Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:3368

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-04-2016
Datum publicatie
01-04-2016
Zaaknummer
AWB 15/12286, AWB 15/12284
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eisers hebben aanvragen ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eisers hebben aangevoerd dat zij bij terugkeer naar Pakistan te vrezen hebben voor eerwraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummers: AWB 15/12286,

AWB 15/12284,

V-nummers: [nummer] ,

[nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 april 2016 in de zaken tussen

[eiseres] , eiseres,

[eiser] , eiser,

hierna samen aangeduid als eisers

gemachtigde: mr. T. Thissen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. P.P. Zweedijk.

Procesverloop

Bij separate besluiten van 2 juni 2015 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2015. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Hofland.

De rechtbank heeft de beroepen van eisers bij brief van 8 december 2015 doorverwezen naar de meervoudige kamer.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2016. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen de heer T.J. Hussain, tolk.

Overwegingen

1. De bestreden besluiten dateren van 2 juni 2015. De rechtbank overweegt ambtshalve dat op 20 juli 2015 de wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ter implementatie van onder meer Richtlijn 2013/32/EU van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking Procedurerichtlijn; hierna: de Richtlijn) in werking is getreden. Op grond van het in die wetswijziging (Staatsblad 2015, 292) opgenomen overgangsrecht, zoals, voor zover hier van belang, neergelegd in artikel II, eerste lid, is op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 waarop is besloten voor inwerkingtreding van deze wet het recht zoals dit gold voor inwerkingtreding van deze wet van toepassing, met uitzondering van artikel 83a (nieuw) van de Vw 2000, tenzij het onderzoek door de rechtbank voor 20 juli 2015 is gesloten. Nu het bestreden besluit dateert van voor 20 juli 2015 is het recht zoals dit gold voor de inwerkingtreding van de wijziging van de Vw 2000 van toepassing. Echter, aangezien de sluiting van het onderzoek heeft plaatsgevonden na 19 juli 2015 omvat de toetsing van de rechtbank wel het in artikel 83a (nieuw) van de Vw 2000 bedoelde volledig en ex nunc onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek naar de behoefte van internationale bescherming.

1.1.

Het grondbeginsel van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel is neergelegd in artikel 46 van de Richtlijn, welk artikel is geïmplementeerd in artikel 83a van de Vw 2000. Op grond van het eerste lid van artikel 46 van de Richtlijn moeten de lidstaten ervoor zorgen dat voor asielzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen de in dat artikellid vermelde handelingen. Op grond van het derde lid van artikel 46 van de Richtlijn moeten de lidstaten ervoor zorgen dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking), zulks ten minste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg.

1.2.

De rechtbank stelt voorop dat ook in asielzaken de omvang van het geding wordt bepaald door het bestreden besluit en – behoudens ambtshalve te beoordelen punten – datgene wat de vreemdeling tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd. Daarbij dient de rechtbank, gelet op het vereiste van ex nunc onderzoek, nieuw gebleken feiten, omstandigheden of ontwikkelingen, inclusief het bewijs daarvan, in beginsel te betrekken bij haar beoordeling.

1.3.

Een volledig onderzoek naar de feiten, daaronder begrepen de geloofwaardigheid van het asielrelaas, en de juridische gronden, als bedoeld in artikel 46, derde lid, van de Richtlijn, impliceert dat de rechtbank in beginsel de uitkomsten van verweerders onderzoek grondig moet kunnen toetsen. De rechtbank verwijst in dat kader naar haar uitspraak van 5 november 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:12713).

1.4.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank binnen de hiervoor beschreven grenzen van het geschil de relevante feitelijke en juridische elementen in beginsel vol toetst. Iedere andere uitleg zal ertoe leiden dat het nuttig effect wordt ontnomen aan artikel 46, derde lid, van de Richtlijn en dat de volgens dat artikel vereiste rechterlijke controle wordt uitgehold, waardoor de verwezenlijking van de door de Richtlijn nagestreefde doelstellingen in gevaar zou worden gebracht. Dit laat onverlet dat het in een concreet voorliggende zaak ten aanzien van die elementen waarbij specifieke deskundigheid is vereist, aangewezen kan zijn om met wat meer terughoudendheid de door verweerder gemaakte beoordeling te toetsen.

2. Op 20 november 2014 hebben eisers een asielaanvraag ingediend. Ter staving van hun asielrelaas hebben eisers, kort samengevat, naar voren gebracht dat zij bij terugkeer naar Pakistan te vrezen hebben voor eerwraak. Eisers stellen zonder toestemming van hun families met elkaar te zijn getrouwd. Eiser heeft gesteld in mei 2014 mishandeld te zijn, vermoedelijk door een handlanger van de broer van eiseres.

3. Verweerder heeft de asielaanvragen afgewezen op de grond dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat hun aanvraag is gebaseerd op feiten en omstandigheden die grond voor verlening van een asielvergunning vormen. Verweerder heeft geloofwaardig geacht dat eisers getrouwd zijn. Verweerder heeft niet geloofwaardig geacht dat eisers onder de gestelde omstandigheden tussen 2009 en 2014 een geheime relatie hebben onderhouden en dat zij op [datum] zonder toestemming van hun families zijn getrouwd.

4. Eisers hebben betoogd dat verweerder de verklaringen ten aanzien van hun geheime relatie en het zonder toestemming van hun families trouwen ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Deze beroepsgrond faalt op grond van het navolgende.

4.1.

Hoewel de rechtbank niet alle door verweerder aan zijn standpunt ten grondslag gelegde argumenten steekhoudend acht, is zij van oordeel dat het asielrelaas van eisers in de kern op een aantal punten onaannemelijk is en dat tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd. Zo heeft verweerder terecht in aanmerking genomen dat het bevreemdend is dat eiseres, in de situatie waarin zij verkeerde, gedurende vier tot vijf jaar huwelijkskandidaten zou hebben kunnen weigeren. Eiseres is geboren op [geboortedatum] . Haar zussen zijn getrouwd toen zij tussen de 21 en 24 jaar oud waren. Eiseres heeft verklaard dat na de dood van haar moeder in 2009, iedereen wilde dat ze zo snel mogelijk zou gaan trouwen. Bovendien was de vader van eiseres gedurende een groot deel van de genoemde periode op de hoogte van het contact tussen eisers. Hij vond dat eiseres de eer van de familie had bezoedeld. Eiseres heeft verklaard dat zij een kandidaat kon weigeren door te zeggen dat hij niet in de familie paste omdat hij, of zijn manier van kleden en praten niet modern genoeg was. Dat haar zeer traditionele vader, onder de beschreven omstandigheden, dergelijke redenen zou accepteren heeft verweerder terecht niet geloofwaardig geacht.

4.2.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder terecht ongeloofwaardig heeft geacht dat eisers op [datum] zonder toestemming van hun families zijn getrouwd. Verweerder heeft daarbij terecht betrokken dat eiseres het beeld heeft geschetst waarin zij 4,5 jaar lang heimelijk contact heeft kunnen onderhouden met eiser zonder dat eiser hier problemen van heeft ondervonden. Op de dag dat eiseres het huis definitief heeft verlaten, zou de familie van eiseres direct aangifte hebben gedaan tegen eiser wegens ontvoering. Het is onaannemelijk dat de familie van eiseres dezelfde dag zou hebben ontdekt dat eiseres definitief was weggegaan. Dit valt ook niet te rijmen met de verklaringen van eiseres dat haar familie geen verhaal kon halen bij eiser, omdat zij geen bewijs hadden en zichzelf niet in diskrediet wilden brengen. Op [datum] hadden zij evenmin bewijs dat eiseres samen met eiser was vertrokken, zodat niet valt in te zien dat zij toen direct aangifte tegen eiser zouden hebben gedaan.

De verklaring daarvoor dat eiseres haar gouden sieraden had meegenomen en dat dat thuis was opgevallen en geïnterpreteerd als definitief verlaten van het huis, heeft verweerder onvoldoende mogen achten.

4.3.

Voorts heeft verweerder terecht in aanmerking genomen dat het opmerkelijk is dat een voor eiser onbekend persoon eiser in het donker zou hebben herkend terwijl eiser bij iemand achterop de scooter zat. Daarnaast zou die persoon zo snel hebben gereageerd dat hij een voorwerp tegen eiser heeft kunnen aangooien. De stelling dat eiser met een slakkengang reed en dat het verkeer in Azië langzaam is, volgt de rechtbank evenals verweerder niet. In dit kader heeft verweerder het eveneens terecht bevreemdend geacht dat eiser in mei 2014 aangifte is gaan doen van deze aanval, terwijl hij wist dat er op [datum] al aangifte tegen hem was gedaan door de familie van eiseres. Daarnaast bevreemdt het dat eisers aangifte zijn gaan doen bij de politie terwijl zij dachten dat de politie hen niet kon beschermen vanwege de contacten van de vader van eiseres bij de politie. De verklaring hiervoor, namelijk dat er nog geen arrestatiebevel was, volgt de rechtbank niet nu niet valt in te zien hoe eisers dit konden weten.

4.4.

Tot slot stelt de rechtbank vast dat eiseres tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat “haar ouders aangifte hebben gedaan van ontvoering” en dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard “dat de ouders van [eiseres] de politie hadden gebeld”. Dit terwijl, zoals verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht, uit de eerdere verklaringen van eisers volgt dat de moeder van eiseres zou zijn overleden in het jaar 2009. Dat dit een vertaalfout zou zijn volgt de rechtbank niet nu eisers afzonderlijk in twee verschillende talen (Punjabi en Urdu) zijn gehoord en eisers beiden aangegeven hebben dat zij de tolk goed hebben kunnen verstaan.

5. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij gegronde vrees hebben voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, dan wel dat zij een reëel risico lopen om in Pakistan te worden onderworpen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Verweerder heeft de aanvragen van eisers op goede gronden afgewezen.

6. De beroepen zijn ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, voorzitter, en mr. J.F. Frankruijter en mr. I.S. Vreken-Westra, leden, in aanwezigheid van mr. K.A. Linthout, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.