Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4051

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-04-2016
Datum publicatie
18-04-2016
Zaaknummer
09/808906-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als examinator bij het CBR, gedurende een periode van bijna 3,5 jaar, veelvuldig van een groot aantal examenkandidaten via hun malafide rijschoolhouders geld aangenomen en deze kandidaten laten slagen voor hun rijexamen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/808906-14

Datum uitspraak: 18 april 2016

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1951 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 4 april 2016.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.J.L. van Bokhoven en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. G.L. Gijsberts, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting medegedeeld dat hij voornemens is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2011 tot en met 3 oktober 2014 in Amsterdam en/of Hoorn en/of Eemnes en/of Leusden en/of Amstelveen en/of Haarlem en/of Zaandam en/of Lijnden en/of Den Helder en/of Akersloot en/of Alkmaar en/of Rijswijk, in ieder geval in verschillende plaatsen in de provincie Noord-Holland en/of de provincie Utrecht en/of in de gemeente Rijswijk, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens)

door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige

kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, het Centraal Bureau

Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) heeft bewogen tot de afgifte van een groot aantal (197), in ieder geval meerdere, rijbewijzen en/of documenten/bewijzen van rijvaardigheid en/of geschiktheid voor de categorie B-rijbewijzen (personenauto), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte men/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

aan het CBR voorgedaan als een bonafide en/of onafhankelijke en/of onpartijdige examinator terwijl hij

- afspraken had gemaakt met rij-instructeur(s) en/of kandida(a)ten en/of rijschoolhouder(s) over de data en/of tijden en/of locaties waar hij examens zou afnemen en/of

- één of meerdere kandidaten tegen betaling liet slagen voor het rijexamen, ook als zij niet over het gewenste en/of noodzakelijke niveau van rijvaardigheid beschikten en/of

- één of meerdere kandidaten tegen betaling liet slagen voor het rijexamen, terwijl zij het examen in een auto met automaat hadden gereden, zonder daar melding van te maken en/of

- één of meerdere kandidaten tegen betaling liet slagen, terwijl zij het (officiële) examen niet (volledig en/of juist) hadden afgelegd en/of

- één of meerdere kandidaten liet zakken, terwijl zij wel over het gewenste en/of noodzakelijke niveau van rijvaardigheid beschikte(n) en/of

(vervolgens) aan het CBR via een tablet en/of computer en/of ander communicatiemiddel heeft doorgegeven/verwerkt dat die kandidaten waren geslaagd voor dat rijexamen,

waardoor het CBR (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

en/of

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2011 tot en met 3 oktober 2014 in Amsterdam en/of Hoorn en/of Eemnes en/of Leusden en/of Amstelveen en/of Haarlem en/of Zaandam en/of Lijnden en/of Den Helder en/of Akersloot en/of Alkmaar en/of Rijswijk, in ieder geval in verschillende plaatsen in de provincie Noord-Holland en/of de provincie Utrecht en/of in de gemeente Rijswijk, in ieder geval in Nederland, (telkens) een bewijs van behalen rijexamen en/of een document van geschiktheid

voor het categorie B-rijbewijs (personenauto) - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, door (telkens) valselijk via een tablet en/of computer en/of ander communicatiemiddel aan het CBR door te geven dat een kandidaat was geslaagd voor het rijexamen

- terwijl sprake was van een oplichting en/of omkoping met betrekking tot het behalen van het rijexamen en/of

- terwijl de betreffende kandidaat niet voldeed aan de rijgeschiktheidsnorm voor het behalen van dat examen, immers heeft verdachte geld aangenomen voor het laten slagen van die

kandidaten, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks 7 februari 2011 tot en met 3 oktober 2014 in Amsterdam en/of Hoorn en/of Eemnes en/of Leusden en/of Amstelveen en/of Haarlem en/of Zaandam en/of Lijnden en/of Den Helder en/of Akersloot en/of Alkmaar en/of Rijswijk, in ieder geval in verschillende plaatsen in de provincie Noord-Holland en/of de provincie Utrecht en/of in de gemeente Rijswijk, in ieder geval in Nederland, als ambtenaar, te weten als examinator van het CBR, (telkens) een gift of belofte dan wel een dienst, te weten 500 euro, in elk geval enig geldbedrag, heeft aangenomen, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem, verdachte werd gedaan, verleend of werd aangeboden teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, namelijk het laten slagen van één of meerdere kandidaten voor het rijexamen, ook als de

betreffende kandidaten niet voldeden aan de rijgeschiktheidsnorm voor het behalen van dat examen.

3 Geldigheid van de dagvaarding

3.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding, voor wat betreft de onder feit 1, eerste cumulatief/alternatief opgenomen gedachtestreepjes ‘kandidaten laten slagen voor het rijexamen terwijl zij examen in een auto met automaat hadden gereden, zonder daar melding van te maken’, ‘kandidaten laten slagen terwijl zij het (officiële) examen niet (volledig en/of juist) hadden afgelegd’, en ‘kandidaten laten zakken terwijl zij wel over het gewenste en/of noodzakelijk niveau van rijvaardigheid beschikten’, partieel nietig dient te worden verklaard, nu niet duidelijk is op welke kandidaten dit betrekking heeft en het verwijt te vaag is.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging voldoende duidelijk is. Duidelijk is immers wat de verschillende werkwijzen waren voor wat betreft de ten laste gelegde oplichting, Het is volgens de officier van justitie niet noodzakelijk om de werkwijze per kandidaat te specificeren.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het de verdachte volstrekt duidelijk is geweest dat hij van oplichting werd verdacht alsook van de wijze waarop die oplichting zou hebben plaatsgevonden. De rechtbank verwerpt aldus het verweer, nu de dagvaarding ook overigens voldoet aan de in art. 261 van het Wetboek van Strafvordering opgenomen eisen.

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het onder 1, eerste en tweede cumulatief en 2 tenlastegelegde, wettig en overtuigend bewezen zal verklaren.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – overeenkomstig zijn pleitnota – het volgende aangevoerd:

  • -

    Het Excelbestand dat zich in het dossier bevindt, waarin per rijschool de kandidaten worden genoemd die vermoedelijk tegen betaling zijn geslaagd voor hun rijexamen, betreft een schatting, gebaseerd op vooronderstellingen. Niet kan worden bewezen dat de verdachte deze 197 kandidaten ten onrechte heeft laten slagen. De bewezenverklaring dient daarom te worden beperkt tot “een groot aantal”.

  • -

    De tenlastegelegde pleegperiode is te lang. Het examen van [naam] op 21 oktober 2011 kan als eerste frauduleuze examen worden aangemerkt.

  • -

    Het dossier bevat onvoldoende bewijs om te concluderen dat verdachte, zonder daar melding van te maken, kandidaten liet slagen terwijl zij het examen in een auto met automaat hadden gereden.

  • -

    Het dossier bevat onvoldoende bewijs om te concluderen dat verdachte kandidaten heeft laten slagen terwijl zij het examen niet (volledig) hadden afgelegd.

  • -

    Het dossier bevat onvoldoende bewijs om te concluderen dat verdachte kandidaten ten onrechte heeft laten zakken.

4.3

De beoordeling van de tenlastelegging1

Op 14 augustus 2014 heeft [aangever] (manager rijvaardigheid bij het CBR) aangifte gedaan van valsheid in geschrift en/of oplichting, tegen verdachte (examinator van het CBR). [aangever] heeft hierbij verklaard dat het CBR hem ervan verdacht dat hij examenkandidaten liet slagen tegen betaling van een flink geldbedrag, terwijl zij in het geheel niet waren komen opdagen dan wel onvoldoende scoorden tijdens het examen. Bij het CBR waren hierover twee anonieme meldingen binnengekomen.2

Uit onderzoek naar de slagingspercentages is gebleken dat verdachte in de jaren 2012-2014 een slagingspercentage van tussen de 33,56% en de 37,14% had, terwijl het landelijk gemiddelde rond de 37% lag. Onderzoek naar verdachte rijscholen ( [rijschool 1] , [rijschool 2] , [rijschool 3] en [rijschool 4] ), heeft uitgewezen dat de verdachte bij die rijscholen een slagingspercentage had van gemiddeld boven de 70% per rijschool .3

Op 3 oktober 2014 is verdachte aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht.4

Verdachte heeft bij de politie en ter zitting verklaard dat hij geld heeft aangenomen om examenkandidaten te laten slagen van de rijscholen [rijschool 4] , [rijschool 1] , [rijschool 5] , [rijschool 3] , [rijschool 2] en van [rijschool 6] . Het aantal kandidaten dat verdachte onterecht heeft laten slagen bedraagt volgens verdachte ongeveer 70 kandidaten.5

Verdachte heeft met [medeverdachte 1] besproken dat hij € 500,- zou krijgen voor een B-NO (nader onderzoek) examen en dat hij € 750,- zou krijgen voor een B-FA (faalangst) examen. Verdachte heeft verklaard dat kandidaten die voor het slagen betaalden altijd wel daadwerkelijk zijn afgereden.6 Verdachte heeft in dit verband ook ter zitting met klem ontkend kandidaten te hebben laten slagen zonder dat zij waren komen opdagen voor het examen. Ook heeft verdachte ontkend dat hij kandidaten in een auto met automaat liet afrijden zonder dit te melden aan het CBR.

Over de werkwijze heeft verdachte verklaard dat hij in de agenda kon kijken waar hij examens zou afnemen; die informatie speelde hij vervolgens door naar de betrokken rijscholen.7

Het wel of niet geslaagd zijn van een kandidaat verwerkte verdachte op zijn tablet. De resultaten die hij via zijn tablet doorgaf, werden vervolgens verwerkt door het CBR.8

De hiervoor weergegeven bekennende verklaring van verdachte, wordt bevestigd door de volgende verklaringen van de medeverdachten:

- [medeverdachte 2] (mede-eigenaar van rijschool [rijschool 1] ) heeft bij zijn verhoor als getuige 2 verklaard dat leerlingen van [rijschool 1] die eigenlijk ongeschikt zijn om auto te rijden het aanbod kregen om tegen betaling het rijbewijs te kopen. Verdachte wist waar en wanneer hij examen moest doen en gaf dat door aan de eigenaren van [rijschool 1] . Tijdens het examen werd in de auto geld aan verdachte gegeven.9

- [medeverdachte 1] (mede-eigenaar van [rijschool 1] ) heeft verklaard dat € 500,- aan verdachte werd betaald om een kandidaat te laten slagen. Het geld werd door [medeverdachte 1] , die tijdens het rijexamen op de achterbank ging zitten, in de tas van verdachte gedaan.10

- [medeverdachte 3] (eigenaar [rijschool 4] ) heeft verklaard dat verdachte € 500,- wilde hebben indien hij extra aandacht moest geven aan een kandidaat. Het was een garantiepakket, inhoudende dat als ze examen deden bij verdachte, je voor dat bedrag gegarandeerd je rijbewijs kreeg. Verdachte stuurde [medeverdachte 3] een sms met de dagen en tijdstippen waarop hij examens afnam voor een B-NO of B-FA.11

- [medeverdachte 4] (eigenaar van [rijschool 6] ) heeft verklaard dat hij heeft bemiddeld tussen examenkandidaten en verdachte en dat, als iemand € 500,- aan verdachte betaalde, deze persoon altijd slaagde.12

Alle medeverdachten hebben verklaard dat het initiatief om kandidaten tegen extra betaling te laten slagen van verdachte afkomstig was.

De raadsman van de verdachte heeft de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden niet ter discussie gesteld en deze worden door de rechtbank dan ook als vaststaande feiten beschouwd.

De rechtbank ziet zich thans gesteld voor de vraag of verdachte met het vorengaande zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting (feit 1, eerste cumulatief /alternatief), valsheid in geschrift (feit 1, tweede cumulatief /alternatief) en passieve ambtelijke omkoping (feit 2).

Voorts zal de rechtbank ingaan op de door de raadsman gevoerde verweren.

Feit 1, eerste cumulatief /alternatief (oplichting)

Uit het vorengaande (de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte, welke bekennende verklaring wordt ondersteund door de verklaringen van diverse medeverdachten), concludeert de rechtbank dat verdachte door het aannemen van een valse hoedanigheid (namelijk de hoedanigheid van een bonafide, onafhankelijke examinator) het CBR heeft bewogen tot de afgifte van een groot aantal rijbewijzen. Aldus heeft verdachte zich samen met anderen (de betrokken rijschoolhouders /rijinstructeurs) schuldig gemaakt aan oplichting van het CBR.

Ander dan de raadsman acht de rechtbank hierbij ook het gedachtestreepje ‘het laten slagen van kandidaten, terwijl zij het officiële examen niet (volledig en/of juist) hadden afgelegd’ bewezen. De rechtbank acht dit bewezen op basis van het rapport van [verbalisant] bedrijfsrecherche, waaruit volgt dat is waargenomen dat verdachte alvorens examens af te nemen geen ogentest uitvoerde.13 Reeds hieruit volgt dat verdachte de examens onvolledig heeft afgenomen. Voorts heeft [medeverdachte 3] heel concreet verklaard dat er een kandidaat was die niet heeft gereden maar die wel zijn rijbewijs bij verdachte heeft gehaald.14

Met de raadsman is de rechtbank evenwel van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om te komen tot een bewezenverklaring van de gedachtestreepjes ‘kandidaten liet slagen, terwijl zij het examen in een auto met automaat hadden gereden, zonder daar melding van te maken’ en ‘kandidaten ten onrechte laten zakken’. De rechtbank zal verdachte hiervan partieel vrijspreken.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit het Excelbestand dat zich in het dossier bevindt niet zonder meer blijkt dat verdachte exact 197 kandidaten tegen betaling heeft laten slagen. De omstandigheid dat één of meerdere indicatoren aan de orde zijn, is daartoe onvoldoende. Gelet op de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij ongeveer 70 kandidaten tegen betaling heeft laten slagen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte het CBR heeft bewogen tot de afgifte van een groot aantal rijbewijzen.

Voor wat betreft de pleegperiode en de pleegplaatsen, zal de rechtbank het hiervoor genoemde Excelbestand15 wel als uitgangspunt nemen. Hieruit volgt dat verdachte voor het eerst op 19 mei 2011 een kandidaat van [rijschool 1] heeft laten slagen.

Feit 1, tweede cumulatief /alternatief (valsheid in geschrift)

De rechtbank acht op grond van het vorengaande eveneens bewezen dat verdachte, door telkens valselijk aan het CBR door te geven dat een kandidaat was geslaagd (terwijl sprake was van oplichting /omkoping), de behaalde rijbewijzen valselijk heeft opgemaakt en zich aldus schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift (feit 1, tweede cumulatief//alternatief).

Feit 2 (passieve ambtelijke omkoping)

Ten slotte acht de rechtbank op basis van het vorengaande bewezen dat verdachte, die kan worden beschouwd als ambtenaar in de zin van artikel 363 van het Wetboek van Strafrecht, telkens een gift van € 500,-, in elk geval enig geldbedrag, heeft aangenomen terwijl hij wist dat hij ertoe werd bewogen om kandidaten voor het rijexamen te laten slagen, ongeacht of de betreffende kandidaten voldeden aan de rijgeschiktheidsnorm voor het behalen van het examen. Aldus heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan passieve ambtelijke omkoping (feit 2).

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 19 mei 2011 tot en met 3 oktober 2014 in Amsterdam en Hoorn en Eemnes en Leusden en Zaandam en Lijnden en Den Helder en Akersloot en Rijswijk, tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) heeft bewogen tot de afgifte van een groot aantal rijbewijzen voor de categorie B (personenauto), hebbende verdachte en zijn mededader(s) toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -

zich aan het CBR voorgedaan als een bonafide en onafhankelijke en onpartijdige examinator terwijl hij

- afspraken had gemaakt met rijinstructeurs en rijschoolhouders over de data en tijden en locaties waar hij examens zou afnemen en

- kandidaten tegen betaling liet slagen voor het rijexamen,

- kandidaten tegen betaling liet slagen, terwijl zij het officiële examen niet volledig en/of juist hadden afgelegd en

vervolgens aan het CBR via een tablet heeft doorgegeven dat die kandidaten waren geslaagd voor dat rijexamen,

waardoor het CBR telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

en

hij op tijdstippen in de periode van 19 mei 2011 tot en met 3 oktober 2014 in Amsterdam en Hoorn en Eemnes en Leusden en Amstelveen en Zaandam en Lijnden en Den Helder en Akersloot en Alkmaar en Rijswijk, telkens een bewijs van behalen rijexamen voor het categorie B-rijbewijs (personenauto) - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, door telkens valselijk via een tablet aan het CBR door te geven dat een kandidaat was geslaagd voor het rijexamen

terwijl sprake was van oplichting en omkoping met betrekking tot het behalen van het rijexamen, immers heeft verdachte geld aangenomen voor het laten slagen van die

kandidaten, zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 19 mei 2011 tot en met 3 oktober 2014 in Amsterdam en Hoorn en Eemnes en Leusden en Amstelveen en Zaandam en Lijnden en Den Helder en Akersloot, als ambtenaar, te weten als examinator van het CBR, telkens een gift, te weten 500 euro, in elk geval enig geldbedrag, heeft aangenomen, wetende dat deze hem, verdachte werd gedaan, teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen, namelijk het laten slagen van één of meerdere kandidaten voor het rijexamen, ook als de betreffende kandidaten niet voldeden aan de rijgeschiktheidsnorm voor het behalen van dat examen.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1, eerste cumulatief /alternatief:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 1, tweede cumulatief /alternatief:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

als ambtenaar een gift of belofte dan wel een dienst aannemen, wetende dat deze hem gedaan, verleend of aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets ts doen of na te laten, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

Voorts heeft de officier van justitie als bijkomende straf de ontzetting van het recht het beroep van examinator uit te oefenen voor de duur van 5 jaren gevorderd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat, gelet op de LOVS-oriëntatiepunten in combinatie met het fraudebedrag, verdachte dient te worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 maanden dan wel een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf.

De raadsman heeft erop gewezen dat verdachte door het CBR is ontslagen en de gevolgen van zijn handelen nog dagelijks ondervindt. Verdachte is na zijn aanhouding vrijwillig naar de Brijderstichting gegaan voor hulp. Het recidivegevaar wordt door de reclassering ingeschat als laag.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf zonder bijzondere voorwaarden, conform het advies van de reclassering.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft als examinator bij het CBR, gedurende een periode van bijna 3,5 jaar, veelvuldig van een groot aantal examenkandidaten via hun malafide rijschoolhouders geld aangenomen en deze kandidaten laten slagen voor hun rijexamen. Verdachte heeft hiermee het systeem van rijvaardigheid en verkeersveiligheid op een gestructureerde en geraffineerde wijze ondermijnd en heeft hiermee uitsluitend beoogd zichzelf te verrijken, zonder oog te hebben voor de gevolgen en gevaren van zijn handelwijze voor de verkeersveiligheid. De rechtbank neemt verdachte dit alles zeer kwalijk, nu juist van verdachte als examinator mocht worden verwacht dat hij zich bewust was van de verantwoordelijkheid die hij droeg om het systeem van de rijvaardigheid te bewaken. Verdachte heeft met zijn handelen voorts de integriteit van het CBR ernstig aangetast.

De rechtbank heeft acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 maart 2016, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van de op 8 maart 2016 omtrent verdachte uitgebrachte reclasseringsrapportage. Hieruit blijkt dat verdachte in 2015 een behandeling bij de Brijderstichting heeft afgerond voor zijn compulsieve en impulsieve gedragingen. Hoewel de reclassering nog wel enige beperking ziet in de copingvaardigheden van verdachte, ziet de reclassering ook beschermende factoren. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. De onderhavige zaak heeft een dergelijke impact op verdachte gehad dat sprake is van een grote afschrikwekkende werking. Een interventie op het vergroten van zijn copingvaardigheden wordt uitvoerbaar geacht binnen het vrijwillig kader. Geadviseerd wordt om een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen. Hierbij worden geen bijzondere voorwaarden geadviseerd.

De rechtbank overweegt dat op feiten als de onderhavige niet anders gereageerd kan worden dan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een werkstraf, gecombineerd met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest acht de rechtbank, gelet op de korte duur van het voorarrest van verdachte, niet aan de orde.

Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Daarbij zal de rechtbank geen ontzetting van verdachte van het beroep van rij examinator uitspreken, nu dit gelet op het ontslag van verdachte bij het CBR geen toegevoegde waarde heeft.

8 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Het CBR, heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 212.463,39

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 212.463,39.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 212.463,39, subsidiair 365 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd CBR.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om het CBR niet-ontvankelijk te verklaren en heeft hiertoe aangevoerd dat de vordering alleen al vanwege de omvang een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voorts zijn er allerlei lastige civielrechtelijke vragen te beantwoorden, aldus de raadsman.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de gevraagde kosten, niet kunnen worden beschouwd als rechtstreekse schade.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt allereerst dat de omvang van een vordering tot schadevergoeding niet doorslaggevend is voor de vraag of zij al dan niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Reeds ten aanzien van de oude wetstekst, waar het criterium luidde dat de vordering van eenvoudige aard diende te zijn, merkte de memorie van toelichting immers op dat de toen afgeschafte limitering van de vordering tot ƒ 1500 “veronderstelt […] dat er een correlatie is tussen de hoogte van de vordering en de complexiteit van het geschil. Dat is lang niet altijd het geval. De complexiteit van het geschil is veelal van geheel andere factoren afhankelijk dan van de hoogte van de vordering” (TK 1989-1990, 21 345, nr. 3, p. 10).

Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in art. 51a, eerste lid, Sv komt alleen die schade in aanmerking die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. De memorie van toelichting bij de wet van 23 december 1992 tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven en andere wetten met voorzieningen ten behoeve van slachtoffers van strafbare feiten (Stb. 1993, 29) houdt met betrekking tot het begrip “rechtstreekse schade” onder meer het volgende in:

“Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd.”

Uit het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7077 leidt de rechtbank af dat onder rechtstreekse schade in dit geval (mede) zijn te verstaan de kosten die door het CBR als benadeelde partij zijn gemaakt om het gepleegde strafbare feit aan het licht te brengen. Dat betekent dat de declaratie van [verbalisant] Bedrijfsrecherche ten bedrage van € 23.249,32 als rechtstreekse schade voor toewijzing in aanmerking komt.

De overige gevorderde schade betreft kosten gemaakt in het kader van bezwaar- en beroepsprocedures tegen personen van wie vermoed werd dat zij het rijbewijs door fraude hadden verkregen en wier rijbewijs ongeldig was verklaard. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren voor dit gedeelte van haar vordering tot schadevergoeding, aangezien aan de benadeelde partij in zoverre niet rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 7 november 2014 is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

24c, 36f, 47, 57, 225, 326 en 363 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1, eerste en tweede cumulatief /alternatief en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1, eerste cumulatief /alternatief:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 1, tweede cumulatief /alternatief:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

als ambtenaar een gift of belofte dan wel een dienst aannemen, wetende dat deze hem gedaan, verleend of aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets ts doen of na te laten, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan het CBR te Rijswijk een bedrag van € 23.249,32, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 november 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan,

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 23.249,32 ten behoeve van het slachtoffer genaamd CBR;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 151 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Rabbie, voorzitter,

mr. Y.C. Bours, rechter,

mr. A. Dantuma-Hieronymus, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. N. de Jong, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 april 2016.

Mr. Dantuma-Hieronymus is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 15B6114006 ( [onderzoek] ), van de politie eenheid Den Haag, district E, bureau Rijswijk, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 787) dan wel pagina’s van het bij voornoemd dossier behorende verdachtendossier.

2 Proces-verbaal van verhoor aangever, pagina 29 en 30.

3 Proces-verbaal van verhoor aangever, pagina 29 en 30.

4 Proces-verbaal aanhouding, pagina 4 verdachte dossier [verdachte] .

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 45 verdachte dossier [verdachte] .

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 46 verdachte dossier [verdachte] .

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 44 verdachte dossier [verdachte] .

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 28 verdachte dossier [verdachte] .

9 Proces-verbaal van verhoor getuige 2, pagina 45 en 46 verdachte dossier [medeverdachte 2] .

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 71 verdachte dossier [medeverdachte 1] .

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 20 verdachte dossier [medeverdachte 3] .

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 33 verdachte dossier [medeverdachte 4] .

13 Geschrift, te weten pagina 9 en pagina 15 van het rapport van [verbalisant] bedrijfsrecherche, blz. 116 en 122 van het dossier.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 24 onderaan en 25 bovenaan, verdachte dossier [medeverdachte 3] .

15 Proces-verbaal aanvulling Excel bestand d.d. 8 maart 2016 (A4-formaat).