Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4119

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-04-2016
Datum publicatie
06-07-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 430
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2016:3284, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

In geschil is of met betrekking tot de door eiser verrichte (. . .)activiteiten sprake is van een bron van inkomen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of uit de activiteiten redelijkerwijs een voordeel was te verwachten. Aangezien eiser sinds de start van de activiteiten daarmee in geen enkel jaar een positief resultaat heeft behaald, zo ook niet in het onderhavige jaar, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat eiser de feiten en omstandigheden aannemelijk dient te maken die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een objectieve voordeelsverwachting.

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in de toekomst uit de activiteiten een positieve opbrengst is te verwachten. In het onderhavige jaar is er geen sprake van een objectieve voordeelsverwachting. De activiteiten vormen derhalve geen bron van inkomen en het negatieve resultaat daaruit kan mitsdien niet in aanmerking worden genomen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1523
V-N 2016/41.2.3
FutD 2016-1723
NTFR 2016/1947 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 16/430

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

7 april 2016 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats] , verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 14 december 2015 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2012 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.017.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2016.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon A] .

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser is actief als [beroep] . In mei 2006 heeft hij een uitgeverij opgericht (de uitgeverij). De uitgeverij heeft een aantal boeken uitgebracht.

2. In de periode van 2006 tot en met 2014 heeft eiser met de uitgeversactiviteiten de navolgende resultaten behaald:

Omzet

Kosten

Resultaat

2006

655

12.028

-/- 11.373

2007

541

35.344

-/- 34.515

2008

38

19.820

-/- 19.782

2009

0

24.972

-/- 24.972

2010

0

6.764

-/- 6.764

2011

34

6.024

-/- 6.000

2012

195

16.672

-/- 16.477

2013

0

0

0

2014

1.547

17.022

-/- 15.475

3. In september 2009 is bij eiser een boekenonderzoek ingesteld waarbij (onder meer) de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2004 tot en met 2008 is beoordeeld. Ten aanzien van de uitgeversactiviteiten is bij verweerder ernstige twijfel gerezen omtrent het redelijkerwijs te verwachten voordeel. Met eiser is overeengekomen dat de uitgeversactiviteiten met ingang van 1 januari 2010 niet langer als een bron van inkomen zullen worden beschouwd.

4. Bij de vaststelling van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2010 is niettemin het resultaat uit 2010 als verlies geaccepteerd, echter onder de uitdrukkelijke mededeling dat de activiteiten met ingang van 2012 niet langer als bron van inkomen worden beschouwd.

5. Eiser heeft over het jaar 2012 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.517. In de aangifte is opgenomen dat een verlies uit onderneming is gerealiseerd van € 14.500. Bij de aanslagregeling is het belastbaar inkomen uit werk en woning € 14.500 hoger, te weten op € 24.017, vastgesteld.

6. In geschil is of met betrekking tot de door eiser verrichte uitgeversactiviteiten sprake is van een bron van inkomen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of uit de activiteiten redelijkerwijs een voordeel was te verwachten.

7. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een bron van inkomen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat financieel bezien de uitgeverij weliswaar een slechtlopende onderneming is, maar dat, gelet op de statuur van de [beroep] , de aard van de uitgegeven werken en het maatschappelijk belang daarvan, de activiteiten beschouwd moeten worden als een bron van inkomen. Daarnaast is eiser van mening dat de termijn om aan te tonen dat winst kan worden gerealiseerd, onderbroken is geweest wegens beslagleggingen op zijn bankrekeningen en voormalige woning. Verweerder dient eiser dan ook een langere termijn te gunnen om aannemelijk te maken dat met de activiteiten wel degelijk voordeel kan worden behaald.

8. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op het feit dat er geen redelijke verwachting bestaat dat positieve resultaten behaald zullen worden, de uitgeversactiviteiten geen bron van inkomen vormen. Voorts stelt verweerder dat het inkomen eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. Volgens verweerder is bij de vaststelling van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen de waarde van eisers voormalige eigen woning dan wel de vordering in verband met de verkoop van die woning namelijk ten onrechte niet in aanmerking genomen. In dat verband heeft verweerder, mochten de grieven van eiser slagen, een beroep op interne compensatie gedaan.

9. Volgens vaste jurisprudentie worden als uitgangspunt de volgende drie algemene voorwaarden gesteld aan een bron van inkomen: deelname aan het economische verkeer, het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen, en de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs - in de toekomst - kan worden behaald.

10. Niet in geschil is dat de activiteiten in het economisch verkeer hebben plaatsgevonden en dat eiser het oogmerk had om daarmee voordeel te behalen.

11. Voor de beantwoording van de vraag of een voordeel redelijkerwijs is te verwachten, dient te worden onderzocht of de desbetreffende activiteiten voorzienbaar blijvend verliesgevend zijn, dan wel dat redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij de desbetreffende persoon (in de toekomst) positieve zuivere opbrengsten zullen opleveren (vgl. Hoge Raad 3 maart 1954, nr. 11.683, ECLI:NL:HR:1954:AY2826, Hoge Raad
1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8763 en Hoge Raad 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6821). De vraag of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting, moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen ook licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen (vgl. HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707).

12. Aangezien eiser sinds de start van de activiteiten daarmee in geen enkel jaar een positief resultaat heeft behaald, zo ook niet in het onderhavige jaar, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat eiser de feiten en omstandigheden aannemelijk dient te maken die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een objectieve voordeelsverwachting.

13. Vast staat dat met de bedoelde activiteiten in de periode van 2006 tot en met 2014 nimmer positieve resultaten zijn behaald. Zoals volgt uit de onder 2. vermelde resultaten heeft eiser met zijn activiteiten nauwelijks omzet behaald terwijl tegenover die beperkte omzet wel aanzienlijke kosten stonden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in de toekomst uit de activiteiten een positieve opbrengst is te verwachten. Meer in het bijzonder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat met het verschijnen van het laatste deel van de serie die de uitgeverij uitgeeft (naar verwachting in 2017), wel aanzienlijke inkomsten gegenereerd zullen worden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat van de eerdere delen van de serie steeds slechts een (zeer) beperkt aantal exemplaren is verkocht. Dat, zoals eiser stelt, het op een vernieuwde wijze aanpakken van de promotie van dit boek mogelijk tot een verkoopsucces zal leiden, heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het door eiser genoemde maatschappelijk belang van de activiteiten van de uitgeverij doet aan dit oordeel evenmin af nu dat, gelet op de hiervoor onder 11. aangehaalde jurisprudentie, geen criterium is waaraan in dit verband betekenis toekomt. Gelet hierop is in het onderhavige jaar geen sprake van een objectieve voordeelsverwachting. De activiteiten vormen derhalve geen bron van inkomen en het negatieve resultaat daaruit kan mitsdien niet in aanmerking worden genomen.

14. De stelling dat de termijn om aan te tonen dat winst kan worden gerealiseerd, onderbroken is geweest wegens beslagleggingen, kan eiser niet baten. Er is weliswaar in 2011 conservatoir beslag gelegd, maar dit betrof de toenmalige eigen woning van eiser. Dat de uitgeversactiviteiten hierdoor zijn belemmerd heeft eiser niet aannemelijk gemaakt.

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E. Schotte, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. van Duijvendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.