Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4231

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-04-2016
Datum publicatie
22-04-2016
Zaaknummer
C-09-486531-HA ZA 15-445
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijkheid / Wahv: Overheid aansprakelijk op grond van schending 8 EVRM in aan EHRM 14 februari 2012 (nr. 7094/06 Romet – Staat der Nederlanden) verwant geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/255
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/486531 / HA ZA 15-445

Vonnis van 20 april 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. H.F.M. Struycken te Amsterdam,

tegen

de rechtspersoon naar publiek recht

DE STAAT DER NEDERLANDEN

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. G.C. Nieuwland te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 2 april 2015;

- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6;

- het tussenvonnis van 24 juni 2015 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

- het buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte proces-verbaal van de op

25 september 2015 gehouden comparitie van partijen en de daarin genoemde

gedingstukken;

- de brief van 9 oktober 2015 van de zijde van de Staat in reactie op de inhoud van

genoemd proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is de zaak verwezen naar de rol voor vonnis.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft op 4 december 1995 aangifte gedaan bij de gemeentepolitie Amsterdam, bureau Ganzenhoef. Het proces-verbaal van aangifte bevat onder meer het navolgende:

“Ik wens aangifte te doen van misbruik van mijn rijbewijs. Ik ben mijn rijbewijs verloren rond 1 november 1995. Ik ben verslaafd en slaap veel in boxen in de Bijlmer. Ik weet niet precies wanneer het gebeurd is, maar kennelijk heeft één van mijn medeslapers mijn rijbewijs uit mijn polstas gestolen terwijl ik lag te slapen. Ik bemerkte dit pas rond 14 november en maakte melding van verlies op 24 november bij het politiebureau Ganzenhoef. Sinds twee weken komen er giro’s binnen voor kentekenbewijzen deel 3 […] Kennelijk gebruikt iemand mijn rijbewijs tegen mijn wil als middel om auto’s op mijn naam te zetten […] Mijn rijbewijs verloopt denk ik in januari 1996 […]

Ik doe bij deze dus aangifte van oplichting, valsheid in geschrifte, misbruik van gegevens bij aanvraag van een kentekenbewijs en alles wat u nog meer kan verzinnen.”

2.2.

In de periode van 2 november 1995 tot en met 15 december 1995 is door derden met een op naam van [eiser] afgegeven rijbewijs een groot aantal kentekens

- ongeveer dertig - op naam van [eiser] gesteld in het door de (Rijks)Dienst voor het Wegverkeer (RDW) beheerde kentekenregister.

2.3.

Ten aanzien van de aan de onder 2.2 bedoelde kentekens gekoppelde motorvoertuigen zijn vervolgens overtredingen van de Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften (Wahv) begaan, waaronder het niet nakomen van de APK-verplichting en het nalaten om een aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten.

2.4.

Op een door de Staat in het geding gebrachte detentieregistratiekaart is weergegeven dat [eiser] in de periode van 21 januari 2011 tot en met 8 februari 2011 - in totaal 18 dagen - aaneengesloten gegijzeld is geweest in verband met (niet betaalde boeten vanwege) overtredingen van de Wahv.

2.5.

Op 4 februari 2011 heeft [eiser] beroep laten aantekenen tegen een aantal aan hem in de jaren 2008 en 2009 op grond van de Whav opgelegde sancties. Ongeveer tegelijkertijd heeft [eiser] de RWD verzocht alle ten name van hem gestelde kentekenregistraties met terugwerkende kracht te laten vervallen. Bij besluit van

18 maart 2011 heeft de RWD dit verzoek buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 20 juli 2011 heeft de RWD het door [eiser] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 oktober 2011 heeft de rechtbank Amsterdam het door [eiser] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, laatstgenoemd besluit vernietigd en de RWD opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam heeft de RDW hoger beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).

2.6.

Op 14 februari 2012 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) uitspraak gedaan in de zaak van [A] tegen de Staat (nr. 7094/06), welke zaak overeenkomsten vertoont met de onderhavige zaak. In deze uitspraak is een schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) vastgesteld. Het EHRM acht het recht op respect voor het privé-leven van [A] geschonden omdat het feit dat het door [A] als vermist opgegeven rijbewijs op het moment waarop die vermissing werd gemeld niet direct ongeldig is verklaard, hetgeen misbruik van de identiteit van [A] door anderen mogelijk maakte. In de uitspraak van het EHRM is onder meer het navolgende overwogen:

“42. The Court does not consider it necessary to delve into the question, debated between the parties, whether the applicant took sufficient action in respect of the false registrations of vehicles in his name. It observes that on 3 November 1995 the applicant reported his driving license stolen. It considers that from that day onward the domestic authorities were no longer entitled to be unaware that whoever might have the applicant's driving license in his or her possession was someone other than the applicant.

43. Yet the applicant's driving license was invalidated only on 14 March 1997, when the applicant obtained a replacement. After that date, apparently, no further vehicles were unlawfully registered in the applicant's name. Plainly, therefore, swift administrative action to deprive a driving license of its usefulness as an identity document was possible and practicable. The Government have not satisfied the Court that such action could not have been taken immediately after the applicant reported that he had lost possession and control of the document.

44. There has accordingly been a violation of Article 8 of the Convention […]

III. Alleged violation of Article 6 § 2 of the Convention

49. The applicant complained that he had been detained for offences committed by others based solely on presumptions flowing from the registration of vehicles in his name. He relied on under 6 § 2 of the Convention, which provides as follows:

‘Everyone charged with a criminal offence shall be presumed innocent until proved guilty according to law.’

50. The Government submitted that the administrative-law proceedings pursued by the applicant had been appropriate to his attempts to secure the annulment of the fraudulent registrations in his name of the vehicles but not to this complaint. Where the applicant had made use of the procedure offered by the Traffic Regulations Administrative Enforcement Act, he had failed to raise this matter before the domestic authorities.

51. Again leaving aside the question whether the requirements of Article 35 § 1 of the Convention have been met, the Court points out that in Falk v. the Netherlands (dec.), no. 66273/01, ECHR 2004-XI, it found, inter alia, that a person fined under Article 5 of the Traffic Regulations Administrative Enforcement Act could challenge the fine before a trial court with full competence in the matter. In such proceedings, the person concerned was not left without means of defence given that he or she could raise arguments based on section 8 of that Act.

52. The Court notes that, in light of the latter provision, the argument that the traffic offences had been committed by a person or persons other than himself was available to the applicant; the fact that the fines related to cars falsely registered in the applicant's name therefore did not deprive the applicant of the rights of the defence.

53. It follows that this complaint too is manifestly ill-founded and must be rejected in accordance with Article 35 §§ 3 (a) and 4 of the Convention.”

2.7.

Op 25 april 2012 is een groot aantal aan [eiser] in de jaren 2008 en 2009 op grond van de Wahv opgelegde sancties op nihil gesteld. Voorts hebben in de periode

7 maart 2012 tot en met 25 april 2013 terugstortingen aan [eiser] plaatsgevonden van door hem betaalde boeten.

2.8.

Bij tussenuitspraak van 20 maart 2013 heeft de ABRvS in het hoger beroep tegen het onder 2.5 bedoelde vonnis van de rechtbank Amsterdam - onder verwijzing naar het onder 2.6 aangehaalde arrest van het EHRM - geoordeeld dat, aangezien het recht op privéleven van [eiser] in het geding is, de RWD een nieuw besluit dient te nemen, althans het bestreden besluit dient te wijzigen. De RDW heeft op 2 mei 2013 een nieuw besluit genomen. In de einduitspraak van de ABRvS van 31 juli 2013 is voorts onder meer overwogen:

“De RWD heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak bij besluit van

2 mei 2013 de bezwaren van [eiser] gericht tegen het besluit van 18 maart 2011 alsnog gegrond verklaard. Gelet op de door [eiser] gestelde feiten valt volgens de RDW niet uit te sluiten dat zijn recht op privéleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden wordt geschonden. Op grond van deze vaststelling heeft de RDW aanleiding gezien om deze mogelijke inbreuk te beëindigen door volledig aan [eiser] ’s verzoek te voldoen en de tenaamstelling van voertuigen die op zijn naam geregistreerd zijn geweest vervallen te verklaren met ingang van de datum waarop de tenaamstellingen hebben plaatsgevonden […] hiermee [is] geheel tegemoetgekomen aan het door hem ingestelde beroep”.

2.9.

[eiser] heeft de Staat bij brief van 22 september 2014 aansprakelijk gesteld. [eiser] begroot zijn schade in die brief op in totaal € 62.000. Bij brief van 15 april 2015 is namens de Staat verzocht om nadere gegevens ter onderbouwing van genoemd schadebedrag. Bij brief van 16 april 2015 is de Staat namens [eiser] bericht dat de brief van 15 april 2015 geen aanleiding geeft te menen dat er een redelijk perspectief op een minnelijke regeling bestaat en er dan ook geen reden is deze zaak niet bij de rechtbank aan te brengen.

3. Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. ingevolge artikel 392 Rv aan de Hoge Raad de navolgende prejudiciële vragen zal voorleggen:

a) of strafbeschikkingen niet ingevolge artikel 4.8 Algemene wet bestuursrecht (Awb) op straffe van nietigheid vooraf dienen te worden gegaan door het in de gelegenheid stellen van de betrokkene tot het geven van een zienswijze;

b) of de betrokken wetgeving waarbij strafvervolging wordt gekoppeld aan de kentekenregistratie niet strijdig is met elementaire grondbeginselen van het strafrecht, nu daardoor een strafsanctie wordt opgelegd aan de persoon op wiens naam de auto in het kentekenregister staat geregistreerd in verband met de verplichting tot keuring van een motorvoertuig en de verzekering voor wettelijke aansprakelijkheid voor met een voertuig aan derden veroorzaakte schade, zonder dat vaststaat dat de kentekengeregistreerde dit motorrijtuig doet deelnemen of toelaat dat het deelneemt aan het verkeer;

c) of de totstandkoming van machtiging tot gijzeling rechtmatig is en of deze gijzelingsbevelen (executoriale titels) alleen rechtmatig ten uitvoer kunnen worden gelegd indien deze vooraf zijn gegaan door de in artikel 430, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dwingendrechtelijk voorgeschreven betekening en aanzegging;

d) of het gebrek aan toetsing door een onafhankelijke rechter binnen 87 uur van de vrijheidsbeneming niet tot onrechtmatigheid van de vrijheidsbeneming leidt;

e) of niet binnen korte tijd na de vrijheidsbeneming de Staat verplicht is de gegijzelde in de gelegenheid te stellen een advocaat te raadplegen,

dan wel de zaak zal voorleggen aan het Hof van Justitie van de EU als prejudiciële kwestie voor wat betreft de schending van het Handvest van de Grondrechten en de uitleg van en toetsing van het beleid van de Staat ten aanzien van het beheer van het kentekenregister en de daaruit voortvloeiende strafvervolgingen en incassomaatregelen.

II. voor recht zal verklaren dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] door tot strafvervolging over te gaan op grond van wetgeving die strijdig is met elementaire grondbeginselen van het strafrecht, waarbij een strafsanctie kan worden opgelegd op de persoon op wiens naam het motorvoertuig in het kentekenregister staat geregistreerd in verband met de verplichting tot keuring van een motorvoertuig en aansprakelijkheidsverzekering, zonder dat vaststaat dat de kentekengeregistreerde dit motorrijtuig doet deelnemen of toelaat dat het deelneemt aan het verkeer en hem dienaangaande een verwijt treft;

III. voor recht zal verklaren dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] door niet voorafgaande aan de strafbeschikking [eiser] in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze te geven conform artikel 4.8 Awb;

IV. voor recht zal verklaren dat de Staat onrechtmatig (in strijd met artikel 430, derde lid, Rv) heeft gehandeld dan wel heeft nagelaten door niet alvorens tot aanhouding of tenuitvoerlegging van een machtiging tot gijzeling over te gaan, deze machtiging tot gijzeling in persoon aan [eiser] te betekenen en alsnog aan te zeggen binnen twee dagen zijn verplichtingen na te komen en voorts tot tenuitvoerlegging is overgegaan terwijl [eiser] onmachtig was te betalen;

V. voor recht zal verklaren dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld dan wel heeft nagelaten bij de tenuitvoerlegging van een machtiging tot gijzeling door [eiser] niet binnen 87 uur na de vrijheidsbeneming voor de rechter te geleiden ter toetsing van de rechtmatigheid van de detentie/gijzeling op basis van de onderliggende strafbeschikking;

VI. voor recht zal verklaren dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld dan wel heeft nagelaten door [eiser] na de vrijheidsbeneming niet binnen zes uur te voorzien van rechtsbijstand door een advocaat;

VII. voor recht zal verklaren dat de Staat jegens [eiser] onrechtmatig tekort is geschoten in zijn zorgplicht als registerhouder van het kentekenregister door niet ervoor zorg te dragen dat het kentekenregister (basisregister) de feitelijk juiste gegevens bevat;

VIII. voor recht zal verklaren dat de Staat ten onrechte gegevens van [eiser] heeft verstrekt aan overheidsinstanties die op basis van die gegevens tot strafbeschikkingen zijn overgegaan, zonder geverifieerd te hebben of deze gegevens juist waren;

IX. de Staat zal veroordelen tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding van

€ 62.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2011,

althans de Staat te veroordelen tot een, door deskundigen nader vast te stellen

schadevergoeding, een en ander op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

X. de Staat zal veroordelen tot betaling van € 1.000 aan buitengerechtelijke incassokosten;

XI. de Staat zal veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

[eiser] legt samengevat het navolgende aan zijn vorderingen ten grondslag.

3.2.1.

[eiser] stelt dat hij, nu vaststaat dat met zijn gestolen rijbewijs zonder zijn toestemming kentekens op zijn naam zijn gesteld, jarenlang onrechtmatig is vervolgd op grond van de Wahv.

3.2.2.

De strafbeschikkingen zagen niet op overtredingen begaan tijdens verkeersdeelname met een motorvoertuig waarvan niet aanstonds kon worden vastgesteld wie de bestuurder was, maar slechts op grond van op willekeurige momenten gehouden registercontroles, waarbij van belang is dat de registers niet in alle gevallen een juiste weerspiegeling vormen van de werkelijkheid. Dit laatste is in strijd met elementaire (internationaal erkende) beginselen van het strafrecht, waaronder het beginsel dat een beroep op onschuld mogelijk moet zijn.

De wetgeving waarin de verzekeringsplicht en de keuringsplicht zijn opgenomen moeten dan ook nietig worden geacht.

3.2.3.

Daarbij komt dat de strafbeschikkingen zijn opgelegd zonder [eiser] in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze kenbaar te maken als bedoeld in artikel 4:8 van de Awb.

3.2.4.

[eiser] stelt voorts dat - in strijd met het bepaalde in artikel 430, derde lid, Rv - noch de rechterlijke machtigingen tot gijzeling, noch de gijzelingsbevelen aan hem zijn betekend. Er is hem dan ook niet aangezegd zijn verplichtingen binnen twee dagen na te komen. Deze beschikkingen zijn dan ook nietig. Daarbij komt dat de rechtmatigheid van de gijzelingen van [eiser] niet binnen 87 uur na tenuitvoerlegging door een onafhankelijke rechter is getoetst (vgl. EHRM 29 november 1988, “Brogan”, NJ 1989, 815) en dat [eiser] niet onmiddellijk na de beneming van zijn vrijheid in de gelegenheid is gesteld een advocaat te consulteren (vgl. EHRM 27 november 2008, “Salduz”, NJ 2009, 214), hetgeen te meer klemt, nu [eiser] onmachtig was te betalen.

3.2.5.

[eiser] stelt ten slotte (immateriële) schade te hebben geleden ten gevolge van het onrechtmatig handelen van de Staat. Hij stelt onder meer ongeveer drie maanden gegijzeld te zijn geweest en ongeveer 1.500 euro aan boeten te hebben betaald. Voorts stelt hij dat het hem ten gevolge van de onrechtmatige vervolging langdurig onmogelijk is gemaakt in het maatschappelijk verkeer te functioneren; hij is uitzendwerk kwijtgeraakt en heeft problemen met de uitkeringsinstanties gekregen. Hij stelt blijvende psychische schade te hebben opgelopen.

3.3.

De Staat voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] stelt de Staat aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad. De rechtbank begrijpt de vorderingen van [eiser] aldus, dat zij in de kern genomen erop neerkomen dat de onrechtmatigheid is gelegen in de omstandigheid dat [eiser] jarenlang boeten zijn opgelegd en dat hij bovendien in gijzeling is genomen op grond van overtredingen van de Wahv, ondanks dat in ieder geval vanaf de aangifte van vermissing van zijn rijbewijs op 4 december 1995 duidelijk was dat hij slachtoffer is van identiteitsfraude. Die identiteitsfraude was voor wat betreft de op zijn naam gestelde motorrijtuigen (in ieder geval deels) voorkomen, aldus [eiser] , indien dit rijbewijs direct na de aangifte ongeldig was verklaard (vgl. 3.2.1). Voorts is de onrechtmatigheid volgens [eiser] erin gelegen dat de procedures die hebben geleid tot bedoelde boeten en gijzeling en de procedures die de tenuitvoerlegging daarvan betreffen, in strijd zijn met fundamentele rechtsbeginselen (3.2.2 en 3.2.3), althans dat in die procedures wettelijke voorschriften en fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden (3.2.4).

Beroep op verjaring

4.2.

Het meest verstrekkende verweer van de Staat betreft zijn beroep op verjaring.

De Staat stelt dat [eiser] van meet af aan niet alleen bekend moet worden geacht te zijn geweest met de schade, maar ook met de volgens hem daarvoor aansprakelijke rechtspersoon, te weten de Staat. Om die reden stelt de Staat dat de vordering tot schadevergoeding van [eiser] is verjaard voor zover deze ziet op schade die zich meer dan vijf jaar vóór de eerste aansprakelijkheidstelling van 22 september 2014 heeft voorgedaan.

4.3.

Ingevolge artikel 3:310, eerste lid, BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde bekend is met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. De korte verjaringstermijn van vijf jaar begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van schade in te stellen en de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken (rechts)persoon.

4.4.

Op grond van de niet (voldoende gemotiveerd) weersproken stellingen van [eiser] stelt de rechtbank vast dat na de vermissing van het rijbewijs van [eiser] zowel vóór als na 4 december 1995 - de dag waarop [eiser] aangifte van die vermissing heeft gedaan - met gebruikmaking van dat rijbewijs kentekens op naam van [eiser] zijn gesteld, zonder dat [eiser] daarbij betrokken is geweest of daarvoor toestemming had gegeven. In totaal ging het om ongeveer dertig kentekens, terwijl vast staat dat de aan deze kentekens gekoppelde voertuigen niet in eigendom of op enige wijze in gebruik waren bij [eiser] . De laatste kentekenregistratie dateert van 15 december 1995. Vast staat dan ook dat [eiser] slachtoffer is geworden van identiteitsfraude.

4.5.

Voorts staat vast dat [eiser] op grond van de onder 4.1 genoemde kenteken-registraties op grond van de Wahv is beboet en vervolgens in gijzeling is genomen vanwege schending van de verplichting tot het afsluiten van een aansprakelijk-heidsverzekering motorrijtuigen voor op zijn naam gestelde motorrijtuigen waarvoor een kentekenbewijs was afgegeven (artikel 2 Wet aansprakelijkheids-verzekering motorrijtuigen) en vanwege schending van de verplichting een keuringsbewijs te verkrijgen voor op zijn naam gestelde motorrijtuigen (artikel 71 Wegenverkeerswet 1994).

4.6.

Uit de onder 2.1 aangehaalde aangifte volgt dat [eiser] medio november 1995 op de hoogte is geraakt van de eerste schade die het gevolg is van die identiteitsfraude; toen ontving hij immers de eerste acceptgiro’s met betrekking tot de op zijn naam gestelde kentekens. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] weliswaar medio november 1995 bekend werd met de (eerste) schade, maar dat hij toen nog onvoldoende feitelijke aanknopingspunten had voor het vaststellen van onrechtmatig handelen van de Staat en daarmee het bestaan van eventuele aansprakelijkheid van de Staat voor die schade (vgl. het oordeel onder 4.5 in het vonnis van deze rechtbank van 17 februari 2016 in de op dit punt vergelijkbare zaak van [A] tegen de Staat: ECLI:NL:RBDHA:2016:1579). De Staat - op wie in deze de stelplicht en bewijslast rust - heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan anders geoordeeld zou moeten worden. Evenmin heeft de Staat een (subsidiair) standpunt ingenomen over een later gelegen moment waarop [eiser] bekend moet zijn geworden met de persoon van de schuldenaar. De Staat heeft zijn beroep op verjaring dan ook onvoldoende gemotiveerd toegelicht. Bij die stand van zaken - waarbij de eerste feitelijke vaststellingen in deze zaak daterend van na eind 1995 de perikelen rond de gijzeling van [eiser] in 2011 betreffen - moet dan ook ervan worden uitgegaan dat ten tijde van de aansprakelijkheidsstelling van 22 september 2014 en de dagvaarding in deze zaak van 2 april 2015 de hier voor bedoelde vijf jaren nog niet waren verstreken en dat van verjaring dan ook geen sprake is.

De rechtbank verwerpt het beroep op verjaring.

Onrechtmatigheid van het systeem van boeteoplegging op grond van registercontrole

4.7.

Ten aanzien van de stellingen van [eiser] over de onrechtmatigheid van de wetgeving die ten grondslag ligt aan de procedures die hebben geleid tot bedoelde boeten (3.2.2.) overweegt de rechtbank als volgt. Met de Staat is de rechtbank van oordeel dat de vraag of het systeem van boeteoplegging op grond van registercontrole in strijd is met verdedigingsbeginsel reeds ontkennend is beantwoord door het EHRM. Verwezen wordt naar de onder 2.6 aangehaalde paragrafen 49 tot en met 53 van het arrest van het EHRM van 14 februari 2012, waarin ook (met name) overtredingen aan de orde waren die niet begaan waren tijdens verkeersdeelname.

4.8.

Daarbij komt dat de Hoge Raad in zijn arrest van 16 februari 2016 heeft geoordeeld dat de bevoegdheid tot sanctieoplegging op grond van de Wahv (met name ook die met betrekking tot de APK-keuring) niet is beperkt tot gevallen waarin, alvorens de sanctie wordt opgelegd, is onderzocht of sprake is van, al dan niet door de betrokkene naar voren gebrachte, bijzondere omstandigheden die een nadere beoordeling vergen (ECLI:NL:HR:2016:240). Hierop strandt ook het betoog van [eiser] dat invulling gegeven had moeten worden aan de hoorplicht van artikel 4:8 Awb, nog daargelaten de vraag of op deze hoorplicht niet de uitzondering van artikel 4:12 Awb van toepassing is.

De vorderingen onder (3.1) II en III zullen dan ook worden afgewezen.

Gijzeling

4.9.

Met de Staat is de rechtbank van oordeel dat de artikelen 430 en 591 Rv niet van toepassing zijn op gijzelingen opgelegd op grond van de Wahv. In die artikelen is kort gezegd bepaald dat een rechterlijke beslissing waarin uitvoerbaarheid bij lijfsdwang is toegestaan slechts mag worden tenuitvoergelegd na betekening aan de partij tegen wie de executie zich zal richten, vergezeld van een bevel tot nakoming. In artikel 28 van de Wahv is echter een speciale, met voldoende waarborgen omklede lijfsdwangregeling opgenomen, erop neerkomende dat de officier van justitie in geval dat verhaal van de boetebedragen na aanmaning niet mogelijk blijkt, bij de kantonrechter een machtiging tot gijzeling kan vorderen.

De kantonrechter beslist daarop niet zonder dat degene aan wie de sanctie(s) zijn opgelegd behoorlijk is opgeroepen (zo mogelijk op het GBA-adres of anders bij advertentie in een landelijk dagblad) teneinde diegene de mogelijkheid te bieden verweer tegen de gijzeling te voeren. Daarbij komt dat een gijzeling in geval van betalingsonmacht in een later stadium door een aangezochte rechter alsnog kan worden verboden.

Nu [eiser] niet (voldoende gemotiveerd) heeft aangevoerd dat deze lijfsdwangregeling in zijn geval niet correct is nageleefd, en dit ook anderszins niet is gebleken, dient ervan te worden uitgegaan dat dit wel het geval is geweest. Dat hij niet op de hoogte is geweest van de oproeping die vooraf is gegaan aan de gijzeling van begin 2011, kan heel wel verband houden met het gegeven dat [eiser] onder meer in de periode van 2 november 2009 tot en met 4 augustus 2010 niet met een woon- of briefadres in de Gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven. De vordering onder IV zal dan ook worden afgewezen.

4.10.

Reeds omdat ervan dient te worden uitgegaan dat de kantonrechter de vrijheidsbeneming van [eiser] vooraf heeft getoetst, komt [eiser] geen beroep toe op de rechtspraak van het EHRM waarin kort gezegd is bepaald dat in geval van vrijheidsbeneming van een verdachte uiterlijk binnen ongeveer drie dagen een rechterlijke toetsing dient plaats te vinden. Het geval waarin het door [eiser] aangehaalde arrest is gewezen (EHRM 29 november 1988, “Brogan”, NJ 1989, 815) zag namelijk op een geval waarin geen voorafgaande rechterlijke toetsing had plaatsgevonden. Daarbij komt dat ook na bedoelde voorafgaande toetsing van de kantonrechter - zoals eerder overwogen - een nadien aangezochte rechter op grond van bijzondere omstandigheden gijzeling alsnog kan verbieden. Een beroep op EHRM 27 november 2008 (“Salduz”, NJ 2009, 214) komt [eiser] voorts niet toe, omdat daarin slechts is geoordeeld over bijstand door een advocaat tijdens een politieverhoor, hetgeen onvoldoende raakvlakken heeft met het onderhavige geschil. De vorderingen onder V en VI zullen dan ook worden afgewezen.

Kentekenregisterbeheer

4.11.

Met de Staat is de rechtbank van oordeel dat de vorderingen onder VII en VIII
- waarin de Staat verwijten worden gemaakt ten aanzien van het beheer van het kentekenregister - reeds niet kunnen worden toegewezen omdat het beheer van dit register wordt gevoerd door de RDW die ingevolge artikel 4a, eerste lid, WVW (eigen) rechtspersoonlijkheid bezit. De vorderingen zijn dus tegen de verkeerde rechtspersoon gericht en zullen worden afgewezen.

Schending artikel 8 EVRM

4.12.

De rechtbank is voorts met [eiser] van oordeel dat, nu hij op 4 december 1995 aangifte heeft gedaan van vermissing van zijn rijbewijs en vast staat dat dit niet heeft geleid tot “swift administrative action to deprive the driving license of its usefulness as an identity document” (vgl. 2.6) en dat het uitblijven daarvan (de voorzetting van) de identiteitsfraude mogelijk heeft gemaakt (vgl. 4.4), sprake is van een onrechtmatige schending van een uit artikel 8 EVRM voortvloeiende positieve verplichting van de Staat ter waarborging van [eiser] ’s recht op privé-leven.

Schade

4.13.

De zojuist genoemde schending brengt met zich dat op de Staat een verplichting rust tot rechtsherstel. Gezien hetgeen onder 2.8 is opgenomen, gaan kennelijk (uiteindelijk) ook de RDW en de ABRvS hiervan uit, evenals de Staat zelf, nu de Staat op 25 april 2012 een groot aantal in 2008 en 2009 opgelegde sancties op nihil heeft gesteld en reeds betaalde boeten (waarvan de onderliggende boetebesluiten kennelijk formele rechtskracht toekwamen) aan [eiser] heeft terugbetaald. Bij gebreke van aanwijzingen van het tegendeel dient ervan te worden uitgegaan dat de achteraf op nihil gestelde boeten destijds de feitelijke grondslag hebben gevormd voor de machtiging tot gijzeling op grond waarvan [eiser] begin 2011 gegijzeld is geweest. Daarbij komt dat bedoelde nihilstelling impliceert - en de Staat heeft ook niet anders betoogd - dat de betrokken boeten verband houden met kentekenregistraties die voorkomen hadden kunnen worden indien swift administrative action was gevolgd op de onder 2.1 bedoelde aangifte.

De rechtbank is met de Staat van oordeel dat van de rechtmatigheid van de door de kantonrechter afgegeven machtiging moet worden uitgegaan. Niet uit het oog dient echter te worden verloren dat in de onderhavige zaak de onrechtmatigheid niet ziet op de inhoud of totstandkoming van deze machtiging (geen schadeplicht op grond van onrechtmatige rechtspraak dus), maar op schending van artikel 8 EVRM in 1995 waarvan (de machtiging en) gijzeling het schadelijk gevolg zijn.

4.14.

De zwaarwegende verplichting van de Staat tot rechtsherstel bij schending van fundamentele rechtsbeginselen die in dit geval dus ook door de ABRvS en de Staat zelf is onderschreven, nopen tot vergoeding van schade ten aanzien van de in gijzeling doorgebrachte dagen naar analogie van de “gebleken onschuld-jurisprudentie”. Nu de tenaamstelling van voertuigen die op naam van [eiser] geregistreerd zijn geweest, vanwege de schending van artikel 8 EVRM met terugwerkende kracht vervallen zijn verklaard, is immers de rechtvaardiging komen te ontvallen aan niet alleen het opleggen van de betrokken boeten, maar ook aan het gebruik van de op grond van deze boeten verkregen machtiging tot gijzeling.

4.15.

Uit de door de Staat in het geding gebrachte detentieregistratiekaart - waarin gegevens zijn opgenomen die teruggaan tot 2001 - blijkt van achttien dagen gijzeling in de gevangenis [plaats] vanwege niet betaling van bedoelde boeten.

De stellingen van [eiser] bevatten geen enkel aanknopingspunt ervoor dat hij meer dagen gegijzeld is geweest. Dat, zoals namens [eiser] ter comparitie naar voren is gebracht, dagen doorgebracht in politiecellen tot en met 2005 niet zouden zijn geregistreerd, brengt, als hiervan al zou moeten worden uitgegaan, namelijk nog niet zonder meer met zich dat van de door [eiser] gestelde totale gijzelingsduur van drie maanden kan worden uitgegaan. De rechtbank zal dan ook van 18 dagen gijzeling uitgaan. Voor de hoogte van de schade ten gevolge van de in gijzeling doorgebrachte dagen zoekt de rechtbank aansluiting bij het door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht bepaalde vaste bedrag voor ten onrechte ondergane detentie in een huis van bewaring, te weten € 80 per dag. Deze schade wordt dan ook begroot op (€ 80 x 18 =) € 1.440, te vermeerderen met de niet bestreden wettelijke rente vanaf 11 februari 2011.

4.16.

Op grond van door de Staat verstrekte gegevens staat vast dat [eiser] € 1.293,79 aan het CJIB heeft betaald vanwege in 2008 en 2009 opgelegde boeten. Dit bedrag is hem in de periode van 7 maart 2012 tot en met 25 april 2013 terugbetaald.

De stellingen van [eiser] bevatten geen enkel aanknopingspunt ervoor dat hij een hoger totaalbedrag - namelijk de door hem gestelde € 1.500 - aan boeten heeft betaald. De rechtbank moet het dan ook ervoor houden dat alle door hem werkelijk betaalde boetebedragen zijn terugbetaald.

4.17.

Voor vergoeding van overige schade bestaat geen grond, nu [eiser] , zoals de Staat ook heeft benadrukt, het door hem gestelde verlies van uitzendwerk, de door hem gestelde problemen met uitkeringsinstantie en de door hem gestelde psychische schade op geen enkele wijze heeft toegelicht. Hetzelfde geldt voor het causaal verband tussen deze gestelde omstandigheden en de onder 4.12 bedoelde schending.

4.18.

De Staat beroept zich op eigen schuld van [eiser] . De Staat stelt dat [eiser] de problemen kennelijk tot 2011 genegeerd heeft, althans niet op adequate wijze heeft aangepakt door onder meer niet de rechtsmiddelen op grond van de Wahv aan te wenden. Ook heeft hij de verplichting om permanent met een adres ingeschreven te staan in de GBA (thans: BRP) geschonden. De rechtbank verwerpt dit beroep. [eiser] heeft, toen de problemen begonnen in november 1995, aangifte gedaan van vermissing van zijn rijbewijs, aan welke aangifte - zo blijkt uit het onder 2.6 aangehaalde arrest van het EHRM - niet de juiste administratieve gevolgen zijn gegeven. [eiser] kan dan ook niet tegengeworpen worden dat hij op dat moment onvoldoende heeft gedaan (vgl. ook overweging 42 uit dit arrest). Voor het overige heeft de Staat niet concreet toegelicht welke rechtsmiddelen wanneer tot schadebeperking zouden hebben geleid en tot op welke hoogte. Dit klemt te meer nu niet direct aanleiding is te veronderstellen dat in de periode vóór het arrest van het EHRM van 14 februari 2012 de RDW en (uiteindelijk) ABRvS bewogen hadden kunnen worden tot het met terugwerkende kracht vervallen laten verklaren van de tenaamstelling van voertuigen die op naam van [eiser] geregistreerd zijn geweest en evenmin aanleiding is te veronderstellen dat de kantonrechter in 2011 de machtiging tot gijzeling achterwege zou hebben gelaten op grond van de onder 4.12 bedoelde schending van artikel 8 EVRM.

4.19.

Nu de rechtbank de schade van [eiser] in deze procedure heeft kunnen begroten

- zoals overigens ook primair onder IX is gevorderd - komt de rechtbank niet toe aan en bestaat evenmin noodzaak tot de (subsidiair gevorderde) benoeming van een deskundige ter begroting van de schade en/of verwijzing naar de schadestaat-procedure.

Prejudiciële vragen

4.20.

Voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad bestaat gezien het voorgaande - mede gezien zijn onder 4.8 genoemde arrest - geen noodzaak. Het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie ontbeert eveneens noodzaak, waarbij meeweegt dat in de onderhavige zaak niet het ten uitvoer brengen van het recht van de Unie (zoals bedoeld in artikel 51 van het Handvest van de EU) aan de orde is. [eiser] heeft zich overigens ook niet beroepen op (de inhoud van recente) strafvorderlijke richtlijnen.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.21.

Bij gebreke van enige onderbouwing zal de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. Niet gebleken is dat in aanloop naar deze procedure meer werkzaamheden zijn verricht dan het versturen van de onder 2.9 genoemde brieven van 22 september 2014 en 16 april 2015.

Proceskosten

4.22.

De rechtbank is van oordeel dat de Staat, ondanks dat een groot deel van het door [eiser] gevorderde zal worden afgewezen, gezien de aard van de onrechtmatigheid

- schending van een fundamenteel recht - dient te worden veroordeeld in de kosten van dit geding. De aan de zijde van [eiser] , die op toevoeging procedeert, tot op heden gevallen kosten worden begroot op € 940,19 (€ 94,19 aan kosten dagvaarding aan de griffier te voldoen, € 78 aan griffierecht en € 768 aan salaris advocaat (uitgaande van het toe te wijzen bedrag; twee punten tegen tarief I van

€ 384 per punt)).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt de Staat tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 1.400, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2011 tot de dag van volledig betaling;

5.2.

veroordeelt de Staat in de kosten van dit geding aan de zijde van [eiser] gevallen en tot op heden begroot op € 940,19, waarvan aan [eiser] te voldoen € 846 en, na ontvangst van een nota, aan de griffier van deze rechtbank te voldoen € 94,19;

5.3.

verklaart de onder 5.1 en 5.2 opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2016.