Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:3371

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-03-2016
Datum publicatie
21-04-2016
Zaaknummer
C/09/481471 / HA ZA 15-99
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

civielrechtelijke ontruimingsvordering Staat; doorhaling voordering gedaagde sub 1, minnelijke regeling na cna gedaagde sub 2 en verstek gedaagden sub 3, kosten oproepingsadvertentie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/495478 / HA ZA 15-1015

Vonnis van 30 maart 2016

in de zaak van

De publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Rijksvastgoedbedrijf),

zetelende te Den Haag,

eiseres,

advocaat: mr. F. Sepmeijer te Den Haag,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende of verblijvende te [woon- of verblijfplaats] ,

gedaagde,

advocaat: mr. E. Tamas te Den Haag,

2. Zij die verblijven of wonen in de onroerende zaak of een gedeelte daarvan, staande en gelegen te [plaats] aan de [adres] ,

gedaagden,

niet verschenen.

Eiseres zal hierna de Staat worden genoemd. Gedaagde sub 1 zal hierna [gedaagde sub 1] worden genoemd en gedaagden sub 2 zullen de gedaagden sub 2 worden genoemd. Gedaagden sub 1 en 2 zullen gezamenlijk de gedaagden worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 augustus 2015, met producties;

  • -

    de verstekverlening tegen de gedaagden sub 2 van 2 september 2015;

  • -

    de conclusie van antwoord van 14 oktober 2015, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 28 oktober 2015, waarin een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 3 maart 2016, met de daarin genoemde stukken.

1.2.

De dagvaarding van 24 augustus 2015 was ook betekend aan [A] . [A] heeft tezamen met [gedaagde sub 1] geconcludeerd voor antwoord. Tijdens de comparitie is tussen de Staat en [A] een minnelijke regeling getroffen, waarna de zaak ten aanzien van [A] is doorgehaald. In de procedure tegen [gedaagde sub 1] en de gedaagden sub 2 is vonnis bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

[gedaagde sub 1] woont of verblijft sinds december 2014 het appartement staande en gelegen te [plaats] aan de [adres] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie […] , nummer [nummer] , Appartementsnummer [appartementsnummer] (hierna: het pand), althans heeft zij daar gewoond of verbleven.

2.2.

De Staat is sinds 20 maart 2015 eigenaar van het pand. De Staat heeft het pand bij notariële akte van levering in eigendom verkregen van de heer [B] . In de akte van levering is – voor zover hier van belang – het volgende bepaald:

Juridische staat

Artikel 6.

6.1

[B] levert de Registergoederen:

(...)

c. niet bezwaard met beperkte rechten, met uitzondering van erfdienstbaarheden, voor zover daarvan niet uit de akte blijkt; en

d. vrij van kwalitatieve verplichtingen en lasten en beperkingen uit overeenkomst, voor zover daarvan niet uit deze akte blijkt.

(...)

Vrij van huur

Artikel 8.

[B] verklaart het Verkochte niet te hebben verhuurd en niet op enige andere wijze in gebruik aan derden te hebben gegeven.”

2.3.

Op 1 juni 2015 hebben medewerkers van de Staat samen met een medewerker van de politie het pand bezocht. Op 19 juni 2015 heeft de Staat aangifte gedaan van huisvredebreuk. In het proces-verbaal van aangifte wordt over het huisbezoek aan het pand op 1 juni 2015 onder meer vermeldt:

“Wij hebben toen vastgesteld dat er vier personen aanwezig waren in het pand.

Als krakers hebben zich gemeld dat de heer:

--- [A] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] ---

en

--- [gedaagde sub 1] , geboren [geboortedatum 2] te [geboorteplaats] ---

Zij hebben zich beide aan ons gelegitimeerd. Volgens beide waren de rest van de aanwezigen in het pand geen kraker en waren zij gewoon op bezoek. (…)

In de keuken van het pand zag ik dat er een groot gat in de grond was gemaakt. Indien mogelijk de ik in deze aangifte ook tevens aangifte van vernieling van een staatseigendom.

(...)

Wij ondervinden, evenals de politie en de buren veelvuldig overlast van de krakers in het pand en willen hen zo spoedig als mogelijk uit het pand verwijdert hebben.”

2.4.

Bij brief van 27 juli 2015 heeft de Staat de gedaagden gesommeerd om uiterlijk 7 augustus 2015 over te gaan tot ontruiming van het pand en – voor zover van belang – hun identiteit kenbaar te maken. De gedaagden hebben niet op de sommatie gereageerd.

2.5.

De Staat en [gedaagde sub 1] zijn kort na de comparitie van 3 maart 2016 het volgende overeengekomen:

  • -

    “(…) mevrouw [gedaagde sub 1] , stemt in met een verkort ontruimingsvonnis per 15 april 2016;

  • -

    Ieder der partijen draagt zijn eigen proceskosten.”

3 Het geschil en de beoordeling daarvan

Het geschil jegens [gedaagde sub 1]

3.1.

De Staat en [gedaagde sub 1] hebben overeenstemming bereikt. Zij hebben de rechtbank verzocht deze overeenstemming op te nemen in dit vonnis en [gedaagde sub 1] te veroordelen tot ontruiming van het pand, conform hetgeen partijen zijn overeengekomen.

3.2.

De rechtbank zal de overeengekomen ontruiming toewijzen en de kosten tussen de Staat en [gedaagde sub 1] compenseren. Gelet op de bereikte overeenstemming, zal de rechtbank het meer of anders gevorderde ten aanzien van [gedaagde sub 1] afwijzen.

Het geschil jegens de gedaagden sub 2

3.3.

Nu de vordering jegens [A] is ingetrokken, en de Staat en [gedaagde sub 1] een minnelijke regeling hebben bereikt, is het onderhavige vonnis jegens de gedaagden sub 2 te beschouwen als een verstekvonnis in de zin van artikel 139 Rv.

3.4.

De Staat vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

I. de gedaagden veroordeelt om de door hen bewoonde c.q. bij hen in gebruik zijnde onroerende zaak of een gedeelte daarvan gelegen aan de [adres] te [plaats] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie […] , nummer [nummer] , Appartementsnummer [appartementsnummer] , binnen 7 dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, dan wel binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, te ontruimen en niet opnieuw in gebruik te nemen of te geven, zulks met al het hunne en al degenen die zich hunnentwege daarin mochten bevinden daaronder begrepen;

II te bepalen dat het te dezen te wijzen vonnis tot één jaar na de dag van de uitspraak of, indien tenuitvoerlegging van het vonnis na verloop van een bepaalde termijn wordt toegestaan, tot één jaar na de dag waarop die termijn verstrijkt, ten uitvoer kan worden gelegd, tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging zonder recht of titel in de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te [plaats] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie […] , nummer [nummer] , Appartementsnummer [appartementsnummer] , bevindt of dit betreedt met als doel in het pand te verblijven/wonen en telkens wanneer zich dit voordoet;

Tevens vordert de Staat om de gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen vonnis, en in de nakosten. De kosten die de Staat stelt te hebben gemaakt voor de oproepingsadvertentie van de gedaagden sub 2 heeft zij begroot op een bedrag van € 231,49 en onderbouwd met een factuur.

3.5.

De Staat legt aan haar vorderingen – kort samengevat – ten grondslag dat de gedaagden zonder toestemming en zonder recht of titel gebruik maken van het pand. Deze inbreuk op zijn eigendomsrecht is onrechtmatig jegens de Staat en rechtvaardigt volgens de Staat op zichzelf reeds de gevorderde ontruiming, zeker nu de gedaagden vernielingen toebrengen aan het pand. Daarnaast wil de Staat gebruik maken van haar eigendomsrecht en aan het pand herstelwerkzaamheden laten uitvoeren om het daarna te verkopen. Het gebruik van het pand door de gedaagden staat de verkoop en de voor de verkoop vereiste herstelwerkzaamheden aan het pand echter in de weg, aldus de Staat. Het pand is volgens de Staat in de huidige staat ook niet geschikt voor bewoning.

De Staat stelt dat bovendien sprake is van strijd met de openbare orde en gevaarzetting, doordat de gedaagden in het pand strafbare feiten plegen en overlast veroorzaken in de buurt. De Staat heeft daarom des te meer belang bij de gevorderde ontruiming, aldus de Staat.

3.6.

De gedaagden sub 2 zijn niet verschenen en hebben derhalve geen verweer gevoerd. Nu de vorderingen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen, zullen deze jegens de gedaagden sub 2 worden toegewezen.

3.7.

De gedaagden sub 2 zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:

- dagvaarding € 94,19

- advertentiekosten 231,49

- betaald griffierecht 613,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.842,68

De gedaagden sub 2 zullen – hoofdelijk – worden veroordeeld tot betaling van de kosten van de oproepingsadvertentie ad € 231,49, de helft van het door de Staat betaalde griffierecht (1/2 x € 613,00) en de helft van het salaris van de advocaat van de Staat (1/2 x € 904,00), derhalve in totaal € 989,99.

3.8.

Ten aanzien van de vordering van de Staat tot vergoeding van de nakosten overweegt de rechtbank dat daarvoor geen grond bestaat, nu de kostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116).

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om de door haar bewoonde c.q. bij haar in gebruik zijnde onroerende zaak of gedeelte daarvan gelegen aan de [adres] te [plaats] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie […] , nummer [nummer] , Appartementsnummer [appartementsnummer] , op uiterlijk 15 april 2016 te ontruimen en niet opnieuw in gebruik te nemen of te geven, zulks met al het hare en al degenen die zich harentwege daarin mochten bevinden daaronder begrepen;

4.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen de Staat en [gedaagde sub 1] , in die zin dat de Staat en [gedaagde sub 1] ieder de eigen kosten dragen;

4.3.

veroordeelt de gedaagden sub 2 om de door hen bewoonde c.q. bij hen in gebruik zijnde onroerende zaak of gedeelte daarvan gelegen aan de [adres] te [plaats] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie […] , nummer [nummer] , Appartementsnummer [appartementsnummer] , binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en niet opnieuw in gebruik te nemen of te geven, zulks met al het hunne en al degenen die zich hunnentwege daarin mochten bevinden daaronder begrepen;

4.4.

bepaalt dat dit vonnis tot één jaar na heden ten uitvoer kan worden gelegd, tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging zonder recht of titel in de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te [plaats] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie […] , nummer [nummer] , Appartementsnummer [appartementsnummer] , bevindt of dit betreedt met als doel in de onroerende zaak te verblijven/wonen en telkens wanneer zich dit voordoet;

4.5.

veroordeelt de gedaagden sub 2 in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 989,99, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

4.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Kelkensberg en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2016.

type:

coll: