Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:3723

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-03-2016
Datum publicatie
07-04-2016
Zaaknummer
4804348 RL EXPL 16-3761
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Publicatie persbericht niet onrechtmatig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team kanton Den Haag

B

Zaaknummer: 4804348 RL EXPL 16-3761

16 maart 2016

Vonnis – bij vervroeging – in de zaak van

1 [eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[BOA] B.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

eiseres in conventie,

advocaat mr. L. Keukens te Amsterdam,

tegen

de stichting

Stichting Scholengroep Den Haag Zuid-West,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. L.V. Sloot te Den Haag.

Eisers in conventie zullen hierna gezamenlijk “ [eisers] ” worden genoemd en ieder afzonderlijk respectievelijk “ [eiser] ” en “ [BOA] ”. Gedaagde zal hierna “de Stichting” worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    het vonnis van deze rechtbank van 8 februari 2016 in de zaak onder rolnummer C/09/493487 / HA ZA 15-870, waarbij de procedure is verwezen naar team kanton van deze rechtbank;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 8 februari 2016, met daaraan gehecht de brief van de zijde van [eisers] van 4 maart 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De scholengroep van de Stichting (hierna: “de scholengroep”) bestaat uit één school met drie vestigingen. De Stichting heeft een Raad of College van Bestuur met één bestuurder en een Raad van Toezicht (hierna: “de Raad van Toezicht”).

2.2.

Op 13 januari 2004 heeft een leerling van de scholengroep een decaan van de scholengroep om het leven gebracht. In 2004 liep het aantal leerlingen van de scholengroep terug en vertrokken personeelsleden.

2.3.

[eiser] is van [2004-2014] werkzaam geweest voor de Stichting. Hij is in [2004] begonnen als [functie] en per [2005] in vaste dienst getreden als [functie] van de scholengroep. Daarna is hij [functie] geworden van de eenhoofdige Raad van Bestuur. Gedurende die periode en ook nu nog is [eiser] enig bestuurder van [BOA] B.V., een onderwijsadviesbureau, gespecialiseerd in advisering over organisatorische vraagstukken voor met name overheden en onderwijsinstellingen. [BOA] B.V. handelt tevens onder de naam Hilferink Croonen.

2.4.

Toen [eiser] in 2013 de pensioengerechtigde leeftijd bereikte, is hij niet uit dienst getreden maar heeft hij een tweede arbeidsovereenkomst getekend, voor de periode van 14 mei 2013 tot 14 mei 2014. Deze arbeidsovereenkomst is mondeling met een maand verlengd tot 14 juni 2014.

2.5.

Artikel 2 van de arbeidsovereenkomst van [eiser] luidt als volgt:

1. Deze arbeidsovereenkomst heeft het karakter van een functiecontract, hetgeen in deze context wil zeggen dat het hierna weergegeven arbeidsvoorwaardenpakket is gebaseerd op de inzet van de persoon en werkkracht van de heer [eiser] ten behoeve van het reilen en zeilen van Stichting Scholengroep Den Haag Zuid-West, zoals in algemene zin in artikel 1 is weergegeven en nader is gepreciseerd in de statuten van de Stichting Scholengroep Den Haag Zuid-West.

2. Er gelden geen andere bepalingen ten aanzien van arbeidsduur, vakantie en werktijden, dan dat de heer [eiser] zich dient te richten naar binnen Stichting Scholengroep Den Haag Zuid-West geldende gebruikelijke normen ten aanzien van beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzitter van College van Bestuur.

2.6.

In december 2009 is Hilferink Croonen benaderd door het bestuur van de regionale scholengemeenschap Hoeksche Waard (hierna: “RSG”) te Oud-Beijerland, met het verzoek om een bestuursfunctie ad interim te vervullen en om een plan van aanpak op te stellen voor de ontstane problematiek binnen RSG. [eiser] is vervolgens verzocht de opdracht vanuit [BOA] B.V./Hilferink Croonen te verrichten. Hilferink Croonen heeft hiervoor een offerte uitgebracht. Bij brief van 29 april 2010, gericht aan Hilderink Croonen, ter attentie van [eiser] , heeft de gemeente Oud-Beijerland de opdracht aan Hilferink Croonen verleend. In deze brief is onder meer het volgende opgenomen:

Op basis van uw offerte van 20 maart j.l. en de opdrachtomschrijving die ons nader is toegezonden bij mail van 9 april 2010 verlenen wij u door middel van dit schrijven opdracht voor de uitvoering van werkzaamheden met betrekking tot de verzelfstandiging, bestuurlijke samenwerking en gezondmaking van de RSG Oud-Beijerland een en ander in overeenstemming met uw offerte en de opdrachtomschrijving.

De opdracht vangt aan op 28 april 2010.

(…)

b. De opdracht wordt uitgevoerd door u in persoon. Het is Hilferink Croonen niet toegestaan om u bij de uitvoering van de opdracht te vervangen alvorens wij hiervoor schriftelijk toestemming hebben verleend. Het is uiteraard wel toegestaan dat u zich laat ondersteunen door medewerkers van uw bureau maar zij mogen de taken op school, niet van u overnemen.

2.7.

In een beoordelingsgesprek van de Raad van Toezicht met [eiser] , gehouden op 26 april 2010, is de opdracht van de gemeente Oud-Beijerland niet besproken.

2.8.

Hilferink Croonen heeft voor deze opdracht in totaal 103,5 mandagen en overige kosten bij de gemeente Oud-Beijerland gedeclareerd, in totaal een bedrag van € 153.956,-.

2.9.

Bij brief van 24 maart 2014 heeft de Algemene Onderwijs Bond (hierna: “AOb”) aan [eiser] en de Raad van Toezicht bericht dat de AOb signalen had ontvangen die haar verontrusten. Deze signalen betroffen onder meer de nieuwbouw van de scholengroep. De AOb heeft geschreven dat deze verontrusting aanleiding is voor een vooronderzoek naar de gang van zaken binnen de scholengroep. In de brief zijn vragen geformuleerd aan [eiser] en aan de Raad van Toezicht. Onder meer is gevraagd welke (betaalde) nevenfuncties [eiser] in de periode 2010-2013 heeft gehad. In een gezamenlijk antwoord van [eiser] en van de Raad van Toezicht is ten aanzien van de nevenfuncties het volgende geschreven:

In 2010 en tot medio 2011 heb ik een betaalde nevenfunctie gehad, als bestuurder ad interim van SG de Hoeksche Waard. Daarna heb ik geen betaalde nevenfunctie meer gehad.

2.10.

In een e-mail van 22 april 2014 aan de Raad van Toezicht heeft een onderzoeksjournalist van de AOb onder meer het volgende geschreven:

CvB-voorzitter [eiser] heeft in 2010 werkzaamheden verricht voor een ander bestuur, als [functie] bij RSG Hoeksche Waard. Volgens gegevens die de gemeente Oud-Beijerland heeft verstrekt, betrof die inhuur een periode van 28-04-2010 tot 1-1-2011 waarin 103,5 dagen werden gedeclareerd met een totale vergoeding van € 153.956, overgemaakt aan Bun Organisatie Advies BV. Uit de jaarcijfers van de Scholengroep Den Haag Zuidwest 2010 blijkt dat de bestuursbeloning dat jaar € 138.134 betrof (inclusief werkgeverslasten), een bedrag dat gelijkstaat aan een regulier fulltime jaarinkomen. In hoeverre is er bij de reguliere beloning (138K) rekening gehouden met het feit dat de bestuurder neveninkomsten genoot en niet fulltime werkzaam was voor de eigen scholengroep?

2.11.

Naar aanleiding van deze e-mail is [eiser] , die voor de scholengroep in Frankrijk verbleef, vervroegd teruggekomen naar Nederland. Op 28 april 2014 heeft [eiser] een concept-antwoord opgesteld, bestemd voor de onderzoeksjournalist. In dit antwoord is onder meer het volgende opgenomen:

Na het overleg met Paul [PG] heeft mijn bureau de betreffende opdracht aanvaard. Uit de administratie blijkt dat mijn bureau 90 dagen heeft gedeclareerd. Hiervan is 21 dagen door mijzelf besteed aan werkzaamheden in Oud-Beijerland (overdag, ’s avonds en in schoolvakanties). In de periode tot de zomervakantie 2010 ben ik overdag vrijwel niet in Oud-Beijerland geweest. De meeste tijd heb ik besteed in de periode september 2010 tot en met 31 januari 2011, omdat ik in die periode ook, op verzoek van het gemeentebestuur, de wekelijkse directievergaderingen voorzat. De opdracht is eind januari 2011 beëindigd.

2.12.

Bij e-mail van 28 april 2014 heeft de Raad van Toezicht [eiser] gevraagd hem meer feiten te geven over de nevenfunctie. Hij heeft onder meer de volgende vraag aan [eiser] gesteld:

Je hebt dus ook 21 dagen gedeclareerd voor jouw werkzaamheden voor de gemeente Oud-Beijerland/SG de Hoeksche Waard en niet meer? Heb je daar de factuur waar dat uit blijkt? Nogmaals niet uit wantrouwen, maar ook omdat wij moeten weten wat de journalist aan informatie heeft. De overige werkzaamheden (waarmee je op het totaal van 90 komt), van derden waren als ik het goed begrijp, ook niet voor de school maar voor de gemeente zelf?

[eiser] heeft een reactie op deze vraag geschreven, waarop de Raad van Toezicht bij e-mail van 28 april 2014 het volgende heeft verzocht:

Ik vraag je bij deze dringend om veel feitelijker te communiceren met de RvT.

Bij e-mail van dezelfde datum heeft [eiser] deze e-mail als volgt beantwoord:

ik stel mijn administratie niet beschikbaar. Er is nog zoiets als privacy.

Bij e-mail van eveneens 28 april 2014 heeft de Raad van Toezicht de volgende e-mail aan [eiser] gestuurd:

In alle redelijkheid dit is geen antwoord. We zijn bezig om een journalist van ons lijf te houden, die de beschikking heeft over exacte gegevens van de gemeente Oud-Beijerland. Jij levert die zaak vervolgens niet aan je werkgever. Je hebt een informatieplicht naar ons. Mijn klemmende vraag is deze stukken te leveren (…)

2.13.

Op 29 april 2014 heeft de Raad van Toezicht de vragen van de onderzoeksjournalist beantwoord.

2.14.

Op 7 mei 2014 heeft de heer [PG] (hierna: “ [PG] ”), die in 2010 [functie] was van de Raad van Toezicht, een verklaring opgesteld, waarin hij onder meer het volgende heeft geschreven:

Zoals ik je al eerder zei, kan ik me niets herinneren van de interim-functie van Karel [noot kantonrechter: [eiser] ] in Oud-Beijerland in de jaren 2010-2011. Zover ik weet is er ook niets op schrift te vinden dat zou wijzen op een toestemming mijnerzijds.

2.15.

Tijdens een overleg op 8 mei 2014 heeft de Raad van Toezicht [eiser] nog een keer om informatie gevraagd met betrekking tot de nevenfunctie in Oud-Beijerland.

2.16.

Op 27 mei 2014 heeft de Raad van Toezicht het vertrouwen in een goede samenwerking met [eiser] verloren en besloten [eiser] op korte termijn weg te sturen. Op 2 juni 2014 heeft de Raad van Toezicht dit aan [eiser] kenbaar gemaakt. In het van dit gesprek gemaakte verslag is onder meer het volgende opgenomen:

Mevrouw [VD] opent de meeting met de mededeling dat de heer [eiser] niet heeft gereageerd op ons dringende verzoek van 8 mei op openheid te verschaffen over de omvang van zijn nevenwerkzaamheden in 2010. Ook nu blijft de heer [eiser] bij zijn standpunt dat het aan ons is om hem niet te geloven en dat wij afgaan op de schriftelijke verklaring van de heer [PG] (oud vz van de RvT) dat deze niet op de hoogte was wordt afgedaan met ‘prima’.

(…)

De RvT legt een persbericht voor dat zal worden verzonden.

De heer [eiser] is het er niet mee eens dat we feitelijk communiceren over de ‘omvang van de nevenwerkzaamheden in 2010’. Hij wil helemaal niks naar buiten communiceren en heeft daarna alleen nog maar over ‘zijn belang (ik krijg geen werk meer in de regio Den Haag / ik wil dit niet)’. (…)

De heer [eiser] is niet bereid input te geven op het persbericht hoe het wel zou wensen.

De Stichting heeft het salaris van [eiser] tot en met 14 juni 2014 uitbetaald.

2.17.

Op 3 juni 2014 heeft de Stichting een persbericht verstuurd aan de redactie van AD/Haagsche Courant, Wegenermedia en aan de woordvoerder van de wethouder van Onderwijs van de gemeente Den Haag. Het persbericht luidt als volgt:

[…] begint per heden als bestuurder Scholengroep Den Haag Zuid-West. [eiser] treedt vervroegd terug.

De Raad van Toezicht van Scholengroep Den Haag Zuid-West heeft besloten dat mevrouw […] per direct het bestuur overneemt van de heer [eiser] . De heer [eiser] verlaat de Scholengroep vervroegd vanwege een recente vertrouwensbreuk met de Raad van Toezicht. De Raad meent onvolledig te zijn geïnformeerd over de omvang van de nevenfuncties van de heer [eiser] in 2010.

2.18.

In verschillende media zijn berichten gepubliceerd over het vertrek van [eiser] . Daarin is onder meer vermeld dat de Raad van Toezicht geen vertrouwen meer in hem heeft en dat de Raad van Toezicht zegt dat hij onvolledig geïnformeerd is over de omvang van de andere functie van [eiser] .

2.19.

Tijdens een voorlopig getuigenverhoor, gehouden voor deze rechtbank op 20 april 2015, heeft [PG] onder meer het volgende verklaard:

Op uw vraag of ik bekend was met de nevenwerkzaamheden van [eiser] zeg ik dat dat niet het geval was. Op uw vraag wat ik dan dat dit niet besproken is. Dit kwam daarna ook nooit ter sprake gelet op de eerder genoemde zorg over de hoeveelheid werk die [eiser] als enig bestuurder moest verrichten. (…) Ik heb [eiser] in het voorjaar van 2009/2010, althans dat denk ik, telefonisch gesproken. [eiser] nam contact met mij op om mede te delen dat hij verzocht was om advies te geven aan een andere school. Ik dacht dat sprake was van een collegiaal advies en heb nooit gedacht dat mogelijk sprake was van nevenwerkzaamheden al dan niet in het kader van zijn adviesbureau. Het ging ook om een school met soortgelijke problematiek, dus het leek mij een goede zaak dat [eiser] zijn kennis en kunde op deze manier zou delen. Juist ook vanwege het volle bord, waarover ik eerder verklaarde, heb ik het ook niet gezien als nevenwerkzaamheden. Tijdens dit telefoongesprek heb ik, naar mij bijstaat, ook verder geen vragen gesteld over de aard en omvang van het advies. Ik heb de andere leden van de Raad van Toezicht hier niet over geïnformeerd.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eisers] vordert, samengevat en na wijziging van eis tijdens de comparitie, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. de verklaring voor recht dat de Stichting door te handelen zoals omschreven in het lichaam van de dagvaarding, onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] ;

II. de veroordeling van de Stichting om, op straffe van een dwangsom, met onmiddellijke ingang na betekening van het vonnis, te (doen) verwijderen en verwijderd te (doen) houden het persbericht;

III. de veroordeling van de Stichting om, op straffe van een dwangsom, met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis, te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden iedere uitlating waarin wordt gesteld of de indruk wordt gewekt dat [eisers] de Stichting of de Raad van Toezicht onvolledig en/of onjuist heeft geïnformeerd over nevenfuncties van [eiser] alsmede de omvang daarvan en dat sprake zou zijn geweest van een vertrouwensbreuk;

IV. de veroordeling van de Stichting om binnen 24 uur na betekening van het vonnis op de homepage van www.sszuidwest.nl onder de titel “Rectificatie” en gedurende drie maanden aaneengesloten direct zichtbaar te (doen) houden, een letterlijk in het petitum opgenomen tekst met de strekking dat het persbericht onjuiste verdachtmakingen en diskwalificerende woorden bevat jegens [eiser] ;

V. de veroordeling van de Stichting om binnen twee dagen na betekening van het vonnis de eigenaren van in het petitum opgenomen websites opdracht te (doen) geven om artikelen waarin naar de inhoud van het persbericht wordt verwezen, met onmiddellijke ingang, van de betrokken media als ook uit hun digitale archieven te (doen) verwijderen en voorts al het redelijke te doen om te bewerkstelligen dat de onrechtmatige uitlating niet meer op het internet kan worden gevonden;

VI. de veroordeling van de Stichting om binnen twee dagen na betekening van het vonnis de eigenaren dan wel beheerders van de zoekmachines Google, Bing en Yahoo opdracht te (doen) geven de links naar onrechtmatige uitlatingen alsmede de daarop gebaseerde artikelen uit de zoekresultaten te (doen) verwijderen en verwijderd te (doen) houden;

VII. de veroordeling van de Stichting tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 15.000,-, dan wel van een bedrag door de kantonrechter in goede justitie te bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente;

VIII. de veroordeling van de Stichting tot betaling van een materiële schadevergoeding van € 156.000,-, dan wel van een bedrag door de kantonrechter in goede justitie te bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente;

IX. de veroordeling van de Stichting tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 2.805,-, te vermeerderen met de wettelijke rente;

X. de veroordeling van de Stichting in de proceskosten.

3.2.

[eisers] legt aan zijn vordering ten grondslag dat, alle bijzondere omstandigheden tegen elkaar afgewogen, het persbericht van 3 juni 2014, althans de gewraakte passages uit het persbericht, en alle overige publicaties een ernstige inbreuk op de eer en goede naam van [eiser] leveren in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: “EVRM”) en derhalve onrechtmatig zijn jegens [eiser] . Daarnaast zien de gewraakte uitlatingen ook op het functioneren van [eiser] als bestuurder van de Stichting, wat in direct verband staat met de werkzaamheden die [eiser] vanuit [BOA] B.V. verricht. De aantasting van de eer en goede naam van [eiser] raakt derhalve ook zijn hoedanigheid als enig bestuurder en aandeelhouder van [BOA] B.V. Potentiële opdrachtgevers wensen, met verwijzing naar het persbericht, geen samenwerking met [BOA] B.V. aan te gaan. De inhoud van het persbericht is derhalve ook onrechtmatig jegens [BOA] B.V. Daarnaast handelt de Stichting met haar uitlatingen in strijd met de op haar rustende zorgvuldigheidsnorm en aldus onrechtmatig jegens [eisers]

in reconventie

3.3.

De Stichting vordert – samengevat – de veroordeling van [eiser] tot betaling van een bedrag aan de Stichting primair van € 64.687,- en subsidiair van € 13.125 en meer subsidiair van een bedrag door de kantonrechter in goede justitie te bepalen, steeds vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten.

3.4.

De Stichting legt aan haar vordering ten grondslag dat [eiser] heeft erkend in 2010 niet zijn volledige werkkracht te hebben aangewend voor de Stichting, hoewel hij daartoe verplicht was op grond van het met de Stichting gesloten functiecontract en het ontbreken van toestemming van de Raad van Toezicht voor de door [eiser] verrichte nevenwerkzaamheden. Uit de omstandigheid dat [eiser] in 2010 103,5 werkdagen aan de gemeente Oud-Beijerland heeft gedeclareerd, volgt dat hij in 2010 103,5 dagen in de nevenfunctie voor de gemeente Oud-Beijerland heeft gewerkt. In ieder geval heeft hij zelf erkend 21 dagen voor de gemeente Oud-Beijerland te hebben gewerkt. Gedurende deze dagen heeft hij niet voor de Stichting gewerkt, zodat het salaris dat de Stichting voor deze dagen heeft betaald door haar onverschuldigd is betaald. Voorts stelt de Stichting dat [eiser] opzettelijk nevenwerkzaamheden heeft verricht. Op grond van artikel 7:661 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: “BW”) dient [eiser] de schade die de Stichting daardoor heeft geleden, te vergoeden. Voor beide grondslagen berekent de Stichting de schade, uitgaande van een jaarsalaris van [eiser] van € 162.500,-, primair op een bedrag van 103,5 / 260 werkdagen per jaar x € 162.500,-, zijnde een bedrag van € 64.687,-. Subsidiair berekent zij de schade op een bedrag van 21 / 260 x € 162.500,-, zijnde een bedrag van € 13.125,-. Tijdens de comparitie van partijen heeft zij gesteld dat het jaarsalaris van [eiser] inclusief werkgeverslasten € 132.133,96 bedraagt en dat bij de berekening van haar vordering met dit jaarsalaris dient te worden gerekend.

in conventie en in reconventie

3.5.

Partijen voeren over en weer verweer, waarop hierna, voor zover van belang, nader wordt ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

De kantonrechter is van oordeel dat een belangenafweging tussen enerzijds het recht van [eisers] dat hij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan verdachtmakingen en zijn recht op bescherming van zijn eer en goede naam en anderzijds het recht van de Stichting op vrijheid van meningsuiting niet meebrengt dat de Stichting met de publicatie van het persbericht onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld.

4.2.

[eisers] heeft tijdens de comparitie van partijen erkend dat de constateringen in het persbericht dat sprake was van een vertrouwensbreuk en dat hij per direct zijn werkzaamheden heeft neergelegd, feitelijk juist zijn. Hij heeft nog wel gesteld dat de Raad van Toezicht ten onrechte had geconcludeerd dat er een vertrouwensbreuk was en dat hij, gelet op de omstandigheden, zijn werkzaamheden onder het dienstverband had kunnen afronden, maar dat doet niet af aan de feitelijke juistheid van de bewoordingen van het persbericht op deze punten. Daar komt bij dat [eisers] ook na 3 juni 2014 het besluit van de Raad van Toezicht niet heeft aangevochten, zodat ook achteraf niet is komen vast te staan dat de Raad van Toezicht niet tot dit oordeel had kunnen of mogen komen. Ook in deze procedure legt [eiser] de vraag of het opzeggen van het vertrouwen rechtmatig was, niet aan de kantonrechter voor. Het gaat dan ook te ver om in het kader van de belangenafweging inzake de onrechtmatigheid van het persbericht, een ander uitgangspunt te nemen dan dat de Raad van Toezicht had mogen besluiten dat van een vertrouwensbreuk sprake was.

4.3.

Ook de constatering in het persbericht dat de Raad van Toezicht van oordeel was dat [eiser] hem onvoldoende had geïnformeerd over de omvang van zijn nevenactiviteit is juist. De Raad van Toezicht was die mening toegedaan en naar het oordeel van de kantonrechter kunnen de door partijen gestelde feiten en omstandigheden de conclusie dat [eiser] de Raad van Toezicht onvoldoende had geïnformeerd, ook dragen.

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] geacht werd fulltime voor de scholengroep te werken. Evenmin is in geschil dat [eiser] minimaal 21 dagen voor de gemeente Oud-Beijerland heeft gewerkt, ook tijdens schooluren, en dat [BOA] B.V. een bedrag van € 153.956,- aan de gemeente Oud-Beijerland in rekening heeft gebracht. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat [eiser] inderdaad twee keer telefonisch contact heeft opgenomen met [PG] over de opdracht van de gemeente Oud-Beijerland – zoals [eisers] stelt, maar de Stichting gemotiveerd heeft weersproken –, is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] de Stichting onvoldoende heeft geïnformeerd. Daarbij is, gelet op de omstandigheden, niet van belang of contractueel was vastgelegd dat [eiser] voor het vervullen van de nevenfunctie toestemming nodig had van de Raad van Toezicht. Gelet op de omvang van de opdracht, op de omvang van het dienstverband van [eiser] met de Stichting en op de functie van [eiser] als statutair bestuurder en voorzitter van het College van Bestuur, had hij de Raad van Toezicht in 2010 vollediger moeten informeren over de opdracht. Uit de inhoud van de telefoongesprekken hoefde [PG] niet af te leiden dat het ging om een opdracht met een omvang zoals later is gebleken. De omstandigheid dat [eiser] wel de heer [VB] , destijds [functie] van de medezeggenschapsraad, meer inhoudelijk heeft geïnformeerd over de opdracht én een mail heeft gestuurd aan collega’s, dient buiten beschouwing te blijven. Niet is gesteld, noch is anderszins gebleken dat de Raad van Toezicht hiervan op de hoogte kon of moest zijn. De verklaring van [VB] dat het onderwerp tijdens een gemeenschappelijk overleg van de Raad van Toezicht en de medezeggenschapsraad ter sprake is gebracht, is te vaag om te laten meewegen.

4.5.

De Stichting baseert haar stelling dat [eiser] haar onvoldoende heeft geïnformeerd vooral op de gebeurtenissen die zich in 2014 hebben afgespeeld. Toen de onderzoeksjournalist van de AOb in 2014 specifieke vragen ging stellen over de opdracht van de gemeente Oud-Beijerland en daarbij voor de Raad van Toezicht onbekende informatie over de opdracht aandroeg, heeft de Raad van Toezicht terecht aan [eiser] opening van zaken gevraagd en terecht geen genoegen genomen met de verzekering van [eiser] dat hij slechts 21 dagen voor de gemeente Oud-Beijerland had gewerkt. Dit mede gelet op de inhoud van de informatie van de onderzoeksjournalist in samenhang met het fulltime dienstverband van [eiser] en de overige vragen die al waren gesteld inzake de gang van zaken bij de scholengroep, waaronder de nevenwerkzaamheden. Het beroep van [eiser] op privacy ten aanzien van zijn opdrachtgever en zijn medewerkers, woog niet op tegen het belang van de Raad van Toezicht om op dit punt door de statutair bestuurder met stukken onderbouwd nader te worden geïnformeerd om een inschatting te kunnen maken van de situatie, van de mogelijke gevolgen hiervan voor het functioneren van de de scholengroep en voor de mogelijk publicitaire gevolgen. Dit geldt temeer, nu tussen [eiser] en de Raad van Toezicht eenvoudig afspraken hadden kunnen worden gemaakt over de vertrouwelijke behandeling van de door [eiser] te verschaffen gegevens.

4.6.

Gelet op het voorgaande staat tussen partijen vast dat de inhoud van het persbericht feitelijk juist was. De Raad van Toezicht kon verwachten dat de inhoud van het persbericht nadelige gevolgen zou hebben voor [eiser] . Daartegenover staat dat (i) een onderzoeksjournalist vragen had gesteld over tal van onderwerpen, (ii) de AOb een enquête procedure overwoog, (iii) de Raad van Toezicht was geconfronteerd met de omvang van een nevenfunctie van [eiser] , waarover [eiser] hem niet volledig had geïnformeerd, (iv) [eiser] hem, de Raad van Toezicht, geen volledige openheid wilde geven over de nevenfunctie, (v) [eiser] een salaris voor een fulltime functie genoot en (vi) de Raad van Toezicht speculaties over het vertrek van [eiser] wilde voorkomen. Deze belangen tegen elkaar afwegend, is de kantonrechter van oordeel dat de Raad van Toezicht het besluit heeft kunnen nemen om het persbericht te publiceren. Bij dit oordeel weegt de kantonrechter mee dat [eiser] zelf de situatie had kunnen voorkomen door tijdig en volledig opening van zaken te geven. Voorts is hij ook in de gelegenheid gesteld mee te denken over de tekst van het persbericht, maar ook daar heeft hij van afgezien. De publicatie van het persbericht was derhalve niet onrechtmatig jegens [eiser] dan wel jegens [BOA] B.V.

4.7.

Nu de vorderingen van [eisers] hun grondslag hebben in de stelling dat de publicatie van het persbericht onrechtmatig was jegens [eisers] en nu de kantonrechter van oordeel is dat dit niet het geval is, dienen de vorderingen van [eisers] te worden afgewezen.

4.8.

[eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Voor de bepaling van de hoogte van de kosten zal de kantonrechter het liquidatietarief voor rechtbankprocedures hanteren, nu de procedure in conventie alleen naar team kanton is verwezen vanwege de samenhang met de procedure in reconventie. De proceskosten aan de zijde van de Stichting worden begroot op een bedrag van € 2.842,- aan salaris advocaat.

in reconventie

4.9.

Het verjaringsverweer van [eisers] wijst de kantonrechter af. Op basis van de stukken is de conclusie gerechtvaardigd dat de Raad van Toezicht pas in 2014 bekend werd met de omstandigheid dat [eiser] bij het verrichten van nevenwerkzaamheden inkomsten heeft gegenereerd. Uit niets blijkt dat de Raad van Toezicht eerder hiervan op de hoogte was. Derhalve is de verjaringstermijn van de vordering die de Stichting instelt, pas in 2014 gaan lopen. Deze vordering is derhalve niet verjaard.

4.10.

[eisers] heeft aangevoerd dat [eiser] met de Stichting een functiecontract heeft gesloten en dat [eiser] altijd heeft geleverd waarvoor hij was aangesteld. De Raad van Toezicht was altijd positief en zeer tevreden over zijn werkzaamheden voor de Stichting, ook in 2010. [eiser] heeft veel ervaring. Hij was op zijn 34ste al directeur van een school en verder werkte hij zeven dagen per week, ook in de vakanties. Hij heeft zelf 21 dagen voor de gemeente Oud-Beijerland gewerkt. De overige dagen zijn ingevuld door medewerkers van [BOA] B.V. Het contract met de gemeente Oud-Beijerland voorzag in die mogelijkheid. In de opdrachtbevestiging is opgenomen dat hij derden mocht inschakelen. Met de passage in de opdrachtbevestiging van 29 april 2010 dat hij de opdracht in persoon moest uitvoeren, bedoelde de gemeente Oud-Beijerland dat hij zelf op de school aanwezig moest zijn. Maar dat gaf voldoende ruimte om andere medewerkers van zijn bureau voor de verdere invulling van de opdracht in te schakelen.

4.11.

De Stichting baseert haar vordering onder meer op de stelling dat [eiser] 103,5 dagen bij de gemeente Oud-Beijerland in rekening heeft gebracht en hij gedurende deze dagen dus niet voor de Stichting heeft gewerkt, zodat de Stichting hem voor deze dagen onverschuldigd zijn salaris heeft uitbetaald. Naar het oordeel van de kantonrechter is het niet mogelijk dat [eiser] , gedurende de periode dat de opdracht liep van eind april 2010 tot januari 2011, deze 103,5 dagen zelf voor de gemeente Oud-Beijerland heeft gewerkt, zonder dat dit van invloed is geweest op zijn functioneren binnen de scholengroep. Gelet hierop en gelet op het verweer van [eisers] had het op de weg van de Stichting gelegen om het functioneren van [eiser] in de desbetreffende periode nader toe te lichten en om feiten of omstandigheden te stellen waaruit volgt dat [eiser] zijn werkzaamheden voor de Stichting in die periode niet of niet volledig heeft vervuld. Nu zij dit heeft nagelaten en enkel heeft gewezen op de door [eiser] bij de gemeente Oud-Beijerland ingediende rekening, heeft zij haar vordering onvoldoende toegelicht. Deze dient dan ook te worden afgewezen. Aan een bewijslastverdeling komt de kantonrechter niet toe.

4.12.

Voor zover de Stichting haar vordering baseert op de enkele stelling dat, nu [eiser] erkent 21 dagen voor de gemeente Oud-Beijerland te hebben gewerkt, hij in ieder geval deze 21 dagen niet voor de Stichting heeft kunnen werken en de Stichting derhalve zijn salaris over deze periode onverschuldigd heeft betaald, overweegt de kantonrechter als volgt. Het, niet dan wel onvoldoende door de Stichting weersproken, verweer van [eiser] – met name dat hij zeer ervaren is en zeven dagen per week werkt en dat de Stichting altijd tevreden is geweest over zijn werkzaamheden – rechtvaardigt de conclusie dat de fulltime functie van [eiser] niet a priori onverenigbaar is met het gedurende 21 dagen vervullen van een nevenactiviteit. [eiser] kan deze 21 dagen voor de gemeente Oud-Beijerland hebben gewerkt, zonder dat dit nadelige gevolgen heeft gehad voor zijn fulltime dienstverband. Hieruit volgt dat de Stichting haar vordering op dit punt nader had moeten toelichten. Nu zij dit niet heeft gedaan en heeft volstaan met de enkele stelling dat [eiser] 21 dagen voor de gemeente Oud-Beijerland heeft gewerkt, dient ook haar vordering voor zover deze betrekking heeft op slechts 21 dagen, te worden afgewezen.

4.13.

Op dezelfde gronden wijst de kantonrechter de vordering op basis van artikel 7:611 BW af. De Stichting heeft onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat de Stichting als gevolg van de nevenwerkzaamheden van [eiser] schade heeft geleden.

4.14.

Aan de stellingen van de Stichting inzake de nevenwerkzaamheden voor de Topleergang gaat de kantonrechter, gelet op het onweersproken verweer dat [eisers] op dit heeft gevoerd, voorbij.

4.15.

Gelet op het voorgaande dienen de vorderingen van de Stichting tot het betalen van een schadevergoeding te worden afgewezen. In het verlengde hiervan dient ook de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten te worden afgewezen.

4.16.

De Stichting zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten in reconventie, die worden begroot op een bedrag van € 600,- aan salariskosten van de gemachtigde. Nu de procedure in reconventie een aardzaak is die door de kantonrechter dient te worden beslist, zal de kantonrechter het liquidatietarief voor kantonzaken hanteren.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eisers] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van de Stichting begroot op een bedrag van € 2.842,- aan salaris gemachtigde;

5.3.

verklaart de veroordeling onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;


in reconventie

5.4.

wijst de vorderingen af;

5.5.

veroordeelt de Stichting in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eisers] begroot op een bedrag van € 600,- aan salaris gemachtigde;

5.6.

verklaart de veroordeling onder 5.5. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2016.1

1 type: 1958