Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:3555

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-03-2016
Datum publicatie
04-04-2016
Zaaknummer
AWB 16/3266, 16/3268
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit tot het niet in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, omdat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. De in het bestreden besluit aan eiser opgelegde verplichting om Nederland binnen vier weken te verlaten, is niet in overeenstemming met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsverordening. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit gedeeltelijk, voor zover daarin is bepaald dat eiser Nederland binnen vier weken moet verlaten.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16/3266 (beroep)

AWB 16/3268 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 17 maart 2016 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Eritrese nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. M. Pals, advocaat te Arnhem),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. P. van den Berg, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem over te dragen tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2016. Partijen zijn, met bericht van afwezigheid, niet verschenen.

Overwegingen

  1. Ingevolge artikel 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet in behandeling genomen, indien op grond van Verordening (EG) 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

  2. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 19 juni 2015 in Zwitserland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op grond van deze uitkomst heeft verweerder op 27 oktober 2015 aan Zwitserland gevraagd eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, van de Verordening. De Zwitserse autoriteiten hebben bij brief van 29 oktober 2015 meegedeeld dat zij eerder de Italiaanse autoriteiten hebben gevraagd eiser terug te nemen en dat de Italiaanse autoriteiten daarmee op 25 augustus 2015 akkoord zijn gegaan. Op 10 september 2015 heeft eiser Zwitserland met onbekende bestemming verlaten, waarvan de Zwitserse autoriteiten Italië op de hoogte hebben gebracht. Vervolgens is door verweerder op 9 november 2015 een schriftelijk claimverzoek verstuurd aan Italië op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Verordening. Italië heeft niet tijdig gereageerd op het terugnameverzoek. Op grond van artikel 25, tweede lid, van de Verordening staat dit gelijk met aanvaarding van het terugnameverzoek.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, Vw, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Verordening.

4. Eiser voert aan dat uit informatie van veel verschillende (inter)nationale organisaties over de afgelopen vijf jaren blijkt dat sprake is van een structureel tekort aan opvangplaatsen voor asielzoekers in Italië. Eiser verwijst daartoe naar het rapport van Artsen zonder Grenzen van januari 2010, het rapport van de Schweizerische Flüchtlingshilfe van oktober 2013 en het document ‘Veelgestelde Vragen Italië – Dublinterugkeerders’ van VluchtelingenWerk Nederland (VWN) van oktober 2015 (pagina’s 4 tot en met 6) over de opvangvoorzieningen in Italië. De stelling van verweerder dat uit de stukken niet blijkt dat sprake is van een aan het systeem gerelateerde tekortkomingen kan – met het oog op het gebrek aan verbetering gedurende de afgelopen vijf jaren – geen stand houden.

4.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser bij voorkomende problemen in Italië zich kan wenden tot de daartoe aanwezige (hogere) autoriteiten van Italië dan wel geëigende instanties. Niet gebleken is dat de autoriteiten van Italië eiser niet zouden kunnen of willen helpen. De autoriteiten van Italië hebben middels het (fictieve) claimakkoord gegarandeerd het onderhavige verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen. De door eiser overgelegde informatie geeft geen aanleiding om te concluderen dat er in Italië sprake is van een aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Er is sprake van moeilijke omstandigheden in Italië, maar de problemen zijn niet van dien aard dat er niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië.

4.2

De rechtbank is van oordeel dat uit de door eiser overgelegde stukken niet kan worden geconcludeerd dat de situatie in Italië zodanig is dat verweerder thans niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan, gelet op rechtsoverweging 114 van het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland van 4 november 2014, nr. 29217/12, alsmede de arresten van het EHRM van 5 februari 2015 in de zaak A.M.E. tegen Nederland, application no. 51428/10, en van 26 februari 2015, in de zaak M.O.S.H. tegen Nederland, application no. 63469/09 (www.echr.coe.int), en de uitspraken van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) van 16 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW4350), van 17 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1304), 20 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1677) en van 27 augustus 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2791), waaruit volgt dat de situatie in Italië niet zodanig is dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige situatie. Het EHRM heeft in voornoemde arresten overwogen dat, hoewel er ernstige tekortkomingen zijn in de opvangvoorzieningen, de huidige situatie in Italië voor asielzoekers op geen enkele manier te vergelijken is met de situatie in Griekenland ten tijde van haar arrest M.S.S. tegen België en Griekenland, application no. 30696/09, en dat de opvangfaciliteiten op zichzelf geen belemmering vormen voor alle overdrachten van asielzoekers aan Italië.
In voornoemde jurisprudentie van de Afdeling zijn onder meer de rapporten van Artsen zonder Grenzen van januari 2010 en van de Schweizerische Flüchtlingshilfe van oktober 2013 betrokken en een aantal van de in het document van VWN van oktober 2015 genoemde stukken. Uit de overige in voornoemd document aangehaalde stukken, blijkt voorts niet van een wezenlijk andere situatie dan de situatie die is beoordeeld in voornoemde jurisprudentie. De stukken geven blijk van dezelfde zorgen over de toegang tot opvang, de opvangfaciliteiten en de voorzieningen in de opvang, zoals die ook volgt uit de stukken die in voornoemde jurisprudentie zijn betrokken. Echter uit de stukken blijkt niet dat de situatie hieromtrent thans wezenlijk is verslechterd ten opzichte van de situatie zoals die aan de orde was in voornoemde uitspraken.
De beroepsgrond slaagt niet.

5. Eiser voert voorts aan dat verweerder in het bestreden besluit aan hem ten onrechte een vertrektermijn van vier weken heeft opgelegd. De Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348: de Terugkeerrichtlijn) is niet van toepassing op een door een lidstaat van de Europese Unie aan een andere lidstaat gericht verzoek tot overname van de vreemdeling op grond van de Verordening.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 30 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2437) overwogen dat de verantwoordelijkheid voor de overdracht naar een andere lidstaat primair op de autoriteiten van de verzoekende lidstaat rust en een asielzoeker daarnaast de mogelijkheid wordt geboden om zelf, op eigen initiatief, verantwoordelijkheid te nemen voor zijn overdracht. Dit betekent dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte heeft bepaald dat eiser Nederland binnen vier weken moet verlaten. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 5 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3477), onder verwijzing naar haar uitspraak van 30 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2537), de in artikel 44a, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 62c, eerste lid, Vw opgenomen algemene verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten niet in overeenstemming geacht met de Verordening en deze artikelen dan ook onverbindend verklaard. Eiser stelt dat hij door het opleggen van een vertrektermijn in zijn belangen is geschaad, nu het niet voldoen aan een vertrektermijn voor hem gevolgen kan hebben indien tegen hem in de toekomst een terugkeerbesluit zou worden uitgevaardigd.

5.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het bestreden besluit tegen eiser geen terugkeerbesluit is uitgevaardigd. Verweerder heeft enkel, onder verwijzing naar artikel 26, eerste lid, van de Verordening, aangegeven dat het besluit tevens wordt aangemerkt als een overdrachtsbesluit. Nu de Afdeling in de door eiser aangehaalde uitspraken van 30 juli 2015 en 5 november 2015, de artikelen 62c, eerste lid, en 44a, eerste lid, aanhef en onder c, Vw onverbindend heeft verklaard, valt verweerder terug op artikel 7 van de Verordening (EG) nr. 1560/2003 houdende de uitvoeringsbepalingen van de Dublinverordening (de Uitvoeringsverordening). Indien vaststaat dat een ander land verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, volgt uit artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsverordening dat de overdracht kan gebeuren op initiatief van de asielzoeker, waarbij een uiterste datum wordt vastgesteld. De vertrektermijn van vier weken zoals opgenomen in het bestreden besluit is in overeenstemming met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, Uitvoeringsverordening. Verweerder verwijst daartoe naar de uitspraken van deze rechtbank van 22 februari 2016 (AWB 16/1737, AWB 16/1441 en AWB 16/1445).

5.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit, onder de paragraaf ‘Rechtsgevolgen van deze beschikking’, heeft opgenomen dat het besluit tevens geldt als overdrachtsbesluit, dat eiser rechtmatig in Nederland verblijft tot aan de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat, en dat eiser Nederland binnen vier weken moet verlaten. Niet in geschil is dat de artikelen 44a, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 62c, eerste lid, Vw onverbindend zijn. Zoals in voornoemde uitspraak van de Afdeling van 30 juli 2015 is overwogen, zijn die artikelen, waaruit volgt dat een vreemdeling tegen wie een overdrachtsbesluit is uitgevaardigd Nederland binnen vier weken dient te verlaten, in strijd met artikel 7, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening. Een asielzoeker kan gelet op artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsverordening de mogelijkheid worden geboden om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor zijn overdracht, waarbij een uiterste datum wordt vastgesteld waarbinnen hij zich in de verantwoordelijke lidstaat moet melden. Dit gebeurt echter slechts op diens initiatief. Gesteld noch gebleken is dat eiser aan verweerder kenbaar heeft gemaakt zelfstandig te willen vertrekken naar Italië. Daarmee is de in het bestreden besluit aan eiser opgelegde verplichting om Nederland binnen vier weken te verlaten, niet in overeenstemming met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsverordening. Dat in voornoemde paragraaf van het bestreden besluit tevens is opgenomen dat, indien eiser op eigen gelegenheid naar de verantwoordelijke lidstaat wil reizen, hij contact moet opnemen met de Dienst Terugkeer en Vertrek om te horen waar en wanneer hij zich in die lidstaat moet melden, doet aan het voorgaande niet af. Daaruit volgt immers niet dat eiser het initiatief heeft genomen zelfstandig te vertrekken naar Italië, zodat niet aan de voorwaarden van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsverordening is voldaan op grond waarvan een uiterste datum kan worden vastgesteld dat de asielzoeker zich in de verantwoordelijke lidstaat moet hebben gemeld. Uit voornoemde paragraaf volgt evenmin dat eiser de gelegenheid wordt geboden op eigen initiatief te vertrekken, nu is bepaald dat eiser Nederland moet verlaten, bij gebreke waarvan hij kan worden overgedragen. De verwijzing door verweerder naar de uitspraken van deze rechtbank van 22 februari 2016, brengt de rechtbank dan ook niet tot een ander oordeel.
De beroepsgrond slaagt.

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit gedeeltelijk vernietigen, voor zover daarin is bepaald dat eiser Nederland binnen vier weken moet verlaten, wegens strijd met artikel 3:46 Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het bestreden besluit, voor zover daarin de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling is genomen, blijft derhalve in stand, gelet op hetgeen is overwogen onder 4.2.

7. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 496,- (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1).

Verzoek om voorlopige voorziening

8. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

9. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, omdat de door eiser verzochte voorlopige voorziening verweerder te verbieden hem over te dragen geen verband houdt met de gegrondverklaring van het beroep en de gedeeltelijke vernietiging van het besluit, voor zover daarin is bepaald dat eiser Nederland zelfstandig binnen vier weken moet verlaten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarin is bepaald dat eiser Nederland binnen vier weken moet verlaten;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 496,- te betalen.

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het de hoofdzaak betreft, kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.