Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:3767

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-04-2016
Datum publicatie
11-04-2016
Zaaknummer
C/09/502020 / FA RK 15-9818
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

beëindiging gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 15-9818

Zaaknummer: C/09/502020

Datum beschikking: 1 april 2016

Beëindiging gezag

Beschikking op het op 18 december 2015 ingekomen verzoek van:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,

hierna: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[moeder]

de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M.S. Krol te Rotterdam,

[grootmoeder]

de grootmoeder,

wonende te [woonplaats] ,

alsmede

Jeugdbescherming west, regio Zuid-Holland Noord (hierna: de gecertificeerde instelling), de beoogd voogdes,
gevestigd te Leiden.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift d.d. 11 december 2015 met bijlagen, waaronder het rapport van

de raad d.d. 10 december 2015 (kenmerk: [nummer] ;

- de brief d.d. 24 december 2015 van de zijde van de raad, met bijlage.

Op 19 februari 2016 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld door mr. A. Zonneveld als rechter-commissaris. Hierbij zijn verschenen de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mevrouw [raadsmedewerker] namens de raad en de heer [medewerker GI] namens de gecertificeerde instelling. De grootmoeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.

Verzoek en verweer

De raad verzoekt het gezag van de moeder over na te melden minderjarige te beëindigen en de gecertificeerde instelling te benoemen tot voogd over de minderjarige.

De moeder voert verweer tegen het verzoek, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- uit de moeder is het volgende thans nog minderjarige kind geboren:

- [minderjarige] , op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

- De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over de minderjarige belast.

- Bij beschikking d.d. 14 juni 2011 van deze rechtbank is de ondertoezichtstelling over de minderjarige voor de duur van een jaar uitgesproken. Bij beschikking d.d. 27 augustus 2012 is een machtiging verleend de minderjarige uit huis te plaatsen .

- De ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing zijn laatstelijk bij beschikking van 13 juli 2015 verlengd tot 14 juni 2016.

- Sinds augustus 2012 verblijft de minderjarige bij grootmoeder moederszijde.

- De moeder heeft de Britse nationaliteit.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over de minderjarige.

Inhoudelijke beoordeling

De raad legt aan zijn verzoek ten grondslag dat de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en dat de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding binnen een voor de minderjarige aanvaardbare termijn te dragen.

Ter onderbouwing van deze stellingen heeft de raad in zijn rapport – verkort weergegeven  het volgende aangevoerd.

De minderjarige staat onder toezicht van de gecertificeerde instelling sinds 14 juni 2011, omdat hij regelmatig getuige was van huiselijk geweld tussen de moeder en haar toenmalige partner. Daarnaast gebruikte de moeder alcohol en drugs in zijn bijzijn, met als gevolg agressieve buien en verbaal geweld jegens de minderjarige. In augustus 2012 is de minderjarige middels een machtiging tot uithuisplaatsing geplaatst bij de grootmoeder. Tot een aantal maanden geleden belde moeder dagelijks meerdere malen naar de grootmoeder en leverde ze veelvuldig commentaar op de grootmoeder. Ook is de moeder regelmatig conflicten aangegaan met de grootmoeder in bijzijn van de minderjarige. De minderjarige was hierdoor bang dat zijn moeder hem ook pijn zou doen. De raad acht het zeer zorgelijk dat de moeder haar emoties in deze situaties onvoldoende onder controle had. Door conflicten aan te gaan in bijzijn van de minderjarige, handelde de moeder niet in zijn belang. De moeder is in 2015 door De Waag gediagnosticeerd met ADHD en een borderline persoonlijkheidsstoornis.

Uit het raadsonderzoek blijkt dat de moeder de laatste maanden positieve ontwikkelingen doormaakt. Zij heeft een nieuwe partner en zij zit beter in haar vel. Ze zegt geen drugs meer te gebruiken en haar alcoholgebruik onder controle te hebben. Het contact tussen de moeder en de minderjarige, en tussen de grootmoeder en de minderjarige verlopen goed en de moeder doet zichtbaar haar best om een goede moeder te zijn. De begeleiding vanuit Marente en de gecertificeerde instelling verlopen ook goed. Ondanks de positieve ontwikkelingen is de raad van mening dat de moeder niet in staat zal zijn de verzorging en opvoeding van de minderjarige binnen een voor hem aanvaardbare termijn te dragen. Het ligt thans zelfs niet in de lijn der verwachting dat de bezoekregeling op korte termijn wordt uitgebreid naar onbegeleid bezoek. Volgens de raad heeft de moeder bovendien al haar aandacht en energie nodig om haar eigen leven op orde te houden. De taak als opvoeder van de minderjarige zou de moeder overvragen en haar problematiek doen verergeren.

Volgens de raad past de huidige opvoedomgeving goed bij wat de minderjarige nodig heeft op de korte en op de lange termijn. De band tussen de minderjarige en zijn oma is erg goed. De grootmoeder biedt hem een stabiele en veilige opvoedomgeving. Zij stelt zich ten aanzien van de moeder over het algemeen neutraal op, waarmee zij duidelijk in het belang van de minderjarige handelt. De minderjarige woont inmiddels ruim drie jaar bij de grootmoeder. Hij heeft dringend behoefte aan duidelijkheid omtrent zijn toekomstperspectief vanwege het loyaliteitsconflict waarin hij zich bevindt.

De raad adviseert de gecertificeerde instelling te belasten met de voogdij over de minderjarige, omdat de raad het noodzakelijk acht dat een externe partij beslissingen kan nemen als de moeder en de grootmoeder het niet met elkaar eens zijn. De grootmoeder kan hiermee haar neutrale houding ten opzichte van de moeder behouden.

De moeder heeft ter zitting verklaard dat zij het eens is met de plaatsing van de minderjarige bij de grootmoeder, omdat zij inziet dat zij niet zelf voor hem kan zorgen. De moeder heeft haar best gedaan om haar leven weer op orde te krijgen. Zij heeft inmiddels woonruimte bij “De Brug”, een stabiele relatie en zij werkt bij een kringloopwinkel. Ook de samenwerking met de gezinsvoogd verloopt goed. Zij begrijpt dat het in het belang is van de minderjarige dat hij bij zijn oma kan blijven wonen, omdat hij daar zijn leven heeft opgebouwd en vriendjes heeft. De moeder stelt zich primair op het standpunt dat het verzoek van de raad dient te worden afgewezen. Hierbij stelt zij dat de plaatsing van de minderjarige bij de grootmoeder in een vrijwillig kader gecontinueerd zou kunnen worden. Daarnaast beroept de moeder zich op de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 21 april 2015 (ECLI:NL:RBOVE:2015:2652) stellende dat in het onderhavige geval niet tot gezagsbeëindiging hoeft te worden besloten, nu zij berust in de situatie en de samenwerking met de gezinsvoogd goed verloopt. Indien het gezag van de moeder toch wordt beëindigd, verzoekt de moeder de voogdij over de minderjarige bij de grootmoeder te beleggen, zodat zij zeker weet dat hij bij zijn oma kan opgroeien en niet door de gecertificeerde instelling in een ander pleeggezin zal worden geplaatst.

De gecertificeerde instelling sluit zich aan bij het verzoek van de raad. Ter zitting heeft de gezinsvoogd namens de gecertificeerde instelling verklaard dat het voor de minderjarige en alle partijen rust zou geven als er duidelijkheid komt ten aanzien van het toekomstperspectief van de minderjarige. Verder geeft de gezinsvoogd nadrukkelijk te kennen dat er geen enkele intentie is vanuit de gecertificeerde instelling om de minderjarige in een ander pleeggezin te plaatsen.

De rechtbank overweegt dat zij op grond van artikel 1:266 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

Uit het overgelegde raadsrapport blijkt dat de moeder in het verleden niet in staat is geweest de minderjarige de nodige stabiliteit en veiligheid te bieden en de belangen van de minderjarige voorop te stellen. Zij kampte jarenlang met verslavingsproblematiek en er was sprake van huiselijk geweld tussen de moeder en haar toenmalige partner. De minderjarige was getuige van het huiselijk geweld en hij werd blootgesteld aan agressief gedrag van de moeder en verbaal geweld. Dit heeft ertoe geleid dat de minderjarige uiteindelijk is geplaatst bij zijn grootmoeder. Vervolgens is de moeder regelmatig conflicten aangegaan met de grootmoeder in bijzijn van de minderjarige. Hieruit blijkt dat de moeder, ook nadat de minderjarige uit huis was geplaatst, niet in staat was om in het belang van de minderjarige te handelen. Hoewel de afgelopen maanden sprake is van positieve ontwikkelingen in het leven van de moeder  zowel op relatiegebied, evenals op het gebied van huisvesting en werk  is de rechtbank van oordeel dat de huidige situatie nog te pril is, zodat nog niet gesproken kan worden van een stabiele situatie. Gelet op de gegeven omstandigheden, is de rechtbank met de raad van oordeel dat aan het wettelijke criterium voor gezagsbeëindiging is voldaan en dat de moeder niet in staat is om binnen een voor de minderjarige aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid te dragen voor zijn verzorging en opvoeding.

De rechtbank is van oordeel dat de beëindiging van het gezag in de onderhavige zaak de aangewezen maatregel is en overweegt hiertoe als volgt. De minderjarige staat al sinds 2011 onder toezicht en hij verblijft reeds sinds augustus 2012 middels een machtiging tot uithuisplaatsing bij zijn oma. Vast staat dat niet meer zal worden toegewerkt naar terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder. Hoewel de moeder thans kan instemmen met het verblijf van de minderjarige bij de grootmoeder en de samenwerking met de gezinsvoogd goed verloopt, blijkt uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken, dat de moeder in het verleden de afspraken met de hulpverlening en de bezoekafspraken met de minderjarige met enige regelmaat niet is nagekomen en dat zij tevens zeer wisselvallig is geweest in de acceptatie van de uithuisplaatsing. Zij heeft meermalen de wens uitgesproken om zelf weer voor de minderjarige te zorgen. Ook heeft zij tegen de minderjarige gezegd dat hij weer thuis kon komen wonen. Gelet op deze ambivalente houding van de moeder in het verleden en het feit dat haar situatie op dit moment nog onvoldoende stabiel is, acht de rechtbank het noodzakelijk dat de plaatsing in een gedwongen kader wordt voortgezet. Voorts overweegt de rechtbank dat het enkele feit dat de moeder zich zou hebben berust in de situatie onvoldoende is om het gezag niet te beëindigen. Dit vloeit onder meer voort uit de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 februari 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:1493) waarin is bepaald dat aan het belang van de minderjarige bij stabiliteit en duidelijkheid over het toekomstperspectief een zwaarder wegende betekenis dient te worden toegekend dan aan het belang van de moeder om met het gezag belast te blijven, hetgeen onder meer voortvloeit uit artikel 20, lid 3, IVRK. Op deze gronden heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de door de moeder aangehaalde beschikking van de rechtbank Overijssel vernietigd.

Aangezien de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over de minderjarige komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275 lid 1 BW een voogd over hem te benoemen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

Vanwege het feit dat de contacten tussen de moeder en de grootmoeder lange tijd zeer moeizaam zijn verlopen, acht de rechtbank het in het belang van de minderjarige dat de gecertificeerde instelling wordt belast met de voogdij, zodat de relatie tussen hen niet extra onder druk komt te staan als de grootmoeder met de voogdij over Jack wordt belast. De rechtbank zal daarom, conform het advies van de raad, de gecertificeerde instelling belasten met de voogdij, zodat deze instelling als neutrale derde de beslissingen omtrent de minderjarige kan nemen.

De rechtbank merkt hierbij op dat de gecertificeerde instelling hierbij op termijn kan bezien of de grootmoeder alsnog kan worden belast met de voogdij over de minderjarige als grootmoeder dit ook mocht willen. Hiervoor is het noodzakelijk dat de moeder de positieve lijn weet vast te houden en de contacten tussen de moeder en de grootmoeder langere tijd stabiel zullen blijven.

De gecertificeerde instelling heeft zich schriftelijk bereid verklaard de voogdij over de minderjarige te aanvaarden.

Beslissing

De rechtbank:

beëindigt het ouderlijk gezag van de moeder, [moeder] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië), over de minderjarige:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

benoemt tot voogdes over voormelde minderjarige:

Stichting Jeugdbescherming west, regio Zuid-Holland Noord, Vestiging Leiden;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gegeven door mrs. J.C. Sluymer, H.A.G. Nijman en A. Zonneveld, kinderrechters, bijgestaan door mr. D.T.A.J.M. Schapendonk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2016.