Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4071

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-04-2016
Datum publicatie
18-04-2016
Zaaknummer
AWB 15/2040
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de verlenging van eisers verblijfsvergunning afgewezen en de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken vanwege in het buitenland gepleegde strafbare feiten. Verweerder heeft een zwaar inreisverbod uitgevaardigd. Bij het opleggen van het inreisverbod dient verweerder gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 juni 2015, Zh. en O., C-554/13, te beoordelen of eiser een actueel gevaar voor de openbare orde vormt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: AWB 15/2040, V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 april 2016 in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. S. Karkache,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, daaronder begrepen zijn rechtsvoorganger(s), verweerder,

gemachtigde: mr. P.P. Zweedijk.

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlengen van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen, eisers verblijfsrecht met terugwerkende kracht ingetrokken tot 1 januari 2010 en tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar.

Bij besluit van 7 januari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaren ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen een nadere reactie in te dienen.

Bij brief van 12 november 2015 heeft verweerder een nadere reactie ingediend en tevens toestemming gegeven de zaak zonder nadere zitting af te doen.

Bij brief van 20 november 2015 heeft eiser gereageerd op de nadere reactie van verweerder.

Op 7 januari 2016 heeft eiser toestemming gegeven de zaak zonder nadere zitting af te doen.

De rechtbank heeft het onderzoek op 26 januari 2016 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de heffing van griffierecht. De rechtbank heeft dit verzoek op 8 juni 2015 voorlopig ingewilligd, nu eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsstatus geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand en hij daarnaast een eigen verklaring heeft overgelegd omtrent de afwezigheid van vermogen. De verschuldigdheid van griffierecht zou het voor eiser onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maken beroep in te stellen tegen het bestreden besluit. De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat die situatie zich thans niet meer voordoet. De rechtbank stelt eiser dan ook vrij van het verschuldigde griffierecht.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1.

Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de [nationaliteit] nationaliteit. Eiser was sinds 1 april 1999 in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, verleend onder de beperking ‘verblijf bij partner [naam partner] ’. De geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning is verlengd tot 17 januari 2003. Met ingang van 1 oktober 2002 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, verleend onder de beperking ‘voortgezet verblijf’. De geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning is verlengd tot 1 oktober 2012. Eiser heeft op 28 december 2012 onderhavige aanvraag ingediend tot verlenging van deze verblijfsvergunning.

2.2.

Eiser is op 31 juli 2007 door de correctionele rechtbank te Charleroi, België, veroordeeld wegens het in bezit hebben, het leveren en het verkopen van verdovende middelen, gepleegd in de periode van 4 februari 2007 tot en met 14 maart 2007, tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en een geldboete van € 1.000,-.

Voorts is eiser op 25 mei 2012 door de correctionele rechtbank te Pau, Frankrijk, veroordeeld wegens de invoer, het voorhanden hebben, het vervoeren, verkrijgen en aanbieden van harddrugs, als ook deelname aan een criminele organisatie, gepleegd in de periode van 1 januari 2010 tot en met 2 januari 2011, tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de weigering tot verlenging en de intrekking van de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 gehandhaafd. Verweerder stelt dat eiser op basis van strafmaatvergelijking van de Belgische en Franse veroordelingen een gevaar vormt voor de openbare orde. Het rechtmatig verblijf van eiser staat niet in de weg aan handhaving van de intrekking gelet op de aard en de ernst van de door eiser gepleegde delicten. Het tegen eiser uitgevaardigde inreisverbod voor de duur van tien jaar kan dan ook worden gehandhaafd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat een medische behandeling hem aan Nederland bindt. Eiser heeft, ondanks verzoek hiertoe, aan verweerder geen informatie verstrekt over zijn relatie met zijn vriendin. De inmenging in het privé- en familieleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van eiser is gerechtvaardigd, aldus verweerder.

4. Gelet op het tegen eiser uitgevaardigde inreisverbod met rechtsgevolgen als bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), heeft eiser zolang het inreisverbod voortduurt geen belang bij beoordeling van zijn beroep tegen de weigering van de verlenging van zijn reguliere verblijfsvergunning en de intrekking daarvan. De rechtbank volgt hierin de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van

State (Afdeling) van 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:298) en 18 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:638). Belang bij toetsing in rechte van het besluit tot weigering van de verlenging en de intrekking van eisers verblijfsvergunning is eerst aan de orde indien het besluit tot uitvaardiging van dat inreisverbod wordt vernietigd. De rechtbank zal daarom eerst beoordelen of verweerder het inreisverbod heeft kunnen opleggen, bij welke beoordeling de vraag of verweerder de verlenging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd mocht weigeren en deze verblijfsvergunning mocht intrekken ten volle aan de orde kan worden gesteld.

5. Eiser heeft ter zitting betoogd dat het bestreden besluit onzorgvuldig is en voor vernietiging in aanmerking komt, nu verweerder daarin heeft vermeld dat eiser bij het primaire besluit ongewenst is verklaard (onder ‘1. De beschikking’) en onder het voorlaatste onderdeel van het bestreden besluit (onder ‘5. Rechtsgevolgen van deze beschikking’) heeft vermeld dat het gevolg van de ongegrondverlaring van de bezwaren is dat eiser ongewenst vreemdeling blijft. Eiser stelt in zijn belangen te zijn geschaad, omdat hij zich heeft verweerd tegen een ongewenstverklaring en niet tegen een inreisverbod. Verweerder heeft zich in de nadere reactie van 12 november 2015 op het standpunt gesteld dat sprake is van een kennelijke verschrijving en dat waar het woord ongewenstverklaring staat het woord inreisverbod moet worden gelezen.

5.1.

Op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

5.2.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een kennelijke verschrijving. In de gehele bestuurlijke fase is door verweerder telkenmale gesproken van (een voornemen tot) het uitvaardigen van een inreisverbod tegen eiser. Zo is eiser ook gehoord op het voornemen tot het uitvaardigen van een inreisverbod. Eveneens blijkt uit de door eiser in de bestuurlijke fase gevoerde verweren dat het voor hem duidelijk was dat verweerder voornemens was een inreisverbod tegen hem uit te vaardigen. Ook in beroep is eiser evident opgekomen tegen een inreisverbod en niet tegen een ongewenstverklaring. Zo vangt eiser zijn beroepsgronden aan met gronden tegen de “oplegging van het inreisverbod voor de duur van tien jaar” (pagina 1, onder punt 3, beroepsgronden van 3 maart 2015) en “oplegging inreisverbod” (pagina 7, beroepsgronden van 3 maart 2015). Ook het overige dat eiser aanvoert ter onderbouwing van zijn standpunt kan aan het voorgaande niet afdoen. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet is benadeeld door de kennelijke verschrijving en ziet dan ook aanleiding dit gebrek in het bestreden besluit te passeren door toepassing te geven aan artikel 6:22 van de Awb.

6. Eiser heeft betoogd dat verweerder ten onrechte tegen hem een inreisverbod heeft uitgevaardigd, omdat eiser geen gevaar voor de Nederlandse openbare orde kan zijn op basis van een Frans en Belgisch strafvonnis wegens buiten Nederland gepleegde strafbare feiten.

6.1.

Op grond van artikel 3.86, achtste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt mede betrokken de buiten Nederland gepleegde of bestrafte inbreuk op de openbare orde, voor zover die naar Nederlands recht een misdrijf oplevert waartegen een gevangenisstraf van twee, onderscheidenlijk drie of zes jaren of meer is bedreigd en waarbij de strafmaat vergelijkbaar is met de strafmaat die in Nederland zou zijn opgelegd wanneer het feit in Nederland zou zijn gepleegd.

6.2.

Verweerder heeft ten behoeve van de beoordeling van eisers aanvraag om verlenging van zijn verblijfsvergunning, aan het Openbaar Ministerie, Arrondissementsparket te Rotterdam, een strafmaatvergelijking verzocht voor de veroordeling van 25 mei 2012 door de correctionele rechtbank te Pau, Frankrijk. Bij brief van 30 september 2013 heeft de officier van justitie aan verweerder medegedeeld dat de invoer van harddrugs naar Nederlands recht een misdrijf is. De te verwachten straf voor de invoer van drie kilogram harddrugs gepleegd in georganiseerd verband door een dader zonder strafblad, is drie jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gebaseerd op de oriëntatiepunten LOVS, aldus het advies.

Bij brief van 22 oktober 2013 heeft de officier van justitie voornoemd advies aangevuld. De strafbedreiging in Nederland van het door eiser gepleegde delict is maximaal twaalf jaar of een geldboete van de vijfde categorie. De criminele antecedenten van eiser vormen geen aanleiding het advies van 30 september 2013 te herzien. De Nederlandse antecedenten zullen vrijwel zeker niet strafverhogend werkend, nu dit oudere verkeersfeiten betreffen. De Belgische antecedenten kunnen strafverhogend werken, maar de rechtbank zal ook andere feiten en omstandigheden betrekken bij het bepalen van de strafmaat, waaronder - niet uitsluitend - de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de opstelling van de verdachte gedurende het onderzoek en ter terechtzitting. De antecedenten zullen niet zonder meer leiden tot een hogere straf dan drie jaar, aldus het aanvullend advies.

6.3.

Gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 22 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN2206) is het advies van de officier van justitie een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Eveneens volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (zoals de uitspraak van 18 december 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK8644) dat indien verweerder een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, verweerder op grond van artikel 3:2 van de Awb zich ervan moet vergewissen dat dit - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is. Een vreemdeling kan desgewenst een eigen deskundigenadvies laten uitbrengen, in welk geval verweerder de officier van justitie opnieuw om advies zal moeten vragen om op het door de vreemdeling overgelegde deskundigenadvies te reageren.

6.4.

De rechtbank stelt vast dat het advies van 30 september 2013, aangevuld op 22 oktober 2013, overeenkomstig verweerders beleid, zoals ten tijde van belang weergegeven in paragraaf B1/5.3.6. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), en met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. In voornoemd beleid is opgenomen dat verweerder het Openbaar Ministerie laat beoordelen of het buiten Nederland gepleegde feit een misdrijf oplevert naar Nederlands recht en welke straf in Nederland voor het betreffende strafbare feit zou zijn gevorderd, waarbij wordt aangesloten bij de gepubliceerde richtlijnen van het Openbaar Ministerie met betrekking tot de eis van de officier van justitie ter terechtzitting. Eiser heeft geen contra-expertise overgelegd. Eisers kanttekeningen zijn niet aan te merken als concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het deskundigenadvies. Dat niet bekend is welke straf de Nederlandse strafrechter oplegt, betekent niet dat het advies van 30 september 2013, aangevuld op 22 oktober 2013, onzorgvuldig is. Verweerder baseert zich conform het beleid op de te vorderen straf. De rechtbank ziet bevestiging voor dit standpunt in voornoemde uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2010 (overweging 2.2.4). Uit het arrest van de correctionele rechtbank te Pau, Frankrijk, blijkt dat de strafrechter eisers persoonlijke omstandigheden heeft betrokken. Reeds daarom kan eisers stelling dat daar bij een Nederlandse veroordeling rekening mee wordt gehouden, niet als concreet aanknopingspunt voor twijfel worden aangemerkt. Uit de delictsomschrijving blijkt dat het in het advies van 30 september 2010, aangevuld op 22 oktober 2013, anders dan eiser stelt, niet om hetzelfde feit gaat als het advies van 5 maart 2009 van het Arrondissementsparket Amsterdam. Anders dan eiser stelt, heeft verweerder niet het advies van 5 maart 2009 aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Dat advies heeft verweerder opgevraagd om te kunnen beoordelen of eisers veroordeling van 31 juli 2007 door de correctionele rechtbank te Charleroi, België, in de weg zou kunnen staan aan inwilliging van eisers aanvraag voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’. Op basis van het advies van 5 maart 2009 heeft verweerder geconcludeerd dat de opgelegde straf niet de toepasselijke norm overschreed. Bij besluit van 17 maart 2009 heeft verweerder de gevraagde verblijfsvergunning verleend. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder het deskundigenadvies van 30 september 2013, aangevuld op 22 oktober 2013, aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

7. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder gelet op de pleegdatum van de strafbare feiten ten onrechte de glijdende schaal van artikel 3.86 van het Vb 2000 heeft toegepast, zoals gewijzigd per 31 juli 2010.

7.1.

Op grond van artikel 3.86, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000, zoals dat gold van 31 juli 2010 tot 1 juli 2012 en voor zover thans van belang, kan de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, worden afgewezen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 wegens gevaar voor de openbare orde, indien de vreemdeling wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaar of meer is bedreigd bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf is opgelegd, dan wel het buitenlandse equivalent van een dergelijke straf is opgelegd, en de totale duur van de onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelten van die straffen en maatregelen ten minste gelijk is aan de in het tweede lid bedoelde norm.

Op grond van artikel 3.86, tweede lid, van het Vb 2000, zoals dat gold van 31 juli 2010 tot 1 juli 2012, bedraagt de in het eerste lid bedoelde norm bij een verblijfsduur van ten minste 10 jaar, maar minder dan 15 jaar: 60 maanden.

7.2.

Eiser is op 25 mei 2012 veroordeeld voor strafbare feiten gepleegd in de periode van 1 januari 2010 tot en met 2 januari 2011 tot een gevangenisstraf van vier jaar. Deze uitspraak staat in rechte vast. De maximale strafbedreiging in Nederland bedraagt twaalf jaar, aldus het deskundigenadvies. Uit het uittreksel justitiële documentatie van 14 februari 2014 blijkt dat eiser na voornoemde veroordeling niet meer strafrechtelijk is veroordeeld.

7.3.

Aan de casus die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN2265) was, anders dan in de situatie van eiser, geen aanvraag om verlenging van een verblijfsvergunning voorafgegaan maar een besluit tot intrekking van een verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Nu thans een besluit op eisers aanvraag om verlenging van zijn verblijfsvergunning voorafgegaan is aan het bestreden besluit, bepaalt artikel 3.103 van het Vb 2000 dat de aanvraag wordt getoetst naar het recht zoals dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, 28 december 2012, tenzij uit de wet anders voortvloeit of het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven, voor de vreemdeling gunstiger is.

7.4.

Ten tijde van eisers aanvraag gold de glijdende schaal van artikel 3.86 van het Vb 2000, zoals gewijzigd bij besluit van 26 maart 2012 (Staatsblad 2012, nr. 158) en inwerking getreden per 1 juli 2012. In artikel II van het overgangsrecht van het wijzigingsbesluit van 26 maart 2012 is opgenomen dat deze glijdende schaal niet van toepassing is op de vreemdeling wiens verblijf op grond van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van het besluit niet beëindigd kon worden, tenzij de vreemdeling zich na de inwerkingtreding van voormeld besluit opnieuw schuldig heeft gemaakt aan misdrijven. Tussen partijen is niet in geschil dat dat ten aanzien van eiser niet het geval is, zodat verweerder op goede gronden de glijdende schaal zoals deze gold van 31 juli 2010 tot 1 juli 2012, gewijzigd bij besluit van 24 juli 2010 (Staatsblad 2010, nummer 307), bij het onderzoek naar eisers aanvraag betrekt. Op grond van artikel XIII van het wijzigingsbesluit van 24 juli 2010 blijft het gewijzigde besluit buiten toepassing ten aanzien van de vreemdeling wiens verblijf op grond van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van dit besluit niet kon worden beëindigd, tenzij die vreemdeling wegens een na de inwerkingtreding van dit besluit gepleegd misdrijf waartegen een gevangenisstraf van twee jaar of meer is bedreigd bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld. Nu eiser is veroordeeld voor een delict gepleegd in de periode van 1 januari 2010 tot 2 januari 2011, met een maximale strafbedreiging naar Nederlands recht van twaalf jaar, heeft verweerder op goede gronden de glijdende schaal toegepast zoals deze gold na inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit van 24 juli 2010. De rechtbank ziet geen aanknopingspunt voor eisers standpunt dat verweerder de pleegperiode moet verdelen over de verschillende wijzigingsbesluiten.

7.5.

De rechtbank stelt vast dat verweerder niet gehouden is toepassing te geven aan artikel 3.86 van het Vb 2000, indien bijzondere feiten en omstandigheden aanleiding zijn om intrekking van de verblijfsvergunning achterwege te laten. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat van dergelijke feiten en omstandigheden geen sprake is. In de stelling van eiser dat de strafbare feiten onvoldoende actueel zijn om in relatie tot zijn verblijfsduur hem als een gevaar voor de openbare orde te beschouwen, heeft verweerder geen bijzondere omstandigheid hoeven zien. Eiser heeft geen andere bijzondere feiten of omstandigheden gesteld.

7.6.

Op grond van artikel 3.86, zesde lid, van het Vb 2000 wordt, voor zover thans van belang, onder verblijfsduur verstaan de duur van het rechtmatige verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000, direct voorafgaande aan het moment waarop het misdrijf is gepleegd of aangevangen. Het delict is aangevangen op 1 januari 2010, zodat eiser meer dan tien jaar maar minder dan vijftien jaar rechtmatig verblijf heeft gehad. De hierbij behorende norm bedraagt 60 maanden, op grond van het ten tijde van belang geldende artikel 3.86, tweede lid, van het Vb 2000. Deze norm heeft eiser overschreden, gelet de strafmaatvergelijking in het advies van 30 september 2013, aangevuld op 22 oktober 2013.

8. Eiser heeft ter zitting betoogd dat de onmiddellijke vertrekplicht niet kan worden gebaseerd op de openbare orde-problematiek, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 11 juni 2015, Zh. en O., zaaknummer C-554/13 (ECLI:EU:

C:2015:377).

8.1.

Het primaire besluit is aan te merken als terugkeerbesluit, als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Vw 2000. Gelet op eisers openbare orde-problematiek stelt verweerder op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 een onmiddellijke vertrekplicht aan eiser te kunnen opleggen. Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 kan volgens verweerder vervolgens een inreisverbod worden uitgevaardigd.

8.2.

Zoals het Hof heeft overwogen in het arrest Zh. en O. in overweging 50, dient een lidstaat het begrip ‘gevaar voor de openbare orde’ in de zin van artikel 7, vierde lid, van Richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn) per geval te beoordelen teneinde na te gaan of de persoonlijke gedragingen van de betrokken derdelander een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormen. Wanneer een lidstaat daarbij steunt op een algemene praktijk of een vermoeden om vast te stellen dat er sprake is van een dergelijk gevaar, zonder dat naar behoren rekening wordt gehouden met de persoonlijke gedragingen van de derdelander en met het gevaar dat van die gedragingen uitgaat voor de openbare orde, gaat die lidstaat voorbij aan de vereisten die voortvloeien uit een individueel onderzoek van het betrokken geval en uit het evenredigheidsbeginsel. Daaruit volgt dat het enkele feit dat een derdelander wordt verdacht van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of daarvoor is veroordeeld, er op zich geen rechtvaardiging voor kan vormen dat deze derdelander wordt beschouwd een gevaar voor de openbare orde te zijn in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn.

8.3.

In de overwegingen 51 en 52 heeft het Hof verder overwogen dat een lidstaat kan constateren dat sprake is van een gevaar voor de openbare orde in het geval van een strafrechtelijke veroordeling, ook al is deze niet onherroepelijk, wanneer die veroordeling, samen met alle andere omstandigheden van de situatie van betrokkene, een constatering dat de derdelander een gevaar vormt voor de openbare orde rechtvaardigt. Het feit dat een strafrechtelijke veroordeling niet onherroepelijk is geworden, staat niet in de weg aan de uitzondering bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Voorts kan de enkele verdenking dat een derdelander een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit heeft gepleegd, samen met andere elementen betreffende het specifieke geval, rechtvaardigen dat wordt geconstateerd dat een gevaar voor de openbare orde bestaat in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn, omdat de lidstaten vrij blijven om de eisen van het begrip ‘openbare orde’ af te stemmen op hun nationale behoeften, en artikel 7 van deze richtlijn, noch enige andere bepaling ervan de opvatting toelaat dat een strafrechtelijke veroordeling in dit verband noodzakelijk zou zijn.

8.4.

Het resultaat van het hiervoor onder 8.2. en 8.3. beschreven onderzoek moet blijken uit de motivering van het terugkeerbesluit. Verweerder moet motiveren dat en waarom de vreemdeling een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormt. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het bestreden besluit niet van een zodanig onderzoek als hierboven omschreven en is niet gemotiveerd waarom eiser een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormt. In zoverre is het beroep, voor zover dat ziet op het terugkeerbesluit, gegrond. De rechtbank toetst vervolgens of de rechtsgevolgen in stand dienen te blijven op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.

8.5.

Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat in de situatie van eiser sprake is van een daadwerkelijk en actueel gevaar van de openbare orde. Gewezen wordt op het feit dat eiser meermalen tot jarenlange gevangenisstraffen is veroordeeld voor drugsdelicten. Deze delicten zijn als ernstig te beschouwen. Bij de vraag of er een actueel gevaar is weegt mee dat er sprake is van recidive, tussen de twee veroordelingen geen groot tijdsverloop zat en eiser nog niet heel lang uit detentie is. Ten slotte heeft eiser geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan eiser alsnog een vertrektermijn zou moeten worden gegeven, aldus verweerder.

8.6.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het vorenstaande alsnog voldoende deugdelijk gemotiveerd dat eiser een daadwerkelijk en actueel gevaar vormt voor de openbare orde en er geen reden is om hem niettemin een termijn te gunnen voor vrijwillig vertrek. Op grond hiervan kunnen de rechtsgevolgen van dit vernietigde deel van het bestreden besluit geheel in stand blijven.

9. Eiser heeft betoogd dat verweerder ten onrechte de maximale duur van het inreisverbod heeft uitgevaardigd.

9.1.

Op grond van artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste tien jaar, indien het betreft een vreemdeling die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Deze ernstige bedreiging kan blijken uit onder meer een veroordeling naar aanleiding van een geweldsdelict of opiumdelict. In het beleid van paragraaf A4/2.3 van de Vc 2000 is opgenomen dat een inreisverbod wordt uitgevaardigd voor de maximale duur die volgens artikel 6.5a van het Vb 2000 mogelijk is.

9.2.

Anders dan eiser stelt, is eiser bij voornemen van 6 november 2013 geïnformeerd over verweerders voornemen een inreisverbod uit te vaardigen. Daarin heeft verweerder eiser geïnformeerd over de mogelijkheid individuele omstandigheden aan te dragen op grond waarvan verweerder zou kunnen afzien van het inreisverbod of de duur daarvan zou kunnen verkorten. Nu eiser geen bijzondere individuele omstandigheden in dit kader heeft aangevoerd, is de rechtbank niet gebleken dat de maatregel onevenredig is. Het enkele langdurige verblijf van eiser is reeds betrokken in de norm van artikel 3.86, tweede lid, van het Vb 2000.

9.3.

Met eiser en anders dan verweerder heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de uitleg die het Hof in het bovenvermelde arrest Zh. en O. heeft gegeven aan het begrip “gevaar voor de openbare orde” als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn, niet alleen relevant is in het geval van oplegging van een terugkeerbesluit, maar ook wanneer een inreisverbod is uitgevaardigd. Voor zover verweerder in het kader van de uitvaardiging van het inreisverbod geen rekening heeft gehouden met de door het Hof geformuleerde criteria, bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek en dient ook dit deel van het bestreden besluit te worden vernietigd.

9.4.

Verweerder heeft ter zitting gesteld dat - indien geoordeeld moet worden dat voornoemde uitleg van het Hof ook geldt voor het inreisverbod - eiser ook in het kader van het inreisverbod een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormt. Met verwijzing naar de rechtsoverwegingen 8.5. en 8.6. is de rechtbank van oordeel dat verweerder alsnog voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser een daadwerkelijk en actueel gevaar vormt voor de openbare orde en daarmee een inreisverbod voor de duur van tien jaren kan worden uitgevaardigd. Op grond hiervan kunnen ook de rechtsgevolgen van dit vernietigde deel van het bestreden besluit geheel in stand blijven.

9.5.

Eisers betoog dat verweerder onvoldoende zijn medische situatie heeft betrokken, onder verwijzing naar de verklaring van psychiater dr. D.J. Vinkers van 10 oktober 2014, faalt. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder deze verklaring en wat eiser heeft aangevoerd over zijn medische situatie, heeft betrokken in de besluitvorming. Gelet op de inhoud van de verklaring van Vinkers heeft verweerder kunnen overwegen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een behandeling die hem aan Nederland bindt en die niet voorhanden zou zijn in land van herkomst [nationaliteit] . Eiser heeft, ondanks verzoek van verweerder hiertoe, geen informatie of gegevens verstrekt van zijn gestelde relatie. Ook eisers stelling ter zitting dat hij samenwoont met zijn vriendin en haar drie kinderen heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft dan ook afdoende gemotiveerd waarom het inreisverbod voor de maximale duur is uitgevaardigd.

10. Eisers betoog dat hij gelet op zijn lange verblijfsduur gelijkgesteld moet worden met een burger van de unie en het bestreden besluit in strijd is met artikel 21, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, faalt reeds nu eiser niet de nationaliteit heeft van een lidstaat van de Europese Unie. De rechtbank zal dan ook wat eiser in dat kader heeft aangevoerd buiten de beoordeling van dit beroep laten.

11. Gelet op het voorgaande is het beroep, ook voor zover dit is gericht tegen het inreisverbod, gegrond. Nu evenwel de rechtgevolgen van ook dit deel van het bestreden besluit in stand blijven, heeft eiser geen belang bij het beroep voor zover dit is gericht tegen de weigering van de verlenging van zijn verblijfsvergunning en intrekking daarvan. Het beroep, voor zover dit daartegen is gericht, is niet-ontvankelijk.

12. Gelet op de rechtsoverwegingen 8.4. en 9.3. veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.240,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het nadere stuk van 20 november 2015, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod,

gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde delen van het bestreden besluit geheel in

stand blijven;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de weigering verlenging en de intrekking

van de verblijfsvergunning, niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.240,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Frankruijter, voorzitter, en mr. A.M.J. Adriaansen en mr. A. Pahladsingh, leden, in aanwezigheid van mr. S. Wierink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 april 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Af deling bestuursrechtspraak van de Raad van State.