Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:3510

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-03-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
AWB 16/2833
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of de vreemdeling tegen de problemen met een kolonel van de Patriottische Unie van Koerdistan uit een invloedrijke familie de bescherming van de autoriteiten van de Koerdische Autonome Regio in Irak (KAR) had kunnen inroepen. Op grond van vaste Afdelingsjurisprudentie moet eerst door verweerder worden onderzocht of door de autoriteiten in de KAR in het algemeen bescherming wordt geboden. Daarbij dient verweerder informatie over de algemene situatie in een land van herkomst, in het bijzonder uit ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties, te betrekken. Verweerder heeft in dit verband verwezen naar het ambtsbericht van april 2015. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit dit ambtsbericht niet worden afgeleid dat de autoriteiten van de KAR in zijn algemeenheid tegen ander dan terroristisch geweld bescherming bieden. Het meest recente ambtsbericht van oktober 2015 kan niet tot een ander oordeel leiden, nu hierin in zijn geheel geen passage is gewijd aan de mogelijkheid om bescherming van de autoriteiten te verkrijgen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder zijn standpunt dat in de KAR in zijn algemeenheid bescherming wordt geboden onvoldoende heeft gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/2833

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 maart 2016 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. I. Vreeken),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. D.P.A. van Laarhoven).

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Voorts heeft verweerder ambtshalve besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000, noch voor uitstel van vertrek, als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 februari 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk was ter zitting aanwezig G. Shawalli.

Het onderzoek ter zitting is geschorst, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen om te reageren op de kort voor de behandeling ter zitting bij faxberichten van 26 en 28 februari 2016 door eiser ingezonden stukken en de diezelfde dag door eiser nog in te zenden vertalingen. Verweerder heeft op 3 maart 2016 van die gelegenheid gebruik gemaakt, waarna op 4 maart 2016 van de zijde van eiser hierop is gereageerd. Verweerder heeft hierop vervolgens op 8 maart 2016 schriftelijk gereageerd, waarop diezelfde dag een reactie van eiser is ontvangen.

Beide partijen hebben toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder dat een nadere zitting plaatsvindt.

De rechtbank heeft heden het onderzoek gesloten en uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1981 en in het bezit van de Iraakse nationaliteit. Hij heeft op 27 oktober 2015 de hiervoor genoemde asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft hij – kort en zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is geboren in [geboorteplaats] ), thans gelegen in de Koerdische Autonome Regio (KAR) in Irak, en behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep. Op 2 april 2007 heeft eiser in het Verenigd Koninkrijk vanwege problemen van de zijde van de Koerdische veiligheidsdienst Asayish een asielaanvraag ingediend. De aanvraag van eiser werd ongeloofwaardig bevonden en afgewezen. Op 4 augustus 2011 is eiser, nadat zijn vader eisers problemen met de Asayish had opgelost, teruggekeerd naar [geboorteplaats] . Eiser startte er een meubelzaak, waarvoor hij de meubels importeerde uit Turkije. In maart 2012 investeerde [investeerder] (hierna: [investeerder] ) $ 350.000,= in de onderneming van eiser. [investeerder] is een kolonel van de Patriottische Unie van Koerdistan (PUK) uit een invloedrijke familie. [vader] , de in 2013 gedode vader van [investeerder] , was stamhoofd van de Ghawara (Xawara) en [broer van investeerder] , de broer van [investeerder] , heeft een hoge functie bij de Koerdische Democratische Partij (KDP). In januari 2015 eiste [investeerder] zijn geld van eiser terug. In juni 2015 loste eiser $ 70.000,= van zijn schuld aan [investeerder] af. [investeerder] gaf eiser een termijn van drie maanden om de resterende $ 280.000,= aan hem terug te betalen. Omdat de afnemers van eiser vanwege de economische crisis niet aan hun betalingsverplichtingen voldeden, was eiser hiertoe op 1 september 2015 niet in staat. [investeerder] gaf eiser nog tot 5 september 2015 om alsnog te betalen. Zo eiser hem op die dag niet het verschuldigde bedrag zou betalen, zou hij eiser doden en zijn echtgenote meenemen. Het lukte eiser niet om het verschuldigde bedrag bij elkaar te krijgen. Op 5 september 2015 werd eiser telefonisch door [investeerder] bedreigd en bezocht [investeerder] , terwijl eiser thuis was, zijn meubelzaak. Die nacht werd eisers woning beschoten. De door de buren gebelde politie bracht eiser en zijn gezin naar zijn schoonvader. Eiser besloot uit vrees voor [investeerder] en omdat hij vanwege diens machtspositie niet op bescherming van de autoriteiten hoefde te rekenen, zijn land van herkomst op 7 september 2015 te verlaten.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers aanvraag afgewezen. Verweerder heeft – voor zover van belang – geloofwaardig geacht dat eiser door [investeerder] werd bedreigd omdat hij niet in staat was het door hem in zijn onderneming geïnvesteerde geld terug te betalen. Voorts betwist verweerder niet dat [investeerder] verantwoordelijk was voor de beschieting van eisers woning in de nacht van 5 op 6 september 2015. Verweerder is echter van mening dat de geloofwaardig geachte problemen van de zijde van [investeerder] niet tot vergunningverlening leiden, nu eiser hiertegen de bescherming van de autoriteiten kan inroepen. Uit het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2015/21 blijkt immers dat het in de KAR mogelijk is om de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties en eiser heeft, nu niet is geconcretiseerd dat [investeerder] de macht heeft over of deel uitmaakt van de autoriteiten in de KAR, niet aannemelijk gemaakt dat in zijn individuele geval een beschermingsverzoek bij voorbaat zinloos of zelfs gevaarlijk is. Bij terugkeer heeft eiser, aldus verweerder, dan ook niet te vrezen voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat hij om politieke redenen een risico loopt op vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

3. Eiser heeft in zijn gronden van beroep bestreden dat hij de bescherming van de autoriteiten kan inroepen. De autoriteiten kunnen en willen eiser vanwege de positie die [investeerder] bekleedt en de familie waarvan hij deel uitmaakt, die bescherming niet bieden. Integendeel, eiser vreest bij het doen van aangifte tegen [investeerder] dat hij aan hem zal worden uitgeleverd. Eiser is van mening dat hij de machtspositie van [investeerder] aannemelijk heeft gemaakt en in dat verband heeft hij verwezen naar zijn verklaringen over [investeerder] in het nader gehoor en de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen, die er op neerkomen dat [investeerder] als machtig kolonel van de PUK zelf een autoriteit was, hij vanwege zijn machtige positie in contact stond met de (andere) gezagsdragers en hij betrokken was bij een aantal met name genoemde moorden.

4. Bij faxbericht van 26 februari 2016 heeft eiser een aantal foto’s overgelegd waarop, zoals ter zitting is toegelicht en volgt uit de op 29 februari 2016 overgelegde vertalingen van de bijschriften, [investeerder] te zien is in gezelschap van belangrijke Koerdische personen. In een eveneens overgelegd krantenartikel van 24 februari 2015 is vermeld dat [broer van investeerder] deel uitmaakt van de leiderschapsraad van de KDP. Bij faxbericht van 28 februari 2016 heeft eiser een mailwisseling tussen H. Boers, documentalist van VluchtelingenWerk Nederland, en S. Laizer, journalist en landenexpert van onder meer de KAR, overgelegd. Laatstgenoemde geeft hierin te kennen dat zij van S. Mayi, kolonel van de KDP, heeft vernomen dat een vriend van hem het bestaan van een kolonel van de PUK uit de regio Suleimaniya met de naam [investeerder] heeft bevestigd.

5. Verweerder heeft in reactie hierop bij schrijven van 3 maart 2016 aangegeven dat hetgeen eiser over de positie van [investeerder] heeft aangevoerd, te weten dat [investeerder] de rang van kolonel bekleedt binnen de PUK en hij een bepaalde mate van aanzien geniet, niet ter discussie staat. Datzelfde geldt voor verweerders standpunt dat, zoals volgt uit het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Irak van april 2015, de autoriteiten van de KAR in het algemeen bescherming kunnen bieden. Dit maakt, aldus verweerder, dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat het vragen van bescherming voor hem bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit genoemd ambtsbericht blijkt dat in de KAR de orde en veiligheid wordt gehandhaafd door de Koerdische Peshmerga, de Asayish en de politie. Dat eiser geen bescherming van de politie hoeft te verwachten, vindt verweerder niet aannemelijk, nu eiser zijn stelling dat [investeerder] contacten heeft met hooggeplaatste politiemedewerkers niet heeft geconcretiseerd en eiser bovendien heeft verklaard vertrouwen te hebben in het algemene alarmnummer en de lokale politie. Daarnaast heeft eiser, aldus verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat de invloed van [investeerder] zodanig is dat hij niet van een andere eenheid van de Peshmerga (dan die van de PUK waar [investeerder] deel van uitmaakt) bescherming kan krijgen. De structuur van de Peshmerga, die zijn onder te verdelen in drie eenheden onder het bevel van de PUK, KDP en de Kurdistan Regional Government (KRG), maakt dat het op voorhand niet voor onmogelijk moet worden gehouden dat bescherming kan worden verkregen.

6. In zijn reactie van 4 maart 2016 heeft eiser primair betoogd dat uit genoemd ambtsbericht, dat met name ziet op de veiligheidssituatie in de KAR in het licht van de terroristische aanslagen door IS, niet de conclusie kan worden getrokken dat de autoriteiten hem (in het algemeen) bescherming kunnen bieden. Eiser is dan ook van mening dat de bewijslast om aannemelijk te maken dat het vragen van bescherming in zijn individuele geval gevaarlijk of bij voorbaat zinloos is, niet op hem rust. Subsidiair stelt eiser dat in zijn specifieke geval het vragen van bescherming gevaarlijk of bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Verweerder heeft ten onrechte niet betrokken dat [investeerder] ’s vader stamhoofd van de Ghawara was en zijn broers, waaronder [broer van investeerder] bij de KDP, hoge functies binnen de Peshmerga bekleden. Van eiser kan dan ook niet worden gevergd dat hij om bescherming vraagt aan de Peshmerga-eenheden onder bevel van de KDP en de PUK. Bescherming van de zijde van de politie of andere veiligheidsorganisaties is, gelet op de invloed van de familie van [investeerder] , evenmin reëel en zelfs gevaarlijk, nu een verzoek daartoe ongetwijfeld ter ore van [investeerder] zal komen. Dat eiser vertrouwen zou hebben in de lokale politie en het algemene alarmnummer is een misvatting. Zijn buren hebben het alarmnummer gebeld en eiser heeft niet tegen de politie verteld dat hij [investeerder] van de beschieting verdenkt. Eiser heeft voorts verwezen naar de UK Home Office Operational Guidance Note van december 2013, waarin wordt vermeld dat het onwaarschijnlijk is dat bescherming van de autoriteiten van de KAR kan worden verkregen bij vrees voor mishandeling en vervolging door ‘state-authorities’ of ‘agents’ handelend namens de staat. Uit het artikel ‘Transecting security and space in Kurdistan, Iraq’ uit 2015 van T.F. Paasche en J.D. Sidaway volgt dat de KRG onder controle staat van de KDP en de PUK en de politie ondergeschikt is aan de Asayish, waarop weer de KDP en de PUK grote macht uitoefenen. Tot slot heeft eiser verwezen naar het artikel ‘Kurdistan’s politicized Society confronts a sultanistic system’ van 8 augustus 2015 van K. Hassan, waaruit (eveneens) naar voren komt dat de macht binnen de KRG en de Asayish bij de KDP en de PUK rust.

7. Verweerder heeft in reactie hierop bij faxbericht van 8 maart 2016 gesteld dat – voor zover het het verkrijgen van bescherming in algemene zin betreft – genoemd ambtsbericht niet zo moet worden uitgelegd dat dit enkel ziet op het verkrijgen van bescherming tegen terroristisch geweld van IS. Voor wat betreft de mogelijkheid voor eiser om in zijn individuele geval bescherming te verkrijgen, blijft partijen, aldus verweerder, verdeeld houden de vraag of de invloed van [investeerder] en zijn familieleden zo ver reikt dat een beschermingsverzoek bij alle geledingen van de KDP, PUK, Peshmerga, Asayish en politie bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Naar de mening van verweerder is dit nog immer niet door eiser aannemelijk gemaakt. De UK Home Office Operational Guidance Note dateert van vóór het ambtsbericht en sluit het verkrijgen van bescherming niet uit. Ook met de ingebrachte artikelen die zien op de macht van de KDP en de PUK op de Asayish, KRG en de politie maakt eiser dit niet aannemelijk.

8. Van de zijde van eiser is vervolgens diezelfde dag weer een reactie gevolgd. Eiser heeft daarin weersproken dat sprake is van een te enge lezing van het ambtsbericht van april 2015 en verwijst in dit verband naar het ambtsbericht van oktober 2015, waaruit uitdrukkelijk blijkt dat dit is opgesteld in verband met de veiligheidsproblematiek rond IS. Verweerders beroep op het ambtsbericht van april 2015 kan voorts, nu dit ziet op de situatie van voor eisers problemen en het ambtsbericht van oktober 2015 niet meer spreekt over de mogelijkheid om (in algemene) zin bescherming te verkrijgen, niet slagen. Uit de inleiding van de beide ambtsberichten blijkt bovendien dat de inhoud ervan niet uitputtend is en onderhevig is aan veranderingen, zodat aan eisers verklaringen meer waarde moet worden gehecht. Met het geheel van verklaringen en overgelegde moet vervolgens worden geconcludeerd dat het voor eiser bij voorbaat zinloos en zelfs gevaarlijk is om bescherming te vragen.

9. Bij de beoordeling van het beroep zijn de volgende bepalingen van belang.

10. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is; of

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit:

1. doodstraf of executie;

2. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; (…).

11. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is derhalve aan de vreemdeling om de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken.

12. Ingevolge artikel 3.37d, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000) geldt – voor zover van belang – bij de beoordeling of een vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 dat een vreemdeling geen behoefte heeft aan bescherming, indien hij in een deel van het land van herkomst:

a. geen reëel risico op ernstige schade loopt; of

b. toegang heeft tot bescherming als bedoeld in artikel 3.37c tegen ernstige schade.

Bij de beoordeling of de vreemdeling een reëel risico op ernstige schade loopt, of toegang heeft tot bescherming tegen ernstige schade in een deel van het land van herkomst overeenkomstig het eerste lid, wordt op grond van het tweede lid van het VV 2000 rekening gehouden met de algemene omstandigheden in dat deel van het land en met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling in overeenstemming met artikel 31 van de Vw 2000. Daartoe wordt ervoor gezorgd dat wordt beschikt over nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen, zoals de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen en het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken.

13. Op grond van artikel 3.37c van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000) kan bescherming tegen ernstige schade alleen worden geboden door:

a. de staat, of

b. partijen of organisaties, met inbegrip van internationale organisaties, die de staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen,

mits zij bereid en in staat zijn bescherming te bieden overeenkomstig het tweede lid.

Bescherming tegen ernstige schade moet doeltreffend en van niet-tijdelijke aard zijn. In het algemeen wordt dergelijke bescherming geboden wanneer de actoren als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, redelijke maatregelen tot voorkoming van ernstige schade treffen, onder andere door de instelling van een doeltreffend juridisch systeem voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing van handelingen die ernstige schade vormen, en wanneer de verzoeker toegang tot een dergelijke bescherming heeft.

In het tweede lid is bepaald dat bescherming tegen vervolging of ernstige schade doeltreffend en van niet-tijdelijke aard zijn. In het algemeen wordt dergelijke bescherming geboden wanneer de actoren als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, redelijke maatregelen ter voorkoming van vervolging of ernstige schade treffen, onder andere door de instelling van een doeltreffend juridisch systeem voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing van handelingen die vervolging of ernstige schade vormen, en wanneer de verzoeker toegang tot een dergelijke bescherming heeft.

14. Verweerders beleid, neergelegd in paragraaf C2/3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), luidt – voor zover van belang – als volgt.

“De IND beoordeelt de bescherming van de vreemdeling in de zin van artikel 3.37c,VV en artikel 3.37d, VV nadat is vastgesteld dat de vreemdeling een gegronde vrees heeft voor vervolging als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a Vw of daden als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw. De IND beoordeelt de vraag of deze bescherming van de vreemdeling mogelijk is, op het moment waarop het besluit op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt genomen.

Bescherming door de autoriteiten

De IND gaat ervan uit dat bescherming van de vreemdeling door de autoriteiten in het land van herkomst zoals bedoeld in artikel 3.37c, eerste lid, onder a VV niet mogelijk is, als de dreiging voor de vreemdeling afkomstig is van de autoriteiten in het land van herkomst. Er zijn twee uitzonderingen op deze hoofdregel:

1. de dreiging voor de vreemdeling is afkomstig van een persoon of een groep die onderdeel uitmaakt van de autoriteiten, maar een meerdere van die persoon of groep kan en wil tegen de persoon of groep die de dreiging veroorzaakt optreden. In dat geval moet de vreemdeling de bescherming van die meerdere zoeken; of

2. de dreiging voor de vreemdeling is afkomstig van lokale autoriteiten, maar de centrale autoriteiten willen en kunnen bescherming bieden. In dat geval verwacht de IND dat de vreemdeling bescherming zoekt bij de centrale autoriteit.

In beide uitzonderingssituaties constateert de IND dat bescherming van de vreemdeling door de autoriteiten in het land van herkomst mogelijk is.

Bescherming doeltreffend en niet-tijdelijk van aard

De IND beschouwt de bescherming van de vreemdeling als bedoeld in artikel 3.37c, tweede lid, VV in ieder geval van niet-tijdelijke aard, als er geen concrete aanwijzingen zijn dat de doeltreffende bescherming van de vreemdeling door de internationale organisatie binnen de voorzienbare toekomst zal eindigen.

Uit artikel 3.37 c, tweede lid, VV volgt niet dat de bescherming van de vreemdeling een volledige garantie moet bieden tegen de dreiging.

Bewijslast

De vreemdeling moet in eerste instantie zelf aannemelijk maken dat hem geen bescherming kan worden geboden. Afhankelijk van de individuele situatie van de vreemdeling en de algehele situatie in het land van herkomst kan de bewijslast meer naar de zijde van de Nederlandse overheid verschuiven.

De IND betrekt bij de beoordeling of de autoriteiten in het land van herkomst in staat of bereid zijn effectieve bescherming te bieden in ieder geval:

de individuele verklaringen van de vreemdeling, dat de vreemdeling geen bescherming wordt geboden;

de omstandigheid dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat de vreemdeling tevergeefs de bescherming van de autoriteiten heeft ingeroepen; en

informatie over de algemene situatie in het land van herkomst aan de hand van ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties.

De vreemdeling hoeft niet aannemelijk te maken dat hem geen bescherming kan worden geboden, als sprake is van tenminste één van de volgende situaties:

uit algemene informatie uit objectieve bron over het land van herkomst blijkt dat bescherming in zijn algemeenheid niet mogelijk is; of

uit algemene informatie uit objectieve bron over het land van herkomst blijkt dat een verzoek om bescherming bij voorbaat zinloos of zelfs gevaarlijk is.

Uitzondering op deze regel is de omstandigheid dat uit de verklaringen van de vreemdeling is gebleken dat de autoriteiten in zijn geval wel bescherming hebben geboden of bereid waren bescherming te bieden aan de vreemdeling.

Als uit algemene informatie over het land van herkomst blijkt dat bescherming niet eenvoudig kan worden verkregen, moet de vreemdeling aannemelijk maken dat bescherming in zijn geval in het geheel niet kan worden verkregen. Wel kan in dat geval de algemene informatie aanleiding zijn eerder te oordelen dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat bescherming niet mogelijk is.

Als de vreemdeling stelt dat het inroepen van bescherming gevaarlijk zou zijn, terwijl dit niet uit openbare, objectieve bron blijkt, moet de vreemdeling dit voor zijn individuele situatie aannemelijk maken.”

15. Verder overweegt de rechtbank dat op 20 juli 2015 de wijziging van de Vw 2000

ter implementatie van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van

26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (de Procedurerichtlijn) en Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (de Opvangrichtlijn) in werking is getreden (Stb. 2015, 292). Ingevolge het in deze wetswijziging opgenomen overgangsrecht, zoals, voor zover hier van belang, neergelegd in artikel II, eerste lid, is op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, waarop is besloten voor inwerkingtreding van deze wet, het recht zoals dit gold voor inwerkingtreding van deze wet van toepassing, met uitzondering van artikel 83a (nieuw) van de Vw 2000, tenzij het onderzoek in de zaak is gesloten. Nu het bestreden besluit dateert van na 20 juli 2015 omvat de toetsing het in artikel 83a (nieuw) van de Vw 2000 bedoelde volledig en ex nunc onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek naar de behoefte van internationale bescherming. Het voormelde volledig en ex nunc onderzoek brengt onder meer met zich dat er een volle toets van het geloofwaardigheidsoordeel van verweerder dient plaats te vinden, op basis van de beroepsgronden, het bestreden besluit en het door verweerder samengestelde dossier.

16. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege politieke problemen heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft immers verklaard dat zijn vader zijn problemen van de zijde van de autoriteiten, in dit geval de Koerdische veiligheidsdienst Asayesh, zo deze al voor geloofwaardig zouden moeten worden gehouden, heeft opgelost (pagina 8 van 22 van het rapport nader gehoor).

17. Partijen houdt vervolgens verdeeld de vraag of eiser tegen de problemen met [investeerder] de bescherming van de autoriteiten van de KAR had kunnen inroepen. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

18. Het is vaste Afdelingsjurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2087) dat ter beantwoording van de vraag of een vreemdeling in het land van herkomst bescherming kan krijgen, eerst door verweerder moet worden onderzocht of door de autoriteiten in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden. Daarbij dient verweerder informatie over de algemene situatie in een land van herkomst, in het bijzonder uit ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties, te betrekken. Indien verweerder die vraag bevestigend heeft beantwoord, is het vervolgens aan de vreemdeling aannemelijk te maken dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Derhalve ligt ten eerste aan de rechtbank ter beoordeling voor of het in zijn algemeenheid mogelijk is om van de autoriteiten van de KAR bescherming te krijgen. Verweerder heeft in dit verband verwezen naar het ambtsbericht van april 2015 waarin het volgende is opgenomen:

“De veiligheidsorganisaties van de KRG functioneerden in de verslagperiode over het algemeen goed. De Koerdische Peshmerga (leger) en Asayish (inlichtingendienst) waren in staat om de inwoners van de KAR tegen (terroristisch) geweld te beschermen en de orde en veiligheid te handhaven. Uit vertrouwelijke gesprekken komt naar voren dat de Koerdische diensten verschillende terroristische aanslagen zouden hebben voorkomen. Ook de Koerdische politie was in staat bescherming te bieden aan haar burgers. Er zijn echter berichten dat ook door Koerdische veiligheidsorganisaties onderscheid werd gemaakt op basis van etniciteit of religie bijvoorbeeld door Arabieren de toegang tot de KAR te ontzeggen of bijzonder moeilijk te maken.”

19. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit voormelde passage niet worden afgeleid dat de autoriteiten van de KAR in zijn algemeenheid tegen ander dan terroristisch geweld bescherming bieden. Hoewel in de eerste zin “terroristisch” tussen haakjes is geplaatst, gaat de daaropvolgende uitwerking enkel in op terroristisch geweld van de zijde van IS, hetgeen er op duidt dat de geboden bescherming enkel verband houdt met terroristische handelingen. In het ambtsbericht is in het geheel niets opgenomen over de instelling van een doeltreffend juridisch systeem voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing van handelingen die vervolging of ernstige schade vormen. Het meest recente ambtsbericht van oktober 2015 kan in dit verband niet tot een ander oordeel leiden, nu hierin in zijn geheel geen passage is gewijd aan de mogelijkheid om bescherming van de autoriteiten te verkrijgen. Verweerders verwijzing naar de Afdelingsuitspraak van 9 maart 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP7471) biedt hem evenmin soelaas. In die zaak had de betreffende vreemdeling niet gesteld dat de autoriteiten in algemene zin geen bescherming bieden.

20. Voor zover verweerder stelt dat uit het individuele relaas van eiser kan worden afgeleid dat de autoriteiten hem bescherming hebben geboden, volgt de rechtbank dit standpunt niet. Weliswaar heeft de politie eiser geholpen om een heenkomen te vinden na de beschieting van zijn huis, maar eiser heeft zelf de politie niet gebeld. Uit deze omstandigheid kan dus niet worden afgeleid dat de autoriteiten aan eiser bescherming zullen bieden.

21. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zijn standpunt dat in de KAR in zijn algemeenheid bescherming wordt geboden onvoldoende heeft gemotiveerd. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Verweerder dient met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen opnieuw op de aanvraag van eiser te beslissen.

Nu reeds niet kan worden aangenomen dat in zijn algemeenheid in de KAR bescherming wordt geboden, behoeft de vraag of een beschermingsverzoek van eiser in zijn specifieke geval bij voorbaat zinloos is geen bespreking.

22. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.240,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van de door de rechtbank gevraagde reactie met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van

€ 1.240,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2016.

w.g. D.D.R.H. Lechanteur,

griffier

w.g. K.M.P. Jacobs,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 22 maart 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.