Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:3575

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-04-2016
Datum publicatie
05-04-2016
Zaaknummer
09/997551-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van de artikelen 19 en 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

De verdachte heeft op zijn bedrijf niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen gebruikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Parketnummer: 09/997551-14

Datum uitspraak: 5 april 2016

Tegenspraak

(Verkort vonnis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in economische strafzaken, heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] ,

adres: [adres] .

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 22 maart 2016.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.C. Spigt, advocaat te Rotterdam, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. R. Ahling heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genummerde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer.

De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij, op één of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2013 tot en met 14 januari 2014 te [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, (telkens) één of meer werkzame stoffen die niet waren/was opgenomen in een toegelaten gewasbeschermingsmiddel, te weten:

a. a) Acefaat,

b) Cyhexatin,

c) Nitrothal-isopropyl,

d) Aldicarb,

e) Methamidofos en/of

f) Methomyl,

heeft gebruikt, terwijl die werkzame stoffen niet waren/was goedgekeurd als basisstof op grond van artikel 23 van verordening (EG) 1107/2009;

2.

hij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 14 januari 2014 te [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, eerste lid, van verordening (EG) 1107/2009 of ter uitvoering daarvan gestelde verordeningen, immers, hebben/heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), één of meer gewasbeschermingsmiddelen, te weten:

a. a) SIR HENRY/ROSA+ en/of

b) PALLITOP

gebruikt, terwijl die middelen/dat middel toen niet in Nederland, zijnde de betrokken

lidstaat, overeenkomstig de Verordening (EG) 1107/2009 waren/was toegelaten.

Ten aanzien van het bewijs

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij feit 1 onder e en f is tenlastegelegd zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. Niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte deze middelen gedurende de tenlastegelegde periode heeft gebruikt.

Ten aanzien van het verweer van de verdachte dat hij zich niet bewust is geweest van de aanwezigheid van de stof Aldicarb, zoals tenlastegelegd bij feit 1 onder d, overweegt de rechtbank het volgende. Deze stof is aangetroffen in monsters die zijn genomen van rozenbladeren uit de kwekerij van verdachte. De rechtbank acht uitgesloten dat, zoals verdachte naar voren heeft gebracht, deze stof per ongeluk op de bladeren terecht gekomen kan zijn door het opdwarrelen van deze stof die in een ver verleden gebruikt is en waarvan restanten zich nu nog op plantenresten op de bodem zouden bevinden. Dat verdachte geen idee heeft hoe deze stof op zijn rozen is gekomen in de tenlastegelegde periode, acht de rechtbank daarom niet aannemelijk geworden. Uit het dossier (p. 421 en 422) blijkt immers dat de halfwaardetijd van deze stof (dat wil zeggen de tijd die benodigd is om de concentratie van de stof in bodem/omgeving met de helft te laten afnemen) 2-12 dagen is. Daar komt nog bij dat de verdachte, blijkens het dossier (p. 130), in 2012 een bestuurlijke boete heeft gekregen van € 3.000,00 omdat op zijn bedrijf in bladmonsters een aantal niet toegelaten werkzame stoffen, waaronder Aldicarb, was aangetroffen. Verdachte kende deze stof dus vanwege eerder gebruik. Het verweer zal dan ook worden verworpen.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel met een opgave daarvan, zal dit plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan, te weten dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 14 januari 2014 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk werkzame stoffen die niet waren opgenomen in een toegelaten gewasbeschermingsmiddel, te weten:

a. a) Acefaat,

b) Cyhexatin,

c) Nitrothal-isopropyl, en

d) Aldicarb,

heeft gebruikt, terwijl die werkzame stoffen niet waren goedgekeurd als basisstof op grond van artikel 23 van verordening (EG) 1107/2009;

2.

hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 14 januari 2014 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met artikel 28, eerste lid, van verordening (EG) 1107/2009 of ter uitvoering daarvan gestelde verordeningen, immers, heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) gewasbeschermingsmiddelen, te weten:

a. a) SIR HENRY/ROSA+ en

b) PALLITOP

gebruikt, terwijl die middelen toen niet in Nederland, zijnde de betrokken lidstaat, overeenkomstig de Verordening (EG) 1107/2009 waren toegelaten.

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van opzettelijke overtreding van artikel 19 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

De strafoplegging

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft op zijn bedrijf niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Dit is in strijd met de regelgeving die bedoeld is om te garanderen dat in de land- en tuinbouw geen werkzame stoffen of middelen worden gebruikt die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid van mensen en dieren of voor het milieu.

Het gedrag van de verdachte is kwalijk te noemen, te meer omdat hij blijkens een overzicht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit in het verleden meerdere malen forse bestuurlijke boetes heeft gekregen voor het gebruik van niet toegelaten werkzame stoffen. Daartegenover staat dat de verdachte blijkens het uittreksel uit het justitiële documentatie-register d.d. 8 februari 2016 in strafrechtelijke zin niet eerder is veroordeeld.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 16 maart 2016, opgesteld en ondertekend door [betrokkene 1] , reclasseringswerker, alsmede een door de verdachte overgelegde schriftelijke verklaring betreffende zijn persoonlijke omstandigheden en een verklaring d.d. 8 maart 2016 van de financieel adviseur van de verdachte, [betrokkene 2] .

De rechtbank zal, gelet op al het vorenstaande, de verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 80 uren. De rechtbank ziet geen aanleiding om verdachte daarnaast nog een voorwaardelijke straf op te leggen teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen. De verdachte heeft er ter terechtzitting oprecht blijk van gegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien en is nu in dienst bij een ander bedrijf waar de biologische teelt zonder het gebruik van verboden middelen hoog in het vaandel staat, zodat de kans op herhaling minimaal moet worden geacht.

Inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar aangezien met betrekking tot deze voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

9, 22c, 22d, 36b, 36c 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 1 a, 2, 6 van de Wet op de economische delicten;

- 19, 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

- 28 van de Verordening (EG) Nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de

Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van

gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en

91/414/EEG van de Raad.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit, voor zover het betreft de stoffen genoemd onder e en f, heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit, voor zover het betreft de stoffen onder a tot en met d, en het onder feit 2 tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van opzettelijke overtreding van artikel 19 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van

80 (TACHTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 40 (VEERTIG) DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerpen, te weten: twee emmers Rosa+/Sir Henry (10 kg en 5 kg).

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.J. Milius, voorzitter,

mr. J.E. Bierling, rechter,

mr. S.L.M. Staals, rechter,

in tegenwoordigheid van W.M.W. van Nuss, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 april 2016.