoog dat de Werkinstructie niet in overeenstemming is met voormelde uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015.

8. De rechtbank overweegt dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres in haar verklaringen geen inzicht heeft geboden in het proces van bewustwording en zelfacceptatie. Ondanks dat dit proces bij elk individu anders is, is het aan eiseres om de gestelde geaardheid aannemelijk te maken. De enkele stelling dat eiseres zich verward voelde omdat haar geaardheid in Ethiopië niet wordt geaccepteerd heeft verweerder niet ten onrechte onvoldoende geacht. Verder heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat, als de gestelde geaardheid de aanleiding is geweest om uit Ethiopië te vertrekken, het voor de geloofwaardigheidsbeoordeling van belang is dat zij dit niet bij aankomst gemeld heeft, en eerst een aantal pogingen heeft ondernomen om een verblijfsvergunning te krijgen op andere gronden. De stelling van eiseres dat zij zichzelf inmiddels heeft geaccepteerd, heeft verweerder niet ten onrechte onvoldoende geacht om het proces van bewustwording en zelfacceptatie aannemelijk te maken.

8.1

Voorts overweegt de rechtbank dat verweerder terecht aan eiseres heeft tegengeworpen dat zij vage en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over haar voorgaande relaties. Zo heeft eiseres tegenstrijdig verklaard over de aanvang van haar relatie met [persoon A] in Ethiopië. Verder is gebleken dat eiseres zelfs geen basale informatie over [persoon A] kan verschaffen. Nu eiseres stelt dat zij zich bij [persoon A] voor het eerst bewust werd van haar lesbische geaardheid – en gelet op de gestelde duur van de relatie – heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat verwacht mag worden dat eiseres uitgebreider kan verklaren over (haar relatie met) [persoon A]. Het is aan eiseres tegen te werpen dat zij bij aankomst in Nederland bij de politie heeft verklaard dat zij nooit een relatie heeft gehad, terwijl zij bij verweerder heeft verklaard dat haar relatie met [persoon A] heeft geduurd tot haar vertrek uit Ethiopië.

8.2

De rechtbank overweegt voorts dat de gestelde mensenhandel/seksuele uitbuiting heeft geleid tot een sepot wegens het ontbreken van verdere onderzoeksindicaties. Daarnaast is de verklaring van eiseres dat zij bang was lesbische gevoelens te hebben ontwikkeld vanwege de prostitutie in strijd met haar eerdere verklaring dat zij zich reeds in Ethiopië bewust was geworden van haar geaardheid. Eiseres heeft eveneens vaag en tegenstrijdig verklaard over haar relatie met [persoon B]. Eiseres weet niet hoe oud [persoon B] is en kan evenmin iets verklaren over de duur van de relatie. Verweerder heeft niet terecht meegewogen dat eiseres slechts heeft kunnen verklaren dat zij [persoon B] in 2013 heeft ontmoet. Nu eiseres ook omtrent haar huidige relatie met [persoon C] uiterst summier verklaard heeft, heeft verweerder dit naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Voorts heeft verweerder terecht meegewogen dat eiseres eerder heeft verklaard dat zij een mannelijke partner heeft gehad. Zo blijkt uit het verslag van het gehoor van 4 november 2013 (in de bezwaarfase van de aanvraag ‘voortgezet verblijf’ van eiseres) dat zij heeft verklaard ongeveer 11 maanden een relatie te hebben met [persoon D]. De rechtbank overweegt dat eiseres geen inzicht heeft kunnen bieden hoe dit zich verhoudt met haar gestelde homoseksuele geaardheid en deze verklaring is voorts tegenstrijdig met haar verklaring dat zij in 2013 een relatie heeft gehad met [persoon B].

8.3

Daarnaast heeft verweerder mogen tegenwerpen dat eiseres nauwelijks iets kan verklaren over de situatie van homoseksuelen in het land van herkomst. Verweerder heeft terecht aan eiseres tegengeworpen dat zij blijft steken in algemene verklaringen omtrent de situatie van homoseksuelen in Ethiopië.

Het is eveneens aan eiseres tegen te werpen dat zij weinig tot niets kan verklaren over de situatie van homoseksuelen hier in Nederland. De rechtbank is van oordeel dat verweerder mee heeft mogen wegen dat eiseres, ondanks een verblijf van ruim 4 jaar in Nederland, zeer weinig kan vertellen over de mogelijkheden die hier bestaan voor homoseksuelen. Niet valt in te zien dat zij zich niet op de hoogte zou laten stellen van alle mogelijkheden die dit land haar biedt met betrekking tot haar – gestelde – lesbische geaardheid.

8.4

De rechtbank is van oordeel dat het besluit van verweerder inzichtelijk is, en verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde geaardheid van eiseres ongeloofwaardig is.

9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres geen gegronde vrees heeft voor vervolging, dan wel bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Derhalve komt eiseres niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vw 2000.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Brand, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.