Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4060

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-04-2016
Datum publicatie
22-04-2016
Zaaknummer
16-5040
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Afwijzing asielaanvraag als kennelijk ongegrond, Albanië veilig land van herkomst, discriminatie Balkan-Egyptenaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: 16/5040, 16/5038 (beroepen), 16/5039, 16/5041 (verzoeken)

V-nummers: [nummer] en [nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter en enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 7 april 2016 in de zaak tussen

[naam 1] (hierna: eiser),

[naam 2] (hierna: eiseres),

gezamenlijk ook aangeduid als: eisers,

gemachtigde: mr. S. Zwiers,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de (twee) besluiten van 15 maart 2016 (de bestreden besluiten) en tevens om het treffen van voorlopige voorzieningen gevraagd ter voorkoming van uitzetting hangende de beroepen.

De behandeling van de beroepen en verzoeken ter zitting vond plaats op 31 maart 2016. Verschenen is mr. J.M. Walls namens de gemachtigde van eisers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Janssen, voornoemd. Tevens was aanwezig D. Bilicom, tolk Albanees. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser, geboren op [geboortedatum], bezit evenals de op [geboortedatum] geboren eiseres de Albanese nationaliteit. Eisers hebben op 22 september 2015 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Aan die aanvragen ligt ten grondslag dat zij tot de Egyptische bevolkingsgroep binnen Albanië behoren en als zogenaamde 'Balkan-Egyptenaren’ gediscrimineerd worden.

2. De aanvragen zijn bij de bestreden besluiten afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Aan eisers is een vertrektermijn onthouden en een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd.

3. Verweerder stelt zich in de bestreden besluiten op het standpunt dat de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig is. Ook acht verweerder geloofwaardig dat eisers als Balkan-Egyptenaren een bepaalde mate van discriminatie ondervonden. Niet gebleken is echter dat eisers vanwege die discriminatie zodanig ernstig werden beperkt in hun bestaansmogelijkheden dat het daardoor onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal terrein te kunnen functioneren. Eisers hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat Albanië niet als veilig land van herkomst kan worden beschouwd.

4. Eisers hebben daartegen het volgende aangevoerd.

- Albanië kan voor Balkan-Egyptenaren niet als veilig land van herkomst worden aangemerkt nu zij daar - zo is niet in geschil - worden blootgesteld aan discriminatie. Uit landeninformatie en de relazen volgt dat zij ernstig worden beperkt in hun mogelijkheden op diverse terreinen, met name onderwijs, gezondheidszorg en werk.

- Balkan-Egyptenaren worden, anders dan Roma, in Albanië niet als minderheidsgroep erkend. Ze komen niet in aanmerking voor speciale maatregelen voor minderheden, hoewel ze ook problemen ondervinden. Ze kunnen slechts meeprofiteren van verbeteringen voor Roma en hebben zelf geen rechten. Ze worden structureel door de overheid gediscrimineerd. Verwezen wordt naar het rapport van de Europese Commissie ‘Instrument for pre-accession assistance (IPA II) 2014-2020’, het artikel ‘Minority right group international, world directory of minorities and indigenous peoples, Albania, Egyptians’ uit 2008, het artikel van Amnesty International in Public Statement van 18 september 2014 en het rapport van ECRI (European Commission against Racism and Intolerance) over Albanië van 9 juni 2015.

- Het is voor eisers bij voorbaat zinloos zich tot de autoriteiten te wenden. Verwezen wordt naar het rapport ‘Civil Rights Defenders’ van 13 augustus 2015, waaruit volgt dat Albanië in 2014 vier maal is veroordeeld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Van de gemaakte plannen komt in de praktijk niets terecht.

- Afwijzing van de aanvraag levert strijd op met het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

5. Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling afkomstig is uit een veilig land van herkomst in de zin van de artikelen 36 en 37 van de Procedurerichtlijn. Op grond van artikel 3.105ba, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan bij ministeriële regeling een lijst worden opgesteld van veilige landen van herkomst in de zin van de artikelen 36 en 37 van de Procedurerichtlijn. Op grond van artikel 3.37f, derde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV) zijn als veilige landen van herkomst als bedoeld in artikel 3.105ba, eerste lid, van het Vb aangewezen de landen die zijn opgenomen in bijlage 13 bij deze regeling, waaronder Albanië. Ingevolge verweerders beleid zoals opgenomen in paragraaf C2/7.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) kan verweerder een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kennelijk ongegrond verklaren op grond van artikel 30b, eerste lid, onder b, van de Vw als het land voorkomt op een lijst van landen die als bijlage bij het VV is opgenomen.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder Albanië terecht heeft aangemerkt als veilig land van herkomst, gelet op de door verweerder in de bestreden besluiten en de daaraan voorafgaande voornemens genoemde landeninformatie (waaronder het rapport van ECRI over Albanië van 9 juni 2015 en het rapport Country Information and Guidance Albania van de UK Border Agency van augustus 2015). Dat in een ter zitting door eisers overgelegd proces-verbaal van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 1 maart 2016 (Awb 16/2686 en 16/2811) is vermeld dat in die zaak aanleiding is gezien om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen, in afwachting van de uitspraak van de meervoudige kamer van die zittingsplaats over (onder meer) de vraag of Albanië terecht op de lijst van veilige herkomstlanden is geplaatst, doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding tot een ander oordeel over de presumptie van veilig land van herkomst te komen of in de onderhavige zaken de gevraagde voorzieningen toe te wijzen.

7. In de memorie van toelichting bij de Wijziging van de Vw ter implementatie van Procedurerichtlijn en de Opvangrichtlijn, Kamerstukken II, 2014/15, 34088, nr. 3, p. 15 is vermeld dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat het betreffende land van herkomst in zijn specifieke geval niet als veilig land kan worden beschouwd om de presumptie van veiligheid niet onverkort te handhaven. Eisers dienen derhalve aannemelijk te maken dat Albanië voor hen, gelet op de door hen aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden, geen veilig land van herkomst is. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers daarin niet zijn geslaagd. Niet in geschil is dat eisers als Balkan-Egyptenaren een zekere mate van discriminatie ondervonden in Albanië. Uit de asielrelazen blijkt echter niet dat eisers in Albanië zodanig zijn gediscrimineerd dat het voor hen onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal vlak te kunnen functioneren. Uit die verklaringen blijkt dat zij toegang hadden tot gezondheidszorg (eiseres verklaart dat zij na een zwaar ongeluk gebruik kon maken van medische voorzieningen en dat dat ook in andere gevallen mogelijk was), dat zij een woning konden huren in Albanië, dat zij onderwijs hadden gevolgd en dat het voor hen mogelijk was officiële documenten te krijgen. De gronden die hierop zien falen.

8. De grond dat het bij voorbaat zinloos is zich tot de autoriteiten in Albanië te wenden, faalt eveneens. Verweerder heeft zich onder verwijzing naar het rapport van ECRI van 9 juni 2015 op het standpunt gesteld dat Balkan-Egyptenaren niet als minderheidsgroep worden gezien maar voordeel hebben van Roma gerelateerde projecten en voorts dat er een ombudsman in Albanië is waar klachten kunnen worden ingediend. Eisers hebben dat niet gemotiveerd betwist. Verder kan uit de door eisers overgelegde stukken niet worden afgeleid dat geen bescherming mogelijk is. Vaststaat ten slotte dat eisers zich niet voor bescherming tot de (hogere) autoriteiten hebben gewend. Eiseres heeft daarover verklaard dat zij tevergeefs om werk hebben gevraagd bij de gemeente en dat zij daarover niet hebben geklaagd en ook anderszins geen bescherming hebben gevraagd. Eiser heeft verklaard dat hij geen poging heeft gewaagd om bescherming van de autoriteiten in Albanië te vragen, omdat hij weet dat hij die niet zal krijgen.

9. Gelet op het voorgaande hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Albanië te vrezen hebben voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico lopen op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

10. De beroepen zijn ongegrond. Gelet op deze beslissing zullen de verzoeken om een voorlopige voorziening worden afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaken met Awb-nummers 16/5040 en 16/5038:

- verklaart de beroepen ongegrond.

De voorzieningenrechter,

in de zaken met Awb-nummers 16/5039 en 16/5041:

- wijst de verzoeken af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, (voorzieningen)rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan - voor zover die ziet op de beroepen - binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.