Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4160

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-04-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
C/09/484369 / HA ZA 15-287
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hinder - lichthinder - richtlijn NSVV

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/484369 / HA ZA 15-287

Vonnis van 20 april 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat: mr. S.V. Mewa te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STADSPODIA LEIDEN B.V.,

gevestigd te Leiden,

gedaagde,

advocaat: mr. R.E. van de Hoef te Almere.

Partijen zullen hierna [eiser] en Stadspodia genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 3 maart 2015 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 20 mei 2016, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 19 juni 2015, gehouden in de woning van [eiser] ;

  • -

    de akte uitlaten met producties zijdens Stadspodia;

  • -

    de antwoordakte zijdens [eiser] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] woont op het adres [adres] in het centrum van Leiden in een (koop)woning gelegen op de eerste verdieping van een appartementencomplex. [eiser] is werkzaam als zzp-er en werkt (doorgaans) thuis. Zijn woon-werkkamer is aan de straatkant gelegen.

2.2.

Stadspodia exploiteert de Stadsgehoorzaal in Leiden. De Stadsgehoorzaal is direct tegenover de woning van [eiser] gelegen, op het adres Breestraat 60. De Breestraat scheidt de woning van [eiser] en de Stadsgehoorzaal en is ongeveer 12 meter breed.

2.3.

Op 17 juli 2013 heeft Stadspodia een aanvraag ingediend bij de Gemeente Leiden (hierna: de gemeente) voor het – naar de straat gericht – plaatsen van 4 LCD beeldschermen achter de ramen van de Stadsgehoorzaal, waarop ten behoeve van de Stadsgehoorzaal reclame-uitingen zullen worden vertoond. Het betreft beeldschermen van het merk Samsung, type UE55F6400, met een omvang van 126,08 cm in de hoogte en 74,24 cm in de breedte. De gemeente heeft deze aanvraag goedgekeurd.

2.4.

In september 2013 heeft Stadspodia de beeldschermen geplaatst. Een tweetal beeldschermen is, naast elkaar, geplaatst op de begane grond van de Stadsgehoorzaal, direct tegenover de woning van [eiser] , met dien verstande dat de woning van [eiser] op de eerste verdieping gelegen is. Vanaf dat moment stonden de schermen ongeveer 14 uur per dag aan. De beelden op de beeldschermen wisselden aanvankelijk elke 2 á 3 seconden (wisselfrequentie).

2.5.

Bij e-mail van 23 september 2013 heeft [eiser] aan Stadspodia meegedeeld buitengewoon veel hinder te ondervinden van de beeldschermen en Stadspodia verzocht deze tussen 20.00 uur en 12.00 uur uit te schakelen. Stadspodia heeft daarop bij e-mail van 24 september 2013 aangeboden de beeldschermen doordeweeks tussen 23.00 uur en 9.00 uur en eventueel in het weekend tussen 23.00 uur en 10.00 uur uit te schakelen.

2.6.

Stadspodia heeft de beeldschermen sindsdien dagelijks tussen 24.00 uur en 10.00 uur uitgeschakeld. Daarnaast heeft zij de helderheid van de beeldschermen verminderd en de wisselfrequentie verminderd tot 5 seconden. Bij e-mails van 16 oktober 2013 en 24 november 2013 heeft [eiser] aan Stadspodia meegedeeld dat de door hem ervaren overlast daardoor onvoldoende is verminderd en Stadspodia verzocht verdergaande maatregelen te treffen.

2.7.

Bij e-mail van 25 november 2013 heeft Stadspodia aan [eiser] verklaard dat zij van mening is voldoende aan de bezwaren van [eiser] tegemoet te zijn gekomen en geen verdere maatregel te zullen treffen.

2.8.

In de periode 2 december 2013 tot en met omstreeks 23 december 2013 hebben de beeldschermen 24 uur per dag aangestaan. Sindsdien waren de beeldschermen in de winter ingeschakeld van 9.00 uur tot 23.00 uur en in de zomer van 10.00 uur tot 24.00 uur. De wisselfrequentie bedroeg 6 à 7 seconden. De beeldschermen zijn inmiddels door Stadspodia verwijderd in afwachting van deze procedure.

2.9.

De Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde heeft in 2004 een richtlijn uitgebracht met aanbevelingen over lichthinder (hierna: Richtlijn NSVV 2004). Daarin is – voor zover thans relevant – het volgende bepaald:

“(…)

3.5

Aanbevelingen en grenswaarden

3.5.1.

Omwonenden

(…)

Tabel 1 Grenswaarden voor de lichtemissie van een verlichtingsinstallatie voor reclamedoeleinden, ter voorkoming van lichthinder voor omwonenden

te hanteren parameter

toepassing-

condities

E1

natuurgebied

E2

landelijk gebied

E3

stedelijk

gebied

E4

stadscentrum/

industriegebied

verlichtings-

sterkte Eᵥ op de gevel

dag en avond

07:00 – 23:00

2 lux

5 lux

10 lux

25 lux

nacht

23:00 – 07:00

1 lux

1 lux

2 lux

5 lux

lichtsterkte

I (cd) van elk armatuur

dag en avond

07:00 – 23:00

2500 cd

7500 cd

10 000 cd

25 000 cd

nacht

23:00 – 07:00

0 cd

500 cd

1000 cd

2500 cd

Tabel 2 Grenswaarden voor de maximaal toegestane gemiddelde oppervlakteluminantie van reclameborden en -objecten

lichttechnische parameter

E1

E2

E3

E4

gemiddelde luminantie reclamebord of object met oppervlak < 0,5 m² (Ls)

60 cd/m²

500 cd/m²

1000 cd/m²

1200 cd/m²

idem met oppervlak

0,5 m² – 10 m²

50 cd/m²

400 cd/m²

800 cd/m²

1000 cd/m²

idem met oppervlak

> 10 m²

40 cd/m²

300 cd/m

600 cd/m²

800 cd/m²

(…)

Het gebruik van wisselende effecten door middel van verandering van kleur, richting en/of intensiteit is niet acceptabel in de zones E1 en E2. In zone E3 zijn overvloeiende effecten voor verschillende kleuren toegestaan indien de luminanties ervan nagenoeg gelijk blijven. Knipperen is acceptabel in een frequentie die niet interfererend is met (verkeers)signalering en die bij voorkeur lager is dan 1 Hz. (…)”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht wordt verklaard dat Stadspodia onrechtmatig handelt jegens [eiser] ;

  2. danwel voor recht wordt verklaard dat sprake is van hinder jegens [eiser] ex artikel 5:37 BW,

  3. voor recht wordt verklaard dat Stadspodia misbruik maakt van haar bevoegdheid ex 3:13 BW jegens [eiser] ;

  4. Stadspodia wordt veroordeeld de lichthinder teniet te doen door deugdelijke maatregelen te treffen door het verwijderen van de beeldschermen, danwel deze te verplaatsen, danwel de beeldschermen:

a. slechts in te schakelen van 11.00 uur tot 17.00 uur op maandag, dinsdag, woensdag, vrijdag en zaterdag;

b. slechts in te schakelen van 11.00 uur tot 21.00 uur op donderdag;

c. niet in te schakelen op zondag;

5. Stadspodia wordt veroordeeld in de proceskosten, alsmede de buitengerechtelijke kosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening.

3.2.

[eiser] stelt daartoe – kort gezegd – het volgende. De lichtoverlast in zijn appartement als gevolg van de beeldschermen van Stadspodia is dusdanig dat sprake is van onrechtmatige hinder in de zin van 5:37 BW. Daarnaast is ook op grond van artikel 6:162 BW sprake van onrechtmatige hinder. Voorts maakt Stadspodia misbruik van haar eigendomsrecht door de beeldschermen te gebruiken zoals zij doet, omdat haar belang daarbij niet opweegt tegen het belang van [eiser] bij ongestoord woon- en werkgenot. Tot slot beroept [eiser] zich op artikel 10 Grondwet en artikel 8 EVRM. [eiser] lijdt schade in de vorm van verminderd woon- en werkgenot.

3.3.

Stadspodia voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In de kern komt het onderhavige geschil neer op de vraag of Stadspodia onrechtmatig handelt jegens [eiser] doordat een tweetal aan Stadspodia toebehorende beeldschermen licht uitstraalt richting de woning van [eiser] . [eiser] grondt zijn vorderingen op een drietal grondslagen (onrechtmatige hinder, onrechtmatige daad, misbruik van bevoegdheid) die allen, indien juist, tot de conclusie leiden dat Stadspodia onrechtmatig handelt jegens [eiser] . Daarbij overweegt de rechtbank dat artikel 10 Grondwet en artikel 8 EVRM, anders dan [eiser] kennelijk betoogt, geen afzonderlijke grondslag bieden voor de vorderingen van [eiser] ; een schending van de in die artikelen neergelegde rechten leidt in een voorkomend geval tot een onrechtmatige daad, of, meer specifiek, tot onrechtmatige hinder. De rechtbank zal het beroep van [eiser] op die artikelen dan ook betrekken bij de beantwoording van de vraag of Stadspodia onrechtmatig jegens hem handelt. De rechtbank zal eerst het standpunt van [eiser] dat sprake is van onrechtmatige hinder bespreken, nu die grondslag het meest is toegespitst op de onderhavige situatie.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] (in meer of mindere mate) hinder ondervindt als gevolg van de beeldschermen van Stadspodia. Evenmin is in geschil dat men binnen zekere grenzen de hinder moeten dulden die een ander door het gebruik van zijn eigen zaak veroorzaakt. Het geschil spitst zich daarmee eerst toe op de vraag of de door Stadspodia veroorzaakte lichthinder die grenzen overschrijdt en daarom als onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW moet worden beschouwd. Het antwoord op die vraag hangt af van de aard, de ernst en de duur van de hinder, en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval (vgl. HR 21 oktober 2005, NJ 2006, 418). Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op [eiser] de stelplicht – en bij voldoende betwisting de bewijslast – van zijn stelling dat de door Stadspodia veroorzaakte lichthinder de grenzen van hetgeen hij dient te dulden overschrijdt, nu hij zich op de rechtsgevolgen van die stelling beroept.

4.3.

De comparitie in de woning van [eiser] vond plaats op een zonnige ochtend in juni en de rechtbank heeft dan ook niet zelf kunnen vaststellen dat de beeldschermen tot hinder leiden in de woning van [eiser] . De rechtbank twijfelt er echter niet aan dat [eiser] (subjectieve) hinder ondervindt in zijn woning als gevolg van de beeldschermen, met name in de wintermaanden, als de beeldschermen in de schemering en avond wisselende beelden uitstralen. Dat geldt te meer nu [eiser] veelal thuis werkt aan zijn werktafel bij het raam aan de straatzijde en hij vaak in de stoelen zit die ook bij het raam aan de straatzijde staan. [eiser] heeft geen vitrage en nogal lichtdoorschijnende gordijnen. Voor zover [eiser] echter betoogt dat op grond van de genoemde omstandigheden al sprake is van onrechtmatige hinder, slaagt dat standpunt niet. Het ervaren van hinder is naar zijn aard een sterk subjectieve beleving. Van onrechtmatige hinder zal echter eerst sprake zijn indien het onrechtmatige karakter van die hinder op enige wijze objectief kan worden vastgesteld. Subjectieve omstandigheden, zoals de specifieke wooninrichting van [eiser] kunnen daarbij dus niet doorslaggevend zijn. Relevant kan wel zijn de specifieke woonomgeving, omdat die omstandigheid inkleurt welke mate van hinder nog toelaatbaar kan zijn en welke niet hoeft te worden geduld. In dat kader is de Richtlijn NSVV 2004 relevant, die weliswaar slechts aanbevelingen bevat, maar wel objectieve aanknopingspunten biedt voor de beoordeling of een bepaald lichteffect toelaatbaar is of niet.

4.4.

Voor wat betreft de aard van de hinder is de rechtbank met [eiser] van oordeel dat aangenomen kan worden dat een steeds wisselend beeld meer hinder veroorzaakt dan een stationair beeld, omdat daardoor telkens opnieuw de aandacht wordt getrokken. De vraag is hoe de beleving van die hinder geobjectiveerd kan worden. [eiser] heeft in dat verband verwezen naar hetgeen in de Richtlijn NSVV 2004 staat vermeld (zie 2.9) over wisselende lichteffecten in stedelijk gebied (zone E3). In die zone zijn overvloeiende effecten voor verschillende kleuren slechts toegestaan indien de luminanties ervan nagenoeg gelijk blijven. Uit de Richtlijn NSVV 2004 volgt echter impliciet dat er geen bezwaren zijn tegen wisselende effecten in een stadscentrum (zone E4). De Richtlijn NSVV 2004 definieert de verschillende zones verder niet. Stadspodia heeft aangevoerd dat de Breestraat als (onderdeel van het Leidse) stadscentrum moet worden gekwalificeerd, gelet op het aantal restaurants en cafés dat daaraan gelegen is. [eiser] heeft in dat verband gesteld dat niet per se sprake hoeft te zijn van een stadscentrum, maar dat waarschijnlijk (slechts) sprake is van een stedelijk gebied, zonder dat nader te onderbouwen. Die nadere onderbouwing mocht wel van hem worden verlangd, nu hij zich beroept op de strengere voorwaarden die in de Richtlijn NSVV 2004 zijn geformuleerd voor een stedelijk gebied.

Indien het er voor wordt gehouden dat de Breestraat als stadscentrum moet worden gekwalificeerd, geldt dat er op grond van de Richtlijn NSVV 2004 geen bezwaren zijn tegen de wisselende lichteffecten. Als de Breestraat als stedelijk gebied (zone E3) wordt gekwalificeerd, geldt dat [eiser] niet concreet heeft onderbouwd dat niet binnen de aanbevelingen uit de Richtlijn NSVV 2004 wordt gebleven. De aanbevelingen daarover luiden:

In zone E3 zijn overvloeiende effecten voor verschillende kleuren toegestaan indien de luminanties ervan nagenoeg gelijk blijven. Knipperen is acceptabel in een frequentie die niet interfererend is met (verkeers)signalering en die bij voorkeur lager is dan 1 Hz.

[eiser] heeft niets concreets gesteld over overvloeiende effecten van de beelden. Ter comparitie heeft [eiser] bevestigd dat het gaat om reclamebeelden die elke 6 á 7 seconden wisselen. Daaruit volgt niet dat sprake is van overvloeiende effecten in de zin van de richtlijn. De wisselfrequentie van 6 á 7 seconden is bovendien ruim lager dan de voor ‘knipperen’ geldende voorkeurswaarde van 1 Hz (wisselfrequentie per seconde) uit de richtlijn.

4.5.

[eiser] heeft daarnaast niet concreet gesteld dat de felheid van het uitgestraalde licht van de beeldschermen in strijd is met de in voormelde richtlijn geformuleerde grenswaarden, ook niet nadat Stadspodia gemotiveerd betoogd heeft dat die grenswaarden door het licht van de beeldschermen niet worden overschreden. Volgens de Richtlijn NVSS 2004 bedraagt de maximale oppervlakteluminantie in een stadscentrum, afhankelijk van het oppervlak van het reclameobject, 800, 1000 of 1200 Candela per vierkante meter, voor een stedelijk gebied is dat respectievelijk 600, 800 of 1000 Candela per vierkante meter. Hoewel Stadspodia de maximale helderheid van de onderhavige schermen niet heeft kunnen achterhalen, heeft zij onderbouwd gesteld dat de beeldschermen consumentenbeeldschermen zijn die een maximale helderheid hebben van 100 Candela per vierkante meter. Die stelling is door [eiser] onvoldoende weersproken, zodat van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan. Bovendien staat tussen partijen als onweersproken vast dat de beeldschermen niet ingesteld staan op de maximale helderheid, maar dat die helderheid reeds door Stadspodia is teruggebracht tot 50%. Ook met inachtneming van het feit dat er twee beeldschermen naast elkaar zijn geplaatst, houdt de rechtbank het er daarom, bij gebrek aan aanwijzingen voor het tegendeel, voor dat de grenswaarden van de Richtlijn NVSS 2004 voor oppervlakteluminantie niet worden overschreden. [eiser] heeft evenmin concreet gesteld dat de grenswaarden voor de lichtemissie in de dag-, avond- en nachtperiode worden overschreden.

4.6.

Hoewel de rechtbank met [eiser] vaststelt dat Stadspodia heeft nagelaten, ondanks haar toezegging daartoe ter comparitie, de nieuwste richtlijn van de NSVV, die, net als de Richtlijn NSVV 2004, het karakter van een aanbeveling heeft, in het geding te brengen, kan dat [eiser] niet baten, nu hij niet heeft gesteld dat voormelde grenswaarden in die nieuwe richtlijn aanzienlijk zouden zijn verlaagd of op enige andere wijze heeft onderbouwd dat het uitgestraalde licht van de beeldschermen wel in strijd is met die richtlijn. Zoals onder 4.2 voorop is gesteld rust de stelplicht van het onrechtmatige karakter van de lichthinder immers op [eiser] .

4.7.

Ook de door [eiser] overgelegde foto’s van de beeldschermen onderbouwen de door [eiser] gestelde ernst van de lichthinder niet. De kwaliteit van de foto’s laat niet toe dat daaruit méér wordt geconcludeerd dan dat de beeldschermen licht uitstralen, welk licht kennelijk niet aanzienlijk feller is dan het licht van de afgebeelde lantaarnpaal. Over die lichtbron klaagt [eiser] echter niet. Uit die foto’s blijkt verder niet in welke mate de woning van [eiser] door de schermen wordt verlicht. [eiser] heeft daarover desgevraagd ter comparitie verklaard dat zijn woonkamer aan de straatkant van zijn woning niet door het licht van de beeldschermen wordt verlicht. Gelet op die verklaring is de hoeveelheid licht die de woning van [eiser] bereikt kennelijk beperkt, hetgeen, met de in 4.3 - 4.6. besproken omstandigheden in samenhang bezien, in de weg staat aan de conclusie dat die lichtinval door [eiser] niet hoeft te worden geduld.

4.8.

Dat de hinder zich elke dag van de week voordoet en in beginsel niet van tijdelijke aard is, maakt dit, gelet op de beperkte ernst van de hinder, niet anders. Dit geldt temeer nu de beeldschermen gedurende het grootste gedeelte van de nacht – door de NSVV gedefinieerd als de tijd tussen 23.00 en 7.00 uur – uitgeschakeld zijn en niet vastgesteld kan worden dat de grenswaarden uit de Richtlijn NVSS 2004 voor de nachtperiode zijn overschreden. De door [eiser] gestelde schade als gevolg van de hinder is voorts onvoldoende onderbouwd, zodat daaraan geen doorslaggevend gewicht kan toekomen.

4.9.

Daar komt bij dat Stadspodia gemotiveerd betoogt dat zij een gerechtvaardigd belang heeft bij het maken van reclame middels de beeldschermen. Hoewel [eiser] stelt dat slechts weinig publiek de Stadsgehoorzaal passeert, heeft hij niet weersproken dat per dag zo’n 800 passagiersbussen stapvoets langs de Stadsgehoorzaal rijden. De beeldschermen hebben daarmee een aanzienlijk commercieel bereik. De rechtbank stelt vast dat Stadspodia belang heeft bij het maken van reclame op die locatie en weegt dit belang daarom mee.

4.10.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat niet op grond van objectieve maatstaven kan worden vastgesteld dat van onrechtmatige hinder sprake is. Niet is vast komen te staan dat de hoeveelheid licht of de wisselfrequentie in strijd is met de objectieve normen zoals die zijn neergelegd in de Richtlijn NSVV 2004. Evenmin is vast komen te staan dat de ervaren hinder desalniettemin dusdanig ernstig is dat die niet door [eiser] hoeft te worden geduld, terwijl Stadspodia een gerechtvaardigd belang heeft bij het voortzetten van deze vorm van reclame, dat wil zeggen met inbegrip van de hiervoor besproken (afzwakkende) aanpassingen in wisselfrequentie (6 á 7 seconden) en lichtsterkte (50 %) die Stadspodia heeft doorgevoerd.

4.11.

De rechtbank beantwoordt de vraag of sprake is van een onrechtmatige daad (in algemene zin) eveneens afwijzend. De rechtbank stelt vast dat het betoog van [eiser] op dat punt niet wezenlijk verschilt van hetgeen hij heeft betoogd met betrekking tot de gestelde onrechtmatige hinder. Nu in de beoordeling of sprake is van onrechtmatige hinder reeds een toets aan artikel 6:162 BW besloten ligt (5:37 BW), slaagt dit standpunt, gelet op het hiervoor overwogene, niet. Het expliciete beroep van [eiser] op de in artikel 10 Grondwet en artikel 8 EVRM neergelegde grondrechten maakt dit niet anders. Die rechten hebben geen absoluut karakter (vgl. Gerechtshof Den Haag, 3 februari 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:72). In geschillen tussen private partijen als hier aan de orde werken die grondrechten slechts in zoverre door dat zij invulling geven aan de open normen die door de rechter worden gehanteerd, zoals in dit geval bij de vraag of het handelen van Stadspodia als onrechtmatig moet worden beschouwd. Bij die beoordeling is vanzelfsprekend uitgangspunt dat [eiser] een zeker recht heeft op ongestoord woongenot; in die zin werken de artikelen 10 Grondwet en 8 EVRM door in dit geschil. Dat doet er echter niet aan af dat niet iedere verstoring van het woongenot als onrechtmatig moet worden gekwalificeerd; daarvan is eerst sprake indien de onder 4.2 vooropgestelde norm daartoe aanleiding geeft. Dat is niet het geval.

4.12.

Voor wat betreft de gestelde incorrecte bejegening en het verlichten van de Stadsgehoorzaal in mei 2014 (sub 6.3 van dagvaarding) geldt dat niet onbegrijpelijk is dat [eiser] zich hieraan heeft gestoord, maar dat dit gelet op het incidentele karakter niet kan leiden tot toewijzing van de vordering.

4.13.

[eiser] stelt tot slot dat Stadspodia misbruik maakt van een haar toekomende bevoegdheid, nu zij in redelijkheid niet tot deze uitoefening van haar eigendomsrecht kon komen. Ook dit betoog faalt. Zoals gezegd heeft Stadspodia een gerechtvaardigd belang bij het adverteren op deze wijze. Daarnaast heeft zij een algemeen belang bij het naar eigen inzicht uitoefenen van haar eigendomsrecht. Van onevenredigheid tussen die belangen van Stadspodia en de mate waarin het belang van [eiser] bij een ongestoord woongenot geschaad wordt, is onvoldoende gebleken. De vorderingen van [eiser] zijn dan ook niet toewijsbaar.

4.14.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Stadspodia worden begroot op:

- griffierecht 613,00

- salaris advocaat 1.130,00 (2,5 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.743,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Stadspodia tot op heden begroot op € 1.743,00,

5.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.A.M. Kroft en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2016.1

1 type: 2432 coll: