Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:3724

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-04-2016
Datum publicatie
17-06-2016
Zaaknummer
C/09/506668 / KG ZA 16/286
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Toepassing lijfsdwang ter zake achterstallige kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/506668 / KG ZA 16/286

Vonnis in kort geding van 13 april 2016

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. R. Tamourt te Heerenveen,

tegen:

[de man] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.M. Wigman te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de op 6 april 2016 gehouden mondelinge behandeling.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en tot april 2015 met elkaar samengewoond. Partijen zijn de ouders van de thans nog minderjarige kinderen [minderjarige 1] (geboren op [geboortedatum 1] ) en [minderjarige 2] (geboren op [geboortedatum 2] ) (hierna: de kinderen).

2.2.

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 3 januari 2012 (hierna de beschikking) heeft het gerechtshof Leeuwarden de door de man aan de vrouw verschuldigde bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen bepaald op € 140,-- per kind per maand (hierna: de kinderalimentatie).

2.3.

De man heeft ter zake van de betaling van de kinderalimentatie per 15 februari 2016 een achterstand doen ontstaan van € 13.604,36.

2.4.

Begin 2015 heeft de vrouw de man gedagvaard ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en gevorderd de vrouw toe te staan om de beschikking door middel van lijfsdwang ten uitvoer te leggen. Bij vonnis van 18 maart 2015 heeft de voorzieningenrechter deze vordering afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw vordert – zakelijk weergegeven – om haar toe te staan om binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis de beschikking door middel van lijfsdwang ten uitvoer te leggen voor de duur van ten hoogste 30 dagen.

3.2.

Daartoe voert de vrouw – samengevat – aan dat de man van meet af aan niet aan zijn alimentatieverplichtingen heeft voldaan. Pogingen van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) om de man tot betaling te bewegen hebben geen succes gehad. Volgens de vrouw is lijfsdwang daarom de enige nog resterende methode om de man tot nakoming van de beschikking te dwingen.

3.3.

De man voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Vooropgesteld wordt dat een rechterlijke uitspraak, in dit geval strekkende tot vaststelling van kinderalimentatie, dient te worden nagekomen. Niet kan worden geduld dat de alimentatieplichtige zich daaraan ten koste van de kinderen zou kunnen onttrekken. Het executiemiddel lijfsdwang strekt ertoe druk uit te oefenen op de alimentatieplichtige, zodat deze zijn verplichtingen nakomt. Het is echter een zeer ingrijpend middel, omdat de alimentatieplichtige daarmee zijn persoonlijke vrijheid wordt ontnomen. Toepassing daarvan komt slechts aan de orde als aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden, tenzij in casu de man aannemelijk maakt dat hij niet in staat is om aan zijn verplichtingen te voldoen. Daarnaast moet het belang van in casu de vrouw toepassing van lijfsdwang rechtvaardigen.

4.2.

Vaststaat dat de man tot op heden niet (vrijwillig) aan de beschikking heeft voldaan. Verder heeft de vrouw onder verwijzing naar stukken van het LBIO aannemelijk gemaakt dat alle pogingen om de man op minnelijke wijze tot betaling te bewegen en om door middel van dwangmiddelen verhaal te nemen, zijn mislukt. Dit is door de man ook niet betwist. Bij die stand van zaken is genoegzaam gebleken dat andere dwangmiddelen dan de thans gevorderde lijfsdwang voor de vrouw geen uitkomst bieden.

4.3.

De man heeft zich verweerd met de stelling dat hij niet in staat is om aan de beschikking te voldoen. Hij stelt dat hij zich voor de kost bezighoudt met ‘ruilwerk’ en dat dit onvoldoende oplevert om de kinderalimentatie te betalen. Mede om die reden is hij van plan om bij de rechtbank een procedure tot wijziging van de alimentatieverplichting aanhangig te maken. De voorzieningenrechter passeert dit verweer. Aan de beschikking ligt een deugdelijke draagkrachtberekening ten grondslag en zolang deze beslissing niet in rechte is aangetast moet van de juistheid daarvan worden uitgegaan. De kennelijke stelling van de man dat deze draagkrachtberekening niet (meer) deugt, heeft hij niet (met stukken) onderbouwd. Aldus moet de man onverkort worden geacht over voldoende draagkracht te beschikken om de kinderalimentatie op te brengen. Het voorgaande geldt temeer nu de man ook na het vorige kort geding niet de mogelijkheid heeft benut om een wijzigingsprocedure aanhangig te maken en ter zitting te kennen heeft gegeven dat ‘het hem ook ontbreekt aan motivatie om de kinderalimentatie te betalen omdat de vrouw het contact tussen de kinderen en de man blokkeert’. Dit laatste, wat daar verder ook van zij, is absoluut geen grond om de onderhoudsverplichtingen jegens de kinderen te verzaken.

4.4.

Dit brengt de voorzieningenrechter bij de vraag of het belang van de vrouw toepassing van lijfsdwang kan rechtvaardigen. De man heeft dit betwist omdat de vrouw, net als bij het vorige kort geding, onvoldoende inzicht zou hebben gegeven in haar financiële situatie. De voorzieningenrechter acht op basis van de voorliggende feiten wel voldoende belang aanwezig. Op basis van de beschikking moet immers worden aangenomen dat de vastgestelde kinderalimentatie noodzakelijk is om in de (primaire) behoefte van de kinderen te voorzien. Reeds op grond hiervan staat vast dat het uitblijven van de betaling daarvan rechtstreeks raakt aan de (primaire) belangen van de kinderen, en daarmee aan de belangen van de vrouw als de met de opvoeding en verzorging belaste ouder. Bovendien is in dit verband nog van belang dat de achterstand inmiddels is opgelopen tot een zeer fors bedrag en dat de schuld van de man maandelijks oploopt.

4.5.

Slotsom is dat de vordering van de vrouw op na te melden wijze zal worden toegewezen. Daarbij zal uitsluitend de bestaande achterstand worden betrokken, omdat er thans geen grond is voor toepassing van lijfsdwang voor de toekomstige alimentatieverplichtingen. Voorts zal worden bepaald dat eerst na veertien dagen na betekening van dit vonnis tot tenuitvoerlegging kan worden overgegaan, zulks om de man nog een laatste kans te geven om aan zijn verplichtingen te voldoen.

4.6.

In de omstandigheid dat het geschil een familierechtelijk karakter heeft en de vrouw geen proceskostenveroordeling heeft gevorderd, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

staat de vrouw toe om, na veertien dagen na betekening van dit vonnis, de beschikking van het gerechtshof Leeuwaren van 3 januari 2012 met zaaknummer [nummer] ten uitvoer te doen leggen door middel van lijfsdwang en aldus de man in gijzeling te doen nemen totdat de vordering van de vrouw op de man van € 13.604,36 ter zake de alimentatieachterstand tot en met 15 februari 2016 is voldaan, met dien verstande dat die gijzeling ten hoogste dertig dagen zal duren;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op

13 april 2016.

MvE