Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4063

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-04-2016
Datum publicatie
19-04-2016
Zaaknummer
C/09/498176 / FA RK 15-8063
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wijziging kinderalimentatie. Behoefte en draagkracht opnieuw vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 15-8063

Zaaknummer: C/09/498176

Datum beschikking: 15 april 2016

Alimentatie

Beschikking op het op 16 oktober 2015 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. A.C.M. van der Voet te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M.M. Menheere te ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    de brief d.d. 25 februari 2016, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief d.d. 1 maart 2016, met bijlagen, van de zijde van de man;

  • -

    de brief d.d. 7 maart 2016, met bijlagen, van de zijde van de vrouw.

Op 18 maart 2016 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen met hun advocaten. Van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man luidt – met wijziging van na te melden beschikking – met ingang van 26 oktober 2011, dan wel 1 januari 2015, dan wel 9 oktober 2015 dan wel de datum van indiening van het verzoekschrift, dan wel een datum als de rechtbank juist acht, de kinderalimentatie op nihil te bepalen, althans op zodanig lager bedrag dan de huidige kinderalimentatie als de rechtbank juist acht, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van de vrouw in de proceskosten dan wel veroordeling van ieder der partijen in de eigen kosten van deze procedure.

De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.

- Zij zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen:

- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

- De minderjarigen verblijven thans bij de vrouw.

- Bij beschikking van het gerechtshof Den Haag d.d. 12 februari 2014 is – voor zover hier van belang – een kinderalimentatie vastgesteld van € 572,-- per maand per kind met ingang van 1 december 2012.

Beoordeling

De man legt aan zijn verzoek ten grondslag dat de beslissing waarbij de kinderalimentatie is vastgesteld van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan, dan wel dat sprake is van een wijziging van omstandigheden welke een herberekening van de kinderalimentatie rechtvaardigt.

Gelet op het vorenstaande kan de man worden ontvangen in zijn verzoek.

De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Wettelijke maatstaven

De rechtbank overweegt dat een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud kan worden gewijzigd indien zij van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De man stelt dat het gerechtshof bij het vaststellen van de kinderalimentatie bij beschikking van 12 februari 2014 van een onjuist bedrag is uitgegaan voor wat betreft de onderhoudskosten van de panden die de man in eigendom heeft. De rechtbank is van oordeel dat de man deze stelling niet, althans onvoldoende, heeft onderbouwd. De man heeft een grote hoeveelheid bonnen overgelegd, waartegen door de vrouw gemotiveerde bezwaren zijn geuit. De man heeft, ook desgevraagd, geen goede toelichting op deze stukken gegeven. De man heeft geen deugdelijk overzicht van de kosten van onderhoud van de panden gegeven. De rechtbank kan onder deze omstandigheden niet vaststellen dat de beschikking van het gerechtshof van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord, zodat de rechtbank deze stelling verwerpt.

Voorts heeft de man aangevoerd dat de WOZ-waarde van de eigen woning in 2013 lager was dan de waarde waarvan het hof is uitgegaan, namelijk geen € 297.000,-- maar € 180.000,--. De rechtbank is van oordeel dat dit gegeven geen effect heeft op de draagkracht van de man nu de inkomsten uit eigen woning door het gerechtshof op nihil zijn gesteld. Aan deze stelling gaat de rechtbank derhalve voorbij.

Wijziging omstandigheden

De rechtbank overweegt dat voor een wijziging van de onderhoudsverplichting door de rechter vastgesteld of door partijen overeengekomen vereist is dat sprake is van een wijziging van omstandigheden zoals die door de rechter ten tijde van de beslissing zijn vastgelegd respectievelijk van de omstandigheden waarbij partijen bij het sluiten van de overeenkomst zijn uitgegaan. Er moet zich derhalve nadien een wijziging van omstandigheden hebben voorgedaan die meebrengt dat die uitspraak niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Niet elke wijziging van omstandigheden is voldoende voor wijziging van de onderhoudsbijdrage. Alleen die wijzigingen waardoor het aanvankelijk vastgestelde of overeengekomen bedrag niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven zijn in dit opzicht rechtens relevant.

De man stelt als wijziging van omstandigheden dat zijn huurinkomsten zijn gedaald. De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken voldoende is komen vast te staan dat hiervan sprake is. Er is derhalve sprake van een relevante wijziging van omstandigheden die aanleiding geeft tot herberekening van de kinderalimentatie.

De behoefte van de minderjarigen is vastgesteld op € 602,-- per maand per kind. De vrouw heeft betoogd dat – indien een herberekening van de kinderalimentatie plaatsvindt – ook de behoefte opnieuw dient te worden vastgesteld. Ook de man heeft bepleit dat de behoefte opnieuw wordt vastgesteld. De vrouw heeft dienaangaande gesteld dat tussen partijen vaststaat dat het netto gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan in 2011 € 5.870,-- bedroeg. De man stelt zich op het standpunt dat het netto gezinsinkomen lager was. Ten aanzien van hetgeen in dit verband door de man is gesteld overweegt de rechtbank dat de stelling met betrekking tot de als gevolg van de onderhoudskosten lagere (netto) huurinkomsten reeds hiervoor door de rechtbank is verworpen en de door de man vermeldde aanpassing van de waarde van de woning slechts achteraf tot een lagere belasting heeft geleid zodat op grond daarvan niet kan worden geconcludeerd tot een lager daadwerkelijk gezinsinkomen.

Nu de behoeftetabel inmiddels rekening houdt met netto gezinsinkomens tot € 6000,-- per maand en hoger, dient de behoefte van de minderjarigen op basis van het netto gezinsinkomen in 2011 gesteld te worden op € 1.413,-- voor twee kinderen, derhalve op € 706,50 per kind per maand.

Voor de huurinkomsten van de man ter zake van de panden in Nederland gaat de rechtbank uit van een gemiddelde huurinkomsten van € 65.970,-- per jaar (gemiddelde 2012-2014). De rechtbank houdt rekening met gemeentelijke belastingen van afgerond € 3.560,--, zoals blijkt uit het door de man overgelegde beschikkingsbiljet gemeentelijke belastingen 2016. Ten aanzien van de onderhoudskosten heeft de man geen deugdelijk overzicht overgelegd. De rechtbank gaat daarom voor de onderhoudskosten in redelijkheid uit van 1% van de WOZ-waarde (belastingjaar 2016), derhalve met een bedrag van € 9.900,--. De netto huurinkomsten komen hiermee op € 52.510,--.

Vast staat voorts dat de man nog inkomsten heeft uit verhuur van een pand in [plaats] , Frankrijk. De rechtbank gaat uit van het door de vrouw genoemde bedrag aan huurinkomsten van afgerond € 11.000,-- per jaar en gaat daarmee aan de betwisting van deze huurinkomsten door de man voorbij, nu hetgeen de man daartoe ter onderbouwing heeft overgelegd volstrekt onvoldoende is. Voor wat betreft de onderhoudskosten is ook hier door de man geen deugdelijk overzicht overgelegd. De rechtbank volgt derhalve het betoog van de vrouw om de onderhoudskosten redelijkerwijs te stellen op € 1.600,-- per jaar zodat de netto huurinkomsten € 9.400,-- bedragen.

Het totaal aan netto huurinkomsten bedraagt € 61.910,-- per jaar.

Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man bedraagt op grond van voornoemde gegevens en uitgaande van een voor de heffing van inkomstenbelasting in box 3 aan de hand van de in de stukken voorhanden gegevens betreffende huurinkomsten en WOZ-waarden geschatte rendementsgrondslag van € 711.840,-- een bedrag van € 4.652,-- per maand.

Zoals eerder overwogen wordt uitgegaan van een behoefte van de minderjarigen van

€ 706,50,- per kind per maand. Beoordeeld dient te worden in welke verhouding dit eigen aandeel in de kosten van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld.

De rechtbank volgt ook in dit opzicht de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het eigen aandeel kosten van kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht. Het bedrag aan draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 875,--)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 1.525,--) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.

De draagkracht van de man bedraagt op grond van voornoemde formule afgerond € 1.667,--.

De vrouw is als zelfstandige werkzaam met een eventuele aanvullende uitkering van het UWV tot maximaal € 1.400,-- bruto per maand. In het geval de vrouw als zelfstandige meer inkomsten genereert wordt dit op de uitkering ingehouden. De verrekening vindt achteraf plaats. De rechtbank gaat uit van de gegevens in het fiscaal rapport 2014 zoals overgelegd door de vrouw, derhalve van een fiscale winst van € 1.200,-- en uitkering van het UWV van € 13.052,--. Het NBI van de vrouw bedraagt op grond van voornoemde gegevens € 1.347,-- per maand, inclusief kindgebondenbudget.

Op grond van de draagkrachttabel behorende bij de Tremanormen is de draagkracht van de vrouw € 70,--

De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.667 / 1.737 x 1.413 = € 1.356,--

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 70 / 1.737 x 1.413 = € 57,--

samen € 1.413,--

Derhalve komt van de totale behoefte van de minderjarigen een gedeelte van € 1.356,-- per maand ofwel € 678,-- per maand per kind voor rekening van de man en een gedeelte van

€ 57,-- per maand ofwel € 28,50 per maand per kind voor rekening van de vrouw.

De man maakt aanspraak op toepassing van een zorgkorting op de door hem eventueel verschuldigde kinderbijdrage.

De vrouw maakt daartegen gemotiveerd bezwaar.

De rechtbank volgt ook in dit opzicht de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Nu de man gemiddeld twee dagen per week de zorg heeft voor de minderjarigen, geldt een percentage van 25. Nu de behoefte € 1.413,-- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 353,25 per maand.

De eerder afgeleide bijdrage wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen € 1.002,75 per maand, zijnde afgerond € 501,-- per maand per kind.

Ingangsdatum

De rechtbank ziet geen aanleiding de wijziging eerder te doen ingaan dan de datum van indiening van het verzoekschrift nu de kinderalimentatie een consumptief karakter heeft en de vrouw niet eerder met de wijziging rekening heeft kunnen houden. De rechtbank ziet onvoldoende grond om, zoals door de vrouw verzocht, te bepalen dat op de vrouw geen terugbetalingsplicht rust voor hetgeen zij inmiddels teveel heeft ontvangen.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van het gerechtshof Den Haag d.d. 12 februari 2014 – :

bepaalt de door de man met ingang van 16 oktober 2015 te betalen

bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen:

- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

op € 501,-- per maand per kind, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.R. Salomons in tegenwoordigheid van P. Hillebrand als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2016.