Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:3645

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-04-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
AWB 16/4954, 16/4953
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wijziging grondslag bewaring van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b Vw, naar 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw is geen nieuwe maatregel waartegen een eerste beroep ex artikel 94 Vw openstaat. Het beroep dient te worden aangemerkt als een vervolgberoep als bedoeld in artikel 96 Vw.

Voor de toepassing van de maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef onder a en b, Vw, in samenhang gelezen met de artikelen 5.1c, eerste en tweede lid, en 5.1b, derde en vierde lid, Vb, geldt de voorwaarde dat sprake is van een risico dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Voor de toepassing van de maatregel ex artikel 59, eerste lid, onder a, Vw, gelezen in samenhang met de artikelen 5.1a, eerste lid, en 5.1b, eerste, derde en vierde lid, Vb geldt eveneens de voorwaarde dat sprake is van een risico dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.

Hoewel met het besluit van 14 maart 2016 sprake is van een nieuwe wettelijke grondslag aan de eerder aan eiser opgelegde maatregel van bewaring, is, gelet op het voorgaande, geen sprake van andere vereisten voor toepassing van de maatregel, zodat het besluit van 14 maart 2016 tot toepassing van artikel 59, eerste lid, onder a, Vw dient te worden aangemerkt als voortzetting van de eerder aan eiser opgelegde maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, Vw (vergelijk de uitspraak de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 januari 2005, 200409209/1, AB 2005, 192).

De uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2016 (201506839/1/V3, www.raadvanstate.nl) leidt in dit geval niet tot een ander oordeel, nu in de zaak die heeft geleid tot die uitspraak sprake was van een omzetting van de grondslag van de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, Vw naar artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. In die zaak gold derhalve voor de toepassing van de maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, anders dan in onderhavige zaak, voor het eerst het vereiste dat een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.

Nu sprake is van een voortzetting van de eerder op 26 februari 2016 aan eiser opgelegde maatregel van bewaring, en een eerder beroep tegen die maatregel door de rechtbank ongegrond is verklaard, dient onderhavig beroep te worden aangemerkt als een vervolgberoep als bedoeld in artikel 96 Vw

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16 / 4954

AWB 16 / 4953

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 4 april 2016 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Palestijnse nationaliteit, verblijvende in het Justitieel Complex Schiphol (JCS),

eiser,

(gemachtigde: mr. P.J. van den Broeke, advocaat te Overveen),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigden: mr. J.R. Bekink en mr. E.P.C. van der Weijden, beiden werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Op 26 februari 2016 is aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Bij besluit van 14 maart 2016 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Dit besluit omvat tevens een terugkeerbesluit, waarbij aan eiser een termijn voor vrijwillig vertrek is onthouden. Daarnaast omvat het besluit een inreisverbod voor de duur van twee jaar.

Op 14 maart 2016 is de maatregel ex artikel 59b, eerste lid, Vw opgeheven en is op diezelfde datum aan eiser een maatregel ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw opgelegd.

Eiser heeft tegen het besluit van 14 maart 2016 tot afwijzing van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd beroep ingesteld.

Eiser heeft tegen het besluit van 14 maart 2016 tot het opleggen van de maatregel ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding toe te kennen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2016. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. J.R. Bekink voornoemd. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, omdat eiser buiten zijn macht niet naar de rechtbank was vervoerd, teneinde hem in de gelegenheid te stellen alsnog in persoon ter zitting te verschijnen.
Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 31 maart 2016. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. E.P.C. van der Weijden voornoemd.

Overwegingen

Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

  1. De rechtbank stelt vast dat eiser niet opkomt tegen het besluit voor zover dit strekt tot het afwijzen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 31, eerste, Vw. Eiser komt op tegen de toepassing door verweerder van artikel 30b, eerste lid, onder c en e, Vw, op grond waarvan verweerder de aanvraag heeft afgewezen als kennelijk ongegrond, het aan hem op grond daarvan onthouden van een vertrektermijn en het daarop gebaseerde inreisverbod.

  2. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu dat uitsluitend is gericht tegen het onthouden van een vertrektermijn in het terugkeerbesluit en tegen het inreisverbod en eiser niet is opgekomen tegen het besluit voor zover daarbij zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen. Het terugkeerbesluit en het inreisverbod zijn een onderdeel van de meeromvattende beschikking, waarbij de asielaanvraag is afgewezen. Nu het terugkeerbesluit en het inreisverbod rechtstreeks voortvloeien uit het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag van eiser, heeft eiser geen belang bij een afzonderlijke beoordeling van het terugkeerbesluit en het inreisverbod.

2.1.

Het besluit tot afwijzing van de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd geldt op grond van artikel 45, eerste lid, Vw als een terugkeerbesluit. Op grond van artikel 45, achtste lid, Vw kan het besluit tevens een inreisverbod inhouden. Eiser heeft geen beroepsgronden gericht tegen het besluit, voor zover het betreft de afwijzing van zijn asielaanvraag op zichzelf. Eiser komt echter wel op tegen de aanmerking van de afwijzing van zijn asielaanvraag door verweerder als kennelijk ongegrond, in de zin van artikel 30b, eerste lid, onder c, Vw, dat met toepassing van artikel 62, tweede lid, onder b, Vw door verweerder ten grondslag is gelegd aan het onthouden van een vertrektermijn, dat ingevolge artikel 66a, eerste lid, onder a, Vw de grondslag vormt voor het tegen eiser uitgevaardigde inreisverbod. Reeds daarom heeft eiser een rechtens te respecteren belang bij een beoordeling van zijn beroep, voor zover gericht tegen het in het terugkeerbesluit aan hem onthouden van een vertrektermijn en tegen het inreisverbod.

Het onthouden van een vertrektermijn

3. Verweerder heeft met toepassing van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, Vw bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten

4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte met toepassing van artikel 62, tweede lid, onder b, Vw heeft bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten, omdat verweerder ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en e, Vw. Eiser heeft niet gelogen over zijn identiteit. Voorts heeft verweerder hem niet kunnen aanrekenen dat hij bepaalde zaken over zijn herkomstgebied niet meer weet.
Daarnaast heeft eiser zich vrijwillig bij een asielzoekerscentrum gemeld voor het indienen van een asielaanvraag, waaruit volgt dat geen risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken.

4.1.

Verweerder heeft de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond niet enkel gebaseerd op artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en e, Vw, maar ook op artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, Vw, namelijk de grond dat eiser Nederland onrechtmatig is binnengekomen of zijn verblijf onrechtmatig heeft verlengd en gezien zijn wijze van binnenkomst zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk zijn verzoek tot internationale bescherming bij de Nederlandse autoriteiten heeft kenbaar gemaakt. Nu eiser de toepassing van die grond niet gemotiveerd heeft bestreden, bestaat reeds daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder de afwijzing van de asielaanvraag van eiser ten onrechte heeft aangemerkt als kennelijk ongegrond. Daarom bestaat, gelet op het bepaalde in artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, Vw, geen grond voor het oordeel dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte heeft bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Dat eiser zich, na sinds 2009 niet rechtmatig in Nederland te hebben verbleven, zich op 5 februari 2016 vrijwillig bij een asielzoekerscentrum heeft gemeld om een asielaanvraag in te dienen, doet aan het voorgaande niet aan af.
De beroepsgrond slaagt niet.

Het inreisverbod

5. Eiser voert aan dat, nu verweerder ten onrechte heeft besloten dat hij Nederland onmiddellijk dient te verlaten, ten onrechte een inreisverbod tegen hem is uitgevaardigd.

5.1.

Nu, zoals in het voorgaande is overwogen, er geen grond is voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten, bestaat evenmin grond voor het oordeel dat verweerder om die reden ten onrechte het inreisverbod heeft uitgevaardigd.
De beroepsgrond slaagt niet.

6. Eiser voert aan dat het voornemen tot het inreisverbod onvoldoende met hem is besproken. Overeenkomstig artikel 41 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) heeft eiser het recht te worden gehoord in elke procedure.

6.1.

In het voornemen van verweerder tot afwijzing van de asielaanvraag van eiser heeft verweerder tevens het voornemen neergelegd tot het uitvaardigen van een inreisverbod, en de gronden waarop dat inreisverbod is gebaseerd. Verweerder heeft daarbij kenbaar gemaakt dat, indien volgens eiser sprake is van individuele omstandigheden die dienen te worden meegewogen, hij door het indienen van een schriftelijke zienswijze in de gelegenheid wordt gesteld deze aan te dragen. Eiser heeft van deze gelegenheid ook gebruik gemaakt. Eiser heeft daarbij niet gesteld dat zijn schriftelijke zienswijze niet volstond en dat het nodig was dat hij ook in persoon wordt gehoord. Er is derhalve geen grond voor het oordeel dat het inreisverbod in strijd met artikel 41 Handvest tot stand is gekomen.
De beroepsgrond slaagt niet.

7. Eiser voert aan dat het inreisverbod in strijd is met het recht op bescherming van zijn privé- en gezinsleven. Hij heeft lange tijd in Engeland en Nederland gewoond en zijn familie bevindt zich in Engeland.

7.1.

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser onrechtmatig in Nederland en het Verenigd Koninkrijk heeft verbleven, zodat verweerder in dat verblijf niet ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor het afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod. Eiser heeft zijn stelling dat hij één of meer familieleden heeft in het Verenigd Koninkrijk niet nader onderbouwd, zodat reeds daarom daarin evenmin grond is gelegen voor het oordeel dat het inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
De beroepsgrond slaagt niet.

8. Eiser voert aan dat het inreisverbod in strijd is met artikel 3 EVRM.

8.1.

De grondslag voor de verplichting voor eiser om terug te keren naar zijn land van herkomst is gelegen in de afwijzing van zijn asielaanvraag, waartegen eiser in beroep niet is opgekomen. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat het inreisverbod in strijd is met artikel 3 EVRM.
De beroepsgrond slaagt niet.

9. Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is ongegrond.

Het beroep tegen de maatregel van bewaring

10. Op 26 februari 2016 is aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en d opgelegd. Bij uitspraak van 14 maart 2016 van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, (AWB 16/3822) is het door eiser tegen deze maatregel ingestelde beroep ongegrond verklaard. Na de afwijzing van de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, heeft verweerder bij besluit van 14 maart 2016 die maatregel opgeheven en de maatregel van bewaring ex artikel 59, eerste lid, onder a, Vw opgelegd.

11. De rechtbank ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of met het besluit van 14 maart 2016 sprake is van voortzetting van de bij besluit van 26 februari 2016 aan eiser opgelegde maatregel van bewaring, zodat het beroep van eiser moet worden aangemerkt als een vervolgberoep tegen de voortduring van de maatregel als bedoeld in artikel 96 Vw, of van het opleggen van een nieuwe maatregel van bewaring, op grond waarvan het beroep van eiser moet worden aangemerkt als een eerste beroep als bedoeld in artikel 94 Vw.

11.1

Voor de toepassing van de maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef onder a en b, Vw, in samenhang gelezen met de artikelen 5.1c, eerste en tweede lid, en 5.1b, derde en vierde lid, Vreemdelingenbesluit (Vb), geldt de voorwaarde dat sprake is van een risico dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Voor de toepassing van de maatregel ex artikel 59, eerste lid, onder a, Vw, gelezen in samenhang met de artikelen 5.1a, eerste lid, en 5.1b, eerste, derde en vierde lid, Vb geldt eveneens de voorwaarde dat sprake is van een risico dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.
Hoewel met het besluit van 14 maart 2016 sprake is van een nieuwe wettelijke grondslag aan de eerder aan eiser opgelegde maatregel van bewaring, is, gelet op het voorgaande, geen sprake van andere vereisten voor toepassing van de maatregel, zodat het besluit van 14 maart 2016 tot toepassing van artikel 59, eerste lid, onder a, Vw dient te worden aangemerkt als voortzetting van de eerder aan eiser opgelegde maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, Vw (vergelijk de uitspraak de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 januari 2005, 200409209/1, AB 2005, 192).
De uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2016 (201506839/1/V3, www.raadvanstate.nl) leidt in dit geval niet tot een ander oordeel, nu in de zaak die heeft geleid tot die uitspraak sprake was van een omzetting van de grondslag van de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, Vw naar artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. In die zaak gold derhalve voor de toepassing van de maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, anders dan in onderhavige zaak, voor het eerst het vereiste dat een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.
Nu sprake is van een voortzetting van de eerder op 26 februari 2016 aan eiser opgelegde maatregel van bewaring, en een eerder beroep tegen die maatregel door de rechtbank ongegrond is verklaard, dient onderhavig beroep te worden aangemerkt als een vervolgberoep als bedoeld in artikel 96 Vw.

12. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij ingevolge artikel 96, derde lid, Vw het beroep gegrond.

13. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte aanneemt dat sprake is van een risico dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Eiser verwijst hiertoe naar rechtsoverweging 5 van voornoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 14 maart 2016. Voorts heeft eiser zich vrijwillig gemeld bij een asielzoekerscentrum voor het indienen van een asielaanvraag.

13.1

Rechtsoverweging 5 van voornoemde uitspraak biedt geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte aanneemt dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank heeft overwogen dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of de openbare orde, als bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. In rechtsoverweging 6 en verder heeft de rechtbank juist overwogen dat de toegepaste gronden het door verweerder aangenomen risico op onttrekking aan het toezicht, als bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vw voldoende onderbouwen. Nu blijkens de uitspraak bij dat oordeel ook het reeds in die procedure ingenomen standpunt van eiser is betrokken dat hij zich vrijwillig heeft gemeld bij een asielzoekerscentrum om een asielaanvraag in te dienen en eiser in onderhavige procedure geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd, is er geen grond om terug te komen op het in rechte vaststaande oordeel in de uitspraak van 14 maart 2016.
De beroepsgrond slaagt niet.

14. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting ontbreekt, omdat hij in 2009-2010 negen maanden in bewaring heeft verbleven zonder dat dat tot zijn uitzetting heeft geleid. Eiser is toen gepresenteerd bij de Egyptische autoriteiten en hij stelt zelf telefonisch contact te hebben opgenomen met de Palestijnse ambassade, zonder dat dit tot afgifte van een laissez passer heeft geleid.

14.1.

De enkele omstandigheid dat eiser zes jaar geleden eerder in bewaring heeft verbleven zonder dat hierop uitzetting heeft gevolgd, biedt niet zonder meer grond voor het oordeel dat thans het zicht op uitzetting ontbreekt. Niet in geschil is dat de presentatie aan de Egyptische autoriteiten destijds niet tot afgifte van een laissez passer heeft geleid. De stelling van eiser dat hij destijds tevergeefs ook zelf telefonisch contact heeft gehad met de Palestijnse autoriteiten, waarbij hem te kennen is gegeven dat zij niets voor hem kunnen doen, heeft hij niet nader onderbouwd. Verweerder dient daarom thans in de gelegenheid te worden gesteld de Palestijnse autoriteiten te verzoeken eiser in persoon te laten presenteren om zijn herkomst uit de Gazastrook te laten onderzoeken en vooralsnog de uitslag van deze presentatie af te wachten. Er is daarom thans geen grond voor het oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt.
De beroepsgrond slaagt niet.

15. Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel is ongegrond.

16. De rechtbank zal het verzoek om het toekennen van schadevergoeding afwijzen, omdat zij de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel niet zal bevelen.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, rechter, in aanwezigheid van mr. H.C. Otten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2016.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover het het besluit tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel betreft, kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tegen deze uitspraak, voor zover het de maatregel van bewaring betreft, staat geen rechtsmiddel open.