Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:3125

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-03-2016
Datum publicatie
26-05-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 8971
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beëindiging AIO-aanvullng i.v.m. weigeirng opgave CIN-nummers

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 53a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/8971

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2016 in de zaak tussen

[eisers] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. L. van den Buijs),

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb), verweerder

(gemachtigde: mr. H.S. van Zanten).

Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiser en zijn echtgenote toegekende aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 1 mei 2015 definitief beëindigd.

Bij besluit van 3 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De beroepsgronden zijn in een later stadium ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2016.

Eiser [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eisers ontvangen een AOI-aanvulling, die laatstelijk bij besluit van 1 februari 2010 is aangepast.

1.2

Verweerder heeft eisers bij brief van 25 februari 2015, die eisers tijdens het huisbezoek op 11 maart 2015 door twee medewerkers van de Svb is overhandigd, verzocht om opgave van hun Marokkaanse identiteitsnummers (de CIN-nummers), die nodig zijn om onderzoek te kunnen doen bij instanties in Marokko voor de berekening van de hoogte van de AIO-aanvulling.

1.3

Bij brief van 25 maart 2015 hebben eisers verweerder meegedeeld dat zij de CIN-nummers niet wensen te overleggen.

1.4

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aan eisers toegekende AIO-aanvulling met ingang van 1 mei 2015 definitief beëindigd, omdat verweerder zonder de gevraagde informatie het recht op AIO-aanvulling niet kan vaststellen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat in de brief van 25 februari 2015 is vermeld dat voor het vaststellen van de hoogte van de AIO-aanvulling extra onderzoek moet worden gedaan bij instanties in Marokko waarvoor de CIN-nummers van eisers noodzakelijk zijn. Door het niet overleggen van de CIN-nummers hebben eisers niet aan de inlichtingenplicht voldaan. De bevoegdheid tot het opvragen van de CIN-nummers berust volgens verweerder op artikel 53a van de Pw. De Svb is bevoegd op ieder moment een rechtmatigheidsonderzoek te starten ook als daar geen bijzondere aanleiding voor bestaat. Daarbij heeft verweerder verwezen naar de uitspraak van de Centrale raad van Beroep van 31 mei 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7881). De CIN-nummers zijn nodig om betrouwbare gegevens op te vragen zonder dat het risico bestaat op persoonsverwisseling. Artikel 53a van de Pw beperkt de Svb tot het opvragen van gegevens ten behoeve van de AIO-uitkering dan wel de voortzetting daarvan. De stelling van eisers dat de Marokkaanse autoriteiten misbruik kunnen maken van de CIN-nummers is niet onderbouwd. Daarvan zijn volgens verweerder ook geen voorbeelden bekend.

Verweerder is dan ook van mening dat hij de CIN-nummers mocht opvragen en dat eisers op grond van artikel 53a van de Pw deze informatie moesten verstrekken. Door de gevraagde informatie niet te verstrekken is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 54, eerste en vierde lid, van de Pw voldaan en is het recht op AIO-aanvulling terecht beëindigd, aldus verweerder.

3. Eisers voeren aan dat tijdens het op 11 maart 2015 gehouden huisbezoek niet is gevraagd naar de CIN-nummers, waardoor het voor eisers niet duidelijk was dat het verstrekken van deze nummers – zoals vermeld in de brief van de Svb die daarbij is achtergelaten – een vereiste was voor het laten voortduren van de AIO-aanvulling.

Voorts voeren zij aan dat, nu het bij de Svb nog niet duidelijk is of daadwerkelijk nader onderzoek wordt gedaan, er geen terechte grond is om naar de CIN-nummers te vragen. Omdat het overleggen van de CIN-nummers niet behoort tot de noodzakelijke gegevens op basis waarvan bepaald wordt of al dan niet nader onderzoek moet plaatsvinden, kan het niet overleggen van die nummers niet tot gevolg hebben dat het recht op AIO-aanvulling wordt gestopt.

Tot slot voeren eisers aan dat er sprake is van een inbreuk op hun privacy, nu die nummers niet vergelijkbaar zijn met de Nederlandse BSN-nummers. Volgens eisers bestaat geen enkele zekerheid dat door de Sociaal Attaché van de Marokkaanse Ambassade vertrouwelijk zal worden omgegaan met de verstrekte gegevens, maar vooral ook door de instanties in Marokko waar informatie wordt opgevraagd.

4.1

Op grond van artikel 47a, eerste lid, van de Pw – voor zover hier van belang – heeft de Svb tot taak het verlenen van algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen aan gehuwden die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt dan wel van wie één echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

Ingevolge het derde lid van dit artikel zijn de artikelen 1 tot en met 6, hoofdstuk 2, met uitzondering van artikel 18, hoofdstuk 3, de paragrafen 5.1 en 5.2, hoofdstuk 6 en de artikelen 79, 80 en 81 van toepassing op de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid.

4.2

Artikel 47b, eerste lid, van de Pw bepaalt – voor zover hier van belang – dat voor de toepassing van artikel 47a, eerste lid, in de artikelen 17, 53a en 54 voor het college telkens de Svb wordt gelezen.

4.3

Artikel 17, eerste lid, van de Pw bepaalt – voor zover hier van belang – dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.4

Op grond van artikel 53a, eerste lid, eerste zin, van de Pw bepaalt verweerder welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd.

Ingevolge het zesde lid van dit artikel is verweerder bevoegd om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel voortzetting van bijstand. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft kan het college besluiten tot herziening of intrekking van de bijstand.

4.5

Op grond van artikel 54, eerste lid, van de Pw kan het college, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat het college een besluit tot toekenning van bijstand herziet of intrekt, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand, kan verweerder een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel kan het college, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

5.1

De rechtbank stelt voorop dat, zoals onder andere is overwogen in de uitspraken van deze rechtbank van 13 november 2015, zaaknummers SGR 15/4924 en 15/6784, (ECLI:NL:RBDHA:2015:13048) en van 6 januari 2016, zaaknummer SGR 15/5704, (ECLI:NL:RBDHA:2016:99), verweerder op grond van artikel 53a van de Pw bevoegd is om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel voortzetting van de AIO-aanvulling. Die bevoegdheid mag verweerder steeds en spontaan uitoefenen ten aanzien van alle AIO-gerechtigden en daartoe is dus geen daaraan voorafgaand en redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist.

5.2

Ter zitting heeft gemachtigde van verweerder verklaard dat onderzoek zal worden gedaan naar vermogen in Marokko. Aanleiding daarvoor is dat eisers jaarlijks 13 weken in Marokko verblijven.

5.3

Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder om die reden ook in het geval van eisers gebruikmaken van zijn onderzoeksbevoegdheid en waren eisers, gelet op artikel 17, eerste lid, van de Pw, gehouden om medewerking te verlenen door hun CIN-nummers te verstrekken. Het had eisers redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat hun CIN-nummers van invloed konden zijn op hun recht op aanvullende uitkering. Verweerder heeft eisers immers in zijn brief van 25 februari 2015 meegedeeld dat hij voor de berekening van de hoogte van hun AIO-uitkering onderzoek moet doen bij instanties in Marokko en dat hij daarvoor hun CIN-nummers nodig heeft. Nu eisers hun CIN-nummers niet hebben verstrekt, en niet aannemelijk hebben gemaakt dat dit hun niet te verwijten valt, was verweerder naar het oordeel van de rechtbank ingevolge artikel 54 van de Pw bevoegd hun recht op AIO-aanvulling op te schorten, te herzien dan wel in te trekken.

5.4

Gemachtigde van verweerder heeft ter zitting voorts verklaard dat in het bestreden besluit ten onrechte is vermeld dat de aanvullende uitkering is beëindigd op grond van artikel 54, eerste en vierde lid, van de Pw. Volgens haar had de beëindiging op artikel 54, derde lid, van de Pw, moeten worden gebaseerd, omdat bij voorbaat duidelijk was dat eisers de CIN-nummers niet zouden verstrekken.

5.5

Nu naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 54, eerste en vierde lid, van de Pw waarin het verzuim zal worden hersteld en verweerder ter zitting heeft erkend dat het bestreden besluit op een onjuiste wettelijke grondslag berust, is het beroep gegrond en wordt het bestreden besluit vernietigd.

6.1

Vervolgens zal de rechtbank bezien of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

6.2

Gelet op de brief van eisers van 25 maart 2015, was verweerder naar het oordeel van de rechtbank ingevolge artikel 54, derde lid, van de Pw bevoegd het recht op AIO-aanvulling in te trekken. Doordat eisers hun CIN-nummers niet hebben verstrekt en uitdrukkelijk te verstaan hebben gegeven deze ook niet te zullen gaan verstrekken, heeft verweerder geen inzicht kunnen krijgen in hun eventuele vermogen in Marokko. Daardoor heeft verweerder het recht van eisers op een aanvullende uitkering niet kunnen vaststellen. Nu het recht op een AIO-aanvulling niet is vastgesteld, bestaat geen grond voor verlening daarvan.

7. De rechtbank ziet dan ook aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

8.1

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

8.2

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond:

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Lagas, rechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.