Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:3240

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-03-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
zaak- / rolnummer: C/09/506040 / KG ZA 16-238
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering van diverse gedetineerden, die het niet eens zijn met de invulling van het regime in de BBI afgewezen/NO verklaard.

Eisers dienen zich met hun klachten te richten tot de gevangenisdirecteur of de selectiefunctionaris en vervolgens het RSJ.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/506040 / KG ZA 16-238

Vonnis in kort geding van 25 maart 2016

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

2. [eiser sub 2] ,

3. [eiser sub 3] ,

4. [eiser sub 4] ,

5. [eiser sub 5] ,

allen gedetineerd in de PI [locatie] ,

6. [eiser sub 6] ,

7. [eiser sub 7] ,

beiden niet langer gedetineerd,

eisers,

advocaat mr. W. Albers te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden, het Ministerie van Justitie,

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. G.C. Nieuwland te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eisers’ en ‘de Staat’. De afzonderlijke eisers zullen hierna tevens bij hun achternaam worden aangeduid.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met in totaal 14 producties;

- de door de Staat overgelegde 8 producties;

- de op 11 maart 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Staat pleitnotities zijn overgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser sub 1] tevens het woord gevoerd overeenkomstig door hem overgelegde aantekeningen.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser sub 1] , [eiser sub 2] , [eiser sub 3] , [eiser sub 4] en [eiser sub 5] bevinden zich in de laatste fase van hun detentie in de Penitentiaire Inrichting (hierna: PI) [locatie] . [eiser sub 6] en [eiser sub 7] zijn inmiddels op vrije voeten gesteld.

2.2.

[eiser sub 1] , [eiser sub 2] , [eiser sub 3] en [eiser sub 7] hebben zich bij de beklagcommissie beklaagd over diverse onderwerpen, zoals de kosten van telefonie, meerpersoonsgebruik van de cellen en de beschikbaarheid van mobiele telefoons. [eiser sub 1] heeft namens deze eisers op 24 januari 2016 aan de beklagcommissie verzocht om de behandeling van de klachten aan te houden tot na dit kort geding, aan welk verzoek de beklagcommissie gehoor heeft gegeven.

2.3.

Detentiefasering houdt in het geleidelijk toekennen van meer vrijheden aan gedetineerden tot aan het moment van hun invrijheidstelling. Detentiefasering wordt ingestoken vanuit het resocialisatiebeginsel, dat op grond van artikel 2 lid 2 van de Penitentiaire beginselenwet (hierna: Pbw) inhoudt:

"Met handhaving van het karakter van de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel wordt de tenuitvoerlegging hiervan zoveel mogelijk dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding van de terugkeer van de betrokkene in de maatschappij".

Een normale detentiefasering kent de volgende stappen. Vanuit een normaal beveiligde gevangenis, komt een gedetineerde in een Beperkt Beveiligde Inrichting (hierna: BBI) en vervolgens in een Zeer Beperkt Beveiligde Inrichting (hierna: ZBBI), waarna tot slot een Penitentiair Programma (PP) kan volgen tot aan het einde van de detentie of de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.).

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen, naar de voorzieningenrechter begrijpt en zakelijk weergegeven, om:

1. de Minister te veroordelen een voorschot op schadevergoeding te betalen aan eisers van
€ 250,- per dag dat zij op onrechtmatige wijze zijn gedetineerd;

2. de Staat te veroordelen om:

- eisers in eenpersoonscellen te detineren tijdens hun detentie in een BBI;

- eisers beschikking te geven over internet tijdens hun detentie in een BBI;

- eisers beschikking te geven over telefonie tijdens hun detentie in een BBI;

- de eigen GSM/smartphone aan eisers terug te geven op de eigen cel of eisers die eerder genoten privileges zijn ontnomen een onmiddellijke overplaatsing naar de BBI Amerswiel te geven, waar deze privileges wel gehonoreerd kunnen worden;

- eisers te plaatsen op een afdeling die geschikt is voor langdurig gestraften of onmiddellijke overplaatsing naar de BBI Amerswiel;

- eisers volledig te compenseren voor te veel berekende telefoonkosten ten opzichte van de andere afdelingen binnen de inrichting;

- eisers te informeren over hoe de detentiefasering eruit gaat zien als de BBI en/of de ZBBI gaan sluiten;

- klachten binnen een acceptabele termijn van vier weken schriftelijk te bevestigen en/of af te handelen;

- een extra weekendverlof van 52 uur toe te kennen (observatieperiode van gedetineerden);

dit alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag;

3. te bepalen dat een dwangsom wordt verbeurd van € 1.000,- per dag met een maximum van € 50.000,- bij het niet voldoen aan de last onder punt 13;

met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.

3.2.

Daartoe voeren eisers – samengevat – het volgende aan. De Staat handelt onrechtmatig jegens eisers door hen slechter te behandelen dan de wet en het beleid toestaat. Tevens is hun behandeling niet gelijk aan die van andere gedetineerden in andere inrichtingen. Volgens eisers geeft de Staat geen juiste invulling aan het beleid van detentiefasering. In de PI [locatie] zitten gedetineerden in de laatste fase van hun detentie op meerpersoonscellen, hebben geen beschikking over een eigen telefoon en internet en hebben zij minder privileges dan in sommige andere penitentiaire inrichtingen. Eisers doorlopen derhalve een zwaardere detentie dan waar zij volgens de huidige wetgeving recht op hebben. Vanwege de inperkingen waar eisers mee geconfronteerd worden, worden ze niet voorbereid op terugkeer in de maatschappij. Deze onterechte inperking naar een zwaarder regime leidt tot schade voor eisers en is onrechtmatig jegens hen.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid

4.1.

De Staat heeft onweersproken gesteld dat de eisers [eiser sub 6] en [eiser sub 7] op het moment van dagvaarding reeds niet meer gedetineerd waren in de PI [locatie] en ook niet in een andere beperkt beveiligde inrichting. Zij hebben derhalve geen belang bij de vorderingen zodat zij niet ontvankelijk zullen worden verklaard in hun vorderingen. De vorderingen zullen hierna ten aanzien van de overige eisers worden beoordeeld.

Het treffen van de gevorderde maatregelen

4.2.

De voorzieningenrechter zal de gevorderde maatregelen hierna afzonderlijk bespreken. Hierbij wordt voorop gesteld dat eisers in een regime van BBI zijn geplaatst. De maatregelen zullen binnen het kader van de regels, die gelden voor dit regime worden beoordeeld.

1. Het plaatsen in éénpersoonscellen

4.3.

Volgens artikel 11a van de Regeling selectie plaatsing en overplaatsing kan de directeur van een inrichting een gedetineerde die in een regime van algehele of beperkte gemeenschap is geplaatst, een voor de gemeenschappelijke onderbrenging van gedetineerden bestemde verblijfsruimte toewijzen, tenzij de gedetineerde daarvoor ongeschikt wordt geacht. Het behoort derhalve tot de bevoegdheid van de gevangenisdirecteur om de plaatsing van eisers te bepalen. Op grond van artikel 17, 20 en 21 Pbw en artikel 60 en 69 Pbw kan een gedetineerde zijn beklag doen bij de beklagcommissie ten aanzien van beslissingen van de directeur. Tegen een beslissing van de beklagcommissie kan beroep worden aangetekend bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: RSJ). Het is vaste rechtspraak dat dit een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang is, die de weg naar de burgerlijke rechter afsluit. Eisers dienen derhalve deze specifieke, in de wet voorziene rechtsgang te volgen.

2. Beschikking geven over internet, telefoon of de eigen GSM/smartphone

4.4.

Op grond van artikel 39 lid 1 Pbw hebben eisers recht op telefonisch contact met de buitenwereld. Het is vervolgens de beslissing van de directeur op welke wijze de gebruikmaking van dit recht wordt vormgegeven en of mobiele telefoons worden toegestaan of alleen vaste telefoons. De Staat heeft onweersproken aangevoerd dat de tarieven van de telefoongesprekken inmiddels zijn gelijk getrokken met de tarieven in de rest van de PI en dat aan de gedetineerden die te maken hebben gehad met de hogere tarieven compensatie van kosten is gegeven. Onvoldoende is gesteld of gebleken dat de geboden compensatie onvoldoende is en dat er aanvullende schade is geleden. Aangezien er geen wettelijk recht op het gebruik van internet bestaat, zal de vordering tot het gebruik van internet worden afgewezen. Zoals reeds onder 4.3 overwogen, kan een gedetineerde tegen een beslissing van de directeur beklag doen bij de beklagcommissie. De weg van de civiele rechter als restrechter dient derhalve te wijken voor de geëigende rechtsgang.

3. Overplaatsing naar een BBI waar de privileges kunnen worden gehonoreerd en naar een afdeling die geschikt is voor langdurig gestraften

4.5.

Artikel 15 lid 3 Pbw bepaalt dat selectiefunctionarissen zijn belast met de plaatsing en overplaatsing van gedetineerden. Tegen een beslissing van een selectiefunctionaris staat op grond van artikel 72 Pbw beroep open bij de beroepscommissie van de RSJ. Volgens vaste jurisprudentie is ook dit een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. Zolang niet is komen vast te staan dat de weg via de selectiefunctionaris en de RSJ is afgesloten, dient deze te worden gevolgd behoudens wanneer niet op voldoende korte termijn uitsluitsel gegeven zou kunnen worden. Indien en voor zover eisers overgeplaatst wensen te worden, dienen zij een verzoek hiertoe in te dienen bij de selectiefunctionaris. Uit het dossier volgt dat [eiser sub 1] zulks al heeft gedaan, op welk verzoek binnen afzienbare termijn zal worden beslist.

4. Informatie over de detentiefasering

4.6.

De informatieplicht van de gevangenisdirecteur strekt zich uit tot het in artikel 56 en 57 Pbw genoemde, waaronder de krachtens deze wet aan gedetineerden gestelde rechten en plichten. Op de directeur rust geen verplichting om gedetineerden te informeren over de toekomstige ontwikkelingen in het recht, zodat deze vordering reeds om deze reden dient te worden afgewezen.

5. Schriftelijke bevestiging en afhandeling van klachten

4.7.

Overeenkomstig artikel 67 lid 1 Pbw doet de beklagcommissie zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen een termijn van vier weken te rekenen vanaf de datum waarop een klaagschrift is ontvangen, uitspraak. Deze termijn kan in bijzondere omstandigheden verlengd worden met ten hoogste vier weken. Van deze verlenging wordt aan de directeur en de klager mededeling gedaan. In het geval van [eiser sub 1] , [eiser sub 2] , [eiser sub 3] en [eiser sub 7] zijn klachten geuit, waarna [eiser sub 1] namens deze vier gedetineerden heeft verzocht de klachtafhandeling aan te houden tot na de uitspraak in kort geding. Aan dit verzoek heeft de beklagcommissie gehoor gegeven zodat in het geval van deze klachten de formele termijn van afhandeling niet langer van toepassing is.

6. Toekennen van één extra weekendverlof

4.8.

De beantwoording van de vraag of aan eisers onterecht verlof is onthouden en of zij alsnog recht hebben op compensatie van dit verlof, berust op grond van artikel 19 van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting bij de directeur. Deze beslissing kan door gedetineerden worden aangevochten bij de beklagcommissie en vervolgens bij de RSJ.

Conclusie ten aanzien van de verzochte maatregelen

4.9.

Nu ten aanzien van alle door eisers aangevoerde punten is voorzien in een rechtsingang, dient deze weg te worden behandeld. Eisers zijn dan ook niet ontvankelijk in het merendeel van hun vorderingen. Het overige deel van de vorderingen zal, bij gebrek aan grondslag, worden afgewezen.

Schadevergoeding

4.10.

Voor wat betreft de vordering van eisers tot betaling van een voorschot op schadevergoeding, wordt vooropgesteld dat ten aanzien van een geldvordering in kort geding terughoudendheid is geboden. Niet alleen zal moeten worden onderzocht of het bestaan van die vordering voldoende aannemelijk is, maar tevens of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist.

4.11.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat eisers een vordering op de Staat hebben uit hoofde van een onrechtmatige detentie. Zoals hierboven reeds is aangegeven, kunnen eisers de - in hun ogen onrechtmatige - beslissingen binnen de PI aankaarten via de daarvoor bestemde rechtsingang. Nu voorshands niet is gebleken van een onrechtmatig handelen van de Staat jegens eisers, is niet aannemelijk geworden dat eisers een vordering hebben op de Staat uit hoofde van schadevergoeding. De vordering tot voldoening van een bedrag per persoon zal dan ook worden afgewezen. Daarbij wordt opgemerkt dat de wijze waarop een PI invulling geeft aan het beleid per inrichting kan verschillen, aangezien gevangenisdirecteuren per inrichting andere afwegingen kunnen maken ten aanzien van de uitvoering van het beleid. Dat dit regime in [locatie] op punten anders zou worden ingevuld dan in andere penitentiaire inrichtingen, maakt niet dat het verblijf in [locatie] onrechtmatig is jegens eisers.

De vordering onder 3.

4.12.

Onduidelijk is gebleven wat bedoeld wordt met de vordering waarin wordt verzocht om te bepalen dat een dwangsom wordt verbeurd als niet wordt voldaan aan de last onder punt 13. Deze vordering zal, nu uit de dagvaarding niet is af te leiden wat hiermee bedoeld wordt, worden afgewezen.

Proceskosten

4.13.

Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verklaart [eiser sub 6] en [eiser sub 7] niet ontvankelijk;

5.2.

verklaart [eiser sub 1] , [eiser sub 2] , [eiser sub 3] en [eiser sub 4] niet ontvankelijk voor zover het betreft de onder 3.1 sub 2. weergegeven vorderingen;

5.3.

wijst het meer of anders gevorderde af;

5.4.

veroordeelt eisers hoofdelijk om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan De Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van De Staat begroot op € 2.745,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 1.929,-- aan griffierecht;

5.5.

bepaalt dat eisers bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zijn;

5.6.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op
25 maart 2016.

imt