Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4064

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-04-2016
Datum publicatie
18-04-2016
Zaaknummer
09/807467-15, tul 22/004314-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugd. Veroordeling voor woninginbraken, pinnen met gestolen passen en diefstal van een auto. Veroordeelde is inmiddels 18 jaar en krijgt nog een kans om op het rechte pad te blijven met behulp van een GBM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/807467-15, tul 22/004314-14

Datum uitspraak: 14 april 2016

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

adres: [adres] ,

thans gedetineerd in [P.I.] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 9 juni 2015,

18 september 2015, 24 november 2015, 19 februari 2016 en 31 maart 2016.

De zaak is eerder tegelijkertijd maar niet gevoegd behandeld met een zaak op grond van de Leerplichtwet tegen de verdachte, parketnummer 09/797027-15, die bij de meervoudige kamer was aangebracht. Volgens mededeling van de officier van justitie zal deze zaak bij een ander forum worden aangebracht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. van den Heuvel en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. J.G.D. Rutten, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 11 maart 2015 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres] ) heeft

weggenomen een mini laptop (merk Acer) en/of een geldbedrag (te weten ongeveer

3000 euro) en/of een parfumdoosje (met hierin een geldbedrag van ongeveer 100

euro) en/of een of meerdere sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats

van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren)

onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door een of meerdere ramen van die

woning te verbreken;

2.

hij op of omstreeks 26 maart 2015 te [plaats] , gemeente Apeldoorn tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres] )

heeft weggenomen een of meerdere computers (merk Lenovo en/of Asus) en/of een

of meerdere horloges (merk Tommy Hilfiger en/of Festina) en/of een mobiele

telefoon (merk Nokia) en/of een videocamera (merk Sony) en/of een fotocamera

(merk Canon) en/of een of meerdere sieraden en/of een of meerdere autosleutels

en/of autopapieren en/of een geldbedrag (van ongeveer 900 euro), in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de

toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te

nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door een raam van

die woning te forceren;

3.

hij op of omstreeks 27 februari 2015 te Wateringen, gemeente Westland, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning (gelegen aan het [adres] )

heeft weggenomen kentekenbewijzen (behorende bij een Audi A6) en/of een of

meerdere bankpassen en/of een trouwboekje en/of een of meerdere sieraden en/of

een kluis en/of een externe harde schijf en/of een (moeder)sleutel (behorende

bij een Audi A6) en/of een kentekenbewijs (behorende bij een aanhangwagen), in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of

[slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te

hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te

hebben gebracht door een ruit en/of een deur van die woning te forceren (door

die ruit met een steen in te gooien en/of een cilinder in te boren) en/of de

tuinpoort te forceren;

en/of

hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 27 februari 2015 te

's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft

weggenomen een of meerdere geldbedragen (te weten 600 euro en/of 400 euro

en/of 130 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) zulks na zich de toegang

tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door middel van een valse

sleutel, te weten door met (een) niet voor hem en/of zijn mededader(s)

bestemde pinpas(sen) en bijbehorende pincode(s) van een of meerdere

bankrekeningen (van de ING Bank met nummer [rekeningnummer ] en/of van de ABN

Amro met nummer [rekeningnummer ] ) een geldbedrag te pinnen;

4.

hij op of omstreeks 20 maart 2015 te Wateringen, gemeente Westland, tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een personenauto (merk Audi A6

en/of met [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn

mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijf heeft/hebben verschaft

en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben

gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een autosleutel tot welk

gebruik hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) onbevoegd en/of niet

gerechtigd was/waren;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 15 maart 2015 tot en met 30 maart 2015 te

Wateringen, gemeente Westland en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een

autosleutel (behorend bij een Audi A6 en/of met [kenteken] ) en/of een

personenauto (merk Audi A6 en/of met [kenteken] ) heeft verworven,

voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn

mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die

autosleutel en/of die auto wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten

vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

5.

hij in of omstreeks de periode van 20 februari 2015 tot en met 22 februari

2015 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft

weggenomen een mobiele telefoon (merk Apple en/of type Iphone 5) en/of een

(roze) trainingspak (merk Adidas), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte;

6.

hij in of omstreeks de periode van 20 februari 2015 tot en met 22 februari

2015 te 's-Gravenhage opzettelijk [slachtoffer 6] wederrechtelijk van de

vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte, met

dat opzet die [slachtoffer 6] in een woning (gelegen aan de [adres]

) gehouden en/of de/een (toegangs)deur(en) van die woning heeft vergrendeld

of afgesloten, in elk geval die [slachtoffer 6] belet te gaan waarheen zij zich

wilde begeven.

3. Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft onder overlegging van een schriftelijk requisitoir gevorderd dat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van de feiten 5 en 6, en dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte de feiten zoals tenlastegelegd onder 1, 2, 3 eerste en tweede cumulatief en 4 primair heeft begaan.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een pleitnota overgelegd. Hij heeft vrijspraak bepleit van de feiten 3 eerste en tweede cumulatief/alternatief, 4 primair, 5 en 6. Ten aanzien van de bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 4 subsidiair heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, waarbij hij bij feit 1 vrijspraak heeft bepleit voor het in de tenlastelegging genoemde bedrag van € 3.000,-.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging. 1

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

Ten aanzien van feit 1

Op 11 maart 2015 deed [slachtoffer 1] aangifte van inbraak in de woning van zijn ouders, gelegen aan de [adres] te Den Haag. Uit deze aangifte komt het volgende naar voren. De woning is op 10 maart 2015 rond 15.00 uur afgesloten en verlaten. Op 11 maart 2015 rond 02.00 uur ontving aangever een bericht van een buurman van de ouders dat in de woning was ingebroken. Aangever ging daarop naar de woning en zag dat het raam naast de voordeur kapot was. In de woning zag hij dat ook het raam van de balkondeur op de eerste verdieping kapot was. Hij zag dat de woning was doorzocht. Hij miste een mini-ACER laptop, waarin € 3.000,- verstopt was, een doosje met circa € 100,-, twee kettingen en een dvd-speler.2

Op 12 maart 2015 heeft de aangever een aanvullende verklaring afgelegd waaruit het volgende naar voren komt. Toen hij in de vroege ochtend van 11 maart 2015 buiten bij de woning van zijn ouders was, sprak hij een buurman. Deze vertelde hem dat hij na het horen van een klap naar buiten was gegaan en toen vanuit de richting van de woning van de ouders van de aangever een jongen zag aan komen lopen, die zei dat hij de klap had gehoord en die vertelde dat hij op de [adres] woonde. De buurman vertelde dat hij een kwartier later twee jongens met twee tassen zag wegrennen. Aangever is naar het adres gegaan dat de jongen had opgegeven. Hij wist dat daar een jongen genaamd [verdachte] woonde. Hij heeft aan de moeder en de zus van deze [verdachte] doorgegeven dat hij de spullen, met name de laptop met het geld, terug wilde hebben. Van de zus van [verdachte] kreeg hij als telefoonnummer van [verdachte] op: [telefoonnummer] . Hij heeft [verdachte] gebeld en gezegd dat deze de gestolen spullen terug moest brengen. [verdachte] ontkende de diefstal te hebben gepleegd. Op 11 maart 2015 belde de zus van [verdachte] naar aangever en met de mededeling dat de laptop terug was. Bij de woning van [verdachte] heeft de aangever in het bijzijn van agenten de laptop terug gekregen.3 De zus vertelde dat de verdachte de laptop na aandringen had teruggebracht. Op de vraag waar de andere goederen waren, zei ze dat de verdachte had gezegd dat die bij die “andere” jongen zouden liggen, die “ [medeverdachte 1] ” zou heten. Als telefoonnummer van deze [medeverdachte 1] gaf zij op [telefoonnummer] .4

In een telefoongesprek op 29 maart 2015, dat is afgeluisterd op nummer [telefoonnummer] , het nummer van de verdachte, komt naar voren dat de verdachte in dat gesprek heeft gezegd dat hij even geld moet gaan verdienen, omdat hij een fout heeft gemaakt die hij moet oplossen, en dat dat zal duren tot hij een bedrag van € 3.000,- bij elkaar heeft. 5

Toen de verdachte op 1 april 2015 met deze informatie werd geconfronteerd, heeft hij verklaard dat dat verhaal wel logisch is, dat hij geen fout heeft gemaakt en hij heeft daar aan toegevoegd: “maar die gozer blijft mij achtervolgen”.6 De verdachte heeft eerder verklaard dat aangever [slachtoffer 1] hem bedreigd heeft, dat hij heeft geregeld dat de laptop terug kwam, en dat de diefstal is gepleegd door een jongen uit Wateringse Veld. 7

De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft onder meer het volgende verklaard. Hij heeft telefoonnummer [telefoonnummer] en woont in Wateringse Veld. Op 11 maart 2015 vertelde [verdachte] aan hem, [medeverdachte 1] , dat in een woning van een Tunesiër schuin tegenover die van [verdachte] niemand thuis was en dat daar veel geld en goud te halen was. Ze zijn toen naar de woning gegaan. Hij, [medeverdachte 1] , is op het balkon geklommen en heeft met een baksteen het raam ingegooid. [verdachte] gaf tips. De buurman hoorde dat hij het raam kapot had gegooid. [medeverdachte 1] verstopte zich toen op het balkon en [verdachte] deed net of hij aan kwam lopen en sprak met de buurman. De buurman ging weer zijn huis in en toen klom [verdachte] naar binnen. Ze zagen een kleine witte laptop, een slof sigaretten, een bakje met 70 a 80 euro, een kluis met papieren, armbandje en sieraden en wat xtc pillen. Ze zijn naar het huis van [verdachte] gegaan en toen ze daar weggingen, zag de buurman hen rennen en herkende [verdachte] . Ze hebben de laptop rond 00.30 uur verkocht. De volgende dag zei [verdachte] dat ze de laptop terug moesten kopen, omdat die Tunesiër die laptop terug wilde hebben. [verdachte] heeft de laptop teruggekocht en die samen met zijn zus aan de Tunesiër gegeven. 8

De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het door de aangever genoemde bedrag van € 3.000,-. De rechtbank overweegt dat dit bedrag in de aangifte is genoemd en dat de overige verklaringen, in onderling verband bezien, geen grond opleveren voor twijfel aan de juistheid van de aangifte zodat van de juistheid van de aangifte ook wat dat onderdeel betreft, wordt uitgegaan.

De rechtbank acht op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het feit heeft begaan.

Ten aanzien van feit 2

[slachtoffer 2] deed aangifte van inbraak in zijn woning aan de [adres] in Apeldoorn, gepleegd op 26 maart 2015 tussen 18.00 uur en 22.05 uur. Hij zag om 22.05 uur dat het keukenraam was opengebroken en dat de woning was doorzocht. Hij mist een aantal goederen en heeft een lijst met gestolen goederen nagezonden. 910

Uit algemeen toegankelijke bron maakt de rechtbank op dat het adres [adres] ligt in [plaats] , dat valt onder de gemeente Apeldoorn.11

Een buurman van de aangever, [getuige] , heeft als getuige onder meer het volgende verklaard. Hij zag op 27 (dit zal een verschrijving zijn en moeten zijn: 26) maart 2015 rond 21.00 uur ter hoogte van zijn huis een Renault Mégane geparkeerd staan met kenteken

[kenteken] . Op de bijrijder stoel zat een vrouw. Hij nam duidelijk zichtbaar het kenteken in zich op en noteerde dat toen hij binnen was. Op dat moment zag hij dat de auto met hoge snelheid de straat uitreed. Het was hem, toen hij de Renault zag staan, ook opgevallen dat de verlichting van de woning van zijn buurman, op nummer 55, aan stond. 12

[getuige] , heeft op 31 maart 2015 als getuige onder meer het volgende verklaard. Op haar naam staat een Renault Mégane, [kenteken] . Ze denkt dat haar broer [verdachte] - zonder haar toestemming - de sleutels uit haar tas heeft gepakt. Hij is van woensdag 25 maart 2015 tot maandag 30 maart 2015 rond 8.30 uur in het bezit geweest van de auto. Toen ze in het tussenliggend weekend contact met hem had, zei hij dat hij buiten Den Haag was en wilde hij verder niet zeggen waar hij zich bevond. 13

Uit onderzoek bleek dat de verdachte [telefoonnummer] gebruikte.14 Uit nader onderzoek (tapgesprekken, zendmasten) bleek dat de telefoon zich op 26 maart 2015 naar Apeldoorn verplaatste en op die dag om 20.52 uur een sms-bericht ontving van nummer [telefoonnummer] luidend “Pas op voor buurman daar”. Op dat moment en om 20.12 uur straalde de telefoon telecompaal [adres] te Apeldoorn aan, die is gelegen in de nabije omgeving van [adres] Apeldoorn. 1516

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft op 7 april 2015 onder meer het volgende verklaard. Haar telefoonnummer is [telefoonnummer] . Ongeveer twee weken voor het verhoor is ze met [naam] en de verdachte naar Apeldoorn gegaan. Ze hebben ze in de omgeving rondgereden en zijn op meerdere plekken gestopt. Een man heeft haar zien zitten in de auto. De jongens waren toen uit de auto om te plassen. Zij groette de man, de jongens kwamen de auto in en ze reden weg. Het klopt dat ze een sms heeft gestuurd. 17

In het navigatie-apparaat dat in de Renault van de zus van de verdachte werd aangetroffen, bleek als recente bestemmingen te zijn ingevoerd: [adres] in Apeldoorn (waar de vader van [medeverdachte 2] bleek te wonen) en [plaats] . 18

In de fouillering van verdachte werd een zilverkleurig horloge van het merk Tommy Hilfiger aangetroffen. Op 31 maart 2015 werd door een verbalisant geconstateerd dat het horloge overeenkwam met de beschrijving die aangever [slachtoffer 2] had gegeven van het weggenomen horloge van het merk Hilfiger en met de foto die de aangever daarna van zijn horloge zond. 19

De rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het feit heeft begaan.

Ten aanzien van feit 3 eerste en tweede cumulatief/alternatief

[slachtoffer 7] deed aangifte van inbraak in zijn woning aan het [adres] te Wateringen, mede namens [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , en verklaarde onder meer het volgende. Op 27 februari 2015 rond 8.15 uur kreeg hij bericht van zijn buurvrouw, dat in de woning was ingebroken nadat zij op 26 februari 2015 rond 21.30 uur nog in de woning was geweest. Hij zag later die dag dat de voorruit van de woning was verbroken of ingegooid. Binnen zag hij een kei liggen. De tuinpoort aan de achterzijde was geforceerd. Hij miste een kluis die op de zolderverdieping stond. In de kluis zaten twee pinpassen met codes; een pas met ING-rekeningnummer [rekeningnummer ] en een pas met ABN-rekeningnummer [rekeningnummer ] , beiden op naam van [slachtoffer 4] . Hij miste ook andere goederen uit de kluis: kentekenbewijzen, de moedersleutel van een Audi A6, een trouwboekje en diverse vreemde valuta. Verder zijn diverse gouden sieraden weggenomen. 20

Op 16 maart 2015 deed [slachtoffer 3] aanvullend aangifte. Zij verklaarde onder meer het volgende. Er bleken nog meer sieraden te zijn weggenomen. Met de gestolen passen van haar vader, en de bijbehorende codes, bleek te zijn gepind. Er werd 600 euro en 400 euro opgenomen met de pas die hoorde bij ING-rekening ING [rekeningnummer ] , en 130 euro opgenomen van ABN-rekening [rekeningnummer ] , bij een pinautomaat bij de [adres] in Den Haag. Ook werd een kentekenbewijs weggenomen dat hoorde bij een aanhanger, en een externe harde schijf. 21 Ze voegde een lijst met gestolen goederen aan de verklaring toe. 22 Uit een print van een deel van een beeldscherm blijkt dat bedragen van 600 euro en 400 euro op 27 februari 2015 in Den Haag bij de ING zijn opgenomen 23

Uit onderzoek van het gebruik van het telefoontoestel van de verdachte bleek dat het ten tijde van de inbraak een basisstation aanstraalde, gelegen op [adres] in Wateringen, als eerste tijdstip op 26 februari 2015 te 21:31 uur en als laatste tijdstip op 27 februari 2015 te 01:41 uur. Het [adres] is gelegen in de nabije omgeving van [adres] Wateringen.24

De beelden van de betreffende geldopnamen zijn onderzocht. Op foto’s daarvan werd de verdachte herkend. 25 Verbalisant [verbalisant] herkende de verdachte. Deze verbalisant is werkzaam binnen team ZWIT (Zuiderpark Woning Inbraken Team) dat sinds 10 maart 2015 een onderzoek naar verdachte doet. De foto van verdachte hangt op de kamer van het ZWIT. Op 30 maart 2015 heeft hij de verdachte aangehouden. Verbalisant constateerde dat de verdachte toen en tijdens de pinopname eenzelfde roze trainingsjack droeg.26

Verbalisant [verbalisant] herkende de verdachte op de foto’s aan zijn opvallende ogen en neus. 27 Verbalisant [verbalisant] relateert dat de verdachte op twee printafdrukken van pinopnames bij de ING Bank is herkend aan zijn opvallende zilverkleurige ring en kleding (rood/roze sportjack merk Adidas). De ring en sportjack droeg de verdachte ook allebei bij zijn aanhouding op 30 maart 2015.28

[zus verdachte] , zus van de verdachte, heeft op 1 april 2015 onder meer verklaard dat verdachte sinds ongeveer 3 maanden vaak tot midden in de nacht buiten is en vrijwel elke dag een trainingspak draagt, waarbij zij heeft toegevoegd dat hij een blauw en een roze trainingspak heeft.29

De rechtbank constateert dat de bedragen kort na de inbraak zijn gepind. Voor het feit dat de telefoon van de verdachte zich ten tijde van de inbraak in de directe nabijheid van de plaats delict bevond heeft de verdachte, die daar niet woont geen verklaring gegeven.

Voor betrokkenheid van een ander dan de verdachte bevat het onderzoek geen aanwijzingen.

De rechtbank is van oordeel dat voormelde bewijsmiddelen en overwegingen, in onderlinge samenhang bezien, tot de conclusie leiden dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich aan de woninginbraak heeft schuldig gemaakt en dat hij daarna ook het geld gepind heeft, zodat feit 3 zoals onder eerste en tweede cumulatief is tenlastegelegd, met gedeeltelijke vrijspraak van het medeplegen, zal worden bewezenverklaard.

Ten aanzien van feit 4

Op 20 maart 2015 zagen verbalisanten in Den Haag om 5.00 uur een auto die stil stond en de doorgang belemmerde, waar drie personen bij stonden. Toen de verbalisanten de auto naderden renden twee van de drie personen hard weg. De derde persoon zei dat hij de bestuurder was en hij de twee anderen niet kende. De man identificeerde zich als zijnde [naam] . Hij gaf toestemming om de auto te doorzoeken. In de personenauto werden twee post-it briefjes aangetroffen, met daarop de aantekening Audi A4 2.0 TDI en Audi A6, 2.7 TDI. Nadat zij de man hadden laten gaan, merkten de verbalisanten dat op een paar meter afstand een Audi stond, [kenteken] , waarvan de motorkap warm was. Bij navraag bleek dat de sleutels van deze auto waren gestolen bij een inbraak op 15 maart 2015 en dat de Audi in deze nacht was weggenomen. De Audi is daarop inbeslaggenomen.30

Bij zijn aanhouding op 30 maart 2015 had de verdachte een autosleutel van het merk Audi bij zich, die inbeslaggenomen is. De verbalisanten die op 20 maart 2015 twee personen zagen wegrennen, zagen dat een van de twee personen een rood trainingsjack droeg.

Op 31 maart 2015 is geconstateerd dat de bij de verdachte inbeslaggenomen autosleutel paste bij de Audi met [kenteken] . 31

[slachtoffer 5] deed aangifte van inbraak in zijn woning aan het [adres] in Wateringen, gemeente Westland, gepleegd op 15 maart 2015, en verklaarde dat een steen door een ruit van de woning was gegooid en er goederen waren weggenomen, waaronder sleutels van een auto, merk Audi.32 Op 3 april 2015 heeft de aangever aanvullend onder meer het volgende verklaard. De autosleutels hoorden bij een Audi A 6, met [kenteken] , die de aangever in bruikleen heeft van een zakenpartner. De aangever had de auto in goede staat op 19 maart 2015 bij zijn woning geparkeerd en hoorde op 20 maart 2015 rond 5.30 uur van de politie dat de auto in Den Haag was aangetroffen. 33

Voor het feit dat de verdachte tien dagen nadat de auto is weggenomen, in het bezit is van de sleutel ervan, heeft hij een verklaring afgelegd, inhoudend dat hij die op een kermis heeft gewonnen en niet meer weet waar dat was. 34

Uit de op de telefoon van de verdachte ( [telefoonnummer] ) opgenomen communicatie blijkt dat in de nacht van 20 maart 2015 meermalen contact plaatsvond tussen de verdachte en een onbekende man met nummer [telefoonnummer] . Uit de beschrijving van deze gesprekken komt onder meer het volgende naar voren.

In gesprek nummer 752: de verdachte wordt door de man gebeld, de man zegt dat die andere jongen niet opneemt maar hem moet openmaken. De verdachte zegt dat hij het ding dan wel openmaakt.

In gesprek nummer 778: de man belt naar de verdachte, die zegt dat ze eraan komen. De man laat dan een alarm horen en zegt dat het gevaarlijk is. De verdachte zegt dat hij weet dat het gevaarlijk is maar dat het goed komt en dat hij zo zijn kant op komt. De verdachte vraagt waar hij staat, de man vraagt wat verdachte in Delft gaat doen, de verdachte zegt dan “o, je bent achter mij”. De man zegt natuurlijk ben ik achter jou, dacht je dat ik politie was; de verdachte zegt dan “ kom achter mij en haal mij in”. 35

De raadsman is in zijn betoog eveneens van uitgegaan dat de verdachte degene is die in het tapgesprek nummer [telefoonnummer] gebruikte.

Uit het voorgaande volgt dat in de nacht van 20 maart 2015 een Audi A4 met [kenteken] is gestolen in Wateringen en dat ten minste drie mannen (één met een roodachtig trainingsjack aan) daarmee iets te maken hadden. Verdachte had bij zijn aanhouding op 30 maart 2016 (10 dagen na de diefstal van de Audi) de sleutel van die Audi op zak. De verklaring die de verdachte geeft over de herkomst van de sleutel acht de rechtbank ongeloofwaardig. Vast staat voorts, op grond van de op zijn telefoonnummer afgeluisterde gesprekken, dat verdachte in de nacht van 20 maart 2016 bezig was met een activiteit die gevaarlijk kon worden en waarbij hij in een auto achter een andere auto aanreed, met de bestuurder waarvan hij genoemd telefoongesprek voerde en dat zij daar bij de politie niet konden gebruiken . Zij reden achter elkaar aan in de buurt van Delft. De rechtbank concludeert uit voormelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, dat de verdachte met een of meer anderen aan de diefstal heeft gepleegd zoals onder 4 primair is tenlastegelegd.

Ten aanzien van feiten 5 en 6

Evenals de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat voor de feiten 5 en 6 geen wettig bewijs bestaat. Naast de aangifte bevat het dossier verklaringen die met de aangifte in strijd zijn en zonder nader onderzoek, hetgeen niet is kunnen worden verricht, niet bewezenverklaard kunnen worden.

De rechtbank zal de verdachte dan ook van deze feiten vrijspreken.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

1.

hij op of omstreeks 11 maart 2015 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning (gelegen aan de [adres] ) heeft weggenomen een mini laptop (merk Acer) en een geldbedrag (te weten ongeveer 3000 euro) en een parfumdoosje (met hierin een geldbedrag van ongeveer 100 euro) en sieraden, toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft door een raam van die woning te verbreken;

2.

hij op 26 maart 2015 te [plaats] , gemeente Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning (gelegen aan de [adres] ) heeft weggenomen computers (merk Lenovo en Asus) en horloges (merk Tommy Hilfiger en Festina) en een mobiele telefoon (merk Nokia) en een videocamera (merk Sony) en een fotocamera (merk Canon) en sieraden en autosleutels en autopapieren en een geldbedrag (van ongeveer 900 euro), toebehorende aan [slachtoffer 2] , zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft door een raam van die woning te forceren;

3.

hij op of omstreeks 27 februari 2015 te Wateringen, gemeente Westland, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening in een woning (gelegen aan het [adres] ) heeft weggenomen kentekenbewijzen (behorende bij een Audi A6) en bankpassen en een trouwboekje en sieraden en

een kluis en een externe harde schijf en een moedersleutel (behorende bij een Audi A6) en een kentekenbewijs (behorende bij een aanhangwagen), toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of

[slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft door een ruit te forceren (door die ruit met een steen in te gooien) en de tuinpoort te forceren;

en

hij op 27 februari 2015 te 's-Gravenhage telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geldbedragen (te weten 600 euro en 400 euro en 130 euro), toebehorende aan

[slachtoffer 4] , telkens zulks na de weg te nemen goederen onder zijn bereik te hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door met niet voor hem bestemde pinpassen en bijbehorende pincodes van bankrekeningen (van de ING Bank met nummer [rekeningnummer ] en van de ABN Amro met nummer [rekeningnummer ] ) geldbedragen te pinnen;

4.

hij op 20 maart 2015 te Wateringen, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Audi A6 met kenteken [kenteken] ), toebehorende aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) het weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een autosleutel tot welk

gebruik hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) onbevoegd en/of niet gerechtigd was/waren.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem onder 5 en 6 ten laste gelegde wordt vrijgesproken en dat de verdachte ter zake van het hem onder 1, 2, 3 eerste en tweede cumulatief en 4 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie van 291 dagen, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht en dat voorts aan de verdachte wordt opgelegd een maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (verder: GBM), bestaande uit ITB Harde Kern en Topzorg, waaraan vervangende hechtenis wordt verbonden voor de duur van 6 maanden, met uitvoering door de jeugdreclassering en bepaling dat het programma dadelijke uitvoerbaar is.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit niet meer straf op te leggen dan overeenkomt met de duur van de voorlopige hechtenis.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie woninginbraken, twee daarvan samen en in vereniging met anderen. Daarnaast heeft hij met gestolen bankpassen geld gepind van een ander. Tenslotte heeft hij met een of meer anderen een auto gestolen met gebruikmaking van een gestolen autosleutel.

Deze feiten zijn ernstig. De verdachte heeft met het plegen van deze feiten telkens op grove wijze inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van anderen en getoond daarvoor geen enkel respect te hebben. Hij heeft kennelijk alleen oog gehad voor zijn eigen gewin. Hij heeft de eigenaren schade toegebracht. Voor de slachtoffers van de woninginbraken weegt wellicht nog zwaarder dat de verdachte hen heeft beroofd van een gevoel van veiligheid, juist in de eigen woning waar men zich veilig zou moeten kunnen weten. Slachtoffers van dergelijke misdrijven ervaren vaak nog lang de nadelige psychische gevolgen. Dit geldt temeer als de inbraak heeft plaatsgevonden, gedurende de nacht, terwijl de slachtoffers thuis waren. Dat was in een van de bewezen verklaarde feiten het geval. Ook aan deze gevolgen heeft hij zich niets gelegen laten liggen. De rechtbank neemt dit de verdachte deze feiten ernstig kwalijk.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie, in het verleden reeds eerder is veroordeeld voor strafbare feiten en dat hij de thans bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd gedurende de proeftijd van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van het psychiatrisch onderzoek door

[naam] (kinder- en jeugdpsychiater) en het psychologisch onderzoek door [naam] (klinisch psychologe) d.d. 3 augustus 2015. De verdachte heeft weliswaar meegewerkt aan het onderzoek, maar hij heeft zijn betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten steeds ontkent. Daardoor kon geen strafadvies worden gegeven. Het rapport maakt melding van feiten en omstandigheden die een licht werpen op het functioneren van verdachte. De moeder van verdachte heeft geen grip op hem. Hij blijft nachten lang van huis weg. Hij is sinds 2010 bekend bij de Raad vanwege politiecontacten. Hij heeft in 2012 een werkstraf gedaan en de leerstraf Tools4U alsmede de Equip-training gevolgd. Hij is voortijdig gestopt met school. Hij heeft wekelijks contact in het kader van MDFT en is begeleid door de jeugdreclassering. Hij zou met blowen zijn gestopt.

De rechtbank heeft acht geslagen op het psychiatrisch onderzoek d.d. 12 januari 2016 door drs [naam] , kinder- en jeugdpsychiater, en dr. [naam] , psychiater. Uit het rapport komt onder meer het volgende naar voren. De verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, in de zin van een gedragsstoornis, beginnend in de adolescentie, met een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale en narcistische trekken. Hij heeft een gebrekkige gewetensfunctie en een beperkte frustratietolerantie. Hij gebruikt leugenachtig en manipulatief gedrag voor persoonlijk gewin. Dit was ook zo ten tijde van de feiten. Verdachte ontkent en daarom wordt geen advies gegeven over de mate van toerekeningsvatbaarheid. Hij heeft intensieve behandeling nodig. Een ambulant kader zonder stok achter de deur is onvoldoende, omdat verdachte ondanks eerdere intensieve behandelingen en nauwkeurig toezicht is doorgegaan met criminele activiteiten. Geadviseerd wordt een GBM op te leggen inclusief vervangende jeugddetentie. In dit kader wordt geadviseerd dat verdachte wordt begeleid naar een vakopleiding en werk, gerichte training ter bevordering zelfbeeld (cognitieve gedragstherapie) en agressie hantering (ART of AR op Maat) en multidimensionale familietherapie (MDFT) hervat.

De rechtbank heeft acht geslagen op het psychologisch onderzoek d.d. 12 januari 2016, door drs [naam] , GZ psycholoog, uitgevoerd onder supervisie van dr [naam] , kinderpsycholoog. Hieruit komt het volgende naar voren. Verdachte komt over als laag gemiddeld intelligent. Hij is openlijk berekenend, verhoogd prikkelgevoelig en sterk beïnvloedbaar. Hij lijdt aan een gedragsstoornis, beginnend in de adolescentie, voortkomend uit het willen vermijden van traumatische ervaringen. Dat was ook zo ten tijde van de feiten. Doordat verdachte de feiten ontkent, wordt geen advies gegeven ten aanzien van zijn toerekeningsvatbaarheid. Bij bewezenverklaarde feiten wordt het recidiverisico ingeschat als hoog.

Een stevig juridisch kader kan de extra controle bieden om te zorgen dat hij nog éénmaal de kans krijgt zich binnen het jeugdstrafrecht zich aan gestelde voorwaarden te houden. Verdachte toont enige motivatie en het voorkomen van toepassing van het volwassenen strafrecht (als hij wederom de fout in zou gaan) is een stok achter de deur. In samenhang daarmee kán een GBM voldoende zijn mits er een vervangende jeugddetentie aan verbonden is gelijk aan de duur van de GBM. De GBM zou de maximale duur moeten hebben om de scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling om te buigen. Toezicht is noodzakelijk om een pro-sociale ontwikkeling van de verdachte op langere termijn te waarborgen. Het succes is afhankelijk van de mate van openheid van de verdachte na de eventuele veroordeling.

De rechtbank heeft acht geslagen op diverse rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad). Uit het laatste rapport van 30 maart 2016 komt onder meer het volgende naar voren.

De Raad kan zich gedeeltelijk vinden in de advisering vanuit de onderzoekers. Verdachte wordt verdacht van bijzonder ernstige delicten en er is een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een gedragsstoornis, beginnend in de adolescentie, met daarbij een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale en narcistische trekken. Deze was ook aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Op grond van de taxatie middels de SAVRY wordt het risico op toekomstig gewelddadig gedrag als hoog ingeschat. Om de scheefgroei in de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid om te buigen en de kans op recidive te minimaliseren is behandeling noodzakelijk. Individuele behandeling en systeembehandeling (MDFT) binnen ITB-Harde Kern vanuit de jeugdreclassering met elektronische controle, zijn deels positief verlopen maar hebben niet het afglijden in criminele activiteiten gestopt. Deze vormen van behandeling blijken dus niet afdoende.

De Raad acht het volgende noodzakelijk: individuele therapie (cognitieve gedragstherapie) gericht op het versterken van het zelfbeeld (de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling); agressieregulatie en eventuele verwerking van ingrijpende levensgebeurtenissen en weerbaarheid in het contact met (antisociale) leeftijdsgenoten. Dit alles gecombineerd met een traject richting werk als zinvolle dagbesteding. De Waag kan dit pakket aan behandeling en begeleiding op maat bieden middels de module Topzorg.

Voortzetting van MDFT heeft geen meerwaarde. Dit behandelaanbod is meerdere keren doorlopen en heeft niet tot het gewenste resultaat geleid. Van belang is niet méér van hetzelfde te doen, als duidelijk is dat het niet werkt.

In deze wijkt de Raad af van het advies gegeven door de pro justitia rapporteurs. Mede gezien zijn leeftijd is de Raad van mening dat de behandelnoodzaak voor verdachte voornamelijk ligt op het persoonlijke vlak.

De Raad acht als kader waarin bovenstaande dient te geschieden is, een GBM het meest geëigend. Binnen deze maatregel wordt een strak kader geschapen waaronder de behandelmodules plaats zullen vinden en bestaat de mogelijkheid om middels de ‘time out’ de GBM te ondersteunen.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseert de kinderrechter om verdachte een GBM op te leggen voor de duur van 12 maanden in de vorm van:

- ITB Harde Kern,

- deelname aan de behandeling ‘TOPZORG’ bij de Waag,

waarbij aan Stichting Jeugdbescherming West, zijnde een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, de opdracht wordt gegeven de tenuitvoerlegging van de maatregel te ondersteunen; en te bevelen dat het programma waaruit de maatregel bestaat, dadelijk uitvoerbaar is.

De Raad adviseert om daarnaast een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, onder de bijzondere voorwaarden dat de minderjarige zich gedurende een door de Stichting Jeugdbescherming west te bepalen periode en op door Stichting Jeugdbescherming west te bepalen tijdstippen te melden bij Stichting Jeugdbescherming west, zo frequent en zo

lang deze instelling dat noodzakelijk acht.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport haalbaarheidsonderzoek ITB Harde Kern d.d. 23 maart 2016. Daarin staat het volgende. Gedurende het haalbaarheidsonderzoek GBM is de voorlopige hechtenis opgeheven op 19 februari 2016. Voor de verdachte werd een GBM, met daarin de modules ITB Harde Kern, elektronische controle en Topzorg aangewezen geacht. Begeleiding van de verdachte binnen ITB Harde Kern, met dagelijkse controle en een meldingsplicht, is na de opheffing van de voorlopige hechtenis niet meer haalbaar.

De verdachte heeft de laatste weken laten zien dat hij zich binnen de begeleiding door de jeugdreclassering kan houden aan de afspraken; hij werkt mee aan de ingezette behandeling. Hij neemt zelf het initiatief om de jeugdreclassering op de hoogte te houden van het verloop van bijvoorbeeld zijn dagbesteding.

Behandeling door Topzorg van de Waag is haalbaar. Topzorg als module binnen de GBM zorgt ervoor dat de verdachte de behandeling ook voortzet op momenten dat hij minder gemotiveerd is of met moeilijke momenten te maken krijgt. Op 21 maart 2016 is de verdachte met deze behandeling gestart.

De rechtbank heeft acht geslagen op hetgeen ter terechtzitting door de verschenen deskundige namens Stichting Jeugdbescherming west (JBw) naar voren is gebracht, hetgeen onder meer het volgende inhoudt. ITB Harde Kern wordt niet geadviseerd omdat dat traject gepaard gaat met een periode huisarrest. Het is geen haalbare kaart bij verdachte nog een periode van huisarrest op te leggen nu de voorlopige hechtenis van verdachte op 19 februari 2016 is opgeheven en sedertdien geen vrijheidsbeperkende maatregelen hebben gegolden. Als een GBM wordt opgelegd met toezicht door Jbw is de controle voldoende geborgd en is er indien nodig ook aandacht voor de thuissituatie.

De verdachte heeft zich in het kader van de begeleiding door de jeugdreclassering, die nog van kracht was op grond van een eerder opgelegde straf, meewerkend opgesteld. Bij Trix, waar verdachte een dagbesteding heeft, en op kantoor heeft hij zich goed aan de afspraken gehouden. De rechtbank heeft acht geslagen op hetgeen ter terechtzitting door de verschenen deskundige namens de Raad naar voren is gebracht, hetgeen onder meer het volgende inhoudt. De ervaring met verdachte is dat het korte periodes goed gaat maar dat daarna vaak een terugval volgt. Om de positieve lijn vast te houden is een langere tijd behandeling nodig. Het gaat bij hem ook om denkfouten die moeten worden omgebogen om een positieve ontwikkeling te bereiken. Daarvoor is een heel strak kader noodzakelijk. Dit kan binnen Topzorg van De Waag. De Raad adviseert ook een meldplicht op te leggen, los van het kader van de GBM, zodat deze ook na de periode van de GBM doorloopt.

Ook de Raad vindt ITB passend maar niet haalbaar. MDFT, dat in het PO werd genoemd, is gezien de leeftijd van verdachte niet meer aangewezen

In de ter terechtzitting op 31 maart 2016 overgelegde stukken van Voortijdig schoolverlaters en Stichting Trix wordt bevestigd dat de verdachte sinds kort bij Stichting Trix in Scheveningen aan de slag is en daar een gemotiveerde indruk maakt. Als hij deze lijn voortzet wordt verwacht dat hij binnen zes maanden alle diploma’s behaald zal hebben en kan uitstromen naar passend werk, een bijbaan of een leerwerkbaan.

De rechtbank overweegt dat oplegging van een GBM naast de opgelegde onvoorwaardelijke jeugddetentie noodzakelijk is gelet op de voor de verdachte te behalen doelen ter vermindering van de kans op recidive. De rechtbank overweegt daarbij dat de GBM een maatregel betreft en dat in verband daarmee, anders dan bij straffen, het accent meer ligt op hetgeen nodig en in het belang van de verdachte is dan op een, vanuit strafmetingsoogpunt, redelijke verhouding met de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten. Aldus is de rechtbank van oordeel dat er ondanks de lange tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, er nog wel degelijk ruimte is voor de GBM.

De rechtbank onderschrijft de conclusies van de deskundigen en zal het gegeven advies opvolgen, uitgezonderd het advies om een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de begane misdrijven en de veelvuldigheid van de begane misdrijven in combinatie met de intensiviteit van de benodigde behandeling van de verdachte, aanleiding geven tot de oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie en tot oplegging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige, welke maatregel de rechtbank in het belang acht van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. De inhoud van het programma zal de rechtbank bepalen conform hetgeen ter terechtzitting door de Raad en Jbw werd geadviseerd. De rechtbank zal de duur en de inhoud van de GBM conform het gegeven advies bepalen op een jaar. Aan deze maatregel zal de rechtbank een vervangende jeugddetentie verbinden voor de duur van een jaar.

De rechtbank ziet voor oplegging van een voorwaardelijke jeugddetentie naast deze maatregel en de onvoorwaardelijke jeugddetentie geen ruimte.

De rechtbank zal bevelen dat het programma van de GBM en de bijzondere voorwaarden bij de voorwaardelijke jeugddetentie dadelijk uitvoerbaar zijn, nu er naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee moet worden gehouden, gelet op het recidiverisico en de omstandigheid dat de verdachte eerder binnen een begeleid kader recidiveerde, dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen en de dadelijke uitvoerbaarheid in het belang van de verdachte is.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen

Inzake feit 2

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ad € 4.905,34, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering bestaat uit materiële schade, bestaande uit de posten:
- div. goederen + contant geld: € 5.868,44
- overige schade niet gewerkte uren, alarmsysteem: € 4.047,40
en uit immateriële schade ad € 250,00.

Inzake feit 3, eerste en tweede cumulatief

[slachtoffer 7] heeft als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ad € 2.401,66, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering bestaat uit materiële schade:
- audio apparatuur € 79,94
- contanten € 160,00
- div goederen/ inboedel: € 2.652,00
- goederen/geld derden € 1.130,00
- kosten vervangen autosloten € 986,29
- kosten herstel gebouwen € 1.370,75.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie concludeert tot toewijzing van beide vorderingen.

Voorts vordert de officier van justitie dat de rechtbank aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van:

een bedrag groot € 4.905,34 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2] , en

een bedrag groot € 2.401,66 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 7] .

7.2

Het standpunt van de verdediging

Inzake feit 2

De raadsman heeft ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] bepleit deze af te wijzen voorzover deze geen rechtstreeks gevolg is van het strafbare feit zoals de schade door niet gewerkte uren en het installeren van een alarmsysteem. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Inzake feit 3, eerste en tweede cumulatief

De raadsman heeft ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 7] de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Inzake feit 2

De vordering is, hoewel namens de verdachte betwist, voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde feit. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte het feit samen met anderen heeft gepleegd.

De rechtbank zal derhalve de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toewijzen. De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 26 maart 2015 is ontstaan.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 4.905,34, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 26 maart 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2].

Inzake feit 3, eerste en tweede cumulatief

De vordering is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 3, eerste en tweede cumulatief bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank zal derhalve de vordering van de benadeelde partij toewijzen. De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 27 februari 2015 is ontstaan.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.401,66, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 27 februari 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 7].

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij arrest d.d. 28 mei 2015 onder 22/004314-14 door het Gerechtshof te Den Haag aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 19 dagen. De officier van justitie concludeert tot verlenging van de proeftijd met één jaar.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de proeftijd te verlengen met één jaar.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich voor het einde van de bij voormeld arrest bepaalde proeftijd wederom schuldig gemaakt aan strafbare feiten, zoals in dit vonnis bewezen verklaard.

De rechtbank ziet echter in de overige inhoud van dit vonnis en het belang dat voor de verdachte en voor de maatschappij gemoeid is bij inzet van de noodzakelijk geachte behandeling en begeleiding van de verdachte, gronden om de bij deze voorwaardelijke straf bepaalde proeftijd te verlengen met één jaar.

Wijziging bijzondere voorwaarde

In voormeld arrest is aan de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie onder meer als bijzondere voorwaarde verbonden, dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd houdt aan de aanwijzingen hem te geven door of namens de Jeugdreclassering Den Haag.

De rechtbank zal deze voorwaarde ambtshalve wijzigen.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

36f, 77a, 77g, 77h, 77i, 77w, 77wa, 77wc, 77cc, 77ee, 77gg en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem bij dagvaarding onder 1, 2, 3 eerste en tweede cumulatief, en 4 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

feit 1, feit 2:

diefstal in een woning door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd;

feit 3, eerste cumulatief:

diefstal in een woning waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 3, tweede cumulatief:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;

feit 4 primair:

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 285 dagen

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

legt aan de verdachte op de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 maanden,

die bestaat uit:

- het zich onder behandeling stellen van de Waag, TOPZORG;

- het hebben van een zinvolle dagbesteding in de vorm van werk, scholing en/of stage;

waarbij Jeugdbescherming west, afdeling Jeugdreclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de gedragsbeïnvloedende maatregel en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt, voor het geval de veroordeelde niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel heeft meegewerkt, dat de maatregel zal worden vervangen door jeugddetentie voor de duur van 12 maanden;

beveelt dat het programma waaruit de maatregel bestaat, dadelijk uitvoerbaar is;

vorderingen benadeelde partijen

inzake feit 2:

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan

[slachtoffer 2] , een bedrag van € 4.905,34,

vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 26 maart 2015 tot de dag waarop deze vordering is voldaan;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 4.905,34, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 26 maart 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd

[slachtoffer 2] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

inzake feit 3, eerste en tweede cumulatief:

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 7], een bedrag van € 2.401,66,

vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 27 februari 2015 tot de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 2.401,66, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 27 februari 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd

[slachtoffer 7] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

vordering tenuitvoerlegging

verlengt de proeftijd van de bij arrest van het Gerechtshof te Den Haag, gewezen op 28 mei 2015 onder parketnummer 22/004314-14, opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie met één jaar;

wijzigt de in voormeld arrest gestelde bijzondere voorwaarde, luidend:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd houdt aan de aanwijzingen hem te geven door of namens de Jeugdreclassering Den Haag;

in die zin dat deze komt te luiden:

- zich gedurende een door Stichting Jeugdbescherming west (jeugdreclassering) te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door te bepalen tijdstippen zal melden bij Stichting Jeugdbescherming west (jeugdreclassering), zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M.M. Engbers, kinderrechter, voorzitter,

mr. H.M.D. de Jong, kinderrechter,

en mr. M. de Groot, kinderrechter-plv.,

in tegenwoordigheid van mr. E.A.W. Hoefnagels, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 april 2016.

Mr. de Groot is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2015076059.

2 Pag. 57, 58, aangifte door [slachtoffer 1] .

3 Pag. 62 t/m 64, aanvullende verklaring van aangever [slachtoffer 1] .

4 Pag. 277, 278, bevindingen.

5 Pag. 54, 55, weergave gesprek, [onderzoek naam] , sessienr. 3382.

6 Pag. 48, 49, verklaring van de verdachte bij de politie.

7 Pag. 38, 39, verklaring van de verdachte bij de politie.

8 Pag. 260 t/m 267, verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] .

9 Pag. 77, 78, aangifte door [slachtoffer 2] .

10 Pag. 79, 80, bijlage gestolen goederen, pag. 81, 82, lijst gestolen spullen.

11 www.plaatsengids.nl.

12 Pag. 86,87, verklaring getuige [getuige] .

13 Pag. 88, 89, verklaring [zus verdachte] .

14 Pag. 353, analyse.

15 Pag. 108, 109, bevindingen.

16 Pag. 355, 356, analyse.

17 Pag. 204-208, verklaring [medeverdachte 2] .

18 Pag. 99, bevindingen.

19 Pag. 92, bevindingen, pag. 97, 98, foto’s.

20 Pag. 116 t/m 122, aangifte door [slachtoffer 7] .

21 Pag. 124, 125 aanvullende aangifte door [slachtoffer 3] .

22 Pag. 126 t/m 128, bijlage gestolen goederen.

23 Pag. 123, print van beeldscherm.

24 Pag. 353, 354, analyse.

25 Pag. 174, 175, foto’s pin-opname.

26 Pag. 176, bevindingen.

27 Pag. 178, bevindingen.

28 Pag. 181, bevindingen, pag. 183, 184, foto’s kleding en ring.

29 Pag. 298, 299, verklaring getuige [getuige] .

30 Pag. 326, 327, bevindingen.

31 Pag. 318, bevindingen.

32 Pag. 309, 310, aangifte door [slachtoffer 5] .

33 Pag. 315, 316, aanvullende verklaring door aangever [slachtoffer 5] .

34 Ambtsedig proces-verbaal, als bijlage opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2015076059, op pagina 52, verklaring van de verdachte.

35 Pag. 323 t/m 325, bevindingen.