Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:3632

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-04-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
C-09-507440-KG ZA 16-345
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verwerking van persoonsgegevens door de Belastingdienst voor het verstrekken van inkomensindicaties aan verhuurders, nadat daar een wettelijke basis voor is gecreëerd. Eisers vorderen onder meer vernietiging van de verwerkte persoonsgegevens. Eisers zijn niet-ontvankelijk in hun primaire vorderingen omdat de Wet bescherming persoonsgegevens in een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang voorziet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-1011
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/507440 / KG ZA 16/345

Vonnis in kort geding van 4 april 2016

in de zaak van

1 de Vereniging met volledige rechtsbevoegdheid “Nederlandse Woonbond”,

gevestigd te Amsterdam,

2. [eiseres sub 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser sub 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. A.H. Ekker te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden (het ministerie van Financiën en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. J. Bootsma te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de Woonbond’, ‘ [eiseres sub 2] ’, ‘ [eiser sub 3] ’ (gezamenlijk: ‘eisers’) en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de brief van 23 maart 2016 van de zijde van eisers met productie;

- de door gedaagde overgelegde producties;

- de bij de mondelinge behandeling door beide partijen overgelegde pleitnotities.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 maart 2016. De Staat heeft ter zitting bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering van de zijde van eisers. Naar aanleiding van dat bezwaar heeft de voorzieningenrechter de eisvermeerdering niet toegestaan, nu behandeling daarvan – gelet op de afwijkende inhoud van de eisvermeerdering en het feit dat deze eerst ter zitting is meegedeeld – in strijd zou zijn met de eisen van een goede procesorde. Ter zitting is voorts vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

In het regeerakkoord van het eerste kabinet Rutte uit 2012 is besloten om de doorstroming op de sociale huurmarkt te bevorderen door het invoeren van een inkomensafhankelijke huurverhoging. In 2013 is de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging (Wiah) in werking getreden. Deze wet biedt verhuurders van gereguleerd verhuurde woningen de mogelijkheid om de huurprijs te verhogen indien het inkomen van de huurder boven een bepaald drempelbedrag ligt. Een verhuurder die van deze mogelijkheid gebruik wil maken, dient een voorstel tot huurprijsverhoging te doen aan de huurder. Daartoe kan de verhuurder bij de Belastingdienst een verklaring opvragen waaruit blijkt dat het inkomen van de huurder boven het drempelbedrag ligt, de zogenoemde inkomensverklaring. De inkomensverklaring bevat een code die aangeeft in welke inkomenscategorie het (gezamenlijk) huishoudinkomen valt. Het voorstel van de huurder leidt tot de voorgestelde huurverhoging, tenzij de huurder daartegen op beperkte gronden in bezwaar komt bij de Huurcommissie.

2.2.

Verhuurders die inkomensindicaties wensen te ontvangen, konden zich van 1 februari tot en met 29 februari 2016 aanmelden bij het Portaal voor Inkomensafhankelijke Huurverhoging van de Belastingdienst (hierna: het Portaal). Na 29 februari 2016 is het Portaal gesloten.

2.3.

Op 3 februari 2016 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) geoordeeld dat er geen wettelijke verplichting voor de Belastingdienst is om inkomensgegevens van een huurder van een sociale huurwoning te verstrekken aan de verhuurder als de verhuurder daarom vraagt. Om die reden is de verstrekking van de inkomensgegevens in strijd met het in artikel 67, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) neergelegde verbod voor de Belastingdienst om gegevens die hij bij zijn taakuitoefening heeft verkregen aan derden te verstrekken, aldus de Afdeling.

2.4.

Bij brief van 3 februari 2016 heeft de Minister voor Wonen en Rijksdienst de Tweede Kamer geïnformeerd over voornoemde uitspraak van de Afdeling en daarbij onder meer bericht:

“Ik beraad mij thans, met de Staatssecretaris van Financiën, over de vraag welke gevolgen deze uitspraak heeft voor de verstrekking door de Belastingdienst van inkomensgegevens van huurders aan verhuurders en welke mogelijkheden de huidige wet en regelgeving kan bieden ten behoeve van de inkomensafhankelijke huurverhogingen per 1 juli 2016. Ik zal u hierover zo spoedig mogelijk nader berichten.

Overigens heb ik, in het licht van de lopende procedure, maatregelen getroffen om de beoogde wettelijke verplichting in de wetgeving te expliciteren.

Ten eerste heb ik hiertoe op 21 december jl. het wetsvoorstel Doorstroming huurmarkt 2015 (Kamerstuk 34 373) bij uw Kamer ingediend. In dit wetsvoorstel wordt in de wetstechniek de vorm gekozen dat de Belastingdienst expliciet de verplichting krijgt deze verklaringen te verstrekken. Indien dit wetsvoorstel spoedig door beide kamers wordt aanvaard en in werking treedt, kan de Belastingdienst in ieder geval tijdig voor de huuraanzeggingen per 1 juli 2016 de inkomensverklaringen verstrekken.

Voor het geval dat de behandeling van genoemd wetsvoorstel niet tijdig wordt afgerond, is gelijktijdig het wetsvoorstel Gegevensverstrekking Belastingdienst (Kamerstuk 34 374) bij uw Kamer ingediend, dat met een technische wijziging eenzelfde bepaling bevat.”

2.5.

De Belastingdienst heeft aan de hand van de aanmeldingen door verhuurders een woningbestand samengesteld met de woningen van de eigenaars die zich hebben aangemeld. In het woningbestand zijn de inkomenscategorieën van het huishoudinkomen van deze woningen opgenomen. Het woningbestand was half maart 2016 gereed. De Belastingdienst is voornemens het Portaal weer te openen voor het opvragen en verstrekken van inkomensverklaringen als in een grondslag voor verstrekkingen door de Belastingdienst is voorzien.

2.6.

De Woonbond is een belangenorganisatie voor huurders. [eiseres sub 2] en [eiser sub 3] zijn huurders.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen – zakelijk weergegeven – de Staat te bevelen:

primair:

- zich te onthouden van het verwerken van persoonsgegevens van huurders zolang een wettelijke verplichting van de Belastingdienst tot verstrekking van inkomensindicaties niet in werking is getreden, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

- alle tot op heden in dit kader verwerkte persoonsgegevens of – indien dit vonnis wordt uitgesproken na inwerkingtreding van een wettelijke verplichting van de Belastingdienst tot verstrekking van inkomensindicaties – alle tot die inwerkingtreding verwerkte persoonsgegevens te vernietigen, met overlegging van schriftelijk bewijs hiervan aan eisers;

- betrokken huurders en verhuurders middels een openbare mededeling te informeren over het stopzetten van de genoemde gegevensverwerking en de redenen daarvoor;

subsidiair:

aan eisers alle relevante gegevens te verstrekken waaruit blijkt welke handelingen hebben plaatsgevonden om het opstellen van inkomensindicaties mogelijk te maken, welke technische stappen hierbij te onderscheiden zijn en welke gegevens daarbij wanneer zijn verwerkt.

3.2.

Daartoe voeren eisers – samengevat – het volgende aan. Door vooruit te lopen op wettelijke bepalingen die nog niet in werking zijn getreden, schendt de Staat het legaliteitsbeginsel. Voorts is de verwerking van persoonsgegevens van huurders ten behoeve van het opstellen van inkomensindicaties in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). De gegevensverwerking kan niet worden gebaseerd op een ‘gerechtvaardigd belang’ in de zin van artikel 8 sub f Wbp zolang er geen wettelijke verplichting bestaat voor de Belastingdienst om inkomensindicaties te verstrekken. Ook verdraagt de verwerking van persoonsgegevens door de Belastingdienst zich niet met de beginselen van ‘doelbinding’ en verenigbaar gebruik’. De Belastingdienst heeft een geheimhoudingsplicht en belastingplichtigen moeten er bij het doen van aangifte van uit kunnen gaan dat de Belastingdienst hun gegevens enkel verwerkt voor zover dit noodzakelijk is voor de juiste en doelmatige uitvoering van belastingwetgeving. Uit artikel 21f, eerste en tweede lid, Awr volgt dat niet alleen voor de verstrekking, maar ook voor het gebruik van inkomensgegevens, een wettelijke basis noodzakelijk is. Gelet op het voorgaande handelt de Belastingdienst onrechtmatig jegens alle huurders van wie persoonsgegevens zijn verwerkt.

Eisers vorderen subsidiair afgifte van relevant bescheiden waaruit blijkt welke handelingen bij de Belastingdienst met betrekking tot gegevens van verhuurders en huurders hebben plaatsgevonden, ter voorbereiding van een eventuele bodemprocedure.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Eisers hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat de Staat onrechtmatig jegens hen handelt. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter, in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding, gegeven.

4.2.

De Staat heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat eisers niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen, daarbij verwijzend naar artikel 40 Wbp. In dat artikel staat vermeld dat een betrokkene verzet kan aantekenen bij de verantwoordelijke indien gegevens het voorwerp zijn van verwerking op grond van artikel 8, onder e en f Wbp. De Staat meent op grond van artikel 8, aanhef en onder f, Wbp gerechtigd te zijn tot het aanmaken van het zogenoemde woningbestand, zodat artikel 40 Wbp van toepassing is. Eisers hebben dat op zichzelf niet betwist. Nu het gaat om gegevensverwerking door een bestuursorgaan, zodat uiteindelijk beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter, is de voorzieningenrechter van oordeel dat in een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang is voorzien, waarin eisers hetzelfde kunnen bereiken als zij met hun primaire vorderingen beogen. Eisers hebben nog verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 15 oktober 2014 waarin het ontvankelijkheidsverweer van de Staat door de rechtbank is verworpen. Die zaak is echter op dit punt niet vergelijkbaar met de onderhavige, aangezien daar een andere vordering is ingesteld. [eiseres sub 2] en [eiser sub 3] zullen dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in hun primaire vorderingen.

4.3.

De niet-ontvankelijkheid treft ook de Woonbond, aangezien haar primaire vorderingen ertoe strekken om ten behoeve van de gebundelde belangen van personen zoals [eiseres sub 2] en [eiser sub 3] de verwerking van persoonsgegevens te stoppen. Met het oog op een behoorlijke taakverdeling tussen de bestuursrechter en de burgerlijke rechter kan in gevallen waarin de rechtsbescherming van individuele belanghebbenden is opgedragen aan de bestuursrechter, de enkele bundeling van hun belangen door een rechtspersoon niet ertoe leiden dat voor die rechtspersoon de weg naar de burgerlijke rechter komt open te staan. Dit geldt ook als een belangenorganisatie niet slechts opkomt voor de (gebundelde) belangen van een bepaald of bepaalbaar aantal individuele personen, maar tevens voor het algemeen belang van de bescherming van de rechten van een veel grotere groep van personen, die diffuus en onbepaald is. Ook in dat geval is sprake van een bundeling van belangen in de zin van art. 3:305a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek en heeft te gelden dat de belangenbehartiging door de organisatie niet ertoe kan leiden dat voor haar de weg naar de burgerlijke rechter komt open te staan indien ter zake van de (dreigende) aantasting van de betrokken belangen is voorzien in rechtsbescherming voor de individuele belanghebbenden bij de bestuursrechter (HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2314 (Staat/Vreemdelingenorganisaties) en HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1296 (Staat/Stichting Privacy First)).

4.3.

Eisers vorderen subsidiair afgifte van stukken op grond van artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Aan de toewijsbaarheid van een vordering op grond van dit artikel zijn drie cumulatieve voorwaarden verbonden. Nu is gesteld noch gebleken dat aan al deze voorwaarden is voldaan, zal deze vordering worden afgewezen.

4.4.

Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verklaart eisers niet-ontvankelijk in hun primaire vorderingen;

5.2.

wijst de subsidiaire vordering af;

5.3.

veroordeelt eisers in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.435,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 619,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2016.

hvd