Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:3401

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-03-2016
Datum publicatie
28-04-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 22446
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bagdad, geen 15c-situatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/22446

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 maart 2016 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr.drs. A. Hol),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder, voor zover thans van belang, de aanvraag van eiser om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Op 4 januari 2016 heeft verweerder een aanvullend besluit genomen (hierna: het aanvullende besluit).

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 5 januari 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig D.J. Doets, tolk.

Op 8 januari 2016 is het onderzoek heropend en is de zaak doorverwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer is voortgezet op 10 maart 2016.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig N. Sulaiman, tolk.

Overwegingen

1. Het beroep heeft, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) mede betrekking op het aanvullende besluit.

2. Eiser is afkomstig uit de stad Bagdad (hierna: Bagdad-stad), Irak. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij niet naar Bagdad-stad kan terugkeren gelet op de algemene veiligheidssituatie aldaar. Verweerder heeft de aanvraag van eiser krachtens artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) als kennelijk ongegrond afgewezen. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat, anders dan in onder meer de gebieden rondom Bagdad-stad (de “Baghdad-belts”) het geval is, in Bagdad-stad geen sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2004/83/EG (de Definitierichtlijn), geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000 (hierna: 15c-situatie). Verweerder heeft in dit kader verwezen naar de uitspraak van het Britse Upper Tribunal van 5 oktober 2015 (AA/06175/2009) en het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse zaken inzake Irak van oktober 2015 (hierna: het ambtsbericht). Voorts wijst verweerder erop dat ook Zweden, België en Duitsland Bagdad-stad niet aanmerken als 15c-gebied.

Eiser heeft volgens verweerder voorts niet aannemelijk gemaakt dat hij als soenniet te vrezen heeft voor een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) strijdige behandeling.

3. Ambtshalve overweegt de rechtbank als volgt.

3.1.

Uit vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, hierna: de Afdeling, van 6 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2266) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, de bestuursrechter dat besluit slechts kan toetsen, voor zover thans van belang, indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd.

3.2.

Bij besluit van 22 juni 2007 heeft verweerder een aanvraag van eiser, om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen omdat Griekenland verantwoordelijk was voor de behandeling van het asielverzoek.

Bij besluit van 31 maart 2008 heeft verweerder een opvolgende aanvraag van eiser, om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, met toepassing van artikel 4:6 van de Awb afgewezen. Volgens verweerder kon ten aanzien van Griekenland nog immer worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Bij uitspraak van 22 januari 2010 heeft de rechtbank het daartegen gerichte beroep gegrond verklaard en voormeld besluit vernietigd. Bij besluit van 28 juli 2011 heeft verweerder de desbetreffende aanvraag inhoudelijk beoordeeld en afgewezen. Dit besluit is in rechte vast komen te staan.

Het bestreden besluit, aangevuld bij besluit van 4 januari 2016, is van gelijke strekking als het besluit van 28 juli 2011, zodat op het beroep het in rechtsoverweging 3.1 weergegeven toetsingskader van toepassing is.

3.3.

De rechtbank overweegt dat gelet op de veranderlijke veiligheidssituatie in Irak en Bagdad in het bijzonder, en gelet op de inhoud van het ambtsbericht, sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De rechtbank zal het bestreden besluit en het aanvullende besluit derhalve inhoudelijk toetsen.

4. Eiser voert allereerst aan dat verweerder de aanvullende zienswijze van 17 december 2015 niet bij de beoordeling heeft betrokken. Voorts betoogt eiser dat de algemene veiligheidssituatie in Bagdad-stad zodanig is dat sprake is van een 15c-situatie. Daartoe verwijst eiser onder meer naar het ambtsbericht, cijfers van de website www.iraqbodycount.com van 16 oktober 2015 tot en met 8 maart 2016, een artikel van The Guardian van 5 april 2015, een brief met bijlagen van Vluchtelingenwerk van 25 februari 2016 en het reisadvies inzake Irak van de Minister van Buitenlandse Zaken van 19 januari 2016. De ernstige bedreiging voor inwoners van Bagdad-stad is niet minder dan die voor inwoners van gebieden die verweerder als 15c-gebieden heeft aangewezen. Dat de aard van het geweld verschilt, is niet van belang. Dat veel ontheemden uit ISIS-gebied naar Bagdad zijn getrokken, is evenmin van belang aangezien zij geen ander vluchtalternatief hebben. Onder verwijzing naar de ambtsberichten inzake Irak van december 2013 en september 2014 voert eiser aan dat soennieten zich niet in het overwegend sji’itische zuiden van Irak kunnen vestigen en dat de positie van Iraakse vluchtelingen in Jordanië in toenemende mate onder druk staat als gevolg van de grote toestroom van Syrische vluchtelingen.

Inwoners van Bagdad-stad kunnen geen normaal leven leiden. De situatie in Bagdad-stad is wezenlijk verslechterd sinds de periode tot mei 2015, die is beoordeeld in de uitspraak van het Upper Tribunal van 5 oktober 2015, zodat verweerder ten onrechte veel waarde heeft toegekend aan die uitspraak.

Verweerder heeft zich verder ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zich binnen Bagdad-stad zou kunnen vestigen in soennitisch gebied, aangezien hij in het overwegend sji’itische Bagdad een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Hij verwijst in dit kader naar de situatie van soennieten en Bagdad en de problemen die hij in 2006 in Bagdad heeft ondervonden.

5. In het aanvullende besluit heeft verweerder erkend dat hij de aanvullende zienswijze niet bij de beoordeling heeft betrokken en is hij alsnog op deze zienswijze ingegaan. Gelet hierop is het beroep gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank zal hierna bezien of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit en de aanvulling daarop in stand kunnen worden gelaten.

6. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Volgens paragraaf C2/3.3. van de Vreemdelingencirculaire (hierna: de Vc 2000) worden bij de vraag of sprake is van een uitzonderlijke situatie in ieder geval de volgende elementen in samenhang gewogen:

  • -

    de vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;

  • -

    de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;

  • -

    de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;

  • -

    de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.

Volgens paragraaf C7/13.4.1. van de Vc 2000 wijst verweerder uitsluitend de volgende gebieden aan als gebieden waarin sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000: de provincies Anwar, Ninewa, Salaheddin, Ta’min en Diyala, en de delen van de ring ‘rondom’ de stad Bagdad (de zogenaamde Baghdad-belts), waar gevochten wordt tegen ISIS.

De algemene veiligheidssituatie

7. Ten aanzien van het toetsingskader overweegt de rechtbank als volgt.

7.1.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 21 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:658) kan uit jurisprudentie van het Hof van Justitie worden afgeleid dat artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000 bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op de in dat artikelonderdeel bedoelde bedreiging.

7.2.

De vragen wie het willekeurige geweld pleegt en met welke middelen geweld wordt toegepast zijn niet van belang voor de vraag of sprake is van een 15c-situatie. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Evenmin is in geschil dat de vraag, of een vreemdeling zich aan het geweld kan onttrekken door bepaalde delen van de stad te mijden, niet van belang is.

Uit voormelde uitspraak van de Afdeling vloeit voort dat de kans dat een vreemdeling bij terugkeer naar -in dit geval- Irak, louter door zijn aanwezigheid daar ernstige schade zal lijden ten gevolge van willekeurig geweld, bepalend is. Zoals het Upper Tribunal in de uitspraak van 5 oktober 2015 heeft overwogen, is bij de vraag of sprake is van een 15c-situatie het aantal burgerdoden en –gewonden niet van doorslaggevende betekenis. Naar het oordeel van de rechtbank is evenmin van doorslaggevend belang of sprake is van een redelijk normaal dagelijks leven en in hoeverre Irakese vluchtelingen van en naar Bagdad trekken. Deze elementen zijn, afzonderlijk bezien, onvoldoende om te kunnen bepalen of in een bepaald gebied sprake is van een 15c-situatie, maar de beoordeling van deze elementen in onderlinge samenhang bezien kan, mede gelet op het bepaalde in paragraaf C2/3.3 van de Vc 2000, wel leiden tot de conclusie dat van een dergelijke situatie sprake is. Verweerder heeft voormelde elementen dan ook terecht bij zijn beoordeling betrokken.

8. Met inachtneming van dit toetsingskader overweegt de rechtbank als volgt.

8.1.

In paragraaf 3.1 en 3.2 van het ambtsbericht van oktober 2015 staat vermeld:

“Aan het eind van de verslagperiode had ISIS de controle in de volgende steden en gebieden eromheen: Mosul, Qayyarah, Sharqat, Hawija, Tal Afar, Ba’aj, Fallujah, Karma, Ramadi, Hit, Qaim, Waleed, Rutba en een aantal kleinere dorpen.

3.2.

Bagdad

Bagdad blijft de zwaarst getroffen provincie van Irak voor wat betreft aantallen burgerdoden. In de periode 11 december 2014 tot en met 30 april 2015 kwamen minstens 1586 burgers door geweld om het leven en raakten er minstens 4138 burgers gewond. Naast conflict-gerelateerd geweld was er in de provincie Bagdad ook sprake van crimineel of sektarisch geweld, waarbij burgers het slachtoffer zijn geworden. (…)

Gewapende sjiitische milities waren net als in de vorige verslagperiode zichtbaar aanwezig in de stad, voor zover bekend betreft het hier in ieder geval Kata’ib Hezbollah, de Badr organisatie en Asaib Ahl al-Haq. De situatie dat zij in de sjiitische buitenwijken van de stad de veiligheid bewaken en daar in grote mate onafhankelijk zijn, lijkt in de verslagperiode niet veranderd te zijn. Zij hadden op verschillende plekken in de stad waar sjiieten de meerderheid vormen controleposten opgesteld. Het is onbekend of deze controleposten de bewegingsvrijheid van individuele burgers ernstig beperken. Evenmin is bekend of de sjiitische milities systematische huiszoekingen verrichten in het kader van het bewaken van de veiligheid.

De militie Kata’ib Hezbollah raakte in september 2015 slaags met de federale veiligheidstroepen in het centrum van de stad, waarbij aan beide zijden slachtoffers vielen.

In tegenstelling tot de vorige verslagperiode beperkt het geweld gericht tegen burgers zich niet langer tot wijken waar de sjiieten de meerderheid vormen. De (zelf)moordaanslagen die dagelijks plaatsvinden in de stad worden zowel in sjiitische, als in soennitische en religieus gemengde wijken gepleegd. Er zijn dagelijks aanslagen waarbij per aanslag een relatief klein aantal burgers om het leven komt. Deze aanslagen worden veelal niet opgeëist en de daders worden veelal niet opgespoord. Hoewel de grote meerderheid van de aanslagen gericht is op burgers, kwamen bij dergelijke aanslagen ook politieagenten en Sahwa-leden om het leven. Waar ISIS in andere provincies ook de Iraakse veiligheidsorganisaties tot doel had, leken de aanslagen in Bagdad niet gericht te zijn op overheidspersoneel of – gebouwen. Ook worden dagelijks lijken gevonden in de stad van personen die door geweld om het leven zijn gebracht. Deze moorden lijken meer sektarisch of crimineel gemotiveerd te zijn. Daarnaast zijn er verslagperiode meerdere aanslagen in de stad gepleegd waarbij grote aantallen burgers om het leven kwamen. Een aantal hiervan is door ISIS opgeëist.

In mei 2015 nam het sektarisch geweld toe tijdens een aantal sjiitische feestdagen waar duizenden pelgrims uit verschillende provincies deelnamen. Zij werden doelwit van een aantal gerichte aanvallen, waarbij dodelijke slachtoffers zijn gevallen. Echter, ook de pelgrims zelf gebruikten geweld. Zo staken op 14 mei 2015 pelgrims een soennitisch religieus gebouw in de wijk Adhamiya (soennitische meerderheid) in brand waarbij doden vielen.

In de verslagperiode vonden er bijna elke maand aanslagen plaats waarbij een groot aantal burgers slachtoffer werd. Uit het aantal grote aanslagen met veel burgerslachtoffers is af te leiden dat ISIS nog altijd in staat is dergelijke gerichte aanslagen uit te voeren in de hoofdstad.

(…). ”

8.2.

Verweerder heeft bij brief van 9 december 2015 aan de Tweede Kamer (TK 2015-2016, 19 637, nr. 2015) meegedeeld wat de beleidsconclusies zijn die hij heeft getrokken uit het ambtsbericht. In de brief heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit het ambtsbericht weliswaar blijkt dat er in Irak meerdere strijdende legers, milities en gewapende groeperingen zijn, die meerdere soorten gericht en willekeurig geweld plegen, maar dat in onder meer Bagdad-stad geen sprake is van een 15c-situatie. Verweerder maakt in de brief onderscheid tussen enerzijds het gebied waar ISIS delen onder controle heeft en waar wordt gevochten tussen ISIS en anti-ISIS strijdgroepen en anderzijds de overige delen van Irak, waaronder de stad Bagdad, Zuid-Irak en de Koerdische Autonome regio.

8.3.

In de uitspraak van de Upper Tribunal van 5 oktober 2015, waarop verweerder zijn standpunt dat in Bagdad-stad geen sprake is van een 15c-situatie, grotendeels heeft gebaseerd, is overwogen dat:

“126. When viewed in the context of the size of the population of Baghdad city, we do not find the level of civilian deaths and injuries are, even taken at its highest and allowing fort he likelihood of underreporting, to be indicative of the level of indiscriminate violence so as to engage Article 15(c). (…)

127. We accept, however, that the statistics as to the level of civilian deaths and injuries in Baghdad are not determinative of the issue before us; indeed if they were then, as [persoon A] properly points out, they are not significally different to the statistics on deaths and injuries to civilians drawn in relation to someof the governorates in the contested areas. A more holistic approach is required.

128. There are significant differences as between the circumstances in the contested areas and those prevailing in Bagdad.

129. Although displacement levels are clearly a relevant factor when taking the inclusive approach to a consideration of Article 15(c), we are cautious about giving them undue prominence in our holistic assessment. A person who is facing egregious violence in one place may decide to move to another place that, whilst safer, is still far from peaceful. We do, however, accept that the large movement of people from the contested areas to Baghdad city is indicative of there being sufficiently less violence in Bagdad to make the arduous and upsetting process of fleeing one’s home worthwile. The geography also indicates that those moving to Baghdad from the contested area’s do not face a “Hobson’s choice”, in that some, at least, would appear to have the option of seeking refuge in the Southerns Governorates or across the boarder to Jordan.

130. (…) Daily life in Baghdad carries on in the midst of all the violent incidents. Somehow communications, transport, trade and industry and public business go on functioning, in spite of the many restrictions as a result of the many years of misrule, corruption and poor security.

It is also relevant that the violence in Bagdad is largely generated by asymmetrical warfare (i.e. sporadic terrorist attacks) rather than by all out fighting, such as is to be seen in the contested area’s.

(…)

132. Having considered all of the evidence before us, a summary of which we have set out above, in our view we do not find that te level of violence in Baghdad city, or in Baghdad governate as a whole, comes even close to crossing the Article 15(c) threshold.”

8.4.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat het geweld in Bagdad-stad zich onderscheidt van het geweld in de in paragraaf C7/13.4.1. van de Vc 2000 genoemde gebieden, waaronder de ‘Baghdad-belts’, waar gestreden wordt door en tegen ISIS. Zoals de British Upper Tribunal heeft overwogen, wordt het geweld in Bagdad-stad met name veroorzaakt door sporadische terroristische aanvallen en niet door “all out fighting”, hetgeen volgens verweerder wel aan de orde is in voormelde gebieden.

Voorts blijkt uit het ambtsbericht dat per (zelf)moordaanslag een relatief klein aantal burgers om het leven komt. Met betrekking tot het aantal burgerdoden, afgezet tegen de totale bevolking van Bagdad-stad, heeft eiser verwezen naar recente cijfers die zijn gepubliceerd door de website www.iraqbodycount.com. Uit deze website blijkt niet of deze cijfers zien op het aantal burgerdoden in alleen Bagdad-stad, in Bagdad-stad en de “Baghdad-belts”, of in de provincie Bagdad in zijn geheel. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat het aantal burgerdoden zoals vermeld op voornoemde website, afgezet tegen de totale burgerbevolking, zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat deze cijfers alleen zien op Bagdad-stad, niet zodanig zijn dat hieruit blijkt van een 15c-situatie. De rechtbank overweegt dat uit deze cijfers weliswaar blijkt dat er zeer veel burgerslachtoffers vallen, maar dat er geen sprake is van een wezenlijke wijziging van het aantal burgerdoden in Bagdad-stad ten opzichte van de aantallen burgerdoden die het Upper Tribunal in rechtsoverweging 118 tot en met 126 bij haar beoordeling heeft betrokken en die betrekking hebben op de situatie tot ongeveer mei 2015.

Voorts heeft verweerder onder verwijzing naar de uitspraak van het Upper Tribunal terecht bij de beoordeling betrokken dat het dagelijks leven in Bagdad-stad doorgaat ondanks alle geweldsincidenten in de stad. Verweerder heeft hierbij gewezen op rechtsoverweging 192 van die uitspraak, waarin is overwogen dat bewoners van Bagdad, delen van de dag, beschikking hebben tot elektriciteit en water, dat de scholen open zijn, dat scholing gedurende meerdere jaren niet serieus onderbroken is en dat de gezondheidszorg weliswaar niet optimaal is, maar dat deze beter functioneert in Bagdad dan in andere plaatsen. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat, hoewel de veiligheidssituatie zeer slecht is, een redelijk normaal dagelijks leven kan worden geleid.

Verder heeft verweerder terecht als ondersteunend argument gebruikt dat, anders dan in de 15c-gebieden, minder sprake is van een wegtrekkende bevolking en dat juist sprake is van ontheemden die naar Bagdad trekken. Het betoog van eiser dat (soennitische) vluchtelingen zich, anders dan verweerder stelt, niet kunnen vestigen in Zuid-Irak of Jordanië, slaagt niet. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt weliswaar dat de positie van Irakese vluchtelingen in Jordanië en van soennitische vluchtelingen in Zuid-Irak moeilijk is, maar van een zogenaamde “Hobson’s choice”, waarbij vluchtelingen geen andere keus hebben dan naar Bagdad te trekken, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

Gelet op vorengaande en gelet op de omstandigheid dat de door eiser overgelegde stukken naar het oordeel van de rechtbank geen wezenlijke verslechtering van de veiligheidssituatie laten zien ten opzichte van de periode die aan de orde was in de uitspraak van de Upper Tribunal, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat in Bagdad-stad geen sprake is van een 15c-situatie.

De situatie voor eiser als soenniet

9. Met betrekking tot het betoog van eiser dat hij gelet op de problemen die hij in Bagdad als soenniet heeft ondervonden, bij terugkeer een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling, overweegt de rechtbank als volgt.

9.1.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat er in Bagdad-stad ook soennitische wijken zijn waar eiser zich zou kunnen vestigen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat uit de door eiser overgelegde stukken weliswaar blijkt dat sprake is van ontvoeringen, verdwijningen en deportaties van soennieten uit delen van Irak, maar dat niet is gebleken dat soennieten in Bagdad-stad systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank voorts terecht op het standpunt gesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat sji’itische milities sinds zijn vertrek uit Irak in 2006 naar hem op zoek zijn, of dat hij bij terugkeer in Bagdad zal worden vervolgd door een bepaalde sji’itische militie. Het betoog slaagt niet.

10. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 8.1. tot en met 9.1. is overwogen, ziet de rechtbank aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

11. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1240,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1240,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Meijer, voorzitter, mr. T. Sleeswijk Visser-de Boer, en mr. J.J.P. Bosman, leden, in aanwezigheid van mr. M.E. Stikvoort-Ydema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.