Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:3109

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-03-2016
Datum publicatie
19-04-2016
Zaaknummer
C/09/488270 en C/09/495908
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

echtscheiding; voortgezet gebruik echtelijke woning; partneralimentatie; verdeling gemeenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/72.42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 15-3511 en FA RK 15-7027

Zaaknummer: C/09/488270 en C/09/495908

Datum beschikking: 17 maart 2016

Scheiding

Beschikking op het op 7 mei 2015 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. E.M.T. van Ruitenbeek-de Bekker te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M.C. Carli-Lodder te ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift tevens verzoekschrift;

  • -

    het faxbericht d.d. 4 juni 2015 met bijlagen van de zijde van de vrouw;

  • -

    het F9-formulier d.d. 25 augustus 2015 met bijlagen van de zijde van de man;

  • -

    het F9-formulier d.d. 20 januari 2016 met bijlagen van de zijde van de man;

  • -

    het F9-formulier d.d. 25 januari 2016 met bijlagen van de zijde van de vrouw;

  • -

    het F9-formulier d.d. 26 januari 2016 met bijlagen van de zijde van de man;

  • -

    het F9-formulier d.d. 1 februari 2016 met bijlagen van de zijde van de vrouw;

  • -

    het F9-formulier d.d. 2 februari 2016 met bijlagen van de zijde van de man.

Op 4 februari 2016 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van de vrouw en de man, bijgestaan door zijn advocaat. Van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd. De man heeft ter zitting een e-mailbericht d.d. 3 februari 2016 overgelegd.

Verzoek en verweer

Het verzoek, zoals dat thans luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:

  • -

    vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 4.300,- bruto per maand, zodra de vrouw niet langer in de echtelijke woning kan wonen, en
    € 2.950,- bruto per maand, zolang de vrouw het exclusief gebruik van de echtelijke woning zal hebben en wanneer de man de rente hypothecaire geldlening voor zijn rekening neemt;

  • -

    vaststelling van de wijze van verdelen conform haar voorstel van 25 januari 2016 en daarbij vast te stellen:
    . dat de man haar € 77.622,10 ten titel van overbedeling verschuldigd is;
    . dat de [adres] en [adres] volgens haar voorstel, met vaststelling van een vraag- en laatprijs moeten worden verkocht en de huur van de [adres] moet worden opgezegd, waarbij de beschikking van de rechtbank telkens in de plaats komt van de toestemming/medewerking van de man;
    . dat man haar bepaalde inboedelgoederen moet afgeven op straffe van verbeurte van een dwangsom;
    . dat de NN-lijfrentepolis aan haar wordt toegedeeld met bepaling dat de beschikking van de rechter in de plaats komt van de handtekening van de man;

  • -

    voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel,

  • -

    vaststelling van een door de man te betalen gebruiksvergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning van € 1.016,66 subsidiair € 883,05 per maand

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De man voert verweer tegen het door de vrouw verzochte, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Tevens heeft de man thans nog zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:

  • -

    vaststelling van de wijze van verdeling/verrekening van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de man;

  • -

    voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert thans nog verweer tegen de verzochte wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

  • -

    Partijen zijn gehuwd op [datum huwelijk] te [plaats huwelijk] .

  • -

    De man is Burger van de Bondsrepubliek Duitsland en de vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit.

  • -

    Partijen zijn geen huwelijkse voorwaarden overeengekomen.

  • -

    Deze rechtbank heeft op 25 juni 2015 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover thans van belang inhoudende dat de man met ingang van 25 juni 2015 bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en dat de man met ingang van 25 juni 2015 een voorlopige partneralimentatie aan de vrouw zal verstrekken van
    € 789,- per maand.

Beoordeling

Echtscheiding

Nu de gewone verblijfplaats van partijen ten tijde van de indiening van het verzoekschrift in Nederland was, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.

De rechtbank zal krachtens artikel 10:56 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat de daarop steunende over en weer niet weersproken verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar zijn.

Voortgezet gebruik echtelijke woning met inbegrip van de inboedel en gebruiksvergoeding echtelijke woning

Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot de over en weer gedane verzoeken tot voortgezet gebruik van de echtelijke woning en worden deze volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst.

De rechtbank is van oordeel dat het belang van de man bij voortgezet gebruik van de echtelijke woning zwaarder weegt dan dat van de vrouw. De man heeft voor het verrichten van zijn werkzaamheden, hoewel deze thans minimaal zijn, zijn in de echtelijke woning aanwezige werkkamer, archief en studio nodig. Voorts bewoont de vrouw thans een huurwoning waarvan zij de huurlasten voor een jaar reeds heeft vooruitbetaald, zodat het niet in de rede ligt deze voortijdig te verlaten.

De vrouw heeft ten aanzien van het voortgezet gebruik van de inboedel van de echtelijke woning nog aangevoerd dat zij onder geen voorwaarde kan instemmen met het gebruik van de gehele inboedel door de man voor zover daartoe erfstukken van haarzelf behoren. Zoals hierna zal worden overwogen, hebben partijen overeenstemming over de verdeling van de inboedel bereikt. Gelet hierop beschouwt de rechtbank dit door de vrouw ingenomen standpunt als ingetrokken.

Voorts acht de rechtbank het redelijk dat de man aan de vrouw een gebruiksvergoeding betaalt, nu de man gebruik maakt van de gehele woning die mede aan de vrouw in eigendom toebehoort. De rechtbank acht de door de vrouw primair verzochte gebruiksvergoeding van € 1.016,66 per maand redelijk. Daartoe wordt in het bijzonder de door de vrouw gestelde en door de man onvoldoende bestreden huurwaarde (= het in geld vertaalde woongenot) in aanmerking genomen. Daarnaast neemt de rechtbank de overwaarde in aanmerking en het feit dat de man in ieder geval de komende maanden nog inkomsten uit verhuur van het naastgelegen koetshuis ontvangt.

Omdat de inkomsten van de man niet voldoende zijn voor het betalen van de vastgestelde gebruiksvergoeding acht de rechtbank het redelijk dat betaling van de vergoeding geschiedt na verkoop en levering van de echtelijke woning aan een derde, uit zijn deel van de verkoopopbrengst van de woning.

Partneralimentatie

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het alimentatieverzoek.

Op het verzoek tot alimentatie voor de vrouw zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.

Behoefte

De vrouw stelt zich op het standpunt dat haar netto behoefte € 2.500,- per maand bedraagt indien zij een eigen woning huurt van € 700,- per maand, en € 1.800,- per maand zonder de huur van die woning. De man erkent dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud, maar stelt dat de mate van welstand die de vrouw veronderstelt jaren geleden al is achterhaald.

De rechtbank zal voor de behoefte van de vrouw aansluiting zoeken bij hetgeen in de beschikking voorlopige voorzieningen d.d. 25 juni 2015 is overwogen. Haar behoefte is daarin berekend op € 1.633,- netto per maand, zijnde € 2.902,- bruto per maand. Uit de thans door partijen overgelegde stukken, alsmede het verhandelde ter zitting, is niet gebleken dat de behoefte van de vrouw op een hoger dan wel lager bedrag is gelegen.

Draagkracht

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de man in staat moet worden geacht de door haar verzochte bijdrage te betalen. Zij verwijst ter onderbouwing van haar standpunt met name naar de door de man te ontvangen huurinkomsten van € 1.300,- per maand.

De man stelt dat hij geen draagkracht heeft enige alimentatie te betalen. Hij stelt dat hij als zelfstandig journalist/correspondent momenteel slechts een inkomen (winst uit onderneming) heeft van € 10.700,- per jaar. Ter onderbouwing van zijn draagkracht heeft hij een draagkrachtberekening overgelegd (productie 15 bij het verweerschrift). In deze draagkrachtberekening is aan de inkomenszijde slechts uitgegaan van de winst uit onderneming en is geen rekening gehouden met de door de man te ontvangen inkomsten uit verhuur van het koetshuis ( [adres] ) van € 1.300,- per maand.

Het door de man ingenomen standpunt aangaande zijn draagkracht is niet door de vrouw is bestreden. Op grond daarvan komt de rechtbank tot de conclusie dat de man geen draagkracht heeft enige alimentatie te betalen. Daartoe wordt nog overwogen dat de vrouw heeft aangevoerd dat in verband met de verkoopbaarheid van het gehele onroerend goed ( [adres] en [adres] ) de huurovereenkomst voor [adres] (het koetshuis) dient te worden opgezegd tegen de datum van 31 juli 2016. Het gevolg daarvan is dat de man geen inkomsten meer uit verhuur geniet van € 1.300,- per maand. Verder wordt in aanmerking genomen dat de man onweersproken heeft gesteld dat het altijd de bedoeling van partijen is geweest dat zij vanaf zekere leeftijd (de man is nu bijna 61 jaar oud) zouden leven van de woning, de verhuur van het koetshuis en de inkomsten uit de twee verzekeringen (Presse Versorgung en Nationale Nederlanden). Deze vermogensbestanddelen worden tussen partijen verdeeld, zodat zij beiden gelijkelijk kunnen beschikken over de inkomsten daaruit.

Gelet op het vorenstaande zal het verzoek van de vrouw aangaande partneralimentatie worden afgewezen.

Verdeling van de huwelijksgemeenschap

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot verdeling van de gemeenschap. Nu geen rechtskeuze hebben gedaan voor het recht dat van toepassing is op hun huwelijksvermogen en partijen sinds 1984 samen in Nederland wonen, wordt hun huwelijksvermogensregime (in ieder geval vanaf 1994) beheerst door het Nederlands recht. Dat betekent dat zij nu in gemeenschap van goederen gehuwd zijn.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de peildatum voor de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap 7 mei 2015 is. Op die datum is de huwelijksgemeenschap van partijen ontbonden door indiening van het verzoek tot echtscheiding. Nu gesteld noch gebleken is dat partijen iets anders hebben afgesproken, dient de ontbonden huwelijksgemeenschap bij helfte te worden verdeeld. De ter zake van de verdeling van de huwelijksgemeenschap in acht te nemen waarderingspeildatum is de datum van onderhavige beschikking. Immers, volgens vaste jurisprudentie moet, indien partijen niet anders zijn overeengekomen dan wel de maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet anders meebrengen, worden uitgegaan van de waarde dat een goed heeft ten tijde van de verdeling. Bij vaststelling van de verdeling door de rechter is dat de datum waarop door de rechter de (wijze van) verdeling wordt vastgesteld.

Gebleken is dat de ontbonden huwelijksgemeenschap op de peildatum, 7 mei 2015, uit de navolgende activa en passiva bestond:

  1. De echtelijke woning te [adres] ;

  2. Het koetshuis te [adres] ;

  3. De op de echtelijke woning en het koetshuis rustende aflossingsvrije hypothecaire geldlening bij ING, [nummer] ter hoogte van € 80.168,08;

  4. De wijnkelder te (België) [adres] ;

  5. De BMW 5 GT auto;

  6. De leaseschuld BMW Financial Services;

  7. De kapitaalverzekering bij Presse Versorgung, [nummer] , op naam van de man;

  8. De levensverzekering bij Nationale Nederlanden, [nummer] , op naam van de man;

  9. De aandelenportefeuille, [nummer] , op naam van de man;

  10. De bankrekening bij ABN AMRO, [nummer] , op naam van de man en de vrouw;

  11. De bankrekening bij ABN AMRO, [nummer] , op naam van de man;

  12. De bankrekening bij HypoVereinsbank, [nummer] , op naam van de man en de vrouw;

  13. De bankrekening bij UBS, [nummer] , op naam van de man;

  14. De bankrekening bij Stadtssparkasse Witten, [nummer] ;

  15. De bankrekening bij ABN AMRO, [nummer] , op naam van de vrouw;

  16. Het flexibel krediet bij ABN AMRO, [nummer] ;

  17. De vordering op de zoon van partijen;

  18. De inboedel;

  19. De eenmanszaak van de man: [naam] .

Ad 1, 2 en 3: de echtelijke woning te [adres] en het koetshuis te [adres] en de op beiden rustende aflossingsvrije hypothecaire geldlening bij ING, [nummer] ter hoogte van € 80.168,08

Partijen twisten over de vraag of de echtelijke woning en het koetshuis dienen te worden verkocht. Nu geen van partijen in staat is de echtelijke woning en het koetshuis op eigen naam te krijgen, zal de rechtbank, conform het verzoek van de vrouw, bepalen dat deze moeten worden verkocht.

Ter zitting is besproken dat partijen de opdracht tot verkoop zullen geven aan de heer [naam] van [naam] te ’s-Gravenhage. De vraagprijs van de echtelijke woning en het koetshuis gezamenlijk wordt vastgesteld op € 650.000,-, conform het advies van de heer [naam] , weergegeven in de door de man overgelegde productie 30 bij de stukken van 20 januari 2016. De rechtbank gaat voorbij aan het door de man ter zitting ingenomen standpunt dat de vraagprijs op € 900.000,- moet worden gesteld nadat de lekkage, waarvan thans sprake is, is verholpen. De echtelijke woning en het koetshuis moeten immers nu worden verkocht. Een renovatie kan niet worden afgewacht. De rechtbank acht het thans voorbarig om te bepalen dat de vraagprijs wordt verlaagd naar € 630.000,- indien de woning op 1 september 2016 nog niet is verkocht. De rechtbank kan nu nog niet overzien of dat redelijk is. De rechtbank zal de laatprijs vaststellen op
€ 610.000,-, eveneens conform het advies van de makelaar. De man heeft wel gesteld dat hij bang is dat het huis voor een te lage prijs wordt verkocht, maar hij heeft geen concrete aanknopingspunten voor een (hogere) laatprijs genoemd.

Partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerend goed markt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar dit naar beste weten en kunnen bepalen.

Beide partijen zijn gehouden aan deze verkoop en daaropvolgende overdracht mee te werken.

Iedere partij is gehouden de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen.

Na verkoop en overdracht van de echtelijke woning en het koetshuis wordt de verkoopopbrengst, na aflossing van de hypothecaire geldlening, gelijkelijk tussen partijen verdeeld.

Het verzoek van de vrouw te bepalen dat de beschikking in de plaats komt van de voor de opdracht aan de makelaar benodigde handtekening van de man, alsmede dat de beschikking ex artikel 3:300 BW in de plaats in de plaats komt van de voor de eigendomsoverdracht en levering van de onroerende zaak noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man, zal worden afgewezen. Immers, niet is gebleken dat de man niet zijn medewerking zal verlenen.

Het koetshuis aan de [adres] wordt thans verhuurd. Uit de huurovereenkomst (productie 6 bij de stukken van 25 januari 2016 van de vrouw) volgt dat de huur maandelijks € 1.300,- bedraagt en dat de huur telkens met ingang van 1 augustus van het desbetreffende jaar voor een jaar wordt aangegaan. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat in verband met de verkoopbaarheid van het gehele onroerend goed de huurovereenkomst voor het koetshuis door de man dient te worden opgezegd tegen de datum van 31 juli 2016 en dat de beschikking in de plaats komt van de voor die beëindiging van de huurovereenkomst benodigde handtekening van de man wanneer de man hiertoe zijn medewerking weigert te verlenen. Ter zitting is besproken dat de huurovereenkomst met het oog op de verkoop dient te worden beëindigd. Aan de andere kant bestaat wellicht de mogelijkheid een kortere verlenging van de huur (bijvoorbeeld voor drie maanden) met de huurder af te spreken, zodat de man gedurende het verkoopproces van de echtelijke woning en het koetshuis nog enige inkomsten behoudt. De rechtbank is daarom van oordeel dat het thans te voorbarig is het verzoek van de vrouw in te willigen.

Ad 4: de wijnkelder te (België) [adres]

Ter zitting heeft de man zich op het standpunt gesteld dat hij, anders dan hij eerst betoogde, de wijnkelder niet toebedeeld wenst te krijgen, doch dat deze dient te worden verkocht. De man heeft daartoe aangevoerd dat de wijnkelder eerst thans verkoopbaar is. De vrouw heeft zich tegen dit door de man ingenomen standpunt niet verweerd. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de wijnkelder dient te worden verkocht en dat de opbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld.

Ad 5 en 6: de BMW 5 GT auto en de leaseschuld BMW Financial Services

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man eigenaar van de auto is, nu sprake is van een financial lease. De auto staat ook op naam van de man. Volgens de vrouw ligt het niet in de rede om de slottermijn van € 19.879,80 (op 29 februari 2016) niet te voldoen, nu de waarde van de auto is gelegen op rond de € 30.000,-.

De man stelt zich daarentegen op het standpunt dat de auto niet zijn eigendom is. Er is sprake van een leasecontract. Hij zal de slottermijn van € 19.879,80 (op 29 februari 2016) niet voldoen en de auto retourneren. Volgens de man is de vermoedelijke waarde van de auto € 21.131,-. Dit blijkt uit een door de man ter zitting overgelegde e-mail van 3 februari 2016.

Over de inhoud van de afspraken van de man met BMW Financial Services is geen informatie beschikbaar is, terwijl het wel op de weg van de man had gelegen de rechtbank (en de vrouw) daarover te informeren. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat de auto eigendom is van de man. De rechtbank zal de door partijen genoemde waardes van de auto middelen en komt uit op een waarde van € 25.566,-. Tegen deze waarde wordt de auto aan de man toegedeeld. Gelet op het feit dat de slottermijn € 19.879,80 bedraagt, komt de vrouw de helft van de meerwaarde toe, zijnde € 2.843,-.

Ad 7: de kapitaalverzekering bij Presse Versorgung, [nummer] , op naam van de man

Deze de kapitaalverzekering is op 1 oktober 2015 tot uitkering is gekomen. Hoewel door de man geen stukken aangaande deze uitkering zijn overgelegd, gaat de rechtbank er vooralsnog van uit dat het door de man gestelde bedrag van € 160.635,- tot uitkering is gekomen. Voorts is niet in geschil dat de vrouw reeds een bedrag van € 60.000,- heeft ontvangen. De vrouw heeft nog recht op de helft van het verschil tussen de door partijen ontvangen bedragen, waartoe de man haar de gewenste informatie dient te verstrekken.

Ad 8: de levensverzekering bij Nationale Nederlanden, [nummer] , op naam van de man

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de polis bij Nationale Nederlanden met lijfrenteclausule, welke is vrijgevallen per 29 december 2015, aan haar dient te worden toebedeeld zodat zij daarvan een lijfrente kan kopen. Daarmee kan zij dan gedurende de periode dat de echtelijke woning en het koetshuis nog niet zijns verkocht (samen met de van de man te ontvangen gebruiksvergoeding) in haar eigen levensonderhoud voorzien. De man stelt zich op het standpunt dat de polis dient te worden gesplitst zodat beide partijen daarvan een lijfrente kunnen kopen. Indien de woning is verkocht en er geen inkomen uit verhuur meer is, heeft hij anders immers helemaal geen inkomsten meer, aldus de man.

De rechtbank is van oordeel dat splitsing het meest in de rede ligt. Beide partijen hebben immers een even groot belang bij een lijfrente. Partijen zullen de verzekeraar dienen te verzoeken de uitkering te splitsen over beide partijen, ieder voor de helft. De mogelijke kosten van de splitsing dienen voor rekening van beide partijen, ieder voor de helft, te komen.

Ad 9: de aandelenportefeuille, [nummer] , op naam van de man

Niet in geschil is dat de waarde van het depot € 7.857,- bedraagt en dat de aandelenportefeuille aan de man dient te worden toebedeeld onder verrekening van de helft van de waarde, zijnde een bedrag van € 3.928,50 met de vrouw.

Ad 10: de bankrekening bij ABN AMRO, [nummer] , op naam van de man en de vrouw

Niet in geschil is dat het saldo op de bankrekening op de peildatum € 238,88 bedroeg en dat dit saldo aan de man zal worden toebedeeld onder verrekening van de helft van het saldo met de vrouw.

Ad 11: de bankrekening bij ABN AMRO, [nummer] , op naam van de man

Niet in geschil is dat het saldo op de bankrekening op de peildatum € 4,54 bedroeg en dat dit saldo aan de man zal worden toebedeeld onder verrekening van de helft van het saldo met de vrouw.

Ad 12: de bankrekening bij HypoVereinsbank, [nummer] , op naam van de man en de vrouw

Niet in geschil is dat het saldo op deze bankrekening op de peildatum negatief was voor een bedrag van € 3.728,- en dat dit negatieve saldo aan de man zal worden toebedeeld onder verrekening van de helft van het negatieve saldo met de vrouw.

Ad 13: de bankrekening bij UBS, [nummer] , op naam van de man

Niet in geschil is dat het saldo op de bankrekening op de peildatum € 2.147,- bedroeg en dat dit saldo aan de man zal worden toebedeeld onder verrekening van de helft van het saldo met de vrouw.

Ad 14: de bankrekening bij Stadtssparkasse Witten, [nummer]

Niet in geschil is dat het saldo op deze bankrekening op de peildatum negatief was voor een bedrag van € 1.864,- en dat dit negatieve saldo aan de man zal worden toebedeeld onder verrekening van de helft van het negatieve saldo met de vrouw.

Ad 15: de bankrekening bij ABN AMRO, [nummer] , op naam van de vrouw

Niet in geschil is dat het saldo op de bankrekening op de peildatum € 237,48 bedroeg en dat dit saldo aan de vrouw zal worden toebedeeld onder verrekening van de helft van het saldo met de man.

Ad 16 en 17: het flexibel krediet bij ABN AMRO, [nummer] en de vordering op de zoon van partijen

Partijen zijn overeengekomen dat de man het flexibel krediet op zich neemt, alsmede dat de man de even hoge, met het krediet samenhangende, vordering op de zoon van partijen voor zijn rekening neemt.

Ad 18: de inboedel

De vrouw heeft in een mail van 25 januari 2016 aan haar advocaat (bijlage 5a bij de brief van de zijde van de vrouw van 25 januari 2016) een lijst van inboedelgoederen opgenomen die zij graag toegedeeld zou willen krijgen. Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat van het eerste gedeelte van deze inboedellijst alles naar de vrouw gaat, behalve ‘de Chinese rolprent in de woonkamer’, de helft van ‘de kookboeken’ en ‘de kledingkast slaapkamer [naam] ’. De Chinese rolprent in de woonkamer en de helft van de kookboeken gaan naar de man en de kledingkast slaapkamer [naam] gaat naar dochter [naam] . Over het onderste gedeelte van de inboedellijst zijn partijen overeengekomen dat ‘de servieskast eetkamer’ naar de vrouw toe gaat, ‘de Chinese vazen/meubilair etc. op kantoor’ naar de man en ‘het tuinmeubilair’ naar de man. De overige op het onderste gedeelte van de inboedellijst vermelde bestanddelen zullen partijen in onderling overleg verdelen. Nu partijen dus overeenstemming over verdeling van de inboedel hebben, behoeft hierover niet meer te worden beslist.

Gelet op deze overeenstemming gaat de rechtbank ervan uit dat de man de aan de vrouw toekomende goederen op eerste verzoek aan de vrouw afgeeft. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vrouw geen belang meer heeft bij haar verzoek te bepalen dat de man aan de vrouw binnen twee dagen na betekening van de beschikking de spullen dient af te geven, zulks op straffe van een dwangsom van € 20.000,-. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.

Ad 19: De eenmanszaak van de man: [naam]

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de waarde van de eenmanszaak nihil is. Hij heeft daartoe verwezen naar productie 8 bij het verweerschrift (fiscaal rapport). Nu dit als zodanig door de vrouw niet is weersproken, zal de rechtbank de waarde vaststellen op € 0,-.

Erfenis vrouw € 132.875,-

De vrouw heeft in haar verdelingslijst ( in het geding gebracht op 4 juni 2015) vermeld: 'erfdeel van de vrouw, bij uitsluiting verkregen, p.m.' Verder is zij in haar stukken niet ingegaan op dit punt, behalve dat zij zonder verdere toelichting bij haar brief van 25 januari 2016 enige stukken heeft gevoegd:

  • -

    een aangepaste vermogensverdeelstaat, waarin zij een schuld ter grootte van € 132.875,- van de gemeenschap aan de vrouw heeft opgenomen onder vermelding 'wegens inbreng erfenis f 292.818,-';

  • -

    een afschrift van een notariële akte van 5 januari 2000 waarin staat vermeld dat notaris [naam] heeft geconstateerd dat de moeder van de vrouw in haar testament heeft bepaald dat hetgeen uit haar nalatenschap wordt verkregen niet zal vallen in enige huwelijksgemeenschap;

  • -

    een stuk waaruit volgt dat de vrouw in de nalatenschap van haar moeder (bestaande uit een woonhuis, effecten, vorderingen en banktegoeden) gerechtigd was tot een bedrag van f 292.818,-.

Eerst ter zitting heeft de vrouw met zoveel woorden gesteld dat zij een vordering op de gemeenschap heeft wegens de inbreng van een erfenis ter hoogte van € 132.875,-. Daarbij heeft zij toegelicht dat de vrouw geen gelden uit de erfenis meer over heeft, dus dat het niet anders kan zijn dan dat er gelden in de gemeenschap zijn gevloeid. Namens haar is ter zitting verklaard dat zij verbouwingen heeft gefinancierd, alsmede gelden heeft besteed aan de aankoop van de kelder in [plaats] , de aankoop van auto's en de financiering van polissen.

De man heeft de vergoedingsvordering weersproken. Hij betwist dat het geld van de vrouw in de gemeenschap is gevloeid of met gelden van de gemeenschap is vermengd. Volgens hem heeft de vrouw van haar erfenis eerst erfbelasting betaald, daarna twee dure BMW’s voor zichzelf heeft gekocht en geld uitgegeven aan dure kleding en vakanties (van € 20.000,- per jaar), hetgeen zij zonder erfenis nooit zou hebben gedaan. Ten slotte voert hij aan dat, voor zover de vrouw gemeenschappelijke zaken heeft betaald, zij daarbij heeft gehandeld uit vrijgevigheid ten gunste van de gemeenschap. Daarbij komt dat de vrouw uitgaven heeft gedaan die zij zonder ontvangst van voormeld bedrag nimmer zou hebben gedaan.

Het is aan de vrouw, die stelt dat zij een vordering op de gemeenschap heeft, om te stellen en te onderbouwen dat haar privé gelden in de gemeenschap zijn gevloeid of dat met haar privé geld gemeenschapsschulden zijn betaald en zo ja, tot welk bedrag. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld ter onderbouwing van haar vergoedingsvordering. Zij heeft niet onderbouwd hoeveel geld zij (netto) uit de erfenis heeft ontvangen en evenmin waaraan dit is besteed. Haar algemene stelling dat er niets meer over is, is onvoldoende om de conclusie te kunnen trekken dat alles aan de gemeenschap is besteed. Voor zover zij ter zitting heeft gesteld dat zij concrete gemeenschapsuitgaven privé heeft betaald, heeft zij daarvan geen enkele onderbouwing geleverd. Daarom dient deze vordering te worden afgewezen.

Verrekenen premies Presse Versorgung en Nationale Nederlanden

De man heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat hij de premies van deze lijfrentepolissen betaalde en dat hij aanspraak maakt op verrekening van de door hem betaalde premies vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift. Daarnaast stelt de man nog ter zitting dat hij ook de parkeerboetes van de vrouw voor een bedrag van € 1.800,- heeft betaald.

De rechtbank is met de vrouw van oordeel dat verrekening van de door de man betaalde premies niet aan de orde is, nu daartoe geen voldoende gespecificeerd verzoek is ingediend en de vrouw zich ook niet heeft kunnen verweren. De man heeft enkel een tweetal bedragen genoemd van de door hem betaalde premies. Indien en voor zover de man heeft beoogd te betogen dat de door hem betaalde parkeerboetes dienen te worden verrekend, dan dient ook dat als onvoldoende gespecificeerd te worden afgewezen.

Proceskosten

Gelet op het feit dat partijen echtgenoten zijn, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt uit de echtscheiding tussen: [de vrouw] , en [de man] , gehuwd op [datum huwelijk] in de gemeente [plaats huwelijk] ;

*

bepaalt dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de woning te [adres]
, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, mits deze woning op het ogenblik van die inschrijving door de man wordt bewoond en aan de vrouw uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;

*

bepaalt de gebruiksvergoeding die de man aan de vrouw dient te voldoen op een bedrag van € 1.016,66 per maand, door de man aan de vrouw verschuldigd vanaf het moment van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en zolang hij gebruik maakt van de echtelijke woning, welke vergoeding verrekend wordt bij verdeling van de opbrengst van de echtelijke woning;

*

stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast.

1. aan de man wordt toebedeeld:

  • -

    de BMW 5 GT auto onder de verplichting schulden (leaseverplichtingen) met betrekking tot deze auto als eigen schuld voor zijn rekening te nemen en dus tegen een meerwaarde van € 2.843,00;

  • -

    de uitkering van de kapitaalverzekering bij Presse Versorgung, [nummer] ,
    met uitzondering van een bedrag van € 60.000,-, voorlopig te stellen op € 100.635,00;

  • -

    de aandelenportefeuille, [nummer] tegen een waarde van € 7.857,00;

  • -

    het saldo op de bankrekening bij ABN AMRO, [nummer] € 238,88;

  • -

    het saldo op de bankrekening bij ABN AMRO, [nummer] € 4,54;

  • -

    het saldo op de bankrekening bij HypoVereinsbank,
    [nummer] -/- € 3.728,00;

  • -

    het saldo op de bankrekening bij UBS, [nummer] , € 2.147,00;

  • -

    het saldo op de bankrekening bij Stadtssparkasse Witten, [nummer] -/- € 1.864,00;

  • -

    de eenmanszaak van de man: [naam] , zonder verdere verrekening;

  • -

    de vordering op de zoon van partijen ter hoogte van het flexibel krediet bij ABN AMRO, [nummer] onder de verplichting het flexibel krediet bij ABN AMRO, [nummer] als eigen schuld te voldoen, onder vrijwaring van de vrouw;

dus totaal € 108.133,42;

2. aan de vrouw wordt toebedeeld:

  • -

    het saldo de bankrekening bij ABN AMRO, [nummer] , € 237,48;

  • -

    een deel van de uitkering van de kapitaalverzekering bij Presse Versorgung, [nummer] , groot € 60.000,00;

dus totaal € 60.237,48;

3. bepaalt dat de man wegens overbedeling een bedrag van € 23.947,97 aan de vrouw dient te voldoen, op het moment van de verdeling van de opbrengst van de echtelijke woning, te vermeerderen met de helft van hetgeen de man mogelijk boven een bedrag van € 106.635,- uit de uitkering van de kapitaalverzekering bij Presse Versorgung heeft ontvangen, waartoe de man binnen veertien dagen na heden onderbouwd aan de vrouw opgave dient te doen van het totaal uitgekeerde bedrag;

4. bepaalt met betrekking tot de echtelijke woning en het koetshuis gelegen aan respectievelijk de [adres] en [adres] te [plaats] :

  • -

    dat deze dienen te worden verkocht;

  • -

    dat partijen binnen vier weken na heden gezamenlijk makelaar [naam] opdracht geven tot verkoop van de echtelijke woning en het koetshuis gelegen aan respectievelijk de [adres] en [adres] te [plaats] ;

  • -

    dat de vraagprijs van de echtelijke woning en het koetshuis gezamenlijk wordt vastgesteld op € 650.000,- en dat de laatprijs € 610.000,- is;

  • -

    dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan het notariële transport van de woning aan de koper;

  • -

    dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen;

  • -

    dat de hypothecaire geldlening bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zal worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de echtelijke woning en het koetshuis;

  • -

    dat de netto verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld;

5. bepaalt dat de wijnkelder te (België) [adres] , zo spoedig mogelijk zal worden verkocht, en de eventuele netto verkoopopbrengst tussen partijen bij helfte zal worden verdeeld;

6. bepaalt dat de lijfrentepolis met nummer [nummer] aan partijen ieder voor de helft toekomt in die zin dat partijen zullen overgaan tot splitsing van de polis bij helfte, waartoe partijen binnen één maand na heden een verzoek zullen richten tot de verzekeraar, Nationale Nederlanden; de mogelijke kosten van de splitsing dienen voor rekening van beide partijen, ieder voor de helft, te komen;

*

verklaart deze beschikking tot zover, behalve voor zover het de echtscheiding betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.D. Bellaart, bijgestaan door mr. I. van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2016.