Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:3367

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-03-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
C/09/506576 ZA 16/281
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Verhoorbijstand. Vorderingen met betrekking tot buitenwerkingstelling / opschorting van de verbindendheid van de beleidsregel van de Raad voor de Rechtsbijstand tot verstrekking van subsidie aan advocaten die verhoorbijstand verlenen, afgewezen. Niet gebleken van onrechtmatig handelen van de Staat ten aanzien van de forfaitaire vergoeding die thans voor verhoorbijstand wordt verleend. Beslissing op vordering met betrekking tot buitenwerkingstelling / opschorting van de verbindendheid van de door het College van Procureurs-Generaal opgestelde “Regels inrichting en orde politieverhoor meerderjarige verdachten per 1 maart 2016” aangehouden in verband met voornemen tot het stellen van een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad (art. 392 Rv). Zijn de beperkingen die met ingang van 1 maart 2016 aan het recht op verhoorbijstand worden verbonden verenigbaar met door de Hoge Raad in zijn arrest van 22 december 2015 geformuleerde norm?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/506576 ZA 16/281

Vonnis in kort geding van 31 maart 2016

in de zaak van

1. de vereniging

Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten,

gevestigd te Den Haag en kantoorhoudende te Goirle,

2. de vereniging

Nederlandse Vereniging van Jonge Strafrechtadvocaten,

gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudende te Tilburg,

3. [eiser3] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

4. [eiser4] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

eisers,

advocaat mr. Chr.A. Alberdink Thijm te Amsterdam,

tegen:

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag,

2. het zelfstandig bestuursorgaan

de Raad voor Rechtsbijstand,

gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

gedaagden,

advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag

Eisers worden hierna, gezamenlijk, aangeduid als ‘NVSA c.s.’ en ieder afzonderlijk als respectievelijk ‘NVSA’, ‘NVJSA’, ‘ [eiser3] ’ en ‘ [eiser4] ’. Gedaagden worden hierna, gezamenlijk, aangeduid als ‘de Staat c.s’ en ieder afzonderlijk als respectievelijk ‘de Staat’ en ‘de Raad’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door gedaagde overgelegde conclusie met uiteenzetting voorgeschiedenis en relevante regelgeving, met producties;

- de op 17 maart 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

De NVSA en de NVJSA stellen zich – ieder voor zich – ten doel al datgene te doen wat voor een goed functioneren van een verdediging in strafzaken dienstig is en zo nodig daartoe in rechte op te treden. [eiser3] en [eiser4] zijn strafrechtadvocaten.

2.2.

In Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (hierna: de Richtlijn) is, voor zover nu relevant, het volgende opgenomen:

“(…)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE

(…)

Overwegende hetgeen volgt:

(…)

(12) Deze richtlijn bevat minimumvoorschriften betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures (…). Op die manier bevordert de richtlijn de toepassing van het Handvest, met name de artikelen 4, 6, 7, 47 en 48, door voort te bouwen op de artikelen 3, 5, 6 en 8 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat in zijn jurisprudentie geregeld normen vaststelt betreffende het recht op toegang tot een advocaat. In die jurisprudentie is onder meer geoordeeld dat het eerlijke karakter van het proces vereist dat een verdachte of beklaagde gebruik kan maken van alle specifiek aan rechtsbijstand verbonden diensten. In dat verband moeten de advocaten van verdachten of beklaagden de fundamentele aspecten van de verdediging onverkort kunnen waarborgen.

(…)

(25) De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat verdachten of beklaagden het recht hebben dat hun advocaat aanwezig is en daadwerkelijk kan deelnemen aan het verhoor door de politie of een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie, inclusief tijdens de hoorzittingen voor de rechtbank. Die deelname dient te worden uitgeoefend overeenkomstig de procedures in het nationale recht die mogelijk de deelname van een advocaat regelen tijdens het verhoor van de verdachte of de beklaagde door de politie of een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie, alsmede tijdens de hoorzittingen voor de rechtbank, mits die procedures de daadwerkelijke uitoefening en de essentie van het desbetreffende recht onverlet laten. De advocaat kan tijdens een verhoor van de verdachte of de beklaagde door de politie of een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie, alsmede tijdens een hoorzitting voor de rechtbank, overeenkomstig die procedures onder meer vragen stellen, verduidelijking vragen en verklaringen afleggen, die dienen te worden geregistreerd overeenkomstig het nationale recht.

(…)

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

(…)

Artikel 3

Recht op toegang tot een advocaat in een strafprocedure

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden recht hebben op toegang tot een advocaat, op een zodanig moment en op zodanige wijze dat de betrokken personen hun rechten van verdediging in de praktijk daadwerkelijk kunnen uitoefenen.

(…)

3. Het recht op toegang tot een advocaat houdt het volgende in:

(…)

b) de lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden het recht hebben dat hun

advocaat bij het verhoor aanwezig is en daaraan daadwerkelijk kan deelnemen. Deze deelname geschiedt overeenkomstig procedures in het nationale recht, mits die procedures de daadwerkelijke uitoefening en de essentie van het desbetreffende recht onverlet laten. Wanneer een advocaat aan het verhoor deelneemt, wordt het feit dat dergelijke deelname heeft plaatsgevonden, geregistreerd door gebruik te maken van de registratieprocedure overeenkomstig het recht van de betrokken lidstaat;

(…)

6. In uitzonderlijke omstandigheden kunnen de lidstaten, uitsluitend in de fase van het voorbereidend onderzoek, tijdelijk afwijken van de toepassing van de in lid 3 vastgestelde rechten, indien en voor zover, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, een of meer van de volgende dwingende redenen zulks rechtvaardigen:

a) indien er sprake is van een dringende noodzaak om ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen;

b) indien onmiddellijk optreden door de onderzoeksautoriteiten noodzakelijk is om te voorkomen dat de strafprocedure substantiële schade wordt toegebracht.

(…)

Artikel 8

Algemene voorwaarden voor de toepassing van tijdelijke afwijkingen

1. Een tijdelijke afwijking op grond van artikel 3, lid 5 of 6, of uit hoofde van artikel 5, lid 3:

a) heeft een evenredig karakter en gaat niet verder dan noodzakelijk;

b) heeft een strikt beperkte geldigheidsduur;

c) wordt niet uitsluitend gebaseerd op de soort of de ernst van het vermeende strafbare feit, en

d) doet geen afbreuk aan het globale eerlijke verloop van de procedure

2. Tijdelijke afwijkingen op grond van artikel 3, lid 5 of 6, kunnen alleen toegestaan worden bij een naar behoren gemotiveerde en per geval genomen beslissing, die ofwel uitgaat van een rechterlijke instantie of van een andere bevoegde autoriteit op voorwaarde dat de beslissing kan worden onderworpen aan rechterlijke toetsing. De naar behoren gemotiveerde beslissing wordt geregistreerd door gebruik te maken van de registratieprocedure overeenkomstig het recht van de betrokken lidstaat.

(…)

Artikel 11

Rechtsbijstand

Deze richtlijn laat het nationale recht inzake rechtsbijstand, dat van toepassing is overeenkomstig het Handvest en het EVRM, onverlet.

(…)

Artikel 14

Non-regressieclausule

Geen enkele bepaling in deze richtlijn mag worden opgevat als een beperking of afwijking van de rechten en procedurele waarborgen die voortvloeien uit het Handvest, het EVRM of andere toepasselijke bepalingen van het internationale recht of het recht van lidstaten en die een hoger beschermingsniveau bieden.

(…)”

De Richtlijn moet uiterlijk op 27 november 2016 zijn geïmplementeerd. Met het oog op deze implementatie is in februari 2015 een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend (Kamerstukken II, 2014-2015, 34157, nr. 2, hierna: het wetsvoorstel). Ingevolge het wetsvoorstel kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld “omtrent de inrichting van en de orde tijdens het verhoor waaraan ook de raadsman deelneemt.” Met het oog hierop is een “Ontwerpbesluit inrichting en orde politieverhoor” (hierna: het ontwerpbesluit) opgesteld. Het ontwerpbesluit is als bijlage bij de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel gevoegd. De schriftelijke behandeling van het wetsvoorstel is afgerond, de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer moet nog plaatsvinden.

2.3.

Op 22 december 2015 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen (HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3608, NJ 2016/52) waarin hij, voor zover nu relevant, als volgt heeft overwogen:

“(…)

6. Nadere beschouwing met betrekking tot rechtsbijstand tijdens politieverhoren

6.1.

Met het oog op toekomstige gevallen waarin de vraag aan de orde is of de verdachte aanspraak kan doen gelden op het recht op rechtsbijstand tijdens het politieverhoor, merkt de Hoge Raad het volgende op.

6.2.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:770, NJ 2014/268, NbSr 2014/128 geoordeeld dat het recht van de verdachte zich tijdens zijn verhoor door de politie te laten bijstaan door een advocaat (de zogenoemde verhoorbijstand) niet zonder meer kan worden afgeleid uit de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 24 oktober 2013, nrs. 62880/11, 62892/11 en 62899/11 (Navone e.a. tegen Monaco) en evenmin uit de nog niet in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerde Richtlijn nr. 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PbEU L 294). Voorts constateerde de Hoge Raad in dat arrest dat de omstandigheid dat het EHRM inmiddels in een aantal concrete gevallen had beslist dat het ontbreken van rechtsbijstand met betrekking tot het verhoor van de verdachte door de politie onder omstandigheden als een schending van art. 6 lid 3 onder c in verbinding met art. 6 lid 1 EVRM moet worden aangemerkt, niet ertoe leidde dat – anders dan in HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3079, NJ 2009/349, NbSr 2009/249 was geoordeeld – het maken van de vereiste beleidsmatige, organisatorische en financiële keuzes en aldus het opstellen van een algemene regeling, nu wel binnen het bereik van de rechtsvormende taak van de Hoge Raad was gekomen. Wel werd de wetgever opgeroepen de invoering van de door genoemde Richtlijn vereiste wettelijke regeling van de verhoorbijstand met voortvarendheid ter hand te nemen. Ook werd in dat arrest niet uitgesloten dat het uitblijven van een wettelijke regeling in toekomstige gevallen waarin vragen naar de inhoud en de reikwijdte van het recht op verhoorbijstand aan de Hoge Raad zouden worden voorgelegd, te eniger tijd tot een andere afweging zou kunnen leiden.

6.3.

Vastgesteld moet worden dat het EHRM inmiddels – ruim zes jaar na het arrest van 2009 en anderhalf jaar na het arrest van 2014 terwijl een wettelijke regeling inzake de verhoorbijstand nog niet is tot stand gebracht – in een aantal gevallen heeft beslist dat het ontbreken van rechtsbijstand met betrekking tot het verhoor van de verdachte door de politie onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een schending van de rechten die een verdachte kan ontlenen aan art. 6 EVRM. Hoewel het EHRM nimmer uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist dat onder alle omstandigheden sprake is van een dergelijke schending ingeval de raadsman van de verdachte niet aanwezig is bij het verhoor, is in het licht van de bedoelde casuïstische rechtspraak van het EHRM de rechtszekerheid ermee gediend dat de Hoge Raad thans overgaat tot een aanscherping van de regels betreffende de rechtsbijstand die in HR 1 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:770, NJ 2014/268, NbSr 2014/128 zijn uiteengezet. Met het oog daarop gaat de Hoge Raad voortaan ervan uit dat een aangehouden verdachte het recht heeft op bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor door de politie, behoudens bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken. De verdachte kan uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in elk geval ondubbelzinnig afstand doen van dat recht. Dit brengt mee dat hij vóór de aanvang van het verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op bijstand van een raadsman. Opmerking verdient hierbij dat het recht op zulke bijstand niet alleen betrekking heeft op het eerste verhoor, maar ook op daarop volgende verhoren.

De Hoge Raad komt mede tot deze aanscherping op grond van het volgende. Indien nu of in een volgende zaak waarin het thema wel relevant zou zijn voor de oplossing van het geschil, door de Hoge Raad prejudiciële vragen zouden worden gesteld over een kwestie als de onderhavige, zou een doeltreffende en voortvarende strafrechtspleging buitengewoon ernstig belemmerd worden doordat dan de afdoening van de strafzaken waarin een vergelijkbare vraag aan de orde is, langdurig en onaanvaardbaar dreigt te vertragen. De negatieve gevolgen hiervan zouden zeer ingrijpend zijn omdat de kwestie van de rechtsbijstand tijdens het politieverhoor een rol speelt in een groot aantal strafzaken. Het zou ongewenst zijn dat de justitiële autoriteiten bij de afdoening van deze zaken zich in redelijkheid gedwongen zouden voelen te wachten op de uitkomst van de prejudiciële procedure bij het HvJ EU. Door de aangegeven aanscherping van de regels betreffende de rechtsbijstand wordt deze in de ogen van de Hoge Raad onaanvaardbare consequentie voorkomen.

De Hoge Raad heeft bij zijn afwegingen mede betrokken dat de genoemde Richtlijn binnen afzienbare termijn in de Nederlandse wetgeving zal (en in elk geval uiterlijk op 27 november 2016 moet) zijn geïmplementeerd, zodat aangenomen mag worden dat de eerder gesignaleerde beleidsmatige, organisatorische en financiële keuzes inmiddels zijn gemaakt.

(…)

6.4.3. (…)

(…) Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat deze opsporingsambtenaren tot het onderhavige arrest niet bedacht behoefden te zijn op de onder 6.3 vermelde aanscherping van de regels betreffende de rechtsbijstand en dat niet mag worden aangenomen dat zij onmiddellijk bekend zijn geraakt met de inhoud van dit arrest en de gevolgen daarvan voor de rechtspraktijk. De Hoge Raad gaat daarom ervan uit dat met ingang van 1 maart 2016 toepassing zal worden gegeven aan de regel dat een aangehouden verdachte het recht heeft op bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor door de politie.

(…)”

2.4.

Bij brief van 10 februari 2016 van het College van Procureurs-Generaal aan de hoofden van de OM-onderdelen over de “Raadsman bij verhoor per 1 maart 2016” en de daarbij gevoegde bijlage “Regels inrichting en orde politieverhoor meerderjarigen verdachten per 1 maart 2016” (hierna: de Beleidsbrief OM) zijn (ter uitwerking van het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2015) regels opgenomen over de verhoorbijstand met ingang van 1 maart 2016. In de Beleidsbrief OM is, voor zover nu relevant, het volgende opgenomen:

“(…)

Regels inrichting en orde politieverhoor meerderjarige verdachten per 1 maart 2016

1. De verhorende ambtenaar heeft de leiding over het verhoor en handhaaft de orde binnen het verhoor en de verhoorruimte.

2. (…)

3. De raadsman beantwoordt geen vragen namens de verdachte, tenzij met instemming van de verhorende ambtenaar en de verdachte.

4. a) De raadsman richt zijn opmerkingen en verzoeken tot de verhorende ambtenaar.

b) De raadsman is – behoudens het gestelde in onderdeel c en behoudens regel 5 – alleen voor aanvang van het verhoor en na afloop daarvan bevoegd om opmerkingen te maken of vragen te stellen. De verhorende ambtenaar stelt de raadsman daartoe voor aanvang van het verhoor en na afloop daarvan in de gelegenheid.

c) De verdachte of zijn raadsman kunnen verzoeken om onderbreking van het verhoor voor onderling overleg. De verhorende ambtenaar kan het verzoek afwijzen, indien door het voldoen aan herhaalde verzoeken de orde of de voortgang van het verhoor zou worden verstoord.

5. De raadsman is bevoegd de verhorende ambtenaar erop opmerkzaam te maken:

a) dat de verdachte een hem gestelde vraag niet begrijpt;

b) dat de verhorende ambtenaar het bepaalde in artikel 29, eerste lid Wetboek van Strafvordering niet in acht neemt.

c) dat de fysieke of psychische toestand van de verdachte zodanig is dat deze een verantwoorde voortzetting van het verhoor verhindert.

6. Indien de raadsman buiten zijn in de regels van deze bijlage gegeven bevoegdheden treedt, daarvan een onredelijk gebruik maakt, of zich tijdens het verhoor zodanig opstelt dat de orde van het verhoor verstoord wordt, en hij ten minste één maal vruchteloos door de verhorende ambtenaar is gewaarschuwd, kan de hulpofficier van justitie hem bevelen zich uit de verhoorruimte te verwijderen, en in geval van weigering hem doen verwijderen. Het bevel geldt voor de duur van het desbetreffende verhoor en wordt onder opgave van de gronden waarop het berust in het proces-verbaal van verhoor vermeld. Indien de raadsman zich na een daartoe strekkend bevel uit de verhoorruimte heeft verwijderd of daaruit is verwijderd, kan het verhoor alleen worden voortgezet indien de gronden aan het bevel tot verwijdering van de raadsman zijn komen te vervallen en de raadsman weer tot de verhoorruimte is toegelaten (bijvoorbeeld wanneer de raadsman weer is «afgekoeld»), de verdachte alsnog afstand doet van zijn recht op verhoorbijstand dan wel een vervangende raadsman beschikbaar is voor het verlenen van verhoorbijstand.

(…)”

Bij de opstelling van de Beleidsbrief OM is aansluiting gezocht bij het wetsvoorstel en voormelde regels zijn alle overgenomen uit het ontwerpbesluit.

2.5.

Ingevolge het Besluit Vergoedingen Rechtsbijstand 2000 wordt de rechtsbijstand door advocaten in strafzaken die op toevoegingsbasis wordt verricht, vergoed op basis van een forfaitaire regeling, met uitzondering van een afzonderlijke regeling voor bewerkelijke zaken. De gemiddelde tijdsbesteding per zaaktype is in de forfaitaire regeling uitgangspunt, waarbij minder tijdrovende zaken de meer tijdrovende zaken compenseren. Uitgangspunt is voorts dat één punt gelijk staat aan (ongeveer) één uur werk. Per punt wordt een bedrag van € 105,61 vergoed. Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2015 heeft de Raad op 5 februari 2016 een beleidsregel “tot verstrekking van subsidie aan advocaten die rechtsbijstand verlenen aan aangehouden verdachten tijdens politieverhoor” (hierna: de Beleidsregel) vastgesteld. De Beleidsregel is op 1 maart 2016 in werking getreden. De Beleidsregel voorziet in een forfaitaire vergoeding voor advocaten die verhoorbijstand verlenen in piketzaken van – kort gezegd – drie punten bij zware zaken (verdenking van een misdrijf waarop een gevangenisstraf is gesteld van twaalf jaar of meer, een misdrijf met een dodelijk slachtoffer / slachtoffer met zwaar lichamelijk letsel of een zedenmisdrijf waarop een gevangenisstraf is gesteld van acht jaar of meer of waarbij de strafverzwaringsgrond van artikel 248, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is) en anderhalf punt in alle overige gevallen.

2.6.

In een brief van 11 februari 2016 bericht de Minister van Veiligheid en Justitie (minister) als volgt aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, voor zover nu relevant:

“(…)

De beleidsbrief van het Openbaar Ministerie en de beleidsregel van de Raad voor Rechtsbijstand worden gepubliceerd in de Staatscourant en zijn als bijlage bij deze brief gevoegd. Deze beleidsregels omvatten de normen die tijdens het verhoor door de verhorende ambtenaar en de raadsman van de verdachte in acht moet worden genomen én voor het verstrekken van gefinancierde rechtsbijstand in gevallen die daarvoor in aanmerking komen.

Vanaf 1 maart 2016 zullen de bij de verhoorbijstand betrokken partijen (opsporingsinstanties, advocatuur, Openbaar Ministerie, Raad voor Rechtsbijstand) op basis van de genoemde beleidsregels het recht op verhoorbijstand feitelijk vorm gaan geven. Doel moet zijn een praktijk te ontwikkelen die recht doet aan evidente belangen van zowel waarheidsvinding als van een eerlijk proces.

Deze praktijk zal gemonitord worden, met als doel verbeteringen aan te brengen op grond van praktijkervaringen. Ook zal de duur van de verhoren gemonitord worden. Doel daarvan is meer feitenmateriaal voorhanden te hebben om uitspraken te kunnen doen over de gemiddelde duur van de verhoren in de eerste fase van het voorbereidend onderzoek. Dat is een belangrijke indicator om te bezien of de vergoeding voor verhoorbijstand bijstelling behoeft. (…)”

3 Het geschil

3.1.

NVSA c.s. vorderen – zakelijk weergegeven –:

primair:

I. met onmiddellijke ingang buiten werking te stellen:

  1. de Beleidsbrief OM, althans deze partieel buiten werking te stellen, in het bijzonder artikel 4 sub b, artikel 5 en artikel 6;

  2. de Beleidsregel;

  3. althans de verbindendheid van de onder i en/of ii genoemde regels (al dan niet partieel) met onmiddellijke ingang voor onbepaalde tijd op te schorten;

  4. althans de Staat en/of de Raad te gebieden (al dan niet partieel) geen uitvoering te geven aan de onder i en of ii genoemde regels;

  5. althans de Staat en/of de Raad te verbieden (al dan niet partieel) de handhaving van de onder i en/of ii genoemde regels;

  6. althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;

II. de Staat en/of de Raad te gelasten, om met ingang van 1 maart 2016 (althans zo spoedig mogelijk daarna) maatregelen te nemen die voorzien in een deugdelijk organisatorisch en financieel beleid, waarmee de voorwaarden geschapen worden voor de effectuering van het recht dat een aangehouden verdachte heeft op bijstand door een raadsman tijdens het politieverhoor, in die zin dat:

A: (met betrekking tot de rol van de raadsman tijdens het politieverhoor)

de raadsman die tijdens het politieverhoor rechtsbijstand verleent aan een aangehouden verdachte, in staat moet worden gesteld om:

i. bij het gehele verhoor aanwezig te zijn, en

ii. daadwerkelijk aan het verhoor deel te nemen,

iii. de verdachte ten aanzien van specifieke vragen te adviseren zich op zijn zwijgrecht te beroepen,

derhalve zonder dat hem regels worden opgelegd die hem beperken in het maken van opmerkingen, het stellen van vragen en het verzoeken om een onderbreking voor overleg met de verdachte;

en voorts in die zin dat

B. (met betrekking tot de vergoeding van rechtsbijstand)

(primair) de vergoeding voor verleende rechtsbijstand tijdens politieverhoor, ongeacht de fase van het strafproces en ongeacht een eventueel verstrekte toevoeging, wordt bepaald op één punt (zoals bedoeld in het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000) per uur verhoorbijstand, althans (subsidiair) een tijdelijke regeling geldt, waarbij de vergoeding voor rechtsbijstand tijdens politieverhoor wordt bepaald op één punt per uur, althans (meer subsidiair) een tijdelijke regeling geldt waarbij de vergoeding voor rechtsbijstand tijdens politieverhoor, ongeacht de fase van het strafproces en ongeacht een eventueel verstrekte toevoeging, wordt bepaald op drie punten per politieverhoor, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen lager forfait per politieverhoor, dat recht doet aan de gemiddelde tijdsbesteding per politieverhoor, alsmede (subsidair en meer subsidiair) dat het Ministerie van Veiligheid en Justitie gedurende de tijdelijke regeling een onafhankelijk onderzoek dient te laten uitvoeren naar het aantal en de duur van de politieverhoren gedurende de hele fase van het strafproces, alsmede dat de tijdelijke regeling enkel mag worden vervangen door een forfaitair systeem dat gebaseerd is op de resultaten van dat onderzoek, waarbij het vast te stellen forfait overeenkomt met de gemiddelde tijdsbesteding per uur verhoorbijstand, voor zover uit een dergelijk onderzoek niet blijkt dat de tijdsbesteding dusdanig diffuus is dat deze zich niet leent voor een forfaitair stelsel;

subsidiair:

zodanige maatregelen te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, in lijn met het hiervoor bedoelde, zodanig dat het recht op rechtsbijstand van een verdachte in een strafzaak, zoals door de Hoge Raad bedoeld in zijn arrest van 22 december 2015, de Richtlijn, de relevante jurisprudentie van het EHRM en de relevante verdragsbepalingen daadwerkelijke geëffectueerd wordt;

zowel primair als subsidiair:

te bevelen dat de Staat en/of de Raad onmiddellijk na betekening van dit vonnis een dwangsom verbeurt bij overtreding van een van voormelde geboden en verboden van € 50.000,= per dag, met veroordeling van de Staat c.s. in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.

3.2.

Daartoe voeren NVSA c.s. – samengevat – het volgende aan. De Staat c.s. handelen onrechtmatig jegens NVSA c.s. doordat zij, in strijd met het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2015, niet per 1 maart 2016 het recht op verhoorbijstand hebben geëffectueerd. Met het arrest van 22 december 2015 heeft de Hoge Raad een algemeen en onvoorwaardelijk recht op verhoorbijstand geformuleerd. Dat recht bestaat onverkort, behoudens het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken. De Hoge Raad loopt vooruit op de implementatie van de Richtlijn. In de Richtlijn wordt bepaald dat de lidstaten ervoor dienen te zorgen dat verdachten of beklaagden recht hebben op toegang tot een advocaat op zodanige wijze dat de betrokken personen hun rechten van verdediging in de praktijk “daadwerkelijk” kunnen uitoefenen. Afwijkingen op dit recht zijn slechts in uitzonderlijke omstandigheden geoorloofd. De Richtlijn laat het recht op rechtsbijstand dat van toepassing is overeenkomstig het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) onverlet.

3.3.

De Beleidsbrief OM is niet in overeenstemming met het arrest van de Hoge Raad van 15 december 2015, de Richtlijn en de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM), omdat de Beleidsbrief OM niet de mogelijkheid creëert dat de advocaat “daadwerkelijk” kan deelnemen aan het verhoor, maar de rol van de advocaat vergaand beperkt. De kern van het recht op verhoorbijstand wordt in artikel 4, sub b van de Beleidsbrief OM geschonden, nu op grond van die regel de advocaat alleen voor aanvang en na afloop van het verhoor vragen mag stellen of opmerkingen mag maken. Hiermee wordt het recht om daadwerkelijk deel te nemen aan het verhoor direct teniet gedaan. De Beleidsbrief OM sluit ten onrechte uit dat dat de advocaat zijn cliënt tijdens het verhoor ten aanzien van specifieke vragen kan wijzen op zijn recht om te zwijgen. Bovendien creëert de Beleidsbrief OM de mogelijkheid de advocaat te verwijderen van het verhoor, zonder dat één of meer van de in de Richtlijn opgenomen limitatieve uitzonderingsgronden van toepassing zijn.

3.4.

Het recht op verhoorbijstand omvat ook het recht op vergoeding van de rechtsbijstand. De in de Beleidsregel vastgestelde vergoeding is verre van voldoende om het recht op verhoorbijstand te effectueren. Dat is bij de Staat c.s. reeds bekend, althans dat zou bij hen bekend moeten zijn. Het invoeren van een forfaitaire vergoeding in de wetenschap dat deze volstrekt ontoereikend is (en waarbij advocaten verlies zullen lijden op het verlenen van verhoorbijstand) brengt een schending van het recht op verhoorbijstand mee. Ook de wijze waarop de vergoeding tot stand is gekomen, met name het nalaten van het doen van een behoorlijk onderzoek naar de lengte van het gemiddelde politieverhoor, is onrechtmatig. In het bijzonder, omdat de minister wel onderzoek heeft laten doen naar de gevolgen van de verhoorbijstand voor de politie en kennelijk bewust heeft afgezien van onderzoek naar de gevolgen voor de advocatuur, ondanks dat de minister er door de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: NOvA) veelvuldig op is gewezen dat de voorgenomen vergoeding inadequaat is. Dit geldt te meer omdat het niet nodig is (louter) een forfaitaire vergoeding in te voeren, omdat de begin- en eindtijden van verhoren worden bijgehouden en geregistreerd. Er kan dus een punt per uur verhoorbijstand worden gehonoreerd.

3.5.

De voorzieningenrechter is bevoegd een onmiskenbaar onverbindende materiële regeling buiten werking te stellen. Voor zover de voorzieningenrechter twijfelt aan de inhoud en reikwijdte van het recht op verhoorbijstand zoals geformuleerd in het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2015, geven NVSA c.s. de voorzieningenrechter in overweging prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen op grond van artikel 392 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Een rechtsvraag over de inhoud en reikwijdte van het recht op verhoorbijstand is immers van belang voor een veelheid aan vorderingsrechten en voor de beslechting van talrijke andere geschillen over het recht op verhoorbijstand.

3.6.

De Staat c.s. voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Aan de voorzieningenrechter ligt ter beoordeling voor of de Beleidsbrief OM en de Beleidsregel gezien het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2015 onmiskenbaar onrechtmatig zijn. De kernvraag daarbij is of de Beleidsbrief OM en de Beleidsregel adequate regelingen zijn om te voorzien in het recht op verhoorbijstand zoals de Hoge Raad dat in het arrest van 22 december 2015 heeft geformuleerd. NVSA betogen dat dit niet het geval is, vanwege de wijze waarop de deelneming van de advocaat aan het verhoor in de Beleidsbrief OM is ingericht en omdat de in de Beleidsregel vastgestelde forfaitaire vergoeding te laag is. De Staat c.s. betwisten dit. De Staat voert in dit verband naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht aan, dat thans nog geen (rechtstreekse) rechten kunnen worden ontleend aan de Richtlijn, nu de implementatietermijn daarvan nog niet is verstreken. De Richtlijn kan dus niet als zodanig bij het toetsingskader in dit geding betrokken worden. Het toetsingskader wordt in dit kort geding wel gevormd door – naast het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2015 (en daaraan voorafgaande arresten van de Hoge Raad) – artikel 6, lid 3, sub c EVRM en de uitleg die het EHRM in uitvoerige jurisprudentie aan dat artikel heeft gegeven. De inhoud van de Richtlijn is in dit geding – ondanks vorenstaande – wel relevant, omdat de Richtlijn de jurisprudentie van het EHRM uitdrukkelijk als uitgangspunt neemt en geen enkele beperking of afwijking van de rechten die voortvloeien uit het EVRM bevat (vgl. overweging 12 en artikel 14 van de Richtlijn).

De Beleidsbrief OM

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2015 sinds 1 maart 2016 het recht op verhoorbijstand bestaat. Zij twisten echter over de wijze waarop dit recht moet worden ingevuld ten aanzien van de rol van de advocaat tijdens het verhoor.

4.3.

NVSA voeren aan dat gelet op de bewoordingen en de totstandkoming van het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2015 het recht op verhoorbijstand als door de Hoge Raad geformuleerd ruim moet worden uitgelegd en dat onderdeel van dat recht in ieder geval zijn de regels die voortvloeien uit de jurisprudentie van het EHRM. Daarnaast heeft de Hoge Raad bedoeld tenminste de regels die voortvloeien uit de Richtlijn onder dat recht te begrijpen. De Beleidsbrief OM moet in overeenstemming zijn met het arrest van de Hoge Raad en de Richtlijn en moet voldoen aan de relevante verdragsbepalingen en de uitleg daarvan door het EHRM. Een regeling om het verhoor ordentelijk te laten verlopen, dient de daadwerkelijke uitoefening en essentie van het recht op verhoorbijstand onverlet te laten. Volgens NVSA c.s. is ook van belang bij de beoordeling van de beperkingen op het recht op verhoorbijstand dat het recht blijkens de jurisprudentie van het EHRM is gerelateerd aan het zwijgrecht van de verdachte en dat de raadsman daarom tenminste de bevoegdheid zou moeten toekomen om zijn cliënt tijdens het verhoor ten aanzien van specifieke vragen te (kunnen) adviseren om zich op het zwijgrecht te beroepen, althans moet kunnen overleggen over de vraag of een beroep op het zwijgrecht in het gegeven geval aangewezen is. Door artikel 4 sub b van de Beleidsbrief OM wordt het recht om daadwerkelijk deel te nemen aan het verhoor direct teniet gedaan, nu de advocaat op grond van deze regel alleen bij aanvang en na afloop opmerkingen mag maken of vragen mag stellen. Hiermee wordt het recht om daadwerkelijk deel te nemen aan het verhoor teniet gedaan. Bovendien bepaalt overweging 25 van de Richtlijn dat de advocaat tijdens het verhoor onder meer gerechtigd is vragen te stellen, verduidelijking te vragen en verklaringen af te leggen.

4.4.

De Staat betoogt dat de Hoge Raad het recht op verhoorbijstand in algemene zin formuleert en geen specifieke eisen formuleert voor de wijze waarop aan die bijstand invulling gegeven moet worden. Aan artikel 6, lid 3, sub c EVRM kan een consultatierecht worden ontleend, maar geen algemeen recht op verhoorbijstand. De waarborgen die het EHRM rondom de bijstand van een advocaat in het stadium van het (eerste) politieverhoor heeft geformuleerd, hoeven niet (in alle omstandigheden) tijdens het verhoor te worden gerealiseerd. Echter, ook indien de waarborgen die het EHRM ten aanzien van de bijstand van een advocaat ten aanzien van het stadium van het politieverhoor ook tijdens het politieverhoor moeten worden geëffectueerd, wordt daaraan met de inrichting van de verhoorbijstand in de Beleidsbrief OM voldaan. De Beleidsbrief OM voorziet immers in een recht op verhoorbijstand, tenzij de verdacht afstand doet van dat recht of er sprake is van een dringende noodzaak om ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen of te voorkomen dat aanzienlijke schade aan het onderzoek wordt toegebracht. Deze uitzonderingen komen overeen met de in de Richtlijn geformuleerde uitzonderingen (artikel 3, lid 6 en artikel 9). Ingevolge artikel 4 sub b van de Beleidsbrief OM kan de raadsman voor aanvang en na afloop van het verhoor opmerkingen maken en vragen stellen, kan het verhoor worden onderbroken voor onderling overleg tussen advocaat en verdachte en kan de raadsman deelnemen aan het verhoor, doordat hij de verhorende ambtenaar erop opmerkzaam mag maken dat de verdachte een vraag niet begrijpt, het pressieverbod niet in acht wordt genomen en de toestand van de verdachte zodanig is dat het verhoor niet kan worden voortgezet. Een verhoor is een belangrijk opsporingsmiddel en geen gewoon gesprek tussen gelijkwaardige deelnemers. Een zekere druk op de verdachte is niet ontoelaatbaar, maar in het belang van de waarheidsvinding en inherent aan een politieverhoor. Een ongeclausuleerd interventierecht tijdens het politieverhoor of een recht om aan de verdachte gestelde vragen te beantwoorden, zoals NVSA c.s. dat betogen, zou dat doorkruisen. De Beleidsbrief OM sluit aan bij de uitgangspunten en waarborgen die het EHRM in zijn rechtspraak heeft geformuleerd. Hoewel daaraan in deze procedure geen rechten aan kunnen worden ontleend, doet de regeling ook recht aan de in de preambule bij de Richtlijn onder 25 genoemde mogelijkheid tot het stellen van vragen, verduidelijking vragen en verklaringen afleggen.

4.5.

De voorzieningenrechter merkt op dat in de literatuur discussie bestaat over de uitleg die de Hoge Raad tot heden geeft aan de jurisprudentie van het EHRM over het recht op verhoorbijstand. Ook in het meest recente arrest hierover (het arrest van 22 december 2015) oordeelt de Hoge Raad nog dat uit die jurisprudentie geen ongeclausuleerd recht op verhoorbijstand afgeleid kan worden. De Hoge Raad refereert in het arrest van 22 december 2015 echter wel aan de jurisprudentie van het EHRM en ziet in die jurisprudentie aanleiding om de regels over de verhoorbijstand aan te scherpen. Voorts betrekt de Hoge Raad daarbij de implementatie van de Richtlijn en gaat hij er van uit dat beleidsmatige, organisatorische en financiële keuzes in verband hiermee inmiddels zijn gemaakt. De Hoge Raad overweegt echter niet expliciet wat, naar zijn oordeel, de grondslag is voor het recht op verhoorbijstand met ingang van 1 maart 2016. Anders dan NVSA c.s. betogen is thans naar het oordeel van de voorzieningenrechter onduidelijk of uit het arrest van de Hoge Raad de conclusie kan worden getrokken dat de invulling van de verhoorbijstand volgens de Hoge Raad thans reeds moet voldoen aan de eisen die de Richtlijn daaraan verbindt, en voorts of de Hoge Raad een ongeclausuleerd en algemeen recht op verhoorbijstand heeft willen formuleren en de verhoorbijstand – indien die wel reeds nu moet voldoen aan de eisen van de Richtlijn – ten aanzien van de rol van de advocaat inhoudt hetgeen NVSA c.s. bepleiten.

4.6.

De voorzieningenrechter is met NVSA c.s. van oordeel dat de Beleidsbrief OM de rol van de advocaat tijdens het verhoor beperkt, nu de momenten waarop hij iets mag zeggen zijn beperkt tot het begin en het einde van het verhoor en een drietal specifiek omschreven situaties (pressieverbod, verduidelijking vraag en doorgang verhoor kan niet meer in verband met toestand verdachte). Voorts mag hij vragen om schorsing van het verhoor voor overleg, doch deze bevoegdheid is niet ongeclausuleerd en kan beperkt worden door de verhorend ambtenaar, en verder kan de hulpofficier van justitie hem bevelen zich uit de verhoorruimte te verwijderen. Nu uit het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2015 niet expliciet blijkt wat de grondslag is voor het recht op verhoorbijstand met ingang van 1 maart 2016 en de Hoge Raad ook niet expliciet overweegt welke omvang het recht op verhoorbijstand ten aanzien van de rol van de advocaat bij dat verhoor heeft, bestaat er onzekerheid over de vraag of de beperkingen die in de Beleidsbrief OM aan de verhoorbijstand worden verbonden, zijn te verenigen met de in het arrest van 15 december 2015 door de Hoge Raad geformuleerd norm.

4.7.

Vanwege deze onduidelijkheid en omdat het antwoord op deze vraag, zoals ook volgt uit rechtsoverweging 6.3 van het arrest van de Hoge Raad, een rol speelt in een groot aantal strafzaken (en derhalve relevant is voor de beslechting van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen, waarin zich dezelfde vraag voordoet, als bedoeld in artikel 392 lid 1, onder b Rv), is de voorzieningenrechter voornemens op de voet van artikel 392 Rv de volgende prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voor te leggen:

Zijn de beperkingen (of een (aantal) daarvan) die in de Beleidsbrief OM aan het recht op verhoorbijstand worden verbonden, zoals opgenomen in artikel 4 sub b, artikel 5 en artikel 6 van die Beleidsbrief OM, verenigbaar met de in het arrest van 22 december 2015 geformuleerde norm van de Hoge Raad dat een verdachte recht heeft op bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor door de politie, behoudens bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken?

4.8.

Alvorens tot het stellen van deze prejudiciële vraag over te gaan, dienen partijen op grond van het bepaalde in artikel 392 lid 2 Rv in de gelegenheid worden gesteld zich over het voornemen om prejudiciële vragen te stellen uit te laten, alsmede over de inhoud daarvan. Partijen hebben zich ter zitting reeds uitgelaten over het (mogelijke) voornemen een prejudiciële vraag te stellen. NVSA c.s. kunnen zich daarin vinden. De Staat c.s. verzetten zich ertegen. De bezwaren van de Staat c.s. zijn er in gelegen dat de Hoge Raad dan gevraagd wordt zich uit te laten over een onderwerp waarover tevens een parlementair debat wordt gevoerd. Aan dit bezwaar wordt voorbij gegaan. Zoals reeds is overwogen kan de wijze waarop de verhoorbijstand moet worden ingevuld thans niet (rechtstreeks) worden afgeleid uit de Richtlijn, aangezien deze eerst op 27 november 2016 geïmplementeerd hoeft te zijn. De vraag aan de Hoge Raad is daarop niet gericht. De voorzieningenrechter moet immers beslissen over hetgeen thans aan hem is voorgelegd, namelijk de tijdelijke regelingen die naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad zijn getroffen. De omstandigheid dat daarover voormelde onduidelijkheid bestaat geeft aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag. Partijen zullen op na te melden wijze in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de inhoud van de prejudiciële vraag.

De Beleidsregel

4.9.

Ten aanzien van de vergoeding van de verhoorbijstand overweegt de voorzieningenrechter allereerst dat het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand een forfaitair stelsel is, dat – zoals door NVSA c.s. ook niet is betwist – is afgestemd op de gemiddelde tijd die aan een zaak wordt besteed. Daargelaten de vraag of het mogelijk is om – zoals NVSA c.s. stellen – bij verhoorbijstand de reële kosten te vergoeden (omdat de precieze verhoorduur wordt geregistreerd) merkt de voorzieningenrechter op dat er geen aanleiding is om in het kader van een voorlopige ordemaatregel in te grijpen op het forfaitaire stelsel. De keuze voor een forfaitair systeem is een beleidsmatige keuze, die als zodanig niet als onrechtmatig aangemerkt kan worden. Dit geldt te meer, omdat – zoals de Staat onweersproken heeft betoogd – in het kader van de herziening van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand de Commissie “Onderzoek oorzaken kostenstijgingen stelsel gesubsidieerde rechtsbijstand en vernieuwing van het stelsel” (commissie Wolffsen) onderzoek heeft gedaan en in haar rapport van 30 november 2015 heeft aanbevolen het huidige forfaitaire stelsel te handhaven. Voorts heeft ook de in dit kader door de Nederlandse Orde van Advocaten ingestelde commissie Barkuysen aanbevolen het forfaitaire stelsel te handhaven.

4.10.

NVSA c.s. hebben, ter onderbouwing van hun stelling dat de forfaitaire vergoeding ontoereikend is, onderzoeken in het geding gebracht waaruit volgens hen kan worden afgeleid welke gevolgen de invoering van de verhoorbijstand voor de werkzaamheden van advocaten heeft (“Impactanalyse Raadsman bij politieverhoor”, uitgevoerd door onderzoeksbureau Significant, rapporten van 1 september 2011 en 22 december 2015) en zij hebben tevens een – volgens hen – representatieve steekproef gehouden onder hun leden naar het aantal verhoren en de verhoorduur in specifieke zaken. De Staat heeft een “QuickScan raadsman bij verhoor” overgelegd, betreffende de verhoorduur in zaken in de periode 1 maart 2016 tot en met 9 maart 2016. Partijen hebben over en weer betwist dat de aan advocaten te verstrekken vergoeding op de resultaten van de desbetreffende onderzoeken kan worden gebaseerd. Daarin volgt de voorzieningenrechter partijen. Ten aanzien van de steekproef en de QuickScan geldt dat van beide onderzoeken onvoldoende is gebleken dat die een voldoende representatief beeld geven. De door Significant verrichte analyses bevatten onvoldoende concrete gegevens ten aanzien van aantallen en duur van de verhoren om daaraan met betrekking tot de vergoeding van de verhoorbijstand conclusies te verbinden binnen het beperkte kader van dit kort geding.

4.11.

Gebleken is dat bij het bepalen van de forfaitaire vergoedingen is aangesloten bij de vergoedingen voor verhoorbijstand aan aangehouden minderjarigen. Die vergoedingen, die sinds 2011 gelden, zijn verhoogd met een factor anderhalf, tot de huidige vergoedingen van anderhalf, respectievelijk drie punten. De Staat heeft daarover onweersproken gesteld dat de vergoedingsregeling voor verhoorbijstand aan minderjarigen niet tot haperingen in de bijstand aan minderjarige verdachten heeft geleid, of anderszins serieuze problemen aan het licht heeft gebracht. Voorts is gebleken dat de Staat thans de praktijk van de verhoorbijstand aan het monitoren is, om op basis daarvan (onder andere) te bezien of de vergoeding voor verhoorbijstand bijstelling behoeft. De resultaten van deze monitor worden eind mei 2016 verwacht.

4.12.

Nu voorshands geen voldoende betrouwbare onderzoeksgegevens beschikbaar zijn, de Staat voor de vaststelling van de forfaitaire vergoeding heeft aangesloten bij (en is overgegaan tot een verhoging van) de vergoeding van verhoorbijstand aan minderjarigen – die niet tot problemen heeft geleid – en onderzoek verricht om de werkelijke tijdsbesteding van advocaten aan verhoorbijstand in beeld te brengen, kan thans niet geconcludeerd worden dat de Staat ten aanzien van de forfaitaire vergoeding voor verhoorbijstand onrechtmatig handelt. De omstandigheid dat de Staat niet reeds nu wil toezeggen dat (met terugwerkende kracht) de forfaitaire vergoeding zal worden verhoogd als de onderzoeksresultaten daar aanleiding toe geven, maakt dat niet anders, aangezien het ontbreken van die toezegging op dit moment geen onrechtmatig handelen oplevert. Dit kan wellicht anders worden als de Staat niet bereid is redelijke gevolgen te verbinden aan de onderzoeksresultaten zodra die bekend zijn.

4.13.

Volledigheidshalve merkt de voorzieningenrechter nog op dat hij NVSA c.s. niet volgt in hun verwijt jegens de Staat dat, ondanks aandringen daarop van de NOvA en NVSA c.s., niet eerder onderzoek is gedaan naar de gemiddelde verhoorduur en het gemiddelde aantal verhoren in een zaak. Tot 22 december 2015 hoefde de Staat er immers niet vanuit te gaan dat hij eerder dan op 27 november 2016 (de datum waarop de Richtlijn moet zijn geïmplementeerd) een vergoeding voor verhoorbijstand zou moeten verstrekken en had hij derhalve nog voldoende gelegenheid dat onderzoek te verrichten. Dat de Staat in de periode tussen 22 december 2015 en 1 maart 2016 bedoeld onderzoek niet heeft verricht, acht de voorzieningenrechter niet onrechtmatig, mede in het licht van de omstandigheid dat die ook voor andere werkzaamheden noodzakelijk was om de verhoorbijstand met ingang van 1 maart 2016 in te kunnen voeren. Evenmin kan de stelling van NVSA c.s. dat bij minderjarige verdachten vaker sprake is van lichte feiten, speciaal opgeleide rechercheurs en aanwezigheid van ouders bij de verhoren leiden tot een ander oordeel, nu deze stelling na de betwisting daarvan door de Staat c.s. onvoldoende is geconcretiseerd en sprake is van een hogere vergoeding.

Slotsom

4.14.

Al het vorenstaande leidt tot de slotsom dat alle vorderingen die betrekking hebben op het buiten werking stellen van de Beleidsregel zullen worden afgewezen. De vorderingen ten aanzien van de Beleidsbrief OM, alsmede de beslissing over de proceskosten, zullen worden aangehouden en partijen worden in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de inhoud van de stellen prejudiciële vraag.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst af de vorderingen van NVSA c.s. voor zover deze betrekking hebben op de beleidsregel van de Raad voor Rechtsbijstand tot verstrekking van subsidie aan advocaten die rechtsbijstand verlenen aan aangehouden verdachten tijdens het politieverhoor, vastgesteld op 5 februari 2016 met inwerkingtreding op 1 maart 2016 (gepubliceerd op 12 februari 2015 in de Staatscourant nummer 7526);

5.2.

stelt partijen in de gelegenheid zich uiterlijk 9 april 2016 schriftelijk uit te laten over de inhoud van de aan de Hoge Raad te stellen prejudiciële vraag (vragen), zoals weergegeven onder 4.7 en 4.8;

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2016.

idt