Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4080

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-04-2016
Datum publicatie
04-05-2016
Zaaknummer
SGR 16/797
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Blijkens de wettekst en de wetsgeschiedenis (zie de memorie van toelichting bij de Wlz, Kamerstukken II, 2013/14, 33891, nr. 3, p. 10) van de Wlz is per 1 januari 2015 een systeem geïntroduceerd waarbij verweerder het recht op zorg alleen op aanvraag van een verzekerde vaststelt. Ten aanzien van niet-verzekerden geldt dat zij voor zorg direct dienen aan te kloppen bij een zorgaanbieder. Zij zijn er in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor dat de kosten van aan hen verleende medische zorg worden betaald. Indien zij niet in staat blijken de rekening te betalen, kunnen zorgaanbieders onder omstandigheden een beroep doen op een in de Zorgverzekeringswet (Zvw) opgenomen bijdrageregeling, die geldt voor zowel Zvw- als Wlz-zorg.

De door eiseres aangehaalde jurisprudentie heeft betrekking op een situatie onder de vigeur van de AWBZ en dus op een andere, niet vergelijkbare situatie. Onder de werking van de AWBZ was namelijk sprake van indicatiestelling voor AWBZ-zorg van inwoners van een gemeente, ook zijnde niet-verzekerden, terwijl in de Wlz is bepaald dat het recht op zorg van een verzekerde wordt vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet langdurige zorg 2.1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/797

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 april 2016 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),

en

Centrum Indicatie Zorg (CIZ), verweerder

(gemachtigde: J. Henneveld).

Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 2 november 2015 niet in behandeling genomen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft op verzoek van eiseres ingestemd met rechtstreeks beroep bij de rechtbank, als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarna de rechtbank het bezwaarschrift als beroepschrift in behandeling heeft genomen.

Eiseres heeft nadere beroepsgronden ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2016. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Voorts was [persoon A], de zus van eiseres, aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres verblijft sinds 22 april 2014 in Nederland. Haar zus heeft haar naar Nederland gehaald omdat zij in Suriname rondzwierf en er slecht aan toe was. Eiseres verblijft bij haar zus.

2. Op 11 juni 2015 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Bij besluit van 25 juni 2015 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiseres geen rechtsmiddelen aangewend.

3. Op 2 november 2015 heeft eiseres opnieuw een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wlz. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag niet in behandeling genomen. Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres als vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijft niet als verzekerde in de zin van artikel 2.1.1 van de Wlz is aan te merken. Hij kan voor haar dan ook geen indicatie afgeven op grond van de Wlz.

4.1

Eiseres heeft geen griffierecht betaald. Zij heeft een beroep gedaan op het bestaan van betalingsonmacht. Eiseres heeft daartoe aangevoerd dat het haar vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsstatus niet is toegestaan in Nederland te werken. Om die reden heeft zij geen recht op een socialezekerheidsuitkering. Zij heeft ook geen vermogen.

4.2

Gelet op hetgeen eiseres heeft aangevoerd en hetgeen de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in zijn uitspraak van 13 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:282) heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht dient te worden gehonoreerd. Eiseres is daarom vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van griffierecht.

5. Met partijen is de rechtbank van oordeel dat de aanvraag van 2 november 2015, die ziet op een (duur)aanspraak vanaf de datum van de aanvraag, niet is aan te merken als een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb en daarom door de rechtbank vol getoetst moet worden.

6. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe, kort samengevat, aan dat verweerder ook voor niet-verzekerden dient te indiceren. Zij verwijst hiertoe naar vaste jurisprudentie van de CRvB die onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) is gevormd (ECLI:NL:CRVB:2012:BV0607). Door niet te indiceren wordt eiseres de toegang tot de zorg onthouden. Dit is in strijd met artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR) en de artikelen 3 en 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

7. Evenals partijen leest de rechtbank het bestreden besluit zo, dat daarbij de aanvraag van eiseres is afgewezen.

8. De Wlz is per 1 januari 2015 ingevoerd en vervangt de AWBZ.

Ingevolge artikel 2.1.1, eerste lid, is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van de Wlz degene, die:

a. ingezetene is;

b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

Ingevolge het tweede lid zijn, in afwijking van het eerste lid, vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijf genieten als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, niet verzekerd.

Ingevolge artikel 3.2.3, eerste lid, van de Wlz wordt het recht op zorg op aanvraag van de verzekerde in een indicatiebesluit vastgesteld door het CIZ. Het recht op zorg dat wordt vastgesteld in het indicatiebesluit sluit aan bij de behoefte van de verzekerde.

9. De rechtbank stelt vast dat eiseres, als niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling, niet verzekerd is voor de Wlz.

10. De rechtbank overweegt dat blijkens de wettekst en de wetsgeschiedenis (zie de memorie van toelichting bij de Wlz, Kamerstukken II, 2013/14, 33891, nr. 3, p. 10) van de Wlz per 1 januari 2015 een systeem is geïntroduceerd waarbij verweerder het recht op zorg alleen op aanvraag van een verzekerde vaststelt. Ten aanzien van niet-verzekerden, zoals eiseres, geldt dat zij voor zorg direct dienen aan te kloppen bij een zorgaanbieder. Zij zijn er in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor dat de kosten van aan hen verleende medische zorg worden betaald. Indien zij niet in staat blijken de rekening te betalen, kunnen zorgaanbieders onder omstandigheden een beroep doen op een in de Zorgverzekeringswet (Zvw) opgenomen bijdrageregeling, die geldt voor zowel Zvw- als Wlz-zorg.

11. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de door eiseres aangehaalde jurisprudentie betrekking heeft op een situatie onder de vigeur van de AWBZ en dus op een andere, niet vergelijkbare situatie. Onder de werking van de AWBZ was namelijk sprake van indicatiestelling voor AWBZ-zorg van inwoners van een gemeente, ook zijnde niet-verzekerden, terwijl in de Wlz is bepaald dat het recht op zorg van een verzekerde wordt vastgesteld.

12. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat door weigering van een indicatie haar de toegang tot de zorg wordt onthouden. Ook zonder indicatie kan zij zich tot een zorgverlener wenden. In geval van betalingsonmacht kan de zorgverlener, die moet beoordelen of betrokkene medisch noodzakelijke zorg behoeft, een beroep doen op de vergoedingsregeling van artikel 122a van de Zvw. Deze regeling wordt door het Zorginstituut Nederland uitgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank levert het niet-indiceren door verweerder dan ook geen schending van de door eiseres aangehaalde artikelen uit genoemde internationale verdragen op.

13. Voor zover eiseres betoogt dat zorgaanbieders onwillig zijn medisch noodzakelijke zorg te bieden aan niet-betalende, onverzekerbare vreemdelingen, overweegt de rechtbank dat het op de weg van eiseres ligt die zorgaanbieders op genoemde financiële regeling te wijzen en hen zo nodig in rechte aan te spreken.

14. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.P.M. Meskers, voorzitter, en mr. C.J. Waterbolk en mr. I. Verstraeten-Jochemsen, leden, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 april 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.