Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:3633

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-03-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
C-09-505674-KG ZA 16-216
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding tegen de Staat. Vordering tot staking executie geldboete afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/505674 / KG ZA 16/216

Vonnis in kort geding van 25 maart 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. R. Zwiers te Schiedam,

tegen:

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. B.B.M. Vroegindewey te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door de Staat overgelegde producties;

- de op 18 maart 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] is op 4 juni 2012 door de politierechter van de rechtbank Rotterdam veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren en een geldboete van € 6.000,--, subsidiair 65 dagen hechtenis, wegens ‘opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd’ (hierna: het vonnis). Het vonnis is op 19 juni 2012 onherroepelijk geworden.

2.2.

De tenuitvoerlegging van de geldboete is overgedragen aan het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: het CJIB). Na [eiser] onder meer op 25 juni 2012 te hebben aangeschreven tot betaling van de geldboete, heeft het CJIB op 8 januari 2016 een arrestatiebevel tegen [eiser] uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van de aan de geldboete verbonden vervangende hechtenis. Ten tijde van de mondelinge behandeling van dit kort geding bedroeg het verschuldigde bedrag in totaal € 7.218,--.

2.3.

In een brief van psychiater [psychiater] aan [eiser] d.d. 1 februari 2016 staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“(…)

U wordt sinds mei 2015 behandeld door GGZ [x] , een tweedelijns medisch-specialistisch behandelinstituut. U wordt behandeld in verband met psychotische klachten. Voorkomen van stress, in dit geval de zorgen rondom de schulden die de laatste jaren zijn ontstaan en de beperkte hulp die u nu krijgt om deze schulden op te lossen, staan adequate behandeling in de weg.

Daarnaast is het aanbrengen en behouden van structuur, gebruik van antipsychotica en intensieve begeleiding belangrijk om uw toestandsbeeld stabiel te houden.

(…)”

2.4.

Op 24 februari 2016 heeft [eiser] een gratieverzoek ingediend bij het ministerie van Veiligheid en Justitie (hierna: het ministerie) met daarbij het verzoek om aan het gratieverzoek schorsende werking toe te kennen. Bij brief van 29 februari 2016 heeft [eiser] het gratieverzoek met bijlagen aangevuld en opnieuw verzocht om aan het gratieverzoek schorsende werking toe te kennen.

2.5.

Bij brief van 4 maart 2016 heeft het ministerie aan [eiser] meegedeeld dat het verzoek om ‘opschorting’ buiten behandeling wordt gelaten. Bij brief van 15 maart 2016 heeft het ministerie aan [eiser] bericht dat naar aanleiding van het gratieverzoek advies zal worden ingewonnen bij de politierechter te Rotterdam en dat na ontvangst van het rechterlijk advies zo snel mogelijk op het verzoek zal worden beslist.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – om de Staat te gelasten om de tenuitvoerlegging van de geldboete te staken en gestaakt te houden totdat i) op het gratieverzoek zal zijn beslist en ii) de selectiefunctionaris van de Dienst Justitiële Inrichtingen zal hebben beslist op het verzoek van [eiser] om onderzoek te doen naar diens detentiegeschiktheid.

3.2.

Samengevat voert [eiser] daartoe aan dat de Staat geen belang heeft om vooruitlopend op voormelde beslissingen tot tenuitvoerlegging van de aan de geldboete gekoppelde vervangende hechtenis over te gaan. Aldus handelt de Staat onrechtmatig. [eiser] kampt met psychische problemen en is naar eigen zeggen in verband daarmee detentieongeschikt. Verder heeft [eiser] een problematische schuldenpositie. Onmiddellijke tenuitvoerlegging doorkruist het door [eiser] in gang gezette schuldhulptraject en de voor [eiser] noodzakelijke psychiatrische behandeling. Ten slotte leidt de voorgenomen detentie ertoe dat [eiser] zijn uitkering en huurwoning zal verliezen.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Aangezien [eiser] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt, is de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – bevoegd tot kennisneming van de vordering. [eiser] is in zijn vordering ook ontvankelijk, nu hem voor hetgeen hij wil bereiken geen andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang ten dienste staat.

4.2.

Vooropgesteld wordt dat de Staat verplicht is een veroordelende beslissing van de strafrechter, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, ten uitvoer te leggen. De vraag die partijen verdeeld houdt is of er zich een omstandigheid voordoet op grond waarvan een uitzondering zou moeten worden gemaakt op deze executieplicht.

4.3.

De Staat heeft allereerst terecht betoogd dat het door [eiser] ingediende gratieverzoek op zichzelf geen grond biedt om de tenuitvoerlegging van de geldboete en de daaraan verbonden vervangende hechtenis te schorsen. [eiser] heeft het gratieverzoek immers ingediend eerst na moment dat hij was aangeschreven voor de voldoening van de geldboete en tegen hem een arrestatiebevel was uitgevaardigd. Aldus was ten tijde van de indiening van het gratieverzoek de tenuitvoerlegging van de straf reeds aangevangen en dat brengt mee dat het gratieverzoek niet op grond van artikel 558a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van rechtswege opschortende werking heeft. Het bepaalde in artikel 559a lid 2 Sv, op grond waarvan de minister van Veiligheid en Justitie in gevallen waarin een gratieverzoek niet van rechtswege opschortende werking heeft, toch opschortende of schorsende werking aan het verzoek kan toekennen, biedt [eiser] evenmin soelaas, nu deze bepaling niet van toepassing is op een geldboete en de daaraan verbonden vervangende hechtenis.

4.4.

De stelling dat aan de zijde van [eiser] sprake is van detentieongeschiktheid die aan de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in de weg staat, is door de Staat gemotiveerd weersproken en is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk geworden. Uit de door [eiser] in het geding gebrachte brief van zijn behandelend psychiater (zie hiervoor onder 2.3.) valt de gestelde detentieongeschiktheid niet op voorhand af te leiden. Verder heeft de Staat in dit verband nog aangevoerd dat de detentiegeschiktheid van [eiser] bij aankomst in een penitentiaire inrichting genoegzaam kan worden onderzocht en dat [eiser] vervolgens, indien nodig, kan worden overgebracht naar een psychiatrisch ziekenhuis in de zin van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen. De stelling van [eiser] dat zijn medische toestand het niet toelaat om het door de Staat bedoelde onderzoek in de penitentiaire inrichting af te wachten, is niet aannemelijk gemaakt.

4.5.

Voor zover [eiser] meer in het algemeen nog heeft betoogd dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis, kort gezegd, nadelige (financiële) gevolgen voor hem zal meebrengen, wordt ook daaraan voorbijgegaan, nu dat inherent is aan de door de strafrechter aan hem opgelegde straf.

4.6.

Slotsom is dat het gevorderde zal worden afgewezen. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.435,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 619,-- aan griffierecht;

5.3.

bepaalt dat [eiser] bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op

25 maart 2016.

MvE