Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:3768

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-04-2016
Datum publicatie
08-04-2016
Zaaknummer
AWB 15/22147
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betreft beoordeling geloofwaardigheid asielrelaas van een Somalische vrouw, behorend tot de minderheidsclan Reer Hamar, subclan Hamoudi. Verweerder acht drie van de zes relevante elementen van het relaas ongeloofwaardig omdat eiseres wisselend, summier, tegenstrijdig of bevreemdingwekkende verklaringen heeft afgelegd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 16 van de Procedurerichtlijn en artikel 3.113, tweede lid, Vb. Immers verweerder heeft eiseres eerst middels het uitgebrachte voornemen geconfronteerd met lacunes in haar verklaringen en daaraan een oordeel over de geloofwaardigheid verbonden, zonder dat haar overeenkomstig artikel 3.113, tweede lid, Vb de gelegenheid is geboden om tijdens het nader gehoor in persoon uitleg te geven over opgemerkte lacunes. Kenmerkend voor het voornemen is immers dat dit het onderdeel is van de asielprocedure waarin de beoordeling van het relaas plaatsvindt, terwijl in de fase waarin de vreemdeling gehoord wordt die beoordeling nog niet aan de orde is en het accent nog volledig ligt op het vergaren van kennis over de “feiten”. Het nader gehoor behoort tot het onderdeel van het feitenonderzoek, waarin verweerder de vreemdeling in de gelegenheid stelt aan zijn stelplicht en bewijslast te voldoen en aldus het verzoek om internationale bescherming te staven. Het had op de weg van verweerder gelegen om eiseres vóór het uitbrengen van het voornemen aanvullend te horen en haar aldus in de gelegenheid te geven uitleg te geven over de door verweerder geconstateerde gebreken in haar verklaringen. Nu verweerder dit heeft nagelaten is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 Awb. De omstandigheid dat in de zienswijze een reactie is gegeven op het voornemen, geeft de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven, nu het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd ten aanzien van de ongeloofwaardig geachte elementen en vanwege de specifieke functie die het in persoon horen van de vreemdeling in de asielprocedure heeft.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat blijkens het voornemen en het bestreden besluit de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres uitsluitend is gebaseerd op een toetsing aan de zogenoemde interne geloofwaardigheidsindicatoren zoals vermeld in paragraaf 3.2.1.1 van de Werkinstructie 2014/10 (WI). Een beoordeling of de door eiseres vermelde gebeurtenissen passen in het beeld dat naar voren komt uit algemene, objectieve informatie over de positie van de Reer Hamar destijds in Somalië, heeft niet kenbaar plaatsgevonden. Het bestreden besluit geeft er aldus geen blijk van dat een integrale weging als bedoeld in paragraaf 3.2.2 van de WI heeft plaatsgevonden.

Daarnaast volgt de rechtbank de uitspraak van zittingsplaats Den Bosch van 10 februari 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:1514) en oordeelt zij dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, nu er geen rechtvaardiging is voor het verschil in behandeling van leden van de minderheidsclan Reer Hamar, die op grond van WBV 2012/24 in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, en onder b, Vw en leden van dezelfde clan die op grond van WBV 2015/7 niet meer in aanmerking komen voor zo’n vergunning.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 83a
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/22147

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 1 april 2016 in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] , van Somalische nationaliteit,

eiseres,

(gemachtigde: mr. P.J. Schüller, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. P.P. Zweedijk, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)).

Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 8 maart 2016 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Op grond van artikel 83a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) omvat de toetsing van de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming. Voorwerp van de toetsing is het door verweerder op de aanvraag genomen besluit. Uit de artikelen 3:2, 3:46 en 3:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat het besluit zorgvuldig moet zijn voorbereid en genomen en dat het op een deugdelijke, in het besluit neergelegde motivering moet berusten.

  2. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar aanvraag het volgende aangevoerd. Eiseres is afkomstig uit Somalië en behoort tot de minderheidsclan Reer Hamar, subclan Hamoudi. In 1991, op een avond aan het begin van de oorlog, zijn mannen van de Hawiye-clan hun ouderlijk huis in Mogadishu, in de wijk [wijk 1] binnengevallen waarbij zij haar vader, broer en stiefmoeder hebben doodgeschoten. Eiseres werd verkracht. De moeder en een andere broer raakten gewond en het huis werd geplunderd en afgepakt. Eiseres is vervolgens met haar moeder en jongste broertje verhuisd naar de wijk [wijk 2] , waar zij een tweede huis bezaten. In deze wijk is de moeder van eiseres verschillende malen bedreigd omdat men hun huizen wilde hebben. De buurman heeft hen geholpen om naar Jemen te vluchten. In Jemen is eiseres getrouwd en heeft zij drie kinderen gekregen. Tijdens de burgeroorlog in Jemen is haar echtgenoot ontvoerd door de islamitische groepering Houthi en is zij haar moeder en kinderen uit het oog verloren. Eiseres is vervolgens in april 2015 met een neef naar Nederland gereisd.

  3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft bij de beoordeling van het asielrelaas de volgende elementen als relevant aangemerkt:

1) de nationaliteit en identiteit van eiseres, daaronder begrepen ook haar etniciteit;

2) het overlijden van een zus van eiser tijdens de oorlog in Somalië;

3) toen eiseres 15, 16 of 17 was wilden mensen van de machtige stammen Abgaal en Habargedir haar meenemen om met haar te trouwen;

4) de aanval van Hawiye-mannen omstreeks 1991 op het ouderlijk huis van eiseres in de wijk [wijk 1] in Mogadishu;

5) de dreigementen aan het adres van de moeder van eiseres in de wijk [wijk 2] ;

6) de ontvoering van de man van eisers in Jemen, zes maanden geleden.

3.1

De beoordeling van de gestelde ontvoering van de man van eiseres in Jemen is relevant voor de vaststelling of eiseres al dan niet als alleenstaande vrouw moet worden aangemerkt. De overige problemen die eiseres zegt te hebben ondervonden in Jemen, worden niet als relevante elementen aangemerkt, aangezien in casus slechts ter beoordeling staat of eiseres al dan niet kan terugkeren naar haar land van herkomst.

Verweerder acht de nationaliteit, identiteit en etniciteit van eiseres geloofwaardig. Voorts acht verweerder het overlijden van de zus van eiseres als gevolg van oorlogsgeweld geloofwaardig evenals het element dat mensen van de machtige stammen Abgaal en Habargedir eiseres, toen zij 15, 16 of 17 was, wilden meenemen om met haar te trouwen. De overige elementen worden niet geloofwaardig geacht. Eiseres komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vw.

4. Eiseres stelt dat het op de weg van verweerder had gelegen om eiseres tijdens het nader (of eventueel een aanvullend) gehoor te confronteren met bevreemdingwekkende, inconsistente of tegenstrijdige verklaringen, gelet op artikel 16 van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (de Procedurerichtlijn) en artikel 3.113, tweede lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Deze bepalingen bieden expliciet een mogelijkheid tot herstel dan wel nadere uitleg ten tijde van het nader gehoor. De tegenwerping van verweerder dat eiseres dit pas in de zienswijze heeft gedaan, strookt niet met de genoemde bepalingen en is ook niet logisch. Eiseres dient daadwerkelijk op de hoogte te worden gebracht van vermeende tegenstrijdigheden. Anders wordt haar niet de reële mogelijkheid geboden om hieromtrent uitleg te geven. Daarnaast wordt in de Werkinstructie 2014/10 van 1 januari 2015 (de WI) gewezen op de samenwerkingsverplichting zoals neergelegd in artikel 4 van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (de Kwalificatierichtlijn). De tegenwerping van verweerder dat eiseres haar verklaringen in de correctie en aanvullingen (hierna: c&a) kon aanvullen, kan niet slagen omdat zij op dat moment er niet mee bekend was dat verweerder op die manier die feiten wilde vaststellen.

4.1

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de stelling van eiseres dat zij tijdens het nader gehoor niet in de gelegenheid is gesteld om uitleg te geven over inconsistenties of tegenstrijdigheden in haar verklaringen en dat dit in strijd is met artikel 3.113, tweede lid, Vb niet wordt gevolgd. Eiseres is bij de c&a in de gelegenheid gesteld om, daar waar nodig, wijzigingen en/of aanvullingen in te brengen. Voorts is eiseres middels de zienswijze in de gelegenheid gesteld om de inconsistente of tegenstrijdigheden in haar asielrelaas weg te nemen, waarin zij niet is geslaagd. Overeind blijft dat eiseres tegenstrijdig heeft verklaard over de aanval van de Hawiye mannen op het ouderlijk huis in de wijk [wijk 1] in 1991, dat ze wisselend heeft verklaard over de vraag wie precies is bedreigd toen eiseres en haar moeder in de wijk [wijk 2] woonden. Eiseres heeft daarnaast tegenstrijdige en summiere verklaringen afgelegd aangaande de ontvoering van haar echtgenoot. De relevante elementen 4, 5 en 6 worden daarom niet geloofwaardig geacht.

4.2

De rechtbank overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 16 Procedurerichtlijn zorgt de beslissingsautoriteit bij het afnemen van een persoonlijk onderhoud over de inhoud van een verzoek om internationale bescherming ervoor dat de verzoeker voldoende in de gelegenheid wordt gesteld om zo volledig mogelijk de tot staving van het verzoek noodzakelijke elementen aan te voeren, overeenkomstig artikel 4 Kwalificatierichtlijn. Dit houdt onder meer in dat de verzoeker in de gelegenheid wordt gesteld om uitleg te geven over eventueel ontbrekende elementen en/of over inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn verklaringen.

Dit artikel is geïmplementeerd in artikel 3.113, tweede lid, Vb. Ingevolge dit artikel wordt bij het afnemen van het nader gehoor de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om zo volledig mogelijk de tot staving van zijn aanvraag noodzakelijke elementen aan te voeren. Dit houdt onder meer in dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om uitleg te geven over eventueel ontbrekende elementen of over inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn verklaringen.

Het UNHCR Handbook and guidelines on procedures and criteria for determining refugee status (hierna: Handboek van UNHCR) - voor zover van belang - luidt als volgt:

“199. While an initial interview should normally suffice to bring an applicant’s story to light, it may be necessary for the examiner to clarify any apparent inconsistencies and to resolve any contradictions in a further interview, and to find an explanation for any misrepresentation or concealment of material facts. Untrue statements by themselves are not a reason for refusal of refugee status and it is the examiner’s responsibility to evaluate such statements in the light of all the circumstances of the case.”

4.3

De rechtbank stelt voorop dat het nader gehoor het onderdeel van de asielprocedure is waar de vreemdeling door verweerder in de gelegenheid wordt gesteld om door middel van het afleggen van verklaringen zijn relaas naar voren te brengen en daarmee zijn verzoek om internationale bescherming te staven. Verweerder heeft dit ook onderkend in zijn beleid, neergelegd in paragraaf C1/2.9 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), waarin staat vermeld dat de IND de vreemdeling tijdens het nader gehoor in de gelegenheid stelt om de gronden van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan te dragen. In de WI onder paragraaf 2.1 is voorts het volgende vermeld:
“De stelplicht en bewijslast betreffende het asielrelaas liggen in beginsel bij de asielzoeker. De grenzen van de bewijslast voor de asielzoeker strekken zover als ‘wat in redelijkheid van hem gevraagd kan worden’. De IND heeft op grond van artikel 3:2 Awb ook een actieve onderzoeksplicht. De overheid kan in voorkomende gevallen bovendien tegemoet komen aan de op de vreemdeling rustende bewijslast door zelf onderzoek te verrichten, bijvoorbeeld door vragen te stellen tijdens de gehoren.”

4.4

De rechtbank stelt vast dat eiseres niet reeds tijdens het nader gehoor, maar eerst middels het door verweerder uitgebrachte voornemen van 10 oktober 2015 is geconfronteerd met door haar afgelegde verklaringen ten aanzien waarvan verweerder zich op het standpunt stelt dat zij wisselend, summier, tegenstrijdig of bevreemdingwekkend zijn. Aan deze kwalificaties heeft verweerder vervolgens ten aanzien van de relevante elementen 4 tot en met 6 (als genoemd onder rechtsoverweging 3) de conclusie verbonden dat die elementen ongeloofwaardig zijn. Die conclusie heeft tot gevolg gehad dat verweerder deze elementen niet verder heeft getoetst aan artikel 29, eerste lid, onder a en b, Vw. Doordat eiseres niet tijdens het nader gehoor - zoals is voorgeschreven in artikel 16 Procedurerichtlijn - met de aanwezig geachte tegenstrijdigheden en wisselende of bevreemdingwekkende verklaringen is geconfronteerd, is zij niet in de gelegenheid gesteld om uitleg daarover te geven, en evenmin - daar waar verweerder van oordeel is dat specifieke informatie ontbreekt omdat de verklaringen vaag zijn gebleven - om haar verklaringen aan te vullen of uitleg te geven over de reden waarom zij over het betrokken onderwerp niet meer heeft kunnen verklaren dan zij in eerste instantie heeft gedaan. Zoals blijkt uit artikel 16 Procedurerichtlijn en punt 199 van het Handboek van UNHCR, behoort het tot de taak van de hoorambtenaar om tijdens het nader gehoor dergelijke gebreken aan de verklaringen op te merken en de vreemdeling ermee te confronteren en aldus de vreemdeling in de gelegenheid te stellen zijn relaas zo volledig mogelijk naar voren te brengen. De rechtbank kan verweerder volgen in het standpunt ter zitting dat de hoorambtenaar niet gehouden is de vreemdeling te wijzen op alle voorkomende vaagheden, ongerijmdheden, tegenstrijdigheden of inconsistenties die zich tijdens het gehoor voordoen, maar de naleving van artikel 16 Procedurerichtlijn is in ieder geval van belang voor die verklaringen waarop verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid in een later stadium van de procedure zijn standpunt baseert dat het relaas ongeloofwaardig is en waarop hij ook de afwijzing van de aanvraag doet steunen. Dit klemt te meer wanneer het relaas - zoals in het onderhavige geval - volledig uit door de vreemdeling afgelegde verklaringen bestaat en de relevante elementen aldus niet worden ondersteund door objectieve bewijsstukken.

4.5

Het standpunt van verweerder dat hij niet in strijd met artikel 3.113, tweede lid, Vb heeft gehandeld omdat eiseres bij de c&a in de gelegenheid is gesteld om - daar waar nodig - wijzigingen en/of aanvullingen in te brengen en zij vervolgens middels de zienswijze in de gelegenheid is gesteld om de inconsistenties of tegenstrijdigheden in haar relaas weg te nemen, volgt de rechtbank niet. De c&a zijn vooral bedoeld om fouten in het rapport van nader gehoor te corrigeren en om de daarin weergegeven verklaringen aan te vullen. De rechtbank wijst in dit verband op paragraaf 3.2.1.1 van de WI en op artikel 17, derde lid, Procedurerichtlijn, waarin is bepaald dat de lidstaten ervoor zorgen dat de verzoeker, bij de afsluiting van het persoonlijke onderhoud of binnen een bepaalde termijn voordat de beslissingsautoriteit een beslissing neemt, in de gelegenheid wordt gesteld om mondeling en/of schriftelijk opmerkingen te maken en/of opheldering te verschaffen over verkeerd vertaalde passages of misvattingen in het verslag of de schriftelijke weergave. Daarbij zal de vreemdeling in beginsel ook kunnen ingaan op in het rapport weergegeven verklaringen die naar zijn oordeel tegenstrijdig of incompleet zijn en deze van een aanvullende verklaring te voorzien, maar het is voor de vreemdeling in dat stadium van de procedure - waarin nog geen beoordeling van de verklaringen op geloofwaardigheid heeft plaatsgevonden - niet mogelijk om te overzien wat het oordeel van verweerder over de in het rapport weergegeven verklaringen zal zijn. Aldus is het voor hem niet mogelijk om reeds bij de c&a over alle door verweerder in het voornemen en de beslissing op de aanvraag tegen te werpen lacunes in het relaas uitleg te geven dan wel deze op voorhand weg te nemen. De functie van de c&a is in dit opzicht beperkt. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen, voorts niet dezelfde waarborgen voor de vreemdeling om zijn verklaringen zo volledig en duidelijk mogelijk naar voren te brengen. Immers, de zienswijze dient in de eerste plaats om de vreemdeling te laten reageren op de in het voornemen neergelegde argumenten op grond waarvan verweerder van plan is de aanvraag af te wijzen. Het nader gehoor biedt die waarborg, gelet ook op het bepaalde in artikel 16 Procedurerichtlijn, wel.

4.6

De rechtbank is van oordeel dat de handelwijze van verweerder om eiseres in het voornemen met lacunes in haar verklaringen te confronteren en daaraan een oordeel over de geloofwaardigheid te verbinden, zonder dat haar overeenkomstig artikel 3.113, tweede lid, Vb de gelegenheid is geboden om tijdens het nader gehoor in persoon uitleg te geven over opgemerkte lacunes, niet getuigt van een zorgvuldig onderzoek in de zin van artikel 3:2 Awb. Kenmerkend voor het voornemen is - zoals gezegd - dat dit het onderdeel is van de asielprocedure waarin de beoordeling van het relaas plaatsvindt, terwijl in de fase waarin de vreemdeling gehoord wordt die beoordeling nog niet aan de orde is en het accent nog volledig ligt op het vergaren van kennis over de “feiten”. Het nader gehoor behoort tot het onderdeel van het feitenonderzoek, waarin verweerder de vreemdeling in de gelegenheid stelt aan zijn stelplicht en bewijslast te voldoen en aldus het verzoek om internationale bescherming te staven. Dit onderzoek behoort objectief en onbevoordeeld plaats te vinden en los te staan van een oordeel over de vraag of afgelegde verklaringen geloofwaardig zijn. De rechtbank acht in dit verband ook illustratief hetgeen in de hierboven reeds genoemde paragraaf 2.1 van de WI staat vermeld, namelijk:

“De IND heeft op grond van artikel 3:2 Awb ook een actieve onderzoeksplicht. De overheid kan in voorkomende gevallen bovendien tegemoet komen aan de op de vreemdeling rustende bewijslast door zelf onderzoek te verrichten, bijvoorbeeld door vragen te stellen tijdens de gehoren (…). In dit verband wordt ook wel gesproken van de samenwerkingsverplichting die is neergelegd in artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn.’’

4.7

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder in strijd met artikel 3.113, tweede lid, Vb heeft gehandeld, zodat de beroepsgrond slaagt. Het had op de weg van verweerder gelegen om eiseres vóór het uitbrengen van het voornemen aanvullend te horen en haar aldus de gelegenheid te geven uitleg te geven over de door verweerder geconstateerde gebreken in haar verklaringen. Nu verweerder dit heeft nagelaten, is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 Awb. De omstandigheid dat in de zienswijze een reactie is gegeven op het voornemen, geeft de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven. In de eerste plaats vanwege hetgeen hieronder nog zal worden overwogen met betrekking tot de motivering van het bestreden besluit en in de tweede plaats vanwege de specifieke functie die het in persoon horen van de vreemdeling in de asielprocedure heeft, zoals hiervoor is overwogen.

5. Eiseres voert aan dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de personen die de moeder van eiseres hebben bedreigd wél op de hoogte moesten zijn geweest van het feit dat de moeder van eiseres niet langer over twee huizen beschikte. Verweerder tracht ten onrechte een tegenstrijdigheid te construeren in de verklaringen van eiseres. De verklaringen van eiseres omtrent de intenties van de personen die haar moeder bedreigd hebben zijn immers enkel gebaseerd op haar persoonlijke belevingen in plaats van voorkennis over de beleving van de personen die haar moeder bedreigd hebben. De grenzen van de bewijslast voor eiseres strekken zover als “wat in redelijkheid van haar gevraagd kan worden” (de WI, paragraaf 2.1). Naar het oordeel van eiseres kan in alle redelijkheid niet van haar verlangd worden om hieromtrent nog meer plausibele verklaringen af te leggen, aangezien zij logischerwijze niet heeft kunnen weten wat er in het hoofd van de personen die haar moeder hebben bedreigd omging. Daarbij merkt eiseres op dat de stelling van verweerder dat niet valt in te zien dat de personen die haar moeder hebben bedreigd niet wisten dat de moeder niet langer over twee huizen beschikte, louter speculatief is en weinig realistisch is door het kennisniveau van de militia en derhalve in strijd met artikel 3:2 en 3:46 Awb.

5.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat in de zienswijze is aangevoerd dat eiseres geen tegenstrijdige en summiere verklaringen heeft afgelegd ten aanzien van de aanval van de Hawiye-mannen omstreeks 1991 op het ouderlijk huis van eiseres. Verweerder heeft volgens eiseres miskend dat de personen die de moeder van eiseres hebben bedreigd, niet dezelfde personen waren die het ouderlijk huis hebben afgepakt. Derhalve konden zij niet weten dat de moeder niet langer de beschikking over het huis had. Verweerder stelt dat eiseres nog immer de tegenstrijdigheid van haar verklaringen niet heeft weggenomen. De stelling van eiseres dat de personen die de moeder van eiseres bedreigden niet dezelfde personen waren die het ouderlijk huis hebben afgepakt en dat zij derhalve niet konden weten dat de moeder van eiseres niet langer de beschikking had over twee woningen, maakt zulks niet anders. Immers, dat het niet dezelfde personen waren maakt niet dat de verklaringen van eiseres niet tegenstrijdig zijn. Niet valt in te zien dat de personen die haar moeder hebben bedreigd niet wisten dat de moeder van eiseres niet langer de beschikking had over twee huizen.

5.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder, door in zijn besluit te volstaan met de opmerking dat de omstandigheid dat het niet om dezelfde personen ging die eerder in de wijk [wijk 1] voor problemen hadden gezorgd, niet maakt dat er geen tegenstrijdigheid is en met de opmerking dat “niet valt in te zien dat de personen die haar moeder hebben bedreigd niet wisten dat de moeder niet langer de beschikking over twee huizen had”, uitsluitend een conclusie trekt. Verweerder is echter niet inhoudelijk ingegaan op de door eiseres in de zienswijze gegeven verklaring en heeft daarbij evenmin gemotiveerd waarom die verklaring de tegenstrijdigheid niet wegneemt. De grond dat op dit onderdeel een motiveringsgebrek kleeft aan het besluit, treft dan ook doel.

6. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat haar verklaringen over de bedreigingen jegens haar familie dan wel haar moeder, niet weten te overtuigen. Naar het oordeel van eiseres is er geen tegenstrijdigheid, nu eiseres in eerste instantie verklaard heeft dat zij en haar familie bedreigd werden in de wijk [wijk 2] . Verderop in het gehoor heeft eiseres in reactie op de vraag “bent u bedreigd of is uw moeder bedreigd?” meer specifiek verklaard dat de bedreigingen jegens de persoon van haar moeder werden geuit. Dit is geen tegenstrijdigheid, maar een nadere toelichting op de vraag jegens wie de bedreigingen werden geuit. Logischerwijze werden deze bedreigingen door eiseres ervaren als een bedreiging jegens haar en haar familie, aangezien de bedreigingen ertoe dienden te leiden dat de moeder van eiseres hun huis zou verkopen. Dit zou uiteraard ook negatieve gevolgen hebben voor eiseres en haar familie.

6.1

Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat het standpunt in het bestreden besluit dat eiseres wisselende verklaringen heeft afgelegd over de bedreigingen jegens de familie dan wel haar moeder, niet langer wordt gehandhaafd.

6.2

De rechtbank overweegt dat verweerder hiermee te kennen geeft dat dit onderdeel van het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd, zodat de beroepsgrond doel treft.

7. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat nog immer niet valt in te zien dat zij niet meer weet te verklaren over de personen die haar moeder bedreigd hebben. Tegelijkertijd betwist verweerder niet dat eiseres zelf niet fysiek aanwezig was op het moment dat de bedreigingen jegens haar moeder werden geuit. Dit wekt bevreemding, aangezien verweerder op geen enkele wijze deugdelijk heeft gemotiveerd waarom alsnog van eiseres verlangd kan worden om meer gedetailleerd te verklaren over de personen die haar moeder hebben bedreigd.

7.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres slechts uiterst summier heeft verklaard over de personen die hen dan wel haar moeder zouden hebben bedreigd. Op de vraag door wie zij bedreigd werd, heeft eiseres slechts beantwoord: “Door mensen”. Op de vraag vervolgens of eiseres iets specifieker kon zijn heeft zij geantwoord: “(…) Ik weet niet door wie of van welke clan. Het waren Somalische mensen”. Verweerder stelt dat nog immer niet valt in te zien dat eiseres hierover niet meer gedetailleerd kon verklaren. Het is immers aan eiseres om haar asielrelaas aannemelijk te maken, waarin zij niet is geslaagd. Ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat niet valt in te zien dat eiseres na afloop niet meer informatie had kunnen verkrijgen van haar moeder, nu zij destijds in hetzelfde huis woonden.

7.2

De rechtbank overweegt dat zij verweerder kan volgen in het standpunt dat eiseres vage verklaringen heeft afgelegd over de personen die haar moeder hebben bedreigd toen eiseres en haar moeder in de wijk [wijk 2] woonden. Met verweerder is zij voorts van oordeel dat de in de zienswijze gegeven verklaring hiervoor - te weten dat eiseres niet fysiek aanwezig was toen de dreigementen werden geuit - niet afdoende is. Immers, ondanks die fysieke afwezigheid heeft eiseres kennelijk wel kennis gekregen over andere bijzonderheden met betrekking tot de bedreigingen, daar zij blijkens pagina 9 van het nader gehoor heeft verklaard dat zij wist wat de bedreigingen inhielden (moeder moest de huizen verkopen of anders weggaan uit de wijk). Daarnaast heeft eiseres verklaard dat oudere mannen van de wijk met de bedreigers hebben gesproken en dat ze daarna met rust werden gelaten. Gelet op deze verklaringen van eiseres, heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat de omstandigheid dat eiseres niets weet te vertellen over de bedreigers zelf, afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het betrokken relevante element. De beroepsgrond faalt.


8. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de aan de gang zijnde burgeroorlog in Jemen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van dit relevante element. De burgeroorlog, in samenhang beschouwd met de illegale status van eiseres in Jemen, verklaren waarom eiseres over de ontvoering van haar echtgenoot niet meer informatie heeft kunnen verschaffen. Bovendien heeft eiseres in het nader gehoor verklaard dat zij op het moment van de ontvoering op haar werk was, dat zij niet naar de politie is geweest omdat zij toch niet kunnen helpen en dat zij alleen van een collega heeft gehoord over de ontvoering. Eiseres had simpelweg niet over meer informatie kunnen beschikken. Voorts heeft verweerder ten onrechte overwogen dat er geen geloof kan worden gehecht aan haar verklaringen hieromtrent.

8.1

Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat op punt 13 van de zienswijze, waarin een verklaring wordt gegeven voor het feit dat eiseres na de ontvoering van haar man in Jemen geen aangifte heeft gedaan bij de politie en niet naar een andere hulpverlenende organisatie is gegaan, niet inhoudelijk is gereageerd in het bestreden besluit. Verweerder heeft wat dit punt betreft gewezen op pagina 2 van het bestreden besluit, waarin staat vermeld dat de overwegingen uit het voornemen deel uitmaken van het bestreden besluit.

8.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit geen inhoudelijke reactie heeft gegeven op de in punt 13 van de zienswijze gegeven verklaring voor het feit dat eiseres na de ontvoering van haar man in Jemen geen aangifte heeft gedaan bij de politie en niet naar een andere hulpverlenende organisatie is gegaan. Verweerder heeft echter het standpunt dat de verklaringen van eiseres hierover bevreemdingwekkend zijn, gehandhaafd. Nu verweerder niet in het bestreden besluit heeft gemotiveerd waarom de door eiseres in de zienswijze gegeven uitleg niet tot een ander oordeel heeft geleid, kleeft aan het bestreden besluit op dit punt een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt.

9. Eiseres stelt voorts dat onduidelijk is waarom de informatie dat zij niet kan duiden of Houthi-rebellen Sjiieten zijn, relevant is voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van haar verklaringen omtrent de ontvoering van haar echtgenoot. Dit klemt temeer nu eiseres in het nader gehoor heeft verklaard dat de Houthi-rebellen geen verschil zien tussen Sjiieten en Soennieten, maar gewoon mensen meenemen om te laten vechten. Deze verklaring heeft verweerder noch betwist, noch ontkracht aan de hand van algemene landeninformatie.

9.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bevreemding wekt dat eiseres uit zichzelf niet heeft kunnen aangeven of Houthi-rebellen Soennieten dan wel Sjiieten zijn. In alle redelijkheid mag immers worden aangenomen dat iemand wiens echtgenoot zes maanden geleden is ontvoerd, meer kan vertellen over de ontvoerders. Eiseres heeft ruimschoots de tijd gehad om aanvullende informatie over hen te verzamelen. Dat het desalniettemin de hoormedewerker was die haar moest vertellen dat Houthi-rebellen Sjiieten zijn, doet verder afbreuk aan de geloofwaardigheid van dit element. Ten tweede wordt het bevreemdingwekkend geacht dat de Sjiitische Houthi-rebellen de Soennitische man van eiseres zouden hebben ontvoerd teneinde hem te rekruteren voor hun strijd tegen hun overwegend Soennitische vijanden. Eiseres heeft voor de ongerijmde omstandigheid geen voldoende verklaring kunnen geven. Desgevraagd heeft ze enkel verklaard: “Verschil zien ze niet. Ze nemen allemaal mensen gewoon om mee te laten vechten”. Deze ongerijmdheid doet verder afbreuk aan de geloofwaardigheid van dit element. Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat het standpunt vooral wordt gebaseerd op de tweede overweging.

9.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder het standpunt dat de verklaringen van eiseres dat Sjiitische Houthi rebellen haar Soennitische echtgenoot zouden hebben ontvoerd met als motief dat die man voor hen zou kunnen vechten ongerijmd is, niet heeft onderbouwd met feitelijke informatie over deze rebellen en hun rekruteringsmethoden. Bij gebreke van dergelijke informatie is de veronderstelling dat Houthi rebellen geen mannen van Soennitische afkomst zouden ontvoeren, zonder nadere motivering - welke ontbreekt - niet houdbaar. De rechtbank laat hierbij nog buiten beschouwing dat eiseres niet heeft verklaard dat de ontvoerders wisten dat haar echtgenoot een Soenniet was. De beroepsgrond slaagt.

10. Nu het voorgaande leidt tot de conclusie dat het in het bestreden besluit neergelegde standpunt van verweerder dat de relevante elementen 4 tot en met 6 ongeloofwaardig zijn, geen stand kan houden omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2, 3:46 en 3:47 Awb, luidt de conclusie dat het besluit reeds daarom voor vernietiging in aanmerking komt. Verweerder zal de geloofwaardigheid van de relevante elementen opnieuw moeten beoordelen, nadat eiseres door middel van een aanvullend gehoor in de gelegenheid is gesteld uitleg te geven over de door verweerder geconstateerde lacunes in haar verklaringen.

11. In verband met het voorgaande zal de rechtbank nog beoordelen de grond van eiseres dat de door verweerder verrichte toetsing van de geloofwaardigheid van het relaas onvoldoende inzichtelijk is. Eiseres heeft daartoe aangevoerd dat er geen weging heeft plaatsgevonden van de wel geloofwaardig bevonden feiten, in samenhang met de niet geloofwaardig bevonden feiten zoals de WI voorschrijft. Het bestreden besluit geeft van een dergelijke beoordeling geen blijk, aangezien verweerder de geloofwaardigheidsbeoordeling van de bedreigingen jegens de moeder van eiseres slechts heeft beoordeeld in het licht van de aspecten die zich rondom dit incident hebben voorgedaan, zonder daarbij tot een antwoord te komen op de vraag, of gelet op de geloofwaardige geachte nationaliteit en identiteit, alsmede de etniciteit van eiseres, en de geloofwaardig geachte verklaringen dat mensen van de machtige stammen Abgaal en Habargedir eiseres wilden meenemen om met haar te trouwen toen zij 15, 16 of 17 jaar oud was, de bedreigingen jegens de moeder van eiseres daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en om die reden geloofwaardig dient te worden geacht. In de zienswijze heeft eiseres uitgebreid gemotiveerd waarom de geloofwaardig bevonden relevante elementen voldoende zijn om aan te nemen dat er een gegronde vrees is voor vervolging. Het feit dat zij de facto een alleenstaande vrouw van een etnische minderheid is, maakt volgens eiseres reeds dat zij in aanmerking moet komen voor bescherming. Hieromtrent wordt in het bestreden besluit enkel overwogen dat het asielrelaas van eiseres niet geloofwaardig wordt geacht. Mitsdien geeft het bestreden besluit blijk van een onjuist toetsingskader, aangezien een zwaarwegendheidstoets enkel achterwege kan blijven op het moment dat alle relevante elementen als niet geloofwaardig zijn beoordeeld. Eiseres verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 25 november 2015, AWB 15/14812, 15/14814, 15/14815 en 15/14816.

11.1

De rechtbank overweegt dat zij eiseres kan volgen in deze grond. Blijkens het voornemen en het bestreden besluit is de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres uitsluitend gebaseerd op een toetsing aan de zogenoemde interne geloofwaardigheidsindicatoren zoals vermeld in paragraaf 3.2.1.1 van de WI. Een beoordeling of de door eiseres vermelde gebeurtenissen passen in het beeld dat naar voren komt uit algemene, objectieve informatie over de positie van de Reer Hamar destijds in Somalië, heeft niet kenbaar plaatsgevonden. Het bestreden besluit geeft er aldus geen blijk van dat een integrale weging als bedoeld in paragraaf 3.2.2 van de WI heeft plaatsgevonden. Daarin staat immers - voor zover van belang - het volgende vermeld:

“Aan de hand van de geloofwaardigheidsindicatoren kan beoordeeld worden hoezeer en door welke zware en lichte omstandigheden de geloofwaardigheid van het relevante element wordt aangetast of versterkt. Bijvoorbeeld: het overleggen van een vals document met betrekking tot een arrestatie doet meer afbreuk aan de geloofwaardigheid van de arrestatie dan het afleggen van enkele vage en onduidelijke verklaringen over de arrestatie. Of: een authentiek document waaruit de nationaliteit en herkomst blijken, kan de vage verklaringen op dat punt compenseren. Er zijn aldus verklaringen, documenten en informatiebronnen die de geloofwaardigheid van een relevant element onderbouwen en er zijn verklaringen, documenten en informatiebronnen die de geloofwaardigheid van een relevant element verzwakken. Uiteindelijk dient een balans te worden opgemaakt. Het resultaat van deze weging resulteert in de conclusie of een relevant element als geloofwaardig of als ongeloofwaardig wordt aangenomen.”

De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij het nemen van een nieuwe beslissing in de motivering daarvan blijk zal moeten geven dat een weging zoals omschreven in de WI heeft plaatsgevonden.

12. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank aan een beoordeling van de overige beroepsgronden van 14 januari 2016 niet meer toe.

13. Ter zitting heeft eiseres nog verzocht om de behandeling van deze zaak aan te houden. Eiseres heeft daarbij gewezen op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 10 februari 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:1514) de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2533) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 11 februari 2016 (AWB 16/1123). Eiseres heeft onder verwijzing naar die uitspraken gesteld dat onbetwist is dat zij behoort tot de Reer Hamar, subclan Hamoudi en dat verweerder een ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen leden van die minderheidsclan.

13.1

Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het verzoek om aanhouding van de verdere behandeling van deze zaak door de rechtbank moet worden afgewezen.

13.2

De rechtbank overweegt dat de enkele verwijzing naar de uitspraak van zittingsplaats Utrecht van 11 februari 2016 haar onvoldoende reden heeft gegeven om het onderzoek ter zitting te schorsen in afwachting van het nieuwe ambtsbericht over Somalië. Ongewis is immers wanneer het (lang verwachte) ambtsbericht zal worden uitgebracht. De rechtbank vat de verwijzing van eiseres naar de uitspraak van zittingsplaats Den Bosch van 10 februari 2016 echter ook op als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. In die uitspraak is, onder meer, het volgende overwogen:

“21. In WBV 2015/7 is de Reer Hamar niet langer aangewezen als risicogroep of groep die systematisch wordt blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van Het EVRM. Daarnaast moet worden vastgesteld dat verweerder in deze WBV geen kwetsbare minderheidsgroepen in Somalië heeft aangewezen. Verder is aangegeven dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) vooralsnog niet de verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd herbeoordeelt die aan Somaliërs verleend zijn op grond van het behoren tot de Benadiri/Reer Hamar. De IND zal niet eerder overgaan tot intrekking, dan wanneer is gebleken van een wijziging van omstandigheden die een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft (zie artikel 3.37e VV).

22. De uitwerking van voornoemd beleid heeft als consequentie dat vreemdelingen die tot de Reer Hamar behoren en in het verleden op grond van WBV 2012/24 een verblijfsvergunning asiel ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000 is verleend thans nog immer internationale bescherming genieten, terwijl andere vreemdelingen, zoals eiser, die tot dezelfde clan behoren en geloofwaardig geachte problemen in Somalië (Mogadishu) vanwege hun afkomst naar voren hebben gebracht, die bescherming wordt onthouden omdat door de gewijzigde situatie in Mogadishu problemen bij terugkeer aldaar vanwege het behoren tot de Reer Hamar niet langer aannemelijk zijn te achten. Daarbij komt dat blijkens de brief van verweerder van 29 september 2015 de verlenging van het besluit- en vertrekmoratorium alleen geldt voor vreemdelingen afkomstig uit gebieden in Centraal- en Zuid-Somalië die onder controle staan van Al-Shabaab en derhalve niet voor vreemdelingen afkomstig uit Mogadishu. Verweerder is aldus van mening dat Somalische asielzoekers uit Mogadishu en behorend tot de Reer Hamar, wier aanvraag is afgewezen, kunnen terugkeren naar Mogadishu of daarnaar kunnen worden uitgezet, doch maakt daarbij ten aanzien van personen behorend tot die groep aan wie wel internationale bescherming is verleend een pas op de plaats omdat nog niet is gebleken van een wijziging van omstandigheden die een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft. Hierdoor hanteert verweerder in dit geval ten aanzien van asielzoekers die tot dezelfde bevolkingsgroep behoren en uit dezelfde plaats afkomstig zijn verschillende criteria voor wat betreft de risico-inschatting bij terugkeer, waarbij nog dient te worden opgemerkt dat verweerder blijkens de brief van 14 januari 2016 geen specifieke criteria heeft vastgesteld voor beantwoording van de vraag of sprake is van een wijziging van omstandigheden met een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter. Aldus is niet duidelijk op basis van welke overwegingen verweerder heeft besloten vooralsnog af te zien van intrekking van de op grond van WBV 2012/24 aan leden van de Reer Hamar verleende internationale bescherming.

23. Naar het oordeel van de rechtbank is er voor dit onderscheid in behandeling geen rechtvaardiging te vinden. Dat artikel 3.37 VV 2000 is gebaseerd op het bepaalde in artikel 11 en artikel 16 van de Definitierichtlijn kan niet dienen als legitimatie hiervoor. De Definitierichtlijn schrijft gemeenschappelijke normen voor op grond waarvan lidstaten internationale bescherming dienen te verlenen en op grond waarvan zij tot intrekking, beëindiging of weigering van verlening van de vluchtelingenstatus of subsidiaire beschermingsstatus kunnen overgaan. De Definitierichtlijn biedt geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat lidstaten ten aanzien van dezelfde categorie asielzoekers verschil kunnen en mogen maken met betrekking tot intrekking of verlening van internationale bescherming. De situatie voor leden van de Reer Hamar in Mogadishu is als zodanig hetzelfde en vraagt om een identiek zorgvuldige afweging met betrekking tot de vraag of internationale bescherming dient te worden verleend, dan wel kan worden beëindigd.

24. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het besluit op dit onderdeel in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en de normen die besloten liggen in de Definitierichtlijn voor de erkenning van onderdanen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming. Doordat blijkens WBV 2015/7 nog steeds geen sprake is van een wijziging van omstandigheden met een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter, heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd waarom niet aannemelijk is te achten dat eiser vanwege zijn afkomst en de reeds door hem vanwege die afkomst ondervonden problemen in Mogadishu bij terugkeer niet voor vluchtelingrechtelijke vervolging, dan wel onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM heeft te vrezen. ”

13.3

De rechtbank overweegt dat zij het oordeel van zittingsplaats Den Bosch volgt. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat de niet herbeoordeelde asielvergunningen zien op gevallen van leden van de clan Reer Hamar die naast hun afkomst ook geloofwaardig geachte verklaringen over hun asielrelaas hadden afgelegd, overweegt de rechtbank dat zulks niet blijkt uit WBV 2012/24, nu uit dat beleid volgt dat geloofwaardige verklaringen over het asielrelaas geen voorwaarde vormden voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw wegens een risico op schending van artikel 3 EVRM. Het bestreden besluit is derhalve genomen in strijd met gelijkheidsbeginsel.

14. Nu uit rechtsoverwegingen 4.7, 10 en 13.3 blijkt dat het bestreden besluit moet worden vernietigd, is het beroep gegrond.

15. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 992,00 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming
van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 992,00 te
betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.O.P. Roché, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2016.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.