Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4240

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-04-2016
Datum publicatie
09-05-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4854
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:3292, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ne bis in idem. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Het gestelde risico op besnijdenis bij terugkeer naar Guinee leidt niet tot het oordeel dat sprake is van Bahaddar-omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/4854

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2016 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummer [nummer]

(gemachtigde: mr. J. Bravo Mougán),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn).

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2016 heeft verweerder, voor zover thans van belang, een aanvraag van eiseres om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2016.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig [tolk], tolk.

Overwegingen

1. Eiseres heeft aan haar aanvraag ten grondslag gelegd dat zij vreest bij terugkeer naar Guinee te worden besneden. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een reëel risico loopt op besnijdenis en heeft de aanvraag daarom afgewezen.

2. Ambtshalve overweegt de rechtbank als volgt.

2.1.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2266) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, de bestuursrechter dat besluit slechts kan toetsen, voor zover thans van belang, indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moet worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een hernieuwde toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd is overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

Indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens van 19 februari 1988 (Bahaddar tegen Nederland, nr. 145/1996/764/965, www.echr.coe.int) voordoen, staat voornoemd beoordelingskader niet in de weg aan een rechterlijke toetsing van het besluit als ware het een eerste afwijzing.

2.2.

Eiseres heeft eerder een aanvraag ingediend om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij besluit van 1 juli 2011 heeft verweerder die aanvraag afgewezen. Dat besluit is in rechte vast komen te staan. Het bestreden besluit is van gelijke strekking als het besluit van 1 juli 2011, zodat op het beroep het onder 2.1. weergegeven beoordelingskader van toepassing is.

2.3.

Eiseres heeft met de verklaring van de huisarts van 3 december 2014 aangetoond dat zij niet is besneden. Eiseres heeft verklaard dat zij ten tijde van de eerdere procedure niet wist dat zij niet besneden was zodat zij dit feit niet eerder naar voren had kunnen brengen. In het gehoor opvolgende aanvraag heeft zij verklaard dat zij in de veronderstelling was dat zij besneden was, tot zij zich in een gesprek met vriendinnen over besnijdenis realiseerde dat zij zich haar besnijdenis niet kon herinneren. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat een belangrijk element in het in de eerdere procedure naar voren gebrachte asielrelaas was dat eiseres problemen heeft ondervonden in haar huwelijk omdat zij ervan verdacht werd onbesneden te zijn. Gelet hierop is niet aannemelijk dat zij, omdat bijna alle meisjes in Guinee besneden zijn, in de veronderstelling verkeerde dat zij besneden was. Dit klemt te meer nu zij in de eerdere procedure heeft verklaard in Guinee in het ziekenhuis te zijn onderzocht. De verklaring van eiseres dat zij in het ziekenhuis slechts een echoscopie heeft ondergaan en niet uitwendig is onderzocht, strookt niet met haar expliciete verklaring in het nader gehoor in de eerdere procedure dat in het ziekenhuis is vastgesteld dat zij wel besneden is.

Gelet op vorengaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres het feit dat zij niet besneden is, in de eerdere procedure naar voren had kunnen en dus had moeten brengen. Er is derhalve geen sprake van een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.

2.4.

De rechtbank overweegt dat evenmin sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden in de zin van het arrest Bahaddar tegen Nederland. De Afdeling heeft eerder overwogen (uitspraak van 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2004) dat in Guinee 96,9 procent van de vrouwen in de leeftijdsgroep van 15 tot 49 jaar is besneden, maar dat meisjes wier moeder niet wil dat ze worden besneden, in het algemeen geen reëel risico lopen om toch te worden besneden. Van een omkering van de bewijslast zoals aan de orde was in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 9 juni 2010 (R.C. tegen Zweden, nr. 41827/07) is geen sprake.

Niet is gebleken dat de moeder van eiseres wil dat zij wordt besneden. Hierbij is van belang dat eiseres tot haar vertrek uit Guinee op twintigjarige leeftijd niet is besneden. De stelling van eiseres dat haar zus op zestienjarige leeftijd is besneden, is niet onderbouwd.

De rechtbank volgt niet de stelling van eiseres dat haar moeder en oom beiden dachten dat de ander voor de besnijdenis zorg had gedragen en dat besnijdenis binnen de familie geen onderwerp van gesprek was. Eiseres heeft in het gehoor opvolgende aanvraag zelf verklaard dat binnen haar familie makkelijk over besnijdenis wordt gesproken en dat als haar familie het weet, er gewoon over gesproken wordt met anderen. Eiseres heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat haar moeder of oom wilden dat zij besneden werd. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat zij er in het geval eiseres terugkeert naar Guinee anders over zullen denken. De uitspraak van de Committee against Torture van 15 december 2015 (nr. 613/2014) leidt niet tot een ander oordeel, reeds nu in die uitspraak sprake was van een vreemdeling die reeds een besnijdenis had ondergaan.

Uit de door eiseres overgelegde stukken blijkt voorts niet dat zij bij terugkeer naar Guinee zal worden uitgestoten uit de gemeenschap, of dat zij problemen zal ondervinden in een toekomstig huwelijk, omdat zij niet besneden is. Uit het door eiseres aangehaalde ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Guinee van juni 2014 blijkt dat echtgenoten in de stad het tegenwoordig steeds vaker geen probleem vinden als hun vrouw niet besneden is.

2.5.

Nu geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, en evenmin sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden in de zin van het arrest Bahaddar, komt de rechtbank niet toe aan toetsing van het bestreden besluit.

3. Het beroep is ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Meijer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Stikvoort-Ydema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.