Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:3667

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
AWB 15/17067, 15/17068
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van vijf jaar uitgevaardigd. De rechtbank is van oordeel dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 15 februari 2016 (zaak J.N. tegen de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, zaaknr. C-601/15) moet worden geconcludeerd dat, anders dan de Afdeling in zijn uitspraken van 12 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW39710) en 5 oktober 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY0148) heeft overwogen, het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, terwijl eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd, niet tot gevolg heeft dat verweerder bij afwijzing of intrekking van die aanvraag opnieuw een terugkeerbesluit dient uit te vaardigen. Hieruit volgt dat de door eiser na het terugkeerbesluit van 2 november 2012 ingediende aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet tot gevolg hebben gehad dat dat terugkeerbesluit is komen te vervallen, maar dat de werking van dat terugkeerbesluit tijdelijk is opgeschort geweest gedurende de behandeling van die aanvragen. Nu verweerder bij het thans bestreden terugkeerbesluit opnieuw aan eiser de verplichting heeft opgelegd Nederland onmiddellijk te verlaten, worden daarmee geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven geroepen die niet reeds bestonden als gevolg van het (herleefde) terugkeerbesluit van 2 november 2012. Derhalve is in zoverre geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb waartegen eiser op grond van artikel 8:1 Awb beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Gelet daarop acht de rechtbank zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 64
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 15/17067 (beroep)

AWB 15/17068 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 29 maart 2016 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Albanese nationaliteit,

eiser, verzoeker,

hierna te noemen eiser,

(gemachtigde: mr. T. de Heer, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. B. van Beers, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Verweerder heeft op 17 september 2015 (het bestreden besluit) een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van vijf jaar tegen eiser uitgevaardigd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2016. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

  1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling van het geschil de volgende feiten en omstandigheden.
    Eiser heeft op 1 januari 2002, onder de naam [naam 2] , een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 4 januari 2002 heeft verweerder die aanvraag afgewezen.
    Op 25 oktober 2012 heeft eiser, onder de naam [naam 1] , opnieuw een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 2 november 2012 heeft verweerder die aanvraag afgewezen en tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaar.
    Op 16 november 2012 heeft eiser een asielaanvraag ingediend in Duitsland. De Duitse autoriteiten hebben Nederland verzocht om eiser over te nemen. Dit verzoek hebben de Nederlandse autoriteiten gehonoreerd.
    Op 7 mei 2013 en op 7 juli 2013 heeft eiser wederom aanvragen ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. In het kader van beide aanvragen is eiser niet verschenen voor zijn gehoor. Verweerder heeft deze aanvragen niet inhoudelijk afgedaan.
    Op 18 september 2013 heeft eiser wederom een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 26 september 2013 heeft verweerder die aanvraag afgewezen.
    Op 21 mei 2015 heeft eiser wederom een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 29 mei 2015 heeft eiser verweerder verzocht toepassing te geven aan artikel 64 Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat deze procedure is afgesloten, omdat eiser heeft nagelaten de benodigde gegevens in te brengen. Bij brief van 14 augustus 2015 heeft eiser zijn asielaanvraag van 21 mei 2015 ingetrokken.

  2. Verweerder heeft tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd en heeft daarbij aan hem een termijn voor vrijwillig vertrek onthouden. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
    Voorts heeft verweerder eiser op grond van artikel 66a, zevende lid, Vw in samenhang met artikel 6.5a, vierde lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van vijf jaar, omdat eiser meer dan een terugkeerbesluit heeft ontvangen en omdat hij zich nog op het Schengengrondgebied bevond terwijl er een inreisverbod van kracht was.

  3. Verweerder heeft reeds eerder, bij besluit van 2 november 2012, tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd waarin hem is opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten. Vaststaat dat eiser niet aan die terugkeerverplichting heeft voldaan. De rechtbank ziet zich derhalve ambtshalve gesteld voor de vraag of het thans bestreden besluit, voor zover daarbij tegen eiser opnieuw een terugkeerbesluit is uitgevaardigd en hem is opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten, nieuwe rechtsgevolgen in het leven roept die niet reeds aan het terugkeerbesluit van 2 november 2012 zijn verbonden, en daarom of de rechtbank in zoverre bevoegd is van het bestreden besluit kennis te nemen.

3.1

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), onder meer de uitspraak van 12 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW3971), is verweerder, indien een vreemdeling na een uitgevaardigd terugkeerbesluit als gevolg van het indienen van een (opvolgende) aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning opnieuw rechtmatig verblijf heeft gekregen, bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, Vw, gehouden bij de afwijzing van de door die vreemdeling ingediende aanvraag opnieuw vast te stellen dat diens rechtmatig verblijf, dat hij in afwachting van de beslissing op die aanvraag had, was geëindigd. Onder die omstandigheden kan een (nieuw) terugkeerbesluit niet achterwege blijven. Ook indien de vreemdeling zijn aanvraag om een verblijfsvergunning intrekt, is verweerder volgens voornoemde jurisprudentie gehouden aan de vreemdeling een (nieuw) terugkeerbesluit uit te reiken, omdat opnieuw vastgesteld dient te worden dat het rechtmatig verblijf van de vreemdeling is geëindigd (zie de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY0148).

3.2

In het arrest van het Hof van Justitie (het Hof) van 15 februari 2016, in de zaak C-601/15 PPU, J.N. tegen de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (www.curia.europa.eu), is in de paragrafen 75 en 76 overwogen als volgt:
75. Ten aanzien van de aanwijzing van de verwijzende rechter dat de indiening van een asielverzoek door een persoon die voorwerp van een terugkeerprocedure is, volgens zijn eigen rechtspraak tot gevolg heeft dat enig terugkeerbesluit dat in het kader van die procedure is vastgesteld van rechtswege vervalt, moet worden benadrukt dat het nuttig effect van richtlijn 2008/115 hoe dan ook vereist dat een krachtens deze richtlijn ingeleide procedure, in het kader waarvan een terugkeerbesluit, in voorkomend geval gepaard gaand met een inreisverbod, is vastgesteld, kan worden hervat in het stadium waarin zij is onderbroken als gevolg van de indiening van een verzoek om internationale bescherming, zodra dat verzoek in eerste aanleg is afgewezen. De lidstaten mogen immers niet de verwezenlijking van de met deze richtlijn nagestreefde doelstelling, te weten de invoering van een doeltreffend beleid van verwijdering en terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen, in gevaar brengen (zie in die zin arrest El Dridi, C‑61/11 PPU, EU:C:2011:268, punt 59).

76. Zowel uit de loyaliteitsverplichting van de lidstaten die uit artikel 4, lid 3, VEU voortvloeit en die in punt 56 van het arrest El Dridi (C‑61/11 PPU, EU:C:2011:268) in herinnering is gebracht, als uit de vereisten van doeltreffendheid die met name in overweging 4 van richtlijn 2008/115 zijn vermeld, volgt immers dat aan de bij artikel 8 van die richtlijn aan de lidstaten opgelegde verplichting om in de in lid 1 van dat artikel genoemde gevallen tot verwijdering over te gaan, zo spoedig mogelijk moet worden voldaan (zie in die zin arrest Achughbabian, C‑329/11, EU:C:2011:807, punten 43 en 45). Aan die verplichting zou niet zijn voldaan indien de verwijdering vertraging zou oplopen als gevolg van het feit dat een procedure als in het vorige punt omschreven niet in het stadium waarin zij is onderbroken moet worden hervat, maar van het begin af aan zou moeten worden gevoerd na de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming in eerste aanleg.

3.3

De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemde overwegingen van het Hof thans moet worden geconcludeerd dat, anders dan de Afdeling heeft overwogen in voornoemde jurisprudentie, het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, terwijl eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd, niet tot gevolg heeft dat verweerder bij afwijzing of intrekking van die aanvraag opnieuw een terugkeerbesluit dient uit te vaardigen. Het opnieuw moeten uitvaardigen van een terugkeerbesluit zou immers tot gevolg hebben dat de verwezenlijking van de met de door richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348: de Terugkeerrichtlijn) nagestreefde doelstelling, te weten de invoering van een doeltreffend beleid van verwijdering en terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen, in gevaar wordt gebracht. Het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, op grond waarvan de vreemdeling rechtmatig verblijf verkrijgt als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, Vw, heeft derhalve tot gevolg dat de werking van het eerder uitgevaardigde terugkeerbesluit wordt opgeschort totdat op die aanvraag is beslist. Wordt afwijzend op die aanvraag beslist, dan wordt de terugkeerprocedure hervat in het stadium waarin is zij als gevolg van de asielaanvraag is onderbroken en herleeft derhalve het uitgevaardigde terugkeerbesluit en het daaraan verbonden inreisverbod.

3.4

Uit het voorgaande volgt dat de door eiser na het terugkeerbesluit van 2 november 2012 ingediende aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, niet tot gevolg hebben gehad dat dat terugkeerbesluit is komen te vervallen, maar dat de werking van dat terugkeerbesluit tijdelijk is opgeschort geweest gedurende de behandeling van die aanvragen. Laatstelijk met de intrekking door eiser op 14 augustus 2015 van zijn aanvraag van 21 mei 2015, is de werking van het terugkeerbesluit van 2 november 2012 derhalve weer herleefd. Nu verweerder bij het thans bestreden terugkeerbesluit opnieuw aan eiser de verplichting heeft opgelegd Nederland onmiddellijk te verlaten, worden daarmee geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven geroepen die niet reeds bestonden als gevolg van het (herleefde) terugkeerbesluit van 2 november 2012. Derhalve is in zoverre geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen eiser op grond van artikel 8:1 Awb beroep kan instellen bij de bestuursrechter.

4. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep, voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit.

5. De rechtbank acht zich wel bevoegd kennis te nemen van het beroep, voor zover gericht tegen het bij het bestreden besluit tevens tegen eiser uitgevaardigde inreisverbod. Nu verweerder bij het thans bestreden besluit tegen eiser een inreisverbod heeft uitgevaardigd voor de duur van vijf jaar, terwijl op grond van het besluit van 2 november 2012 voor eiser een inreisverbod gold voor de duur van twee jaar, zijn met het thans bestreden besluit in zoverre nieuwe rechtsgevolgen in het leven geroepen, zodat sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb waartegen eiser op grond van artikel 8:1 Awb beroep kan instellen bij de bestuursrechter.

6. Eiser voert tegen het inreisverbod aan dat verweerder in het bestreden besluit hem ten onrechte een termijn voor vrijwillig vertrek heeft onthouden, zodat verweerder tevens ten onrechte een inreisverbod jegens hem heeft uitgevaardigd.

6.1

Bij het terugkeerbesluit van 2 november 2012 is aan eiser de verplichting opgelegd Nederland onmiddellijk te verlaten. Dat besluit is inmiddels onherroepelijk, zodat eiser daartegen thans niet meer in rechte kan opkomen. Voor zover bij het thans bestreden besluit opnieuw aan eiser te kennen is gegeven dat hij Nederland onmiddellijk dient te verlaten, is die mededeling, zoals volgt uit hetgeen in het voorgaande is overwogen, niet op (nieuw) rechtsgevolg gericht. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte een (nieuw) inreisverbod tegen eiser heeft uitgevaardigd omdat verweerder ten onrechte een termijn voor vrijwillig vertrek aan eiser heeft onthouden.
De beroepsgrond slaagt niet.

7. Eiser voert voorts aan dat het inreisverbod jegens hem disproportioneel is. Gelet op de topografische ligging van Albanië treft een inreisverbod voor de duur van vijf jaar een vreemdeling afkomstig uit Albanië zwaar. Albanië is immers omringd door landen van de Europese Unie (EU). Het inreisverbod vormt daarom een grote beperking op het recht van eiser op bewegingsvrijheid, zoals neergelegd in artikel 2 van het Vierde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Voorts is het inreisverbod vanwege de psychische klachten van eiser onrechtmatig. Eiser staat in Nederland onder behandeling. Na verwijdering zal hij deze behandeling niet kunnen ontvangen.

7.1

Gesteld noch gebleken is dat eiser bijzondere banden heeft met de Albanië omringende EU-landen op grond waarvan verweerder aanleiding had moeten zien om de duur van het inreisverbod niet te verlengen, dan wel het eerder uitgevaardigde inreisverbod op te heffen. In de stelling dat eiser voor zijn psychische klachten in Nederland onder behandeling staat, heeft verweerder evenmin aanleiding hoeven zien om de duur van het inreisverbod niet te verlengen, dan wel het eerder uitgevaardigde inreisverbod op te heffen, reeds omdat eiser niet heeft onderbouwd dat hij onder medische behandeling staat, dan wel dat behandeling in Albanië niet mogelijk zou zijn.
De beroepsgrond slaagt niet.

8. Het beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Verzoek om een voorlopige voorziening

10. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist

11. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep, voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 17 september 2015;

  • -

    verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod van 17 september 2015, ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. van den Akker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2016.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.