Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:3119

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-03-2016
Datum publicatie
25-03-2016
Zaaknummer
C/09/503986 / KG ZA 16-73
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

KG student tegen TUDelft ter zake een door student ontworpen E-Quarium.Vastgesteld is dat auteursrecht bij partijen gezamenlijk ligt; Geschil over vraag hoe vaststellingsovereenkomst moet worden uitgelegd ter zake begroting schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/503986 / KG ZA 16-73

Vonnis in kort geding van 25 maart 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M. Schut te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

TECHNISCHE UNIVERSITEIT DELFT,

gevestigd te Delft,

gedaagde,

advocaat mr. drs. S.M. Kingma te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en de TU Delft genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van [eiser] , met producties 1-28;

  • -

    de producties 1-23 van de TU Delft;

  • -

    de aanvullende producties 29-34 van [eiser] ;

  • -

    de aanvullende producties 24-26 van de TU Delft;

  • -

    de mondelinge behandeling op 2 maart 2015;

  • -

    de pleitnota van [eiser] ;

  • -

    de pleitnota van de TU Delft.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft als student aan de TU Delft in het kader van de masteropleiding Industrial Design een visualisatie ontwikkeld van energiegebruik. De visualisatie betreft een vis in een aquarium en wordt hierna aangeduid als ‘het E-Quarium’. Het betrof in eerste instantie een ontwerp in 2D, dat later is omgewerkt tot een 3D-versie. Onderhavig geschil draait om die laatste versie. Een voorbeeld van het E-Quarium staat hieronder afgebeeld.

2.2.

Met het oog op de exploitatie van het E-Quarium heeft [eiser] de vennootschap onder firma [de VOF] opgericht. Bij deze vennootschap was ook een hoogleraar van de TU Delft betrokken. Deze vennootschap heeft onder andere een opdracht voor Remeha verkregen.

2.3.

Tussen [eiser] en de TU Delft is gecorrespondeerd over de vraag wie de intellectuele eigendomsrechten op het E-Quarium toekomen. In dat verband heeft de TU Delft op 5 december 2013 een e-mail met de volgende inhoud aan [eiser] gezonden:

Beste [eiser] ,

Goed dat we eergisteren hebben gesproken. Op basis van de gesprekken in de afgelopen periode, met [de hoogleraar] [de hoogleraar; vzr] en jou, onderstaand het voorstel voor verdere aanpak van E-Quarium en de afspraken met [de VOF] .

a. [de VOF] (bedrijf i.o. van [eiser] waar [de hoogleraar] in participeert) zal geen IP van de TU toepassen. Specifiek zal [de VOF] het E-quarium concept inclusief het achterliggende platform van hard- en software (wat ik hierna noem ‘E-quarium+’) niet toepassen. [de VOF] beoogt actief te zijn met het ‘nature

inspired visualizations and interfaces (biomimicry) across a range of industries’. [de VOF] zal geen contract research of subcontracting voor TUD doen.

b. TUD heeft de eigendomsrechten op E-quarium+. Het zal doorontwikkeld en toegepast worden door de TUD, binnen de daarvoor geschikte en beoogde projecten. Externe expertise die daarvoor nodig is zal door subcontracting worden ingehuurd, te financieren uit projectmiddelen. E-quarium+ zal in eerste instantie

met name ingezet worden voor onderzoeksdoeleinden. Mocht op termijn commercialisering interessant lijken, dan is de TUD daar uiteraard leidend in.

c. [de hoogleraar] beschrijft zijn beoogde nevenwerkzaamheden voor [de VOF] en stemt dat en de nadere voorwaarden in relatie tot R&O afspraken af met […] (concept formulier is door [de hoogleraar] al verstuurd).

d. TUD is bereid de inspanning die door jou is gedaan in de ontwikkeling van het concept te compenseren met een eenmalige vergoeding van 5.000,euro incl BTW.”

2.4.

In vervolgcorrespondentie heeft de TU Delft zich op het standpunt gesteld dat zij de intellectuele eigendomsrechten bezat en daarom ook gerechtigd was het E-Quarium voor promotionele doeleinden te gebruiken. Tevens stelde de TU Delft zich op het standpunt dat het [de VOF] niet was toegestaan het concept toe te passen. Naar de mening van [eiser] was hij echter rechthebbende en stond het daarom hem c.q. [de VOF] vrij om het E-Quarium toe te passen, terwijl de TU Delft daartoe naar zijn mening zonder zijn toestemming niet bevoegd was.

2.5.

Het verschil van mening tussen partijen heeft ertoe geleid dat [eiser] contact heeft opgenomen met de voorzitter van het College van Bestuur. In het kader van die gesprekken heeft de TU Delft op 26 maart 2015 een e-mail aan [eiser] gezonden met daarin onder andere de volgende passage:

De TU Delft en [eiser] zijn het erover eens dat met betrekking tot E-Quarium een aantal zaken niet goed zijn verlopen. Daarbij zijn bij [eiser]

verwachtingen gewekt, die gaandeweg niet realiseerbaar bleken. Zonder verder

te treden in de juridische merites hiervan (hierover verschillen de meningen), voelt

de TU Delft zich daarvoor moreel verantwoordelijk. Beide partijen streven ernaar

de verschillen van inzicht zo snel mogelijk achter zich te laten. Het belang van

[eiser] om weer verder te kunnen, op een goede manier af te studeren en

zo zijn toekomst verder vorm te geven, staat daarbij voorop”.

2.6.

Partijen zijn vervolgens met elkaar in gesprek gegaan over het sluiten van een vaststellingsovereenkomst, teneinde hun geschil te beslechten. De TU Delft heeft een concept-overeenkomst gezonden waarin onder meer het volgende stond:

3) Er zal - gelet op de bevindingen over de casus zoals o.a. besproken op 27 maart - op basis van redelijkheid en billijkheid en rekening houdend met de omstandigheden van deze casus voor [eiser] een vorm van compensatie worden vastgesteld”.

2.7.

De definitieve versie van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst (hierna: de vaststellingsovereenkomst) luidt als volgt:

Afspraken TU Delft - [eiser]

Naar aanleiding van de door [eiser] aangereikte casus met betrekking tot E-Quarium is een aantal gesprekken gevoerd.

Beide partijen concluderen dat het nodig is dat deze casus zo snel mogelijk wordt opgelost. Het belang van [eiser] om weer verder te kunnen en op een goede manier af te studeren staat daarbij voorop.

Op vrijdag 27 maart jl. hebben partijen afgesproken op korte termijn tot een oplossing te komen. Daartoe spreken partijen het volgende af.

In eerste instantie zullen een of meerdere experts een besluit nemen in de IP-rechten kwestie die speelt tussen TU Delft en [eiser] . In tweede instantie zullen een of meerdere (andere) schade-experts een uitspraak doen m.b.t. de door [eiser] geleden schade. Hieronder is het voorstel in meer detail uitgewerkt:

1) Partijen hebben de vraag besproken waar het IP-recht berust. Partijen hanteren binnen dit traject het uitgangspunt dat IP-rechten op het 2D prototype en de uitvinding bij [eiser] berusten. Tegelijkertijd kan TUD niet uitsluiten dat er mogelijk anderen zijn die ook rechten zouden kunnen doen gelden. Dit zal echter in dit traject niet verder onderzocht worden. Afgesproken is dat de TU Delft geen verantwoordelijkheid draagt voor de mogelijkheid dat derde partijen (anders dan de TU Delft, haar werknemers of anderszins aan haar verbonden partijen) mogelijk ook rechten hierop kunnen uitoefenen of pretenderen. Partijen zijn het erover oneens waar de rechten op het 3D prototype berusten en in hoeverre het 3D prototype voortbouwt op en afhankelijk is van de IP-rechten op het 2D prototype.

2) De IP-rechten kwestie betreffende het 3D prototype (zoals bedoeld onder 1) zal door een of meerdere externe, onafhankelijke, gezamenlijk aan te wijzen personen, zo snel mogelijk en uiterlijk binnen 4 weken na aanstelling worden besloten. Beide partijen zullen zich committeren aan een uitspraak door deze personen.

3) Gedurende het experttraject (zoals bedoeld onder 2) is het aan TU Delft om het E-Quarium in te zetten ten behoeve van onderzoek en onderwijs. Hierbij dient TU Delft zich wel te realiseren dat dit zonder toestemming van [eiser] gebeurt. Zodoende bestaat de mogelijkheid dat deze periode invloed zal hebben op de vast te stellen schade (zoals bedoeld onder 4).

4) Op basis van de uitspraak door de expert(s) (zoals bedoeld onder 2), werken partijen toe naar een vaststelling van de door [eiser] eventueel geleden materiële en immateriële schade als gevolg van o.a. (i) het mogelijk ongeautoriseerde gebruik van E-Quarium door TU Delft, (ii) het mogelijk ten onrechte blokkeren van gebruik van E-Quarium door [eiser] , door TU Delft en (iii) de mogelijke belemmering van [eiser] 's afstuderen alsmede de

handelswijze van TU Delft in zake E-Quarium.

5) Deze schade zal door een of meerdere externe, onafhankelijke, gezamenlijk aan te wijzen schade-experts, zo snel mogelijk en uiterlijk binnen 4 weken na aanstelling worden vastgesteld. Beide partijen zullen zich committeren aan een uitspraak door deze personen. Na vaststelling zal de schade door TU Delft aan [eiser] binnen 2 weken worden vergoed.

6) De kosten van het experttraject (zoals bedoeld onder 2) en het schade-experttraject (zoals bedoeld onder 4) komen gezien de genomen morele verantwoordelijkheid voor rekening van TU Delft. TU Delft betracht tijdens het traject volledige openheid m.b.t. inzet van E-Quarium.

7) Het moment van aanwijzing van de betreffende experts binnen de te volgen trajecten zullen uiterlijk binnen 2 weken vanaf het moment van ondertekening van deze afspraken plaatsvinden.

8) Daarnaast zal de TU Delft gezien de genomen morele verantwoordelijkheid de in redelijkheid te maken kosten voldoen van juridische ondersteuning van [eiser] in dit traject, ingeschat voorlopig op maximaal EUR 7.500,- ex BTW. Indien noodzakelijk kan dit bedrag in onderling overleg worden verhoogd.

9) Voor de TU Delft is deze casus tevens aanleiding om beleid te ontwikkelen om een dergelijke problematiek in de toekomst te voorkomen. Dit omvat tenminste een richtlijn over hoe om te gaan met IP in dit soort situaties, zowel voor faculteiten als studenten.

10) Partijen maken voorts binnen 4 weken een duidelijke afspraak over het

afstuderen van [eiser] . Deze casus mag het afstuderen van [eiser] bij de door hem gekozen opleiding niet nadelig beïnvloeden. De decaan en de onderwijsdirecteur zullen er op toezien dat - met inachtneming van de vigerende kaders (o.a. Examencommissie) - betrokkene op een ordentelijke wijze zijn studie aan de TU Delft in 2015 kan afronden”.

2.8.

Uit de vaststellingsovereenkomst volgt dat het geschil beslecht zal worden in twee fasen, waarbij in de eerste fase een onderzoek zal worden gedaan naar de vraag bij welke partij de intellectuele eigendomsrechten liggen en in de tweede fase de door [eiser] geleden schade zal worden vastgesteld.

2.9.

Het onderzoek naar de vraag bij welke partij de intellectuele eigendomsrechten liggen is uitgevoerd door mr. [A] . Op 10 augustus 2015 heeft mr. [A] zijn oordeel bekend gemaakt. Hierin staat onder meer:

Partijen hebben beiden argumenten, dossiers en andere bewijsstukken ingebracht. Op 16 juni 2015 is door de twee adviseurs een tussenconclusie genomen op basis van de Auteurswet. Op 3 juli 2015 is een bijeenkomst georganiseerd waar partijen nadere argumenten konden inbrengen aangaande de tussenconclusie en waar nadere informatie en argumenten zijn verzameld over de overige aspecten van de zaak. Een gespreksverslag hiervan is opgesteld op 8 juli 2015; naar aanleiding van reacties van partijen is dit verslag aangevuld en in definitieve vorm opgesteld op 17 juli 2015. Vervolgens is op 23 juli 2015 een concept van dit advies aan partijen voorgelegd. Partijen hebben beiden een reactie op het conceptadvies geleverd en op elkaars reactie gereageerd. De adviseur heeft vervolgens deze reacties (en reacties op elkaars reactie) verwerkt en het advies op 10 augustus 2015 definitief gemaakt.

(…)

Naar mijn inschatting komen de rechten op de 3D-versie van het Equarium (…) toe aan beide partijen ( [eiser] en TU Delft) tezamen. Er is sprake van een gezamenlijk en ondeelbaar auteursrecht op deze software”.

2.10.

Op 31 augustus 2015 heeft de gemachtigde van [eiser] een brief aan de TU Delft gezonden met daarbij een schadeopstelling van [eiser] . Hierin staat onder meer het volgende.

Het oordeel van mr. [A] betekent dat elk gebruik door de TU van het

E-Quarium ongeautoriseerd was (immers zonder toestemming van [eiser] ), en

dat de TU ten onrechte het gebruik van het E-Quarium door [eiser] geblokkeerd

heeft (zij hadden daar immers in overleg over moeten beslissen).

(…)

Daarnaast heeft mr. [A] de handelwijze van de TU tegenover [eiser] in diverse bewoordingen veroordeeld, bijvoorbeeld door vast te stellen dat [eiser] in een hoek is gedreven, en dat de TU kwalijk heeft gehandeld. Dit is een afzonderlijk onrechtmatig handelen dat tot schade heeft geleid, te weten:

- studievertraging met de daaraan verbonden kosten;

- tijd en kosten besteed aan het oplossen van dit geschil;

- immateriële schade”.

2.11.

De bijgevoegde schadeopstelling van [eiser] sluit op een bedrag van

€ 938.115,20.

2.12.

Op 21 september 2015 heeft de TU Delft aan [eiser] een e-mail verzonden met daarin onder meer het volgende

Zoals eerder aangegeven (…) dient op basis van het bindend advies van

dhr. [A] , (…), vastgesteld te worden of er schade is geleden en voor wiens

rekening die schade dan komt, conform punt 4 van de Afspraken. Anders dan u lijkt aan te nemen, lagen die laatste vragen niet ter beantwoording voor aan

mr. [A] en daarover heeft hij dan ook geen oordeel gegeven. De beoogde schade‐experts geven in hun procesbrief echter aan niet te zullen voorzien

in enige juridische toets. (…). De TU Delft stelt daarom voor om dhr. [B] te benaderen. Hij is een jurist die bovendien veel van schadevergoeding weet. De heer [B] zou juridische knopen kunnen doorhakken en bepalen

welke schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen, en ‐ zo nodig samen met de heren [C] en [D] ‐ die schade kunnen begroten”.

2.13.

Bij deze e-mail aan [eiser] zit een concept e-mail aan dhr. [B] waarin onder andere staat:

Concreet stelt de heer [eiser] dat de TU Delft hem voor vier schadeposten zou moeten compenseren:

(i) schade geleden door onrechtmatig gebruik van E‐Quarium door TU Delft;

(ii) schade geleden door onrechtmatig blokkeren door TU Delft van het gebruik door [eiser] van EQuarium;

(iii) schade geleden door studievertraging als gevolg van onrechtmatig handelen van TU Delft;

(iv) immateriële schade van [eiser] veroorzaakt door TU Delft.

Het oordeel van mr. [A] dat een gemeenschappelijk auteursrecht van TU Delft en [eiser] op de 3D‐versie van E‐Quarium rust, is hierbij uitgangspunt. Mr. [A] heeft alleen over dit auteursrecht geoordeeld. Nog niet is vastgesteld ten aanzien van de posten (i)‐(iv) of de gestelde schade is geleden, of deze schade juridisch voor vergoeding in aanmerking komt en of de TU Delft inderdaad (zoals de heer [eiser] stelt) onrechtmatig heeft gehandeld en daardoor aansprakelijk is.

Graag vernemen wij van u of u met name in dat punt kunt voorzien c.q. welke rol u hierbij zou kunnen vervullen. De TU Delft en de heer [eiser] zouden zich bijvoorbeeld een procedure kunnen voorstellen waarbij eerst de heer [eiser] in een schriftelijk stuk uiteenzet wat er volgens hem gebeurd is, welke verwijten hij ten aanzien van deze vier schadeposten aan de TU Delft maakt, en welke schade hij daardoor geleden heeft (eventueel: nader te begroten). De TU Delft zou daar dan haar kijk op een en ander tegenover kunnen zetten. Vervolgens zou een bijeenkomst met partijen kunnen plaatsvinden, waarop (en/of: waaraan voorafgaand) u vragen aan partijen kunt stellen. Vervolgens zou u kunnen beslissen over de schadeposten, en/of kunnen beslissen dat inschakeling van schade‐experts [C] en [D] noodzakelijk is (en voor welke posten en met welke uitgangspunten). Uiteraard zal bij inschakeling de verdere gang van zaken in de vorm van een procedurebrief verder moeten worden vastgelegd”.

2.14.

[eiser] heeft in reactie hierop aangegeven van mening te zijn dat een juridische discussie niet meer aan de orde is. Hierop heeft de TU Delft op 23 september 2015 aan [eiser] geschreven:

U lijkt ervan uit te gaan dat al vaststaat tussen partijen dát de TU Delft onrechtmatig tegenover u heeft gehandeld en dát u daardoor schade hebt geleden die de TU Delft moet vergoeden, en dat de deskundigen alleen nog deze schade hoeven te begroten/waarderen. Dat is dus niet zo. De beantwoording van de ‘voorvragen’ (aansprakelijkheid, oorzakelijk verband) moet nog integraal

onderdeel uitmaken van de volgende stappen. Aangezien de benaderde schade‐experts hebben aangegeven geen juridisch oordeel te zullen geven, is, zoals ik 11 september jl. ook al mailde, het toevoegen van juridische expertise noodzakelijk”.

2.15.

[eiser] heeft in reactie hierop de TU Delft een memo van zijn advocaat gezonden waarin deze onder meer het volgende schrijft:

De vraag is hier wat partijen zijn overeengekomen in de vaststellings-overeenkomst van 24 april 2015. (…)

Zoals gezegd is de tekst van de vaststellingsovereenkomst zeer helder. Er zijn twee fasen met elk een duidelijke vraagstelling en doel. Na de beantwoording van de IP-vraag wordt de schade vastgesteld (en vervolgens betaald). Er is geen enkele indicatie in de tekst van de overeenkomst dat tussen deze twee fasen (of als onderdeel daarvan) nog een ander debat zou moeten worden gevoerd, te weten of de TU überhaupt aansprakelijk is voor schade. (…)

Ik concludeer dat de TU Delft ten onrechte alsnog, pas zeer recent, probeert nieuwe elementen toe te voegen aan het oplossingstraject zoals dat is afgesproken. (…)

Een en ander neemt niet weg dat de schadevaststelling door de experts ook enige juridische duiding vereist. Zo is het voor een niet-jurist moeilijk te beoordelen wat de consequenties zijn van de omstandigheid dat de rechten op de 3D versie bij partijen gezamenlijk berusten. Zo heeft de TU Delft in een eerder schrijven betoogd dat zij een eigen recht op openbaarmaking zou hebben ex art. 3:169 BW (dus geen vergoeding verschuldigd zou zijn voor eigen gebruik); dat is echter niet het geval; het vereist enige juridische kennis om dit soort verweren op waarde te schatten. Ook zullen de experts moeten beoordelen in hoeverre bepaalde schade nog als gevolg van de gedragingen van de TU aan haar kan worden toegerekend (art. 6:98 BW). Dat is echter iets anders dan een volledig open debat óf de TU überhaupt aansprakelijk is”.

2.16.

Nadien hebben partijen nog gecorrespondeerd over de aan de schade-experts te geven taakomschrijving, zonder overeenstemming te bereiken.

2.17.

Partijen zijn los van de hiervoor omschreven discussie overeengekomen dat de TU Delft openheid zou betrachten ter zake haar gebruik van het E-Quarium. In het kader daarvan heeft de TU Delft op 24 augustus 2015 een brief gezonden met daarin de volgende passage:

Anders dan de heer [eiser] meent, is E-Quarium alleen gebruikt in het SusLab-project. Er was en er is geen ander intern of extern onderzoeksproject waarin E-Quarium is gebruikt. Er is (dan ook) geen onderzoeksfinanciering mee binnengehaald. E-Quarium is gepresenteerd in de Corporate Brochure van IO en die van het Suslab en op Open Dagen in 2013 en 2014”.

2.18.

Conform punt acht van de vaststellingsovereenkomst heeft de TU Delft aan [eiser] een bedrag van € 7.500,- voor vergoeding advocaatkosten betaald. Nadien is nog een aanvullend bedrag betaald. [eiser] heeft verzocht om een voorschot voor advocaatkosten die gemoeid zouden zijn voor begeleiding tijdens het traject van vaststelling van de omvang van de schade. Hierop heeft de TU Delft als volgt gereageerd:

Graag verneemt de TU Delft eerst schriftelijk van u of u zich al of niet kunt vinden in het laatste voorstel d.d. 6 november 2015 (zie bijlage), waarna, indien positief, wij de beoogde experts kunnen benaderen en vragen om een aangepaste Procedurebrief. Op basis van een aangepaste Procedurebrief komen wij terug op uw verzoek om verdere verhoging van uw juridisch budget en de redenen die u daarvoor aangeeft”.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

I. Primair,

De TU Delft gebiedt onverkort uitvoering te geven aan punt 4, 5, 6 en 7 van de vaststellingsovereenkomst door:

a. a) uiterlijk één week na dit vonnis in overleg met [eiser] te bewerkstelligen dat één of meer deskundige schade-experts en één jurist aangesteld zijn om een oordeel te vellen over de hieronder onder sub I(b) bedoelde vraagstelling, waarbij voor elk van deze personen geldt dat zij pas definitief aangesteld kunnen worden na voorafgaande schriftelijke toestemming van [eiser] ;

b) de onder sub I(a) bedoelde schade-experts en de jurist te instrueren hun onderzoek te verrichten op basis van de volgende opdracht:

“Wij verzoeken de experts te komen tot een vaststelling van door [eiser] eventueel geleden materiële en immateriële schade als gevolg van o.a.:

( i) het mogelijk ongeautoriseerde gebruik van E-Quarium door TU Delft;

(ii) het mogelijk ten onrechte blokkeren van gebruik van E-Quarium door [eiser] door de TU Delft;

(iii) de mogelijke belemmering van [eiser] ’s afstuderen alsmede de handelswijze van TU Delft inzake E-Quarium;

een en ander zoals omschreven in de vaststellingsovereenkomst van 24 april 2015, en bij de vaststelling van de schade uit te gaan van het door mr. [A] op 10 augustus 2015 gewezen bindend advies.

Aan de jurist binnen het team wordt uitsluitend gevraagd de schade-experts bij te staan in het geval specifieke deelvragen rijzen van meer juridische aard, die beantwoording vereisen om te kunnen komen tot een juiste schadevaststelling. Een voorbeeld daarvan is de vraag naar de causaliteit in de zin van art. 6:98 BW. Zoals volgt uit de vaststellingsovereenkomst is deze fase van het traject niet bedoeld voor een breder juridisch debat over het bestaan van aansprakelijkheid van de TU en daarmee samenhangende verweren.”

Subsidiair,

De TU Delft te gebieden onverkort uitvoering te geven aan punt 4, 5, 6 en 7 van de vaststellingsovereenkomst door middel van het treffen van door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen maatregelen;

II. Primair,

De TU Delft te gebieden onverkort uitvoering te geven aan punt 6, laatste zin van de vaststellingsovereenkomst door uiterlijk twee weken na betekening van dit vonnis een volledig en accuraat overzicht van het gebruik door de TU Delft van het E-Quarium aan [eiser] te verstrekken. Dit overzicht van het gebruik dient in elk geval alle informatie te omvatten met betrekking tot:

a. elke gelegenheid waarbij het E-Quarium is geopenbaard aan derden, met specificatie van de datum, de betreffende derde(n), de context van de openbaarmaking en het daarop volgende gebruik van E-Quarium;

b. een zorgvuldige beschrijving van de inzet van E-Quarium in SusLab en eventuele andere onderzoeksprojecten, met aanduiding van de daarvoor ontvangen vergoeding en wijze van financiering (subsidie of anderszins);

c. elke verveelvoudiging van (onderdelen van) het E-Quarium, zoals in marketing of PR materiaal, met aanduiding van oplage, context, publiek en verspreiding;

Subsidiair,

De TU Delft te gebieden op een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen wijze onverkort uitvoering te geven aan haar verplichting “volledige openheid te betrachten m.b.t. inzet van E-Quarium”;

III. De TU Delft te gebieden onverkort uitvoering te geven aan punt 8 van de vaststellingsovereenkomst door uiterlijk vijf dagen na het ten deze te wijzen vonnis een voorschot van € 15.000,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te betalen aan [eiser] voor reeds gemaakte en nog te maken juridische kosten van [eiser] ;

IV. De TU Delft te veroordelen aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de TU Delft in strijd handelt met het onder I(a) en/of I(b) en/of II en/of III genoemde gebod;

V. De TU Delft te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder in de nakosten ten bedrage van respectievelijk € 131,00 zonder betekening en € 199,00 in geval van betekening, indien en voor zover de TU Delft niet binnen de wettelijk vereiste termijn van twee dagen, althans binnen een door de rechtbank redelijk geachte termijn, na betekening van dit vonnis heeft voldaan.

3.2.

[eiser] stelt dat de TU Delft ten onrechte in het kader van het vaststellen van de door hem geleden schade nog juridische verweren wil voeren, zoals ter zake de onrechtmatigheid van haar gedragingen, aansprakelijkheid en oorzakelijk verband (zie de onder 2.12 - 2.14 weergegeven e-mails). Volgens [eiser] volgt echter uit de vaststellingsovereenkomst dat in deze fase geen ruimte meer is voor een breder juridisch debat. [eiser] wijst op de aanhef van de vaststellingsovereenkomst, waarin is vastgelegd “dat het nodig is dat deze casus zo snel mogelijk wordt opgelost. Het belang van

[eiser] om weer verder te kunnen en op een goede manier af te studeren staat daarbij voorop” en dat, nadat is vastgesteld wie auteursrechthebbende is, “een of meerdere (andere) schade-experts een uitspraak doen m.b.t. de door [eiser] geleden schade”. Onder punt vijf van de vaststellingsovereenkomst staat dat de aan te stellen schade-experts door hem geleden schade “zo snel mogelijk en uiterlijk binnen 4 weken na aanstelling” zullen vaststellen. Uit deze bewoordingen blijkt dat partijen een snelle afwikkeling van het geschil voorstaan, zonder uitgebreid juridisch debat. Ter ondersteuning van zijn standpunt wijst [eiser] verder op de door de TU Delft opgestelde concept-overeenkomst (zie 2.6), waarin de voorgestelde tekst luidt dat “op basis van redelijkheid en billijkheid en rekening houdend met de omstandigheden van deze casus voor [eiser] een vorm van compensatie [zal] worden vastgesteld”. Ook deze bewoordingen duiden er op dat het niet de bedoeling van partijen is geweest dat nog een uitvoerig juridisch debat zal moeten worden gevoerd. Tussen partijen is hierover steeds overeenstemming geweest, ook na het tot stand komen van de vaststellingsovereenkomst heeft de TU Delft nog diverse uitlatingen gedaan waaruit blijkt dat na het oordeel van mr. [A] uitsluitend nog de vaststelling van de omvang van de schade aan de orde zou komen. Door thans ruimte te claimen voor een nieuw juridisch debat over onder meer onrechtmatigheid en aansprakelijkheid handelt de TU Delft in strijd met hetgeen tussen partijen is overeengekomen, aldus [eiser] . [eiser] betwist dat zijn standpunt inhoudt dat hem een blanco cheque wordt gegeven ter zake de omvang van de schade. In het debat over de omvang van de schade kan de vraag welke schadeposten voor (volledige) vergoeding in aanmerking komen nog aan de orde komen, evenals de vraag in hoeverre bepaalde schade aan de TU Delft kan worden toegerekend.

3.2.1.

[eiser] stelt verder dat de TU Delft ten onrechte geen openheid betracht ter zake haar gebruik van het E-Quarium. De door de TU Delft gedane opgave (zie 2.17) is onvolledig, zoals blijkt uit diverse vermeldingen van het E-Quarium op internetpagina’s, waarvan [eiser] een uitdraai in het geding heeft gebracht.

3.2.2.

Tot slot stelt [eiser] dat de TU Delft zich niet houdt aan de afspraak redelijk te maken kosten voor juridische ondersteuning te voldoen. Uit de onder 2.18 weergegeven e-mail blijkt dat de TU Delft het voldoen van een aanvullend voorschot afhankelijk stelt van aanvaarding van door haar gestelde eisen. Ook wat dit betreft dient de TU Delft te worden veroordeeld tot nakoming, aldus [eiser] .

3.3.

TU Delft voert verweer. Volgens haar dient de vaststellingsovereenkomst aldus te worden verstaan dat partijen zijn overeengekomen dat eerst zal worden gekeken naar de bron van het conflict, namelijk de vraag wie de houder van de intellectuele eigendomsrechten ter zake het E-Quarium is. Op basis van het antwoord op die vraag zou vervolgens moeten worden bekeken in hoeverre [eiser] schade zou hebben geleden. Het is niet de bedoeling van partijen geweest dat de TU Delft op voorhand zou instemmen met iedere schade die [eiser] zou claimen. Dit volgt naar de mening van de TU Delft ook niet uit de bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst. Daarin staat immers dat partijen zullen toewerken “naar een vaststelling van de door [eiser] eventueel geleden materiële en immateriële schade”. Het woord “eventueel” ontbrak in een eerder door [eiser] geschreven concept waarmee de TU Delft mede om die reden niet kon instemmen. Verder noemt de vaststellingsovereenkomst als voorbeelden van schadeposten het mogelijk ongeautoriseerde gebruik van E-Quarium door TU Delft, het mogelijk ten onrechte blokkeren van gebruik van E-Quarium door [eiser] , door TU Delft en de mogelijke belemmering van [eiser] 's afstuderen alsmede de handelswijze van TU Delft in zake

E-Quarium. Deze bewoordingen geven reeds aan dat er nog ruimte is voor discussie. Of er daadwerkelijk sprake is geweest van “ongeautoriseerde gebruik van het E-Quarium door TU Delft” en het door de TU Delft “ten onrechte blokkeren van gebruik van E-Quarium door [eiser] ” en van “belemmering van [eiser] ’s afstuderen” moet nog worden vastgesteld, evenals het bedrag aan schade dat daarvoor moet worden vergoed. Een geschilpunt daarbij kan bijvoorbeeld zijn de vraag of bepaald gebruik van het E-Quarium door de TU Delft als ongeautoriseerd moet worden aangemerkt of dat de TU Delft uit mocht gaan van toestemming van [eiser] . Ook kan een geschilpunt zijn of een door [eiser] gestelde schadepost wegens gederfde inkomsten vanwege het niet kunnen gebruiken van het E-Quarium inderdaad als een gevolg van de opstelling van de TU Delft valt aan te merken. [eiser] heeft er volgens de TU Delft niet gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat de TU Delft met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst afstand heeft willen doen van de mogelijkheid op deze en soortgelijke punten verweer te voeren. De vordering van [eiser] beperkt de TU Delft derhalve ten onrechte in haar verweermogelijkheden en dient daarom te worden afgewezen, aldus de TU Delft.

3.3.1.

De TU Delft betwist dat zij geen volledig overzicht van haar gebruik van het E-Quarium heeft gegeven. De door [eiser] gevonden internetpagina’s waarop het E-Quarium wordt vermeld betreffen afstudeerscripties, onderzoeksverslagen en door derden verzorgde presentaties waarin naar het E-Quarium wordt verwezen. Dit betreft echter geen gevallen van gebruik van het E-Quarium door de TU Delft.

3.3.2.

De TU Delft voert verder aan dat zij bereid is [eiser] een voorschot te verstrekken voor advocaatkosten in het traject van vaststelling van de omvang van de schade. Voor een goede begroting van dat voorschot is echter nodig dat duidelijkheid bestaat over de invulling van dat traject. Omdat partijen daarover nog van mening verschillen is nog geen aanvullend voorschot betaalbaar gesteld, na het bereiken van overeenstemming zal hiertoe echter worden overgegaan, aldus de TU Delft.

4 De beoordeling

4.1.

Het geschil tussen partijen betreft de uitleg van de vaststellingsovereenkomst. Na kennis te hebben genomen van de wederzijdse standpunten komt het de voorzieningenrechter echter voor dat partijen niet zozeer van mening verschillen over die uitleg maar het voornamelijk oneens zijn met datgene wat naar zij menen uit het standpunt van de ander voortvloeit. Zo lijkt [eiser] te vrezen dat de TU Delft met haar uitleg dat partijen nog een debat over aansprakelijkheid en onrechtmatigheid dienen te voeren terug wil naar de vraag of zij überhaupt tekort is geschoten jegens [eiser] , en daarmee in wezen weer terug wil naar de situatie voor de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst. Uit de door de TU Delft gegeven toelichting op haar standpunt blijkt dat niet het geval te zijn, maar wil zij genoemde verweren in kunnen brengen in het debat over de omvang van de concrete schade (en derhalve niet meer over de vraag of in abstracto wel een verplichting tot schadevergoeding bestaat). Anderzijds lijkt de TU Delft te vrezen dat de uitleg van [eiser] ertoe leidt dat zij iedere door hem gestelde schadepost zonder meer moet accepteren. [eiser] geeft echter aan dat vragen omtrent toerekenbaarheid van de schade en de vraag of, gezien het gedeelde auteursrecht, wel sprake is geweest van onrechtmatig gebruik van het E-Quarium door de TU Delft, nog wel in het debat mogen worden betrokken. Ter terechtzitting heeft [eiser] ook nog verklaard dat de TU Delft ook ter zake de omvang van de schade een zogenoemd ‘eigen schuldverweer’ kan voeren. De vraag waar het debat thans nog over dient te gaan wordt derhalve door beide partijen niet wezenlijk anders beantwoord.

4.2.

De voorzieningenrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat de TU Delft geen uitvoering geeft aan de vaststellings-overeenkomst. Bij een veroordeling daartoe heeft [eiser] dan ook geen belang. Voor een beperking op voorhand van de door de TU Delft te noemen dan wel door de jurist mee te wegen argumenten, zoals eveneens gevorderd, ziet de voorzieningenrechter evenmin grond. Uit de bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst blijkt reeds voldoende dat het debat in de tweede fase zal moeten gaan over concreet door [eiser] geleden schade. Het is aan de TU Delft om te bepalen hoe zij haar standpunt dienaangaande wenst te verwoorden. De voorzieningenrechter gaat er daarbij van uit dat [eiser] in de gelegenheid zal worden gesteld om te reageren op het verweer van de TU Delft alvorens de schade-experts hun (definitieve) oordeel geven. Een werkwijze zoals voorgesteld door de TU Delft in haar concept mail aan mr. [B] (zie 2.13) lijkt een geschikte methode om tot een uitspraak te komen. Een dergelijke methode biedt [eiser] voldoende gelegenheid om de schade-experts en de jurist attent te maken op eventuele onjuistheden in de argumenten van de TU Delft.

4.3.

[eiser] heeft het gemotiveerde verweer van de TU Delft dat haar overzicht van gebruik van het E-Quarium volledig is, niet weersproken. Gelet hierop zal zijn vordering als vermeld onder II bij rechtsoverweging 3.1 eveneens worden afgewezen.

4.4.

De TU Delft heeft voorts verklaard over te willen gaan tot betaling van een aanvullend voorschot, maar dat daarvoor wel noodzakelijk is dat inzicht wordt verkregen in de omvang van de nog te maken kosten. Dit standpunt kan niet onrechtmatig worden geacht. Nu [eiser] daarnaast zijnerzijds geen specificatie heeft gegeven van het door hem gevorderde bedrag van € 15.000,- zal ook dit deel van de vordering worden afgewezen.

4.5.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van de TU Delft tot op heden begroot op € 619,- aan griffierecht en € 814,- aan kosten advocaat.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorziening;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten, aan de zijde van de TU Delft tot op heden begroot op € 1.433,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2016.