Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4241

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-04-2016
Datum publicatie
20-04-2016
Zaaknummer
AWB 16/7207 en AWB 16/7208
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening, presentatie aan Armeense autoriteiten

Artikel 61, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000

artikel 63, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000

paragraaf A3/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000

artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Samenvatting:

Verweerder heeft verzoekers op 11 april laten weten dat zij op 12 april gepresenteerd zullen worden aan de Armeense autoriteiten tbv hun uitzetting. De asielaanvraag van verzoekers van maart 2011 is op 27 oktober 2014 afgewezen. Het daartegen ingestelde beroep moet nog behandeld worden bij de rechtbank. Verzoekers voeren aan dat presentatie gevaarlijk is. Strijd met refoulement. Daarnaast hebben verzoekers een IMMO-rapport overgelegd, waaruit kan blijken dat littekens en fysieke en psychische klachten van verzoeker zijn voortgekomen uit het gestelde asielrelaas. Verzoekers stellen onderbouwd dat de Armeense autoriteiten geregeld, ondanks toezeggingen van verweerder daaromtrent, toch op de hoogte zijn van asielaanvragen. Verweerder heeft geen verweer gevoerd, anders dan dat op basis van het geldende beleid een begin met uitzettingshandelingen mag worden gemaakt vanaf het moment dat verweerder een besluit heeft genomen op de asielaanvraag. Er wordt een groter gewicht toegekend aan de belangen van verzoekers, verweerder had toepassing moeten geven aan artikel 4:84 Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2016/167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/7207 en AWB 16/7208

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 april 2016 in de zaak tussen

[verzoeker] , geboren op [1976] , verzoeker,

[verzoekster] , geboren op [1955] , verzoekster,

beiden van Armeense nationaliteit,

(gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),

en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft verzoekers op 11 april 2016 gevorderd dat verzoekers op 12 april 2016 hun medewerking zullen verlenen aan een presentatie bij de Armeense ambassade. Ingevolge artikel 72, derde lid van de Vreemdelingenwet 2000 wordt deze handeling gelijkgesteld met een besluit.

Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht de ordemaatregel te treffen dat verweerder wordt verboden verzoekers te presenteren.

Verzoekers hebben op 11 april 2016 gronden ingediend.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verbiedt verweerder verzoekers te presenteren aan de autoriteiten van Armenië totdat behandeling ter zitting van het beroep tegen de afwijzing van hun asielaanvraag zal hebben plaatsgevonden en daarna uitspraak is gedaan.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet. Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien onverwijlde spoed dat vereist.

2. Na kennis te hebben genomen van de stukken, acht de voorzieningenrechter in dit geval termen aanwezig om van bovengenoemde bevoegdheid gebruik te maken.

3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten. Verzoekers hebben op 4 maart 2011 asiel aangevraagd in Nederland. Op 27 oktober 2014 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft op 11 april 2016 aan verzoekers laten weten voornemens te zijn verzoekers op 12 april 2016 te presenteren bij de Armeense autoriteiten.

4. Verzoekers stellen dat het gevaarlijk is contact te hebben met de Armeense autoriteiten, nu zij (familieleden van) een opposant van het Armeense regime zijn. De presentatie is in strijd met het Vluchtelingenverdrag, dat refoulement verbiedt. De afwijzende beslissing op de asielaanvraag is geschorst omdat er beroep tegen is ingesteld. De presentatie is in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), want het is onderdeel van uitzetting naar Armenië. Of uitzetting mag moet nog door de rechtbank worden beoordeeld. Daarnaast is bij verzoeker sprake van ernstige psychische klachten, zoals ook blijkt uit het rapport van Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (IMMO). Een presentatie zal de klachten doen verergeren. Het risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM wordt daarnaast vergroot door de presentatie, nu niet valt uit te sluiten dat de autoriteiten tijdens de presentatie op de hoogte raken van het feit dat verzoekers asiel hebben aangevraagd.

Verder stellen verzoekers dat de presentatie in strijd is met artikel 3.103 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Dat artikel bepaalt immers dat een aanvraag wordt getoetst aan het recht zoals dat gold ten tijde van de aanvraag. Presentatie kon toen slechts nadat de rechter zich in beroep had uitgesproken over de afwijzing van de asielaanvraag. Er is geen redelijke grondslag aanwijsbaar voor de wijziging in het beleid.

Verzoekers stellen verder dat de presentatie in strijd is met het beleid in paragraaf A3/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), waar is bepaald dat contacten met buitenlandse vertegenwoordigingen niet worden gestart zolang de aanvraag om een verblijfsvergunning nog loopt. Verzoekers verwijzen naar onderzoek van de Nationale Ombudsman met kenmerk 2007/040.

Ten slotte stellen verzoekers dat de presentatie in strijd is met het bepaalde in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gezien de medische klachten van verzoeker en de gevolgen die een presentatie kan hebben is toepassing van het beleid onredelijk. Hierbij dient te worden betrokken dat de vader van verzoeker en de echtgenoot van verzoekster is overleden tijdens de asielprocedure en in Nederland is begraven.

5. Verweerder heeft op 11 april 2016 telefonisch laten weten dat de presentatie doorgang kan vinden nu de asielaanvraag is afgewezen. De aanvraag is derhalve niet meer in behandeling. Verweerder verwijst in dit kader naar artikel 61, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 63, derde lid van de Vw. Verweerder stelt dat bij de autoriteiten niet bekend wordt gemaakt dat verzoekers een asielaanvraag hebben ingediend en dat de aanvraag tot afgifte van een laisser passer ook al is doorgestuurd naar de Armeense autoriteiten. Verder is er slechts een keer per jaar een task force-presentatie. Als verzoekers nu niet gepresenteerd worden, moeten zij een jaar wachten tot dat opnieuw kan gebeuren.

6. De voorzieningenrechter volgt verzoekers in hun standpunt dat verweerder, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval en hetgeen in de gronden is aangevoerd, had moeten overgaan tot de in artikel 4:84 van de Awb neergelede inherente afwijkingsbevoegdheid. Daargelaten het oordeel van de rechtbank over de redelijkheid van het in paragraaf A3/4.3 van de Vc neergelegde beleid inzake het starten van voorbereidende uitzettingshandelingen na afronding van de asielaanvraag bij verweerder, is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet is uitgesloten dat toepassing van dat beleid in het geval van verzoekers wegens de bijzondere omstandigheden onevenredig is in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. De voorzieningenrechter acht hierbij met name van het belang het door verzoekers overgelegde IMMO-rapport en de stelling dat de autoriteiten in veel gevallen – ondanks toezeggingen van verweerder daaromtrent – toch op de hoogte blijken te zijn van de asielaanvraag van de vreemdeling. Verweerder heeft hierop niet gereageerd. Nu nog niet in rechte vaststaat dat verweerder de asielaanvraag van verzoekers heeft mogen afwijzen en het beroep hiertegen door deze rechtbank door een meervoudige kamer behandeld gaat worden, kent de voorzieningenrechter een groter gewicht toe aan de belangen van verzoekers om niet gepresenteerd te worden. Het verzoek wordt toegewezen.

7. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 496,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y. ten Cate, griffier, op 11 april 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.