Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:3820

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
C-09-484745-HA ZA 15-319
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen de Staat en journalist gesloten overeenkomst met betrekking tot in een detentiecentrum gemaakte foto’s. De Staat heeft bedongen dat de door de journalist gemaakte foto’s niet zonder goedkeuring van de Staat mogen worden verspreid. De rechtbank oordeelt dat de vrijheid van meningsuiting van de journalist daarmee op ongeoorloofde wijze is ingeperkt, zodat de betreffende bepalingen nietig zijn wegens strijd met de openbare orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1110

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/484745 / HA ZA 15-319

Vonnis van 6 april 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. F.W. Verbaas te Alkmaar,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (het Ministerie van Veiligheid en Justitie, de Dienst Justitiële Inrichtingen)

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 10 maart 2015 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 1 juli 2015 waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 4 november 2015 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de brief aan de zijde van de Staat van 11 november 2015;

  • -

    de brief aan de zijde van [eiser] van 17 november 2015 met bijlage;

  • -

    de akte uitlating aan de zijde van de Staat van 9 december 2015;

  • -

    de brief aan de zijde van [eiser] , ingekomen op de griffie van deze rechtbank van 11 januari 2016, met bijlage.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij brief van 14 maart 2014 heeft [eiser] een verzoek ingediend bij de persvoorlichter van de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: DJI) tot het maken van een fotoreportage en videobeelden van de vreemdelingenbewaring. De reportage was bedoeld voor een reportage in het tijdschrift [het Tijdschrift] . [eiser] heeft in zijn brief tevens verzocht de reportage daarna ook voor andere media te mogen gebruiken.

2.2.

Bij e-mail van 30 april 2014 heeft de Staat het verzoek van [eiser] tot het maken van de reportage afgewezen. Op 28 augustus 2014 heeft [eiser] de Staat in kort geding gedagvaard en gevorderd de Staat te gebieden om [eiser] toestemming en medewerking te verlenen om de reportage te mogen maken. In dat kort geding is de behandeling na de zitting van 30 september 2014 aangehouden ten behoeve van minnelijk overleg tussen partijen.

2.3.

Bij brief van 2 oktober 2014 heeft de Staat aan [eiser] laten weten te willen meewerken aan de fotoreportage, mits [eiser] een door de Staat gehanteerd standaardcontract zou ondertekenen. Dit standaardcontract houdt - voor zover van belang - de volgende bepalingen in:

“Artikel 2 Voorwaarden

2.1

De foto’s zijn uitsluitend en alleen ten behoeve van de publicatie in [het Tijdschrift] . De fotoselectie wordt exclusief gebruikt door [het Tijdschrift] . Het is fotograaf [eiser] en/of [het Tijdschrift] niet toegestaan de foto’s te verspreiden zonder toestemming van DJI.

(…)

2.4

De productie of gedeelten ervan mogen niet zonder schriftelijke toestemming van DJI voor andere toepassing dan in deze overeenkomst omschreven worden gebruikt. De productie of gedeelten ervan mogen niet zonder schriftelijke toestemming van DJI aan derden ter beschikking worden gesteld.

(…)

2.7

Foto’s worden uitsluitend met duidend onderschrift of duidende tekst gepubliceerd. Teksten worden vooraf gecontroleerd door DJI op feitelijke onjuistheden. Dit met als doel de correcte context waarin de foto’s worden gepubliceerd te kunnen garanderen.

2.8

De foto’s gepubliceerd in het kader van bovengenoemde fotoreportage van [het Tijdschrift] , mogen worden gebruikt ten behoeve van het portfolio van de fotograaf. De foto’s worden hier in lage resolutie verwerkt om gebruik of misbruik door derden te voorkomen en worden voorzien van een fotobijschrift om de correcte context waarin de foto’s worden getoond te garanderen. De bijschriften worden voor publicatie door DJI gecontroleerd op feitelijke onjuistheden.

Artikel 3 correctie c.q. verbod

DJI wordt in de gelegenheid gesteld vooraf de te publiceren producties (foto’s en tekst) te zien teneinde feitelijke onjuistheden te corrigeren. DJI zal de (gedeeltelijke) uitzending of publicatie verbieden indien:

- De productie wordt gebruikt voor een ander medium of organisatie zonder schriftelijke toestemming

- De foto’s worden gebruikt voor een productie met een andere strekking dan vooraf is afgesproken

(…)”

2.4.

[eiser] heeft de conceptovereenkomst in eerste instantie niet getekend. Het overleg dat tussen partijen heeft plaatsgevonden na de zitting van 30 september 2014 heeft niet tot een minnelijke oplossing van het geschil geleid. Bij vonnis van 29 januari 2015 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [eiser] afgewezen en geoordeeld dat de bepalingen in de conceptovereenkomst niet in strijd zijn met artikel 10 EVRM.

2.5.

Op 17 februari 2015 heeft [eiser] de door de Staat opgestelde overeenkomst alsnog getekend. Ook [het Tijdschrift] was partij bij de overeenkomst.

2.6.

Op 25 februari 2015 heeft [eiser] appel ingesteld tegen het vonnis van de voorzieningenrechter. Inzet van de appelprocedure was niet langer dat [eiser] in staat zou worden gesteld zijn fotoreportage te maken, maar dat hij niet gebonden wenst te zijn aan de beperkingen die in de overeenkomst zijn opgenomen ten aanzien van het verdere gebruik van deze foto’s voor andere publicatie.

2.7.

Op 13, 20 en 21 april 2015 heeft de Staat [eiser] in de gelegenheid gesteld om zijn reportage in de verschillende detentiecentra te maken. Een aantal van de door [eiser] gemaakte foto’s is inmiddels in [het Tijdschrift] gepubliceerd.

2.8.

Bij arrest van 29 december 2015 heeft het gerechtshof in Den Haag het vonnis van de voorzieningenrechter van 29 januari 2015 vernietigd en de Staat gelast om te gedogen dat [eiser] de foto’s die hij met toestemming van de Staat in een aantal penitentiaire inrichtingen heeft gemaakt ter beschikking stelt voor publicatie aan media en NGO’s. Daarbij heeft het gerechtshof overwogen dat de artikelen 2.1, 2.4, 2.7, 2.8 en 3 van de overeenkomst onverbindend zijn wegens strijd met artikel 7 Grondwet en artikel 10 EVRM.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad primair nietigverklaring van de artikelen 2.1, 2.4, 2.7, 2.8 en 3 van de overeenkomst. Subsidiair vordert [eiser] vernietiging van die bepalingen.

3.2.

Aan zijn primaire vordering legt [eiser] ten grondslag dat met de genoemde contractuele bepalingen zijn grondrechten worden ingeperkt, nu de bepalingen in strijd zijn met artikel 7 van de Grondwet. Voorts zijn genoemde bepalingen in strijd met artikel 10 van het EVRM en met artikel 19 IVBPR. Om die reden zijn deze bepalingen uit de overeenkomst in strijd met de openbare orde en dus nietig, aldus [eiser] .

3.3.

Aan zijn subsidiaire vordering legt [eiser] ten grondslag dat de Staat misbruik van omstandigheden heeft gemaakt door slechts medewerking te verlenen aan de fotoreportage na voorafgaande toestemming en redactionele controle door de Staat op de publicatie van de reportage door anderen dan [het Tijdschrift] . Voorts heeft de Staat misbruik van zijn eigendomsrecht gemaakt en daarmee onrechtmatig jegens hem gehandeld, aldus [eiser] .

3.4.

De Staat voert verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vraag die dient te worden beantwoord, is of de artikelen 2.1,2.4, 2.7, 2.8 en 3 van de overeenkomst nietig zijn in de zin van artikel 3:40 lid 1 BW. Het betoog van [eiser] komt erop neer dat voornoemde bepalingen in strijd zijn met het fundamentele rechtsbeginsel van vrijheid van meningsuiting zoals neergelegd in artikel 7 Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR. De bepalingen uit de overeenkomst maken een ongeoorloofde inbreuk op zijn vrijheid van meningsuiting en zijn daarom strijdig met de openbare orde en dus nietig, aldus [eiser] . Dit betoog slaagt. De rechtbank overweegt daartoe – mede op basis van het arrest van het gerechtshof van 29 december 2015 – als volgt.

4.2.

Artikel 3:40 lid 1 BW bepaalt dat een rechtshandeling die door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of de openbare orde, nietig is. Van strijdigheid met de openbare orde is sprake indien de overeenkomst in strijd komt met fundamentele beginselen.

4.3.

Artikel 7 Grondwet bepaalt dat niemand voorafgaand verlof nodig heeft om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren. Tevens ligt in artikel 7 Grondwet het recht op verspreiding van door drukpers geopenbaarde gedachten en gevoelens besloten. Weliswaar mag het verspreidingsrecht – anders dan het kernrecht – worden beperkt, maar die beperkingsbevoegdheid is wel begrensd; de beperking mag geen algeheel verbod inhouden en zij mag ook geen betrekking hebben op de inhoud (zie onder meer het (nog altijd geldende) arrest van de Hoge Raad van 24 januari 1967, ECLI:NL:HR:1967:AD3700). De vrijheid van meningsuiting zoals neergelegd in artikel 7 Grondwet is naar het oordeel van de rechtbank een fundamenteel beginsel als bedoeld in artikel 3:40 BW. Het behoort tot de pijlers van de rechtsstaat en waarborgt het recht om politieke opvattingen te hebben en kritiek op de overheid en het openbaar bestuur te kunnen uiten.

4.4.

Gelet op het bepaalde in artikel 7 Grondwet staat het [eiser] vrij zijn gedachten of gevoelens in de door hem gemaakte foto’s vast te leggen en te verspreiden. Met de overeenkomst wordt het recht van [eiser] op verspreiding van zijn foto’s evenwel op ongeoorloofde wijze beperkt, nu het recht op verspreiding afhankelijk is gesteld van vooraf door de Staat te verlenen verlof wegens de inhoud. De Staat heeft immers bedongen dat [eiser] de foto’s uitsluitend mag verspreiden aan anderen dan [het Tijdschrift] , nadat de Staat zijn toestemming daarvoor heeft gegeven. In de overeenkomst is voorts bepaald dat toestemming tot verspreiding zal worden geweigerd, indien de foto’s met een andere strekking dan vooraf afgesproken worden verspreid. Bij de vraag of hij toestemming zal verlenen, beoordeelt de Staat de foto’s derhalve op hun inhoud. De overeenkomst is bovendien niet duidelijk over de vraag langs welke criteria de Staat het verzoek tot verspreiding van [eiser] zal beoordelen en wanneer de Staat zijn toestemming tot verspreiding al dan niet zal verlenen. Voorts heeft de Staat zich het recht voorbehouden de duiding bij de foto’s op feitelijke juistheid te mogen controleren. Ook dat behelst een bemoeienis op de inhoud van de te verspreiden publicatie. Immers, ook over de vraag of de duidende tekst feitelijk juist is, kan verschil van mening bestaan. De door de Staat bedongen beperkingen zijn dan ook in strijd met artikel 7 Grondwet en dus met de openbare orde zoals bedoeld in artikel 3:40 lid 1 BW.

4.5.

Het feit dat [eiser] heeft ingestemd met de door de Staat gestelde voorwaarden door de overeenkomst te ondertekenen doet aan het voorgaande niet af. Zoals door [eiser] terecht is aangevoerd, kunnen de rechten die hij aan artikel 7 Grondwet kan ontlenen niet via een privaatrechtelijke overeenkomst worden ingeperkt.

4.6.

De Staat heeft nog aangevoerd dat het recht op verspreiding op grond van artikel 10 lid 2 EVRM en artikel 19 lid 3 IVBPR mag worden beperkt ter voorkoming van wanordelijkheden en ter bescherming van de openbare orde. De wettelijke grondslag daarvoor is gelegen in artikel 3 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw), aldus de Staat.

4.7.

Dit betoog faalt. Weliswaar bieden de door de Staat aangehaalde artikelen beperkingsmogelijkheden van het recht op vrijheid van meningsuiting, maar een dergelijke beperking is om te beginnen slechts toegestaan indien zij bij wet is voorzien. Het beroep dat de Staat in dit verband heeft gedaan op artikel 3 Pbw is daarvoor niet toereikend, nu dat artikel slechts bepaalt dat het beheer van een inrichting bij de directeur berust. Het artikel verleent de directeur van de inrichting geen bevoegdheid om de verspreiding van de door een journalist in de inrichting gemaakte foto’s te beperken. Aan het vereiste dat de beperking bij wet is voorzien wordt derhalve niet voldaan.

4.8.

Voorts wordt naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan het vereiste dat de beperking noodzakelijk moet zijn in een democratische samenleving. De Staat heeft in dit kader betoogd dat verspreiding van de foto’s tot wanordelijkheden kan leiden, maar die stelling heeft hij onvoldoende onderbouwd. Op de foto’s zijn geen bewoners of medewerkers afgebeeld, zodat de privacy van de bewoners in ieder geval niet in het geding is. De rechtbank ziet voorts niet in dat mogelijk onjuiste bijschriften tot onrust kunnen leiden in de inrichtingen. Ook om die reden faalt het betoog van de Staat dat de beperkingen geoorloofd zijn op grond van artikel 10 lid 2 EVRM c.q. artikel 19 lid 3 IVBPR.

4.9.

De Staat heeft voorts nog aangevoerd dat de gestelde voorwaarden binnen de in de journalistiek ontwikkelde professionele verplichting van hoor en wederhoor vallen. Nog daargelaten dat dit eigen gedragsregels van de journalistiek zijn waar de Staat geen rechten aan kan ontlenen, gaan de door de Staat bedongen voorwaarden verder dan deze professionele gedragsregel. Met de litigieuze bepalingen heeft de Staat immers niet louter bedongen om te worden gehoord, maar ook dat [eiser] de foto’s alleen mag verspreiden nadat de Staat zijn toestemming tot verspreiding van de foto’s heeft verleend.

4.10.

Ook de omstandigheid dat [eiser] (ook) financiële belangen heeft bij de verspreiding van de fotoreportage, doet aan de bescherming van het grondrecht geen afbreuk. Artikel 7 Grondwet noch de artikelen 10 EVRM en 19 IVBPR kennen op dit punt een uitzondering.

4.11.

De Staat heeft onder verwijzing naar artikel 3:51 BW nog aangevoerd dat het feit dat [het Tijdschrift] wel partij bij de overeenkomst is maar geen partij in de procedure, in de weg staat aan de nietigverklaring van de litigieuze contractsbepalingen. Dit betoog faalt. Artikel 3:51 BW heeft betrekking op een rechtsvordering tot vernietiging van de overeenkomst en niet op een vordering tot nietigverklaring van een rechtshandeling. Bovendien is [het Tijdschrift] tijdens de procedure alsnog in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vordering van [eiser] .

4.12.

Het voorgaande leidt ertoe dat de primaire vordering zal worden toegewezen. De stellingen en weren ten aanzien van de subsidiaire vordering kunnen onbesproken blijven. De Staat zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 94,19

- griffierecht € 78,00

- salaris advocaat € 904,00 (2 punten × € 452,00, tarief II)

Totaal € 1.076,19

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de artikelen 2.1, 2.4, 2.7, 2.8 en 3 van de overeenkomst nietig zijn,

5.2.

veroordeelt de Staat in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden vastgesteld op € € 1.076,19,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Honée en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2016.