Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:3404

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-03-2016
Datum publicatie
04-04-2016
Zaaknummer
4692950 RP VERZ 15-50819
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot ontbinding ogv ongeschiktheid (7:669.3.d BW) – na weigering ontslagvergunning op dezelfde grond – afgewezen. Ontbinding op subsidiaire g-grond van verstoorde verhouding toegewezen. Naast transitievergoeding billijke vergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/997
AR-Updates.nl 2016-0376
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Gravenhage

YK

Zaaknr.: 4692950 RP VERZ 15-50819

Uitspraakdatum: 17 maart 2016

Beschikking in de zaak van:

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verzoekster] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verzoekende partij,

verder te noemen: [verzoekster] ,

gemachtigde: mr. R.R. Zijdeman,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij,

verder te noemen: [verweerder] ,

gemachtigde: mr. J.A. Noordam.

1 Het procesverloop

1.1.

[verzoekster] heeft de kantonrechter bij verzoekschrift, bij de griffie ingekomen op 18 december 2015 verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 18 februari 2016 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaats gevonden. Verschenen zijn [GM] , [functie] , [CM] en [FB] namens [verzoekster] , bijgestaan door mr. Zijdeman en [verweerder] in persoon, bijgestaan door mr. Noordam. Daarbij zijn door [verzoekster] pleitaantekeningen overgelegd. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt die zich in het procesdossier bevinden.

2 De feiten

2.1.

[verweerder] , geboren op [1956] , is sinds [1989] in dienst bij [verzoekster] , laatstelijk in de functie van [functie] Telecom tegen een salaris van € [xx] bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en verdere emolumenten.

2.2

In oktober 2005 heeft een functioneringsgesprek met [verweerder] plaatsgehad en zijn een aantal verbeterpunten c.q. regels aan hem voorgehouden.

2.3

In 2014 hebben op 29 januari, 16 april, 13 augustus en 22 december 2014 gesprekken tussen [verzoekster] en [verweerder] in bijzijn van mevrouw [MZ] (hierna: [MZ] ), [functie] plaatsgevonden. Van die gesprekken zijn door [MZ] verslagen opgesteld. Op de verslagen heeft [verweerder] schriftelijk gereageerd.

2.4

Bij brief van 19 december 2014 heeft [verzoekster] het UWV verzocht om toestemming tot ontslag van [verweerder] wegens disfunctioneren. Na door [verweerder] gevoerd verweer heeft het UWV op 28 april 2015 de gevraagde toestemming geweigerd.

2.5

Op of omstreeks 19 december 2014 althans per 1 januari 2015 heeft [verzoekster] [verweerder] vrijgesteld van het verrichten van zijn werkzaamheden. Op 4 mei 2015 heeft [verzoekster] de op non-actiefstelling tot nader aankondiging verlengd. Sinds december 2014 heeft [verweerder] geen werkzaamheden voor [verzoekster] meer verricht.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoekster] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, primair onderdeel d, subsidiair onderdeel g BW.

3.2.

Aan dit verzoek legt [verzoekster] ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – de ongeschiktheid van [verweerder] tot het verrichten van de bedongen arbeid en disfunctioneren althans subsidiair een verstoorde arbeidsverhouding zodanig dat van [verzoekster] in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ter onderbouwing daarvan heeft [verzoekster] het volgende - verkort weergegeven - naar voren gebracht.

3.3

Als [functie] is [verweerder] verantwoordelijk voor [functie] . Daarbij werkt hij als [functie] nauw samen met de technische dienst en heeft intensief contact met de servicecoördinator en de uitvoerder van de technische dienst, de heer [FK] . Naast [verweerder] is er nog een andere [functie] werkzaam binnen [verzoekster] , de heer [FB] .

3.4

De inhoud van de functie van [functie] is door gewijzigde bedrijfs- en marktomstandigheden door de jaren heen veranderd. Er zijn veel technologische ontwikkelingen geweest, waardoor de focus, die in het begin vooral op draadloze communicatie met analoge techniek lag thans meer op de verkoop en installatie van apparatuur ligt. Dit laatste is vooral het gevolg van de ontwikkeling van het GSM netwerk.

3.5

Ook in commercieel opzicht is de marktsituatie volledig veranderd. Vele installatie/ICT/telecom-bedrijven hebben zich op de zakelijke telecommarkt gestort, waardoor de concurrentie hevig is en de marges onder druk staan. Het is vanwege reputatie en klantgerichtheid, service en kwaliteit alsmede de omstandigheid dat [verzoekster] zich als een van de eerste regionale telecom marktpartijen voor het MKB een positie heeft weten te verwerven, dat zij er na 20 jaar nog steeds is. Die marktpositie is niet uitsluitend historisch verklaarbaar, maar is ook te verklaren uit de omstandigheid dat [verzoekster] zich op adequate en slimme wijze aan de veranderende marktomstandigheden heeft weten aan te passen. Een ontwikkeling, die [verweerder] in diens functioneren als [functie] door de jaren heen niet heeft weten door te maken. [verweerder] blijft volharden in het werken zoals hij dat in het verleden altijd deed en gewend was te doen.

3.6

[verzoekster] heeft in de afgelopen jaren, in ieder geval sedert 2007/2008 een sterke professionaliseringsslag gemaakt onder meer door een bewuste keuze om de onderneming in toenemende mate in te richten op een ander marktsegment, namelijk de groot zakelijke markt, alsmede door het aantrekken van nieuwe medewerkers met commerciële en ICT gerichte opleidingen, achtergrond en vaardigheden. In plaats van de traditionele telefooncentrales ontstond er steeds meer vraag naar alternatieve oplossingen zoals internet bellen. Dit alles vraagt een meer proactieve en initiërende klantbenadering dan vroeger het geval was.

3.7

[verzoekster] heeft de conclusie getrokken dat [verweerder] niet in staat is gebleken om met deze veranderingen mee te groeien en zo doende in diens functie-ontwikkeling is komen stil te staan. Doordat gewerkt werd in een kleine werkomgeving is dat disfunctioneren wel officieus, maar niet officieel, geadresseerd tot [verweerder] in 2005 op een aantal tekortkomingen in diens functioneren is gewezen. Die tekortkomingen bestaan echter nog steeds.

3.8

De redenen voor het verzoek van [verzoekster] om tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst te komen zijn gelegen in het door [verweerder] niet voldoen aan de voor de functie gestelde eisen van [functie] binnen het bedrijf van [verzoekster] . [verzoekster] is dan ook tot de conclusie gekomen dat [verweerder] ongeschikt is voor het verrichten van de bedongen arbeid en dat hij niet langer in staat is de ontwikkelingen in de hedendaagse met complexe ICT-oplossingen verbonden en snel veranderende telecommarkt goed te volgen en klanten daarin adequaat te adviseren.

3.9

Het disfunctioneren van [verweerder] manifesteert zich in de meest belangrijke taakdelen van zijn functie namelijk het benaderen van nieuwe en bestaande klanten en het inventariseren van hun Telecomsituatie, het advies geven en oplossingen op maat aandragen, het adequaat uitwerken en opvolgen van offertes, het slim voeren van onderhandelingen met klanten, het de klant binden aan [verzoekster] , door klanttevredenheid en het herkennen van kansen in de regio.

3.10

Dit disfunctioneren bleek onder andere uit het meer dan incidenteel ontstaan van problemen bij de uitvoering van de werkzaamheden door [verweerder] . De omzet bleef in de loop van de jaren ver achter bij wat redelijkerwijs verwacht kon worden, in onderhandelingen gaf [verweerder] vaak kortingen, waardoor het rendement op een opdracht bij voorbaat werd weggegeven. Ook bleef de technische en productkennis bij [verweerder] ver achter.

3.11

Tussen de directeur en [verweerder] zijn in de afgelopen jaren tijdens of na afloop van projecten bij klanten, vele gesprekken geweest waarbij het functioneren werd geëvalueerd en de noodzakelijke verbeterpunten werden aangegeven. Toen in 2013 de situatie mede vanwege de achterblijvende omzet en klachten van klanten steeds ernstiger werd, heeft [verzoekster] besloten om met ondersteuning van een externe HR- adviseur met ingang van januari 2014 een intensief verbetertraject met [verweerder] op te starten om aldus tot een verbetering van diens functioneren te komen.

3.12

Na een jaar intensieve begeleiding, waarin vier gesprekken hebben plaatsgevonden, is de conclusie van [verzoekster] dat van verbetering in het functioneren van [verweerder] geen sprake is en dat evenmin is gebleken van enige bereidheid tot aanpassing.

3.13

Naast de evaluatiegesprekken zijn tussentijds op de werkvloer de werkprestaties van [verweerder] gemonitord en bijgestuurd en is aan [verweerder] actieve ‘coaching on the job’ verleend door zijn collega [functie] [FB] . Ook vonden er extra project-overleggen plaats met de technische dienst. [verweerder] heeft de nodige opleidingen kunnen volgen om zijn kennis en vaardigheden te vergroten.

3.14

[verzoekster] heeft binnen haar eigen organisatie en binnen de aan haar gelieerde bedrijven gezocht naar mogelijkheden of [verweerder] herplaatst zou kunnen worden in een andere meer passende functie, doch dat heeft geen resultaat opgeleverd.

3.15

Op 19 december 2014 heeft [verzoekster] een verzoek ingediend bij het UWV tot het verlenen van een ontslagvergunning voor [verweerder] wegens disfunctioneren. In dat kader heeft [verzoekster] [verweerder] vrijgesteld van het verrichten van werk.
Op 28 april 2015 is dat verzoek afgewezen.

3.16

Na de ontvangst van de beslissing van het UWV heeft [verzoekster] getracht om in onderling overleg afspraken te maken met [verweerder] over de beëindiging van zijn dienstverband en de voorwaarden waaronder dat zou kunnen plaatsvinden. In dat kader heeft zij de op non-actief stelling op 4 mei 2015 nogmaals bevestigd. [verzoekster] heeft een uitgewerkt voorstel tot beëindiging van de arbeidsrelatie gedaan en heeft [verweerder] aangeboden hem te begeleiden van werk naar werk, doch [verweerder] wenste niet mee te werken aan een outplacementtraject.

3.17

Voorzover de kantonrechter oordeelt dat de ongeschiktheid van [verweerder] tot het verrichten van de bedongen arbeid geen redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst vormt, verzoekt [verzoekster] de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van [verzoekster] in redelijkheid niet kan worden gevergd arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

3.18

De communicatie op de werkvloer van [verweerder] zowel met de directeur als met collega’s onderling resulteerde veelal in hevige discussies waardoor de werksfeer zeer veel te wensen overliet.

3.19

[verzoekster] en [verweerder] staan lijnrecht tegenover elkaar in hun opvattingen omtrent het functioneren van [verweerder] . Dit volgt uit de uitvoerige correspondentie tijdens het verbetertraject en uit de UWV procedure. Op alle punten waar [verzoekster] als werkgever kritiek heeft geuit op het functioneren van [verweerder] werd dit door hem van de hand gewezen en ontkend. Deze volstrekt defensieve en halsstarrige houding maakt een normale samenwerking niet meer mogelijk en verstoort de algehele arbeidsverhouding. Hoewel [verweerder] op zijn handelwijze en op zijn starre houding en gedrag meermalen is aangesproken, is zelfs met de begeleiding in de communicatie door een onafhankelijk bureau geen verbetering opgetreden. Gelet op de kleine omvang van de onderneming trekt dit een te zware wissel op de werksfeer en is een terugkeer van [verweerder] in redelijkheid geen reële optie.

4 Het verweer

4.1.

[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en verzoekt de verzochte ontbinding af te wijzen althans subsidiair hem bij ontbinding op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, naast de wettelijke transitievergoeding een billijke vergoeding toe te kennen, welke vergoedingen tezamen € 138.168,- bruto bedragen. Op hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd, zal in het navolgende zonodig worden ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

Beoordeeld dient te worden of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. De kantonrechter stelt vast dat onderhavig verzoek geen verband houdt met enig opzegverbod.

5.2.

Uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

5.3.

[verzoekster] voert aan dat de redelijke grond voor ontbinding primair is gelegen in ongeschiktheid van [verweerder] tot het verrichten van de bedongen arbeid en subsidiair in een zodanige verstoring van de arbeidsverhouding dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

5.4

Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door [verzoekster] ter onderbouwing van haar primaire verzoek naar voren gebrachte feiten en omstandigheden geen redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] wegens ongeschiktheid op. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.5

Tussen partijen staat vast dat gedurende de loop van het dienstverband - behoudens eenmalig in 2005 - geen functioneringsgesprekken hebben plaatsgevonden. Er zijn dus ook geen verslagen van dergelijke gesprekken. In 2005 heeft [verzoekster] [verweerder] een aantal punten van kritiek op zijn functioneren voorgelegd, deze vastgelegd en daarbij ‘regels’ gesteld, maar [verzoekster] heeft daar verder geen vervolg aan gegeven in die zin dat nadien geen gestructureerd overleg of kenbare toetsing of [verweerder] zich aan de ‘regels’ hield meer heeft plaatsgehad. [verweerder] stelt dan ook op goede gronden, dat hij daarna redelijkerwijs kon concluderen dat hij niet disfunctioneerde.

5.6

Met ingang van 2014 heeft [verzoekster] in aanwezigheid van [MZ] een viertal gesprekken met [verweerder] gevoerd. [verweerder] was het niet steeds eens met hetgeen hem in die gesprekken werd voorgelegd of verweten en hij heeft dan ook zijn zienswijze schriftelijk aan [verzoekster] doen toekomen. [verzoekster] meent dat die gesprekken een verbetertraject hebben ingehouden, doch noch uit de gespreksverslagen noch uit de toelichting daarop door [verzoekster] blijkt dat een concreet verbeterplan is opgesteld en dat [verweerder] daadwerkelijk begeleiding door [MZ] of een ander is geboden. Evenmin blijkt dat hem anderszins instrumenten ter verbetering van zijn functioneren zijn aangereikt. Het feit dat [verweerder] zijn schriftelijke reactie op de gespreksverslagen gaf, kan hem niet als ‘onwil tot verbetering’ tegengeworpen worden, nu hij heeft aangevoerd dat hij het gevoel kreeg dat [verzoekster] door plotseling niets dan kritiek te leveren er kennelijk op uit was om – bij voorkeur zo goedkoop mogelijk - afscheid van hem te nemen en dat hij meende zich daartegen te moeten verdedigen.

5.7

[verzoekster] stelt voorts dat [verweerder] ‘on the job coaching’ heeft gekregen. Het zou daarbij gaan om coaching door zijn collega- [functie] , [FB] . Onweersproken staat vast dat [FB] , toen hij in mei 2011 bij [verzoekster] kwam werken, in het geheel geen kennis of ervaring op het gebied van Telecom had en dat van [verweerder] verwacht werd dat hij hem zou inwerken. [verweerder] heeft in dat verband gesteld en dat is ook door [FB] bevestigd dat hij dat gedaan heeft en dat [FB] veel van [verweerder] heeft geleerd. Voor zover het echter ging om nieuwe technieken en producten heeft [verweerder] onweersproken gesteld dat [FB] aanmerkelijk eerder op cursus daarvoor en naar informatieve dagen daarover werd gestuurd dan [verweerder] , zodat niet vreemd is dat [verweerder] op dat punt niet veel kon bijdragen.
Verder heeft [verweerder] onweersproken gesteld dat, voordat [FB] werd aangesteld en was ingewerkt, de ‘grotere’ offertes door hem altijd met de directeur werden besproken en dat ongeveer vanaf begin 2014 de offertes van [FB] en [verweerder] over en weer werden bekeken en besproken. Volgens [verweerder] heeft dan ook geen ‘coaching’ plaatsgevonden. [verzoekster] heeft na dat gemotiveerd door [verweerder] gevoerde verweer niets naders ter onderbouwing van haar stelling aangevoerd en ook uit de verklaring van [FB] volgt niet dat hij die coaching in 2014 aan [verweerder] wel gaf, zodat de kantonrechter ervan uit moet gaan dat [verzoekster] [verweerder] niet van adequate coaching heeft voorzien.

5.8

Met betrekking tot de stelling van [verzoekster] dat [verweerder] cursussen heeft kunnen volgen ter vergroting van zijn kennis en vaardigheden heeft [verweerder] als verweer gevoerd dat hem in ieder geval in 2014 geen opleidingen daartoe zijn aangeboden. De trainingen die hij in dat jaar heeft bijgewoond betroffen slechts product-informatie bijeenkomsten, georganiseerd door leveranciers van de betreffende producten. Ook dat heeft [verzoekster] niet betwist en evenmin heeft [verzoekster] verdere informatie verstrekt waaruit zou kunnen volgen dat aan [verweerder] ter verbetering van zijn functioneren cursussen zijn aangeboden.

5.9

Op grond van het voorgaande kan de kantonrechter niet concluderen dat – voor zover [verzoekster] al terecht meende dat het functioneren van [verweerder] onvoldoende was ten opzichte van wat redelijkerwijs van hem verlangd mocht worden – [verzoekster] het nodige heeft gedaan om verbetering van functioneren door [verweerder] te bewerkstelligen. Van een behoorlijk verbetertraject is dan ook geen sprake geweest. Tot diezelfde conclusie was ook het UWV gekomen, hetgeen grond was om het verzoek om toestemming tot ontslag te weigeren.

5.10

Sinds die weigering toestemming tot ontslag te verlenen door het UWV heeft [verzoekster] geen enkele poging gedaan om alnog een deugdelijk verbetertraject met [verweerder] te doorlopen, nu immers [verzoekster] na de beslissing van het UWV aan [verweerder] heeft laten weten opnieuw tot op non-actiefstelling van [verweerder] over te gaan.

5.11

Nu op grond van voorgaande overwegingen het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens ongeschiktheid van [verweerder] tot het verrichten van de bedongen arbeid moet worden afgewezen, moet worden beoordeeld of sprake is van een zodanige verstoring van de arbeidsverhouding dat van [verzoekster] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

5.12

[verweerder] heeft in zijn verweer aangevoerd dat er van een verstoring van de arbeidsrelatie zijn inziens geen sprake is en dat onweersproken is gebleven zijn stelling dat [verzoekster] daarover ook eerder dan in het verzoekschrift niets heeft gesteld, terwijl [verweerder] al vanaf eind 2014/ begin 2015 op non-actief is gesteld.
Op grond van hetgeen ter zitting aan de orde is geweest kan de kantonrechter echter niet anders concluderen dan dat de arbeidsrelatie wel verstoord is geraakt door de handelwijze van [verzoekster] . Duidelijk is in dat kader dat van de kant van [verzoekster] te kennen is gegeven dat een toekomstige samenwerking in ieder geval niet meer tot de mogelijkheden behoort, althans dat men hiertoe niet wenst over te gaan. Gelet op de beperkte omvang van het bedrijf (9 werknemers) van [verzoekster] en het feit dat nagenoeg alle werknemers op verzoek van [verzoekster] een verklaring ter onderbouwing van het standpunt van [verzoekster] hebben verstrekt, kan voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet van [verzoekster] worden gevergd. Herplaatsing ligt om dezelfde reden niet in de rede.
Het verzoek tot ontbinding op de subsidiaire grond zal dan ook worden toegewezen. De arbeidsovereenkomst zal met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW worden ontbonden met ingang van 1 augustus 2016. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd. Als de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, behoeft de proceduretijd niet in mindering te worden gebracht.

5.13

[verweerder] verzoekt de kantonrechter om naast de transitievergoeding hem een billijke vergoeding toe te kennen in verband met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] .
Zoals hiervoor overwogen, is de noodzaak tot ontbinding ontstaan doordat [verzoekster] het functioneren van [verweerder] aan de orde heeft gesteld, maar ter verbetering daarvan niet een aan de daaraan te stellen eisen voldoend verbetertraject heeft ingezet en doorlopen. Na de afwijzende beslissing van het UWV heeft [verzoekster] volhard in haar standpunt en niet alsnog een deugdelijk verbetertraject ondernomen. Reeds voorafgaand aan enige beslissing met betrekking tot het door haar gewenste einde van het dienstverband met [verweerder] heeft [verzoekster] , zonder dat daartoe een gegronde reden aan [verweerder] is opgegeven, hem op non-actief gesteld en na de weigering door het UWV van de gevraagde toestemming tot ontslag heeft [verzoekster] , ook op dat punt volhard in haar standpunt en [verweerder] opnieuw een - overigens wederom niet gemotiveerde - op non-actiefstelling aangezegd. Doordat [verweerder] in de hele periode liggend tussen de aanvraag tot toestemming voor ontslag en de mondelinge behandeling in deze procedure buiten de organisatie is geplaatst, heeft [verzoekster] feitelijk een terugkeer van [verweerder] naar het werk onmogelijk althans onwerkbaar gemaakt. Daar komt bij dat [verzoekster] in de tussentijd van nagenoeg alle medewerkers verklaringen heeft opgevraagd, die aan de primaire grondslag van het verzoek niets hebben kunnen toevoegen en [verzoekster] reeds daarom achterwege had behoren te laten.

5.14

De kantonrechter ziet aanleiding om aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen. Er doet zich het geval voor dat [verzoekster] aan [verweerder] niet op juiste wijze en daarmee niet een reële kans heeft geboden om diens functioneren te verbeteren, en die kans kan ook thans niet meer worden geboden omdat de arbeidsverhouding inmiddels dusdanig is beschadigd dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Door [verweerder] zonder deugdelijke motivering op non-actief te stellen en zonder een nader gesprek die op non-actiefstelling te continueren, heeft [verzoekster] met inachtneming van het vooroverwogene ernstig verwijtbaar gehandeld. Dat [verzoekster] [verweerder] gedurende de periode van 1 januari 2015 heeft doorbetaald zonder dat hij werkzaamheden heeft verricht, maakt dat niet anders, nu dat een aan [verzoekster] toe te rekenen omstandigheid is, doordat zij de keus heeft gemaakt [verweerder] reeds bij het begin van de UWV-procedure op non-actief te stellen en die op non-actiefstelling steeds te laten voortduren.

5.15

Over de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de hoogte van de billijke vergoeding - naar haar aard - in relatie moet staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever, en niet tot de gevolgen van het ontslag voor de werknemer. Als ontslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, dan dient de werknemer hiervoor volgens die wetsgeschiedenis te worden gecompenseerd, ook om dergelijk handelen of nalaten van de werkgever te voorkomen. In de billijke vergoeding kan niet tot uitdrukking komen of het ontslag redelijk is mede in het licht van de gevolgen van het ontslag voor de werknemer, omdat dit al is verdisconteerd in de transitievergoeding. De hoogte van de billijke vergoeding moet daarom worden bepaald op een wijze die en op het niveau dat aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval, waarbij criteria als loon en lengte van het dienstverband geen rol hoeven te spelen. Uitgaande van het voorgaande en alle omstandigheden als vooroverwogen in aanmerking nemende zal de kantonrechter de billijke vergoeding vaststellen op een bedrag van € 35.000,- bruto.

5.16

Nu aan de ontbinding een vergoeding wordt verbonden, zal [verzoekster] gelet op artikel 7:686a lid 6 BW in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken binnen de hierna genoemde termijn.

5.17

Gelet op de uitkomst van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat de proceskosten voor rekening van [verzoekster] komen. Indien [verzoekster] het verzoek intrekt, zal zij eveneens de proceskosten van [verweerder] moeten betalen. De proceskosten van [verweerder] worden vastgesteld op een bedrag van € 400,00 voor salaris van de gemachtigde van [verweerder] .

6 De beslissing

De kantonrechter:

-
bepaalt dat [verzoekster] het verzoek tot en met 31 maart 2016 kan intrekken, door schriftelijke mededeling aan de griffier onder toezending van een kopie daarvan aan [verweerder] ;

In het geval [verzoekster] van de bevoegdheid het verzoek in te trekken geen gebruik maakt:

- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 augustus 2016;

- veroordeelt [verzoekster] aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen conform artikel 7:673 BW;

-veroordeelt [verzoekster] aan [verweerder] een billijke vergoeding te betalen van € 35.000,- bruto;

- veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verweerder] tot en met vandaag vaststelt op € 400,- aan salaris gemachtigde;

- wijst het meer of anders verzochte af;

In het geval [verzoekster] van de bevoegdheid het verzoek in te trekken gebruik maakt:

- veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verweerder] tot en met vandaag vaststelt op € 400,- aan salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. Y.E. Kastein, kantonrechter en op 17 maart 2016 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.