Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:3911

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-03-2016
Datum publicatie
12-04-2016
Zaaknummer
AWB 16/3707
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in Griekenland internationale bescherming geniet van 23 oktober 2014 tot 23 oktober 2017. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn verblijfsvergunning in Griekenland inmiddels niet meer geldig is. Gelet hierop heeft verweerder de terugkeer van eiser naar Griekenland gegarandeerd kunnen achten. Hoewel uit de aangehaalde rapporten naar voren komt dat de situatie in Griekenland niet rooskleurig is, kan verweerder gevolgd worden in zijn standpunt dat de rapporten niet leiden tot de conclusie dat in eisers geval sprake is van een reëel risico in de zin van artikel 3 EVRM. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de positie van eiser gelijk gesteld moet worden met die van asielzoekers en dat eiser op grond daarvan niet kan terugkeren naar Griekenland. Zoals hiervoor is geoordeeld, is immers niet gebleken dat in eisers geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/3707

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2016 in de zaak tussen

[eiser] , ook wel genoemd [eiser] ,

eiser

(gemachtigde: mr. H.E. Visscher),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. D.P.A. van Laarhoven).

Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 omdat eiser in Griekenland internationale bescherming geniet.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. D. de Heuvel, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Tijdens deze zitting heeft de voorzieningenrechter gelijktijdig het verzoek om een voorlopige voorziening (AWB 16/3708) behandeld. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 12 mei 2014 een asielaanvraag heeft ingediend in Griekenland en dat de Griekse autoriteiten eiser op 30 januari 2015 internationale bescherming hebben verleend. Eiser heeft bij zijn aanvraag onder meer een verblijfsdocument van Griekenland overgelegd waarop staat dat hij vluchteling is. Het document is geldig van 23 oktober 2014 tot 23 oktober 2017. Daarnaast heeft eiser tijdens de gehoren verklaard dat hem in Griekenland een verblijfsvergunning is verleend. Eiser heeft verklaard dat hij Griekenland heeft verlaten vanwege de slechte leefomstandigheden en het gebrek aan toegang tot de medische voorzieningen.

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het volgende standpunt gesteld. Uit de verklaringen van eiser en de door hem overgelegde, door de Koninklijke Marechaussee (Kmar) echt bevonden, documenten blijkt dat eiser internationale bescherming in Griekenland geniet. Doordat eiser een verblijfsvergunning in Griekenland heeft, is sprake van een sterke band met Griekenland en is het redelijk dat eiser teruggaat naar Griekenland. Terugkeer naar Griekenland is gelet op het beleid, zoals neergelegd in C2/6.1 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), gegarandeerd. Dat eiser geen bescherming is geboden in Griekenland, de omstandigheden waarin hij stelt te hebben verkeerd en dat hij in de toekomst geen bescherming kan verwachten, is niet aangetoond. Eiser kan zich met betrekking tot problemen over werk, voorzieningen en een woning wenden tot de Griekse autoriteiten. Bij terugkeer naar Griekenland is niet gebleken van een schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rapporten waarnaar eiser heeft verwezen rechtvaardigen die conclusie niet.

3. Eiser heeft hiertegen in beroep het volgende aangevoerd. Eiser heeft in de eerste plaats verwezen naar de zienswijze. In de zienswijze heeft eiser aangevoerd dat hij in Griekenland is gedwongen asiel aan te vragen en dat hij onder zeer erbarmelijke omstandigheden heeft verbleven in Griekenland. Dat eiser een verblijfsvergunning heeft in Griekenland betekent daarom niet dat is voldaan aan artikel 3.106a, tweede lid, Vb 2000. Verweerder heeft verzuimd te verifiëren of eiser daadwerkelijk terug kan keren. Bovendien zijn er geen garanties nu eiser zelf moet terugkeren. Dit betekent een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM. Verweerder kan niet uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser verwijst in dit verband naar de volgende rapporten:

- rapport van UNHCR van juli 2013;

- rapport van US department of state over 2012;

- rapport van Human Rights Watch van juni 2013 en 29 januari 2015;

- rapport van december 2015 van UN Human Rights Commitee;

- rapport van Minority Rights Group International van juli 2015;

- rapport van United States Department of State over 2014;

- rapport van Amnesty International over 2014.

Gelet op deze rapporten kan eiser evenmin bescherming krijgen tegen mishandelingen en bedreigingen nu de Griekse autoriteiten daarop inadequaat reageren. Voorts heeft eiser medische zorg nodig waarvan eiser in Griekenland verstoken zal blijven. Eiser verwijst in dit verband op de volgende stukken:

- het rapport AIDA van januari 2016;

- rapport van dokters van de wereld van april 2013.

In beroep heeft eiser hieraan het volgende toegevoegd. Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat hij door Griekse burgers (p. 6) en politie (p. 5) is mishandeld en gediscrimineerd. Dit is niet ongeloofwaardig geacht zodat niet is voldaan aan artikel 3.106, eerste lid, onder a, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Het is onduidelijk of eiser nog een verblijfsrecht heeft in Griekenland nu verweerder geen contact heeft opgenomen met de Griekse autoriteiten.

Eisers situatie moet gelijk worden getrokken met die van asielzoekers, waarbij al geruime tijd geen Dublinclaims meer worden gelegd vanwege de situatie in Griekenland. Eiser heeft ondanks zijn status geen leven op kunnen bouwen, niet kunnen werken, geen medische hulp gekregen. Er is sprake van racistisch geweld tegen vluchtelingen en eiser wordt ook vanwege zijn Iraanse nationaliteit gediscrimineerd. De Griekse autoriteiten hebben dit nog niet met succes kunnen aanpakken. De situatie in Griekenland komt steeds verder onder druk te staan. Eiser kan zich niet wenden tot de autoriteiten voor bescherming. Eisers terugkeer naar Griekenland levert een situatie op die in strijd kan worden geacht met artikel 3 EVRM.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet.

6. Ingevolge artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000 wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Wet slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, van de Wet indien, naar het oordeel van Onze Minister, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, de vreemdeling in het betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld:

a. het leven en de vrijheid worden niet bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, en

b. er bestaat geen risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Wet;

c. het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag wordt nageleefd, en

d. het verbod op verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling, zoals neergelegd in het internationaal recht, wordt nageleefd, en

e. de mogelijkheid bestaat om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag.

7. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Wet slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, van de Wet indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.

8. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder begrepen de aard, duur en omstandigheden van het eerder verblijf.

9. Ingevolge paragraaf C2/6.1 Vc 2000 kan bescherming van de vreemdelingen door een andere EU lidstaat in ieder geval blijken uit:

• Een verblijfsdocument;

• Het Eurodac Search Result;

• Informatie van de betreffende lidstaat waaruit volgt dat de vreemdeling bescherming geniet, dan wel (opnieuw) in aanmerking komt voor bescherming;

• Verklaringen van de vreemdeling waaruit volgt dat hij in een andere EU-lidstaat bescherming geniet.

(…).

Wanneer een vreemdeling bescherming geniet in een andere EU-lidstaat, is toegang tot en terugkeer naar de andere lidstaat gegarandeerd.

10. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in Griekenland internationale bescherming geniet van 23 oktober 2014 tot 23 oktober 2017. Gelet op het hiervoor aangehaalde beleid uit de Vc 2000 heeft verweerder zijn standpunt op goede gronden gebaseerd op het door eiser overlegde verblijfsdocument van Griekenland en de verklaringen van eiser tijdens de gehoren. Daarbij komt dat ook uit Eurodac naar voren is gekomen dat eiser in Griekenland internationale bescherming geniet. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting toegelicht dat Griekenland op grond van artikel 18 van de Eurodacverorening (603/2013) is gehouden te melden indien de vreemdeling niet langer internationale bescherming geniet en dat daarvan in dit geval niet is gebleken. De stelling van eisers gemachtigde ter zitting dat niet van de gegevens van Eurodac mag worden uitgegaan nu deze van november 2015 dateren, volgt de rechtbank niet en bovendien heeft verweerder dit niet ten grondslag gelegd aan zijn besluit.

De stelling van eiser dat verweerder daarnaast contact had moeten opnemen met de Griekse autoriteiten omdat niet vaststaat dat eiser nog steeds een verblijfsvergunning heeft in Griekenland en of hij gelet daarop daadwerkelijk kan terugkeren, leidt gelet op voormeld beleid en het voorgaande niet tot de conclusie dat verweerder niet heeft kunnen aannemen dat eiser een verblijfsvergunning heeft in Griekenland. Eiser heeft evenmin zelf aannemelijk gemaakt dat zijn verblijfsvergunning in Griekenland niet meer geldig is. Gelet hierop heeft verweerder de terugkeer van eiser naar Griekenland gegarandeerd kunnen achten.

11. Ten aanzien van de grond dat niet is voldaan aan artikel 3.106a, tweede lid, Vb overweegt de rechtbank als volgt. Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (zie onder meer de uitspraken van 14 oktober 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1606) en 27 februari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012: BV7823)) volgt dat reeds omdat eiser in de andere lidstaat van de Europese Unie, in dit geval Griekenland, internationale bescherming geniet aan artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb 2000 is voldaan. De niet onderbouwde stelling dat eiser gedwongen is tot het indienen van een asielaanvraag in Griekenland, leidt niet tot een ander oordeel.

12. Ten aanzien van de grond dat verweerder niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan en dat eisers terugkeer vanwege de leefomstandigheden en de medische zorg in strijd met artikel 3 EVRM zal zijn, wordt het volgende overwogen.

13. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om op grond van concrete, op de individuele zaak betreffende feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat het in zijn geval voor Griekenland anders is en dat hij een reëel risico loopt in de zin van artikel 3 EVRM.

14. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat bij terugkeer sprake zal zijn van een met artikel 3 EVRM strijdige situatie verwezen naar verschillende rapporten en gewezen op hetgeen hij zelf heeft meegemaakt tijdens zijn verblijf in Griekenland.

15. Uit de rapporten komt, samengevat, het volgende naar voren.

“the overall negative atmosphere towards foreigners does not distinguish between refugees and economic migrants, persons present legally or illegaly in Greece, those who have live in Greece for years or new arrivels. (…). Xenofobia and racism have negative impact tot he enjoyment of rights, from acces tot asylum to social rights, including acces to health care, education and employment, and have seriously affected possibilities for integration.” (rapport UNHCR 2013)

Er is onvoldoende hulp om asielzoekers bij hun integratie bij te staan (US Department of State 2012).

Diverse asielzoekers met een verblijfstatus en documenten werden op straat door de politie aangehouden en meegenomen naar het bureau. Voorts: “There has been an alarming surge in xenophobic attacks on migrants and asylum seekeers in the recent years.” (HRW 2013).

De nieuwe wet en bepalingen in het wetboek van Strafrecht belemmeren onderzoek naar en vervolging van degenen die verantwoordelijk zijn voor racistische haatmisdaden. (UN Human Rights Commitee 2015).

Meer dan de helft van de haatmisdaden in 2014 tegen immigranten of vluchtelingen gebeurde op openbare plekken of in het openbaar vervoer, vaak in het centrum van Athene in wijken met veel migranten en vluchtelingen. De helft van de aanvallen werd door groepen gepleegd, waaronder extremistische (Minority Rights Group International 2015).

NGO’s en mensenrechtenactivisten maken zich onder andere zorgen over onvoldoende sociale zekerheid en onvoldoende integratiemogelijkheden voor en discriminatie van migranten. Verder blijft discriminatie tegen derdelanders op de arbeidsmarkt, een gebrek aan juridische bescherming tegen uitbuiting en misbruik op het gebied van arbeidsmarktomstandigheden bestaan. Er waren 166 incidenten van racistisch geweld maar waarnemers zijn van mening dat het daadwerkelijke aantal hoger ligt (US Department of State 2014).

Tussen oktober 2011 en januari 2014 zijn meer dan 350 racistische geweldsincidenten gerapporteerd. Het rechtssysteem blijft inadequaat reageren op haatmisdrijven. Een wetsvoorstel om de straffen op haatmisdrijven te verhogen is aangenomen. De beschuldigingen van marteling en andere onmenselijke omstandigheden van onder meer migranten en vluchtelingen blijven bestaan (Amnesty International 2014).

De aanvallen op migranten en asielzoekers blijven bestaan ondanks de oprichting in januari 2014 van anti racistische politie eenheden en een aantal verrichte arrestaties. Volgens HRW heeft de regering met het wetsvoorstel voor bestraffing van het oproepen tot haat en aansporen tot geweld in november 2014 gefaald om de huidige problemen in de wetgeving en de uitvoering met betrekking tot racistisch geweld aan te kaarten. Twee mensen zijn in november 2014 zwaarder veroordeeld vanwege onderliggende racistische motieven (HRW 2015).

De gevolgen van de financiële crises in Griekenland zijn ernstig voor asielzoekers. In sommige gevallen moet men eerst toestemming van een comité krijgen om toegang tot de gezondheidszorg te krijgen (AIDA 2016).

Personen met een laag inkomen kunnen een welzijnskaart krijgen die hen toegang geeft tot de gezondheidszorg. Veel personen slagen er echter niet in de kaart te verkrijgen vanwege de complexiteit van administratieve procedures in Griekenland (dokters van de wereld 2013).

16. Hoewel uit de aangehaalde rapporten naar voren komt dat de situatie in Griekenland niet rooskleurig is, kan verweerder gevolgd worden in zijn standpunt dat de rapporten niet leiden tot de conclusie dat sprake is van een reëel risico in de zin van artikel 3 EVRM. Onvoldoende is gebleken dat eiser zich niet kan wenden tot de Griekse autoriteiten. Dat eiser geen bescherming heeft ingeroepen omdat hij de taal niet machtig is, is in dit verband niet voldoende. Uit de rapporten komt verder naar voren dat de problematiek rondom migranten de aandacht heeft van de Griekse autoriteiten. Er zijn politie eenheden aangesteld om de problemen aan te pakken en er zijn wetsvoorstellen aangenomen voor zwaardere straffen voor misdrijven gerelateerd aan racisme. Dat dit tot op heden nog niet tot een volledige oplossing van de problematiek heeft geleid, is onvoldoende voor een ander oordeel. Ten aanzien van de medische zorg wordt, kort gezegd, overwogen dat niet is gebleken dat eiser onder behandeling bestaat. Dat de medische zorg in Griekenland niet goed is geregeld, levert daarmee geen reëel risico in de zin van artikel 3 EVRM op.

17. De door eiser ondervonden problemen in Griekenland, te weten de mishandeling door politie en burgers, bieden in het licht van de naar voren gebrachte informatie over de situatie van migranten en asielzoekers in Griekenland onvoldoende grond voor het oordeel dat ook ten aanzien van vreemdelingen die internationale bescherming genieten in Griekenland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Verwacht mag worden dat eiser zich tot de Griekse autoriteiten wendt. De grond van eiser dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder a, Vb 2000, kan gelet hierop niet slagen.

18. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de positie van eiser gelijk gesteld moet worden met die van asielzoekers en dat eiser op grond daarvan niet kan terugkeren naar Griekenland. Zoals hiervoor is geoordeeld, is immers niet gebleken dat in eisers geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

19. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.P.A. Burghoorn, rechter, in aanwezigheid van mr. L.I. Siers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.