Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:3348

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-03-2016
Datum publicatie
28-04-2016
Zaaknummer
AWB 16/3101
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

opvolgende aanvraag

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 30a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16/3101 en 16/3103

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. K. Ross)

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: B.J. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2016 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om aan haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, haar opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en tegen haar een inreisverbod uitgevaardigd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2016. Eiseres is verschenen en is bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig een tolk.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep (AWB 16/310).

1. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres om aan haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres een opvolgende aanvraag heeft ingediend waaraan zij geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd en geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Tevens heeft verweerder eiseres opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (het terugkeerbesluit) en tegen haar een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaar.

2. Eiseres voert aan dat verweerder haar aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu sprake is van nieuwe elementen of bevindingen. Zij heeft verklaringen overgelegd van [orthopedagoog] , orthopedagoog, en [psychiater] , kinder- en jeugdpsychiater, beide werkzaam bij Accare, van 21 oktober 2013, 4 september 2014 en 17 maart 2015. Daaruit blijkt dat ze lijdt aan een posttraumatische stressstoornis en daarbij horende klachten. Daarnaast ontbreekt behandeling in Sierra Leone en is zij gebaat bij de mantelzorg die haar in Nederland wordt geboden. Eiseres voert voorts aan dat verweerder bij de beoordeling van haar medische problematiek in het kader van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ten onrechte het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 25 augustus 2015 (het BMA-advies) heeft betrokken, nu dit advies is gebaseerd op informatie uit maart 2015.Verweerder had recente medische informatie moeten opvragen bij de medisch behandelaars van eiseres en het BMA had haar moeten zien op het spreekuur. Nu uit het BMA-advies blijkt dat behandeling voor de medische problematiek van eiseres in Sierra Leone niet voorhanden is, had verweerder het BMA moeten verzoeken nader onderzoek te verrichten naar de gevolgen van het uitblijven van behandeling van de medische problematiek van eiseres. Eiseres voert verder aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat zij, ondanks de door haar overgelegde landeninformatie, niet als alleenstaande vrouw en voormalig prostituee bij terugkeer naar Sierra Leone een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM zal lopen. Ten aanzien van het terugkeerbesluit voert eiseres aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de gronden die ten grondslag liggen aan het terugkeerbesluit zich in haar geval voordoen. Anders dan verweerder stelt, bestaat het risico dat zij zich aan het toezicht zal onttrekken niet. Zo heeft eiseres wel degelijk een vaste woon- en verblijfsplaats, namelijk [woonplaats]. Daarnaast heeft zij voldoende middelen van bestaan, nu zij door haar partner financieel wordt ondersteund en zij een financiële bijdrage volgens de Regeling verstrekkingen asielzoekers 2005 krijgt. In het kader van het terugkeerbesluit wijst eiseres er tot slot op dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij zich zonder noodzaak van haar reisdocumenten heeft ontdaan. Ter zake wijst eiseres op hetgeen zij dienaangaande heeft verklaard in haar relaas met betrekking tot haar slachtofferschap van mensenhandel. Eiseres voert ten slotte aan dat het tegen haar uitgevaardigde inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het EVRM, omdat zij in Nederland een duurzame en exclusieve relatie heeft met [persoon A] en zij en haar zoon met hem familie- en gezinsleven uitoefenen. Ter onderbouwing overlegt zij een verklaring van haar partner en foto’s waarop zij staan.

3. Verweerder voert gemotiveerd verweer.

Ten aanzien van het beroep, voor zover gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres, overweegt de rechtbank als volgt.

4. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het EHRM; onder meer D. tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 2 mei 1997, nr. 30240/96; Bensaid tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 6 februari 2001, nr. 44599/98 en N. tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 27 mei 2008, nr. 26565/05; alle: www.echr.coe.int) kan uitzetting in verband met de medische toestand van een vreemdeling, onder uitzonderlijke omstandigheden leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM.

Uit die rechtspraak, waarvan het EHRM in de paragrafen 32 tot en met 41 van het arrest N. tegen het Verenigd Koninkrijk (het arrest N. tegen het Verenigd Koninkrijk) een overzicht geeft, kan worden afgeleid dat deze uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen, indien een vreemdeling lijdt aan een ernstige ziekte die een dusdanig stadium heeft bereikt, of door uitzetting direct of nagenoeg direct zal bereiken, dat hij door de uitzetting, bij gebrek aan het bestaan van medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, komt te verkeren in een onmenselijke situatie van ondraaglijk lijden, die meteen of vrijwel meteen tot de dood leidt (zie de paragrafen 42 tot en met 45 van voormeld arrest).

Daaruit kan evenwel niet worden afgeleid dat dergelijke uitzonderlijke omstandigheden ook aan de orde zijn als een vreemdeling lijdt aan een ernstige ziekte die wel in een vergevorderd stadium verkeert, maar niet een direct levensbedreigend stadium heeft bereikt of dat laatste stadium na uitzetting evenmin direct of nagenoeg direct zal bereiken; in die gevallen staat artikel 3 van het EVRM niet aan uitzetting van een vreemdeling met medische problemen in de weg. Dat zich vorenbedoelde uitzonderlijke omstandigheden niet voordoen, betekent overigens niet dat een vreemdeling ook feitelijk moet worden uitgezet. Of de medische toestand van een vreemdeling niettemin aan uitzetting in de weg staat, moet echter worden beoordeeld in het kader van de toepassing door verweerder van artikel 64 van de Vw 2000.

4.1.

In het BMA-advies staat, voor zover thans van belang en samengevat weergegeven, dat het onder de gegeven behandeling alleszins redelijk gaat met eiseres en dat haar klachten beperkt van aard zijn. Eiseres bevindt zich niet in een terminaal en direct levensbedreigend stadium van een ziekte. Of zij volledig klachtenvrij zal kunnen geraken, valt niet goed aan te geven. Eiseres lijdt niet aan een ziekte die, wanneer behandeling na terugkeer uitblijft dan wel onvoldoende is, binnen afzienbare termijn een onomkeerbaar proces tot de dood tot gevolg zal hebben. Ten aanzien van de beschikbaarheid van behandeling Sierra Leone merkt het BMA op dat uit de informatie van International SOS en Allianz Global assistance blijkt dat de medische behandelmogelijkheden in Sierra Leone ongewis zijn.

4.2.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling; uitspraak van 13 oktober 2010; ECLI:NL:RVS:2010:BO0794) strekt, indien en voor zover verweerder een advies van het BMA aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een daartoe strekkende beroepsgrond beoordeelt of verweerder zich ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht ervan heeft vergewist dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

4.3

De rechtbank overweegt dat het BMA blijkens het BMA-advies met toestemming van eiseres bij haar behandelaars informatie heeft opgevraagd en verkregen. Bij het opstellen van het BMA-advies heeft het BMA gebruik gemaakt van de toestemmingsverklaring van 14 juli 2015 en de verklaring van de behandelaars van eiseres van 17 maart 2015. Indien eiseres van mening was dat haar medische situatie na de verklaring van 17 maart 2015 was verslechterd, had zij dat met medische stukken moeten aantonen. Dat het BMA het advies heeft gebaseerd op informatie van op dat moment circa vijf maanden oud, is dan ook geen reden voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het BMA-advies. Gelet op het vorenstaande heeft het BMA geen aanleiding hoeven zien eiseres uit te nodigen voor een spreekuur. Daarnaast blijkt uit de brief van de behandelaars van eiseres van 17 maart 2015 weliswaar dat zij hulp en steun ontvangt van contacten in Nederland, maar is dit geen mantelzorg in vreemdelingrechtelijke zin, als bedoeld in paragraaf B8/9.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000.

4.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het BMA-advies terecht aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, nu in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen grond is gelegen voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het BMA-advies. Nu uit het BMA-advies blijkt dat eiseres zich niet in een terminaal en direct levensbedreigend stadium van een ziekte bevindt en dat het uitblijven van behandeling niet binnen afzienbare termijn een onomkeerbaar proces tot de dood tot gevolg zal hebben, zal terugkeer van eiseres naar Sierra Leone niet wegens haar medische problematiek resulteren in een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie. De medische stukken zijn dan ook geen nieuwe elementen of bevindingen die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van eisers onderhavige asielaanvraag.

5. Ten aanzien van het beroep van eiseres op het WBV 2014/36 overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1201), dat de hierin neergelegde integrale geloofwaardigheidsbeoordeling geen wijziging van het recht inhoudt.

6. Voor zover eiseres stelt dat zij als slachtoffer van mensenhandel en wegens haar eerdere werkzaamheden als prostituee bij terugkeer naar Sierra Leone een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM loopt, overweegt de rechtbank dat verweerder bij besluit van 19 september 2014 de eerder aan eiseres verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft verleend onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ heeft ingetrokken. Dit besluit is met de uitspraak van de Afdeling van 14 april 2015 (201501065/1/V) in rechte onaantastbaar geworden. Daarmee is in rechte vast komen te staan dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is van mensenhandel. Voorts heeft verweerder bij besluit van 26 maart 2013 de eerste asielaanvraag van eiseres afgewezen. Dit besluit is met de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2013 (20130517/1/V2) in rechte onaantastbaar geworden. Daarmee is in rechte komen vast te staan dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij als alleenstaande vrouw in Sierra Leone een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM loopt, omdat zij zich kan en heeft weten te onttrekken aan het risico van besnijdenis. De door eiseres in deze procedure overgelegde stukken doen aan dat oordeel niet af. De enkele omstandigheid dat sinds de voorgaande procedures tijd is verstreken, is evenmin een nieuw element of bevinding die van belang kan zijn voor de beoordeling van eisers onderhavige asielaanvraag.

Ten aanzien van het beroep, voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod, over de rechtbank als volgt.

7. Ingevolge artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan verweerder bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.

Ingevolge artikel 6.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan een risico als bedoeld in artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 worden aangenomen indien tenminste twee van de gronden als bedoeld in artikel 5.1b, derde en vierde lid, op de vreemdeling van toepassing zijn.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder c, is sprake van een zware grond voor inbewaringstelling of voor het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel indien de vreemdeling

c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;

7.1

De rechtbank overweegt dat eiseres op 18 maart 2013 haar eerste asielaanvraag heeft ingediend en dat deze aanvraag bij in rechte onaantastbaar geworden besluit van 26 maart 2013 is afgewezen. Daarmee is in rechte vast komen te staan dat eiseres zich zonder noodzaak heeft ontdaan van haar reis- of identiteitsdocumenten. Derhalve doet de grond zich voor als bedoeld in artikel 6.1, derde lid, aanhef en onder f, van het Vb 2000. Nu eiseres de feitelijke juistheid van de in het derde lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 tegengeworpen grond niet heeft bestreden, doet zich een tweede grond voor. Reeds om die reden heeft verweerder niet ten onrechte aan eiseres een vertrektermijn onthouden. Hetgeen eiseres daaromtrent voor het overige heeft aangevoerd, laat de rechtbank derhalve onbesproken.

8. Voor zover eiseres betoogt dat het tegen haar uitgevaardigde inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het EVRM vanwege het familie- en gezinsleven dat zij in Nederland uitoefent met [persoon A] overweegt de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres haar gestelde relatie met [persoon A] onvoldoende heeft onderbouwd. Deze relatie kan niet blijken uit foto’s en een verklaring van een niet objectieve bron, namelijk [persoon A] zelf. Voorts is van belang dat niet is gebleken van objectieve belemmeringen voor [persoon A] om met eiseres hun familie- en gezinsleven in Sierra Leone uit te oefenen. Verweerder heeft zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het tegen eiseres uitgevaardigde inreisverbod niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (AWB 16/3103).

7. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om hangende beroep te bepalen dat verweerder de uitzetting van verzoeker achterwege moet laten, totdat op het beroepschrift is beslist.

8. Nu de rechtbank het beroep ongegrond heeft verklaard, is er geen aanleiding voor toewijzing van de voorlopige voorziening.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De (voorzieningenrechter van de) rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep inzake AWB 16/3101 ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening inzake AWB 16/3103 af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Izaks, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover daarin is beslist op het beroep, kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).