Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:3108

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-03-2016
Datum publicatie
11-04-2016
Zaaknummer
C/09/498678
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het betreft een verzoek gedaan namens de curator voor de onder curatele gestelde moeder een omgangsregeling vast te stellen tussen de moeder en de minderjarige die haar hoofdverblijfplaats bij de vader heeft. Allereerst wordt de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de curator aan de orde gesteld. De rechtbank overweegt dat de vraag van invulling van het recht op omgang van een ouder met zijn of haar kind bij uitstek een zaak is die de curandus persoonlijk betreft waarvoor deze uitzondering op de procesbekwaamheid moet gelden. Voorts wordt overwogen dat de moeder in deze zaak tot een redelijke waardering van haar belangen in staat is. De moeder wordt derhalve aangemerkt als verzoekster met zelfstandige procesbevoegdheid. Vervolgens wordt een voorlopige omgangsregeling onder begeleiding vastgesteld. De rechtbank overweegt daartoe dat het in het belang van de minderjarige is om op een veilige manier omgang met haar moeder te hebben en dat de vader en de gezinsvoogd in dat belang dienen te handelen. Daarbij dienen zij in aanmerking te nemen dat de moeder, mede gelet op de curatele, niet altijd in staat is adequaat te handelen in het kander van de omgang.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 246
Burgerlijk Wetboek Boek 1 381
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/65.18
JPF 2016/112 met annotatie van prof. mr. P. Vlaardingerbroek
PFR-Updates.nl 2016-0107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 15-8269

Zaaknummer: C/09/498678

Datum beschikking: 17 maart 2016

Omgang

Beschikking op het op 23 oktober 2015 ingekomen verzoek van:

[curator] , verder te noemen: de curator,

kantoorhoudende te Leiden,

in de hoedanigheid van curator van:

[moeder] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats] , gemeente Kaag en Braassem,

advocaat: mr. J.A.M. Koorn-Harkema te Leiden.

Als belanghebbende worden aangemerkt:

[vader] ,

de vader,

wonende te [woonplaats] ,

en

de stichting Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,

de gecertificeerde instelling.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder het verzoekschrift;

Op 4 februari 2016 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder, mr. J.A.M. Koorn-Harkema (zowel namens de curator als ter bijstand van de moeder), de vader en namens de gecertificeerde instelling mevrouw [gezinsvoogd] , de gezinsvoogd.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot het treffen van een regeling inzake de omgang tussen de moeder en de minderjarige, in die zin dat:

  • -

    de minderjarige vier opeenvolgende woensdagmiddagen van 12.00 uur tot 19.00 uur bij de moeder verblijft;

  • -

    de minderjarige vier keer van vrijdag 12.00 uur tot zaterdag 10.00 uur bij de moeder verblijft;

  • -

    de minderjarige vier keer van vrijdag 12.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de moeder verblijft;

  • -

    de minderjarige vervolgens volgens de reguliere regeling bij de moeder verblijft van een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot maandagmorgen naar school.

Feiten

  • -

    De moeder en de vader hebben een affectieve relatie gehad.

  • -

    Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:

• [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

  • -

    De minderjarige heeft de hoofdverblijfplaats bij de vader.

  • -

    Bij beschikking van deze rechtbank, team kanton Leiden/Gouda, d.d. 9 juli 2014 is de moeder, wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand, onder curatele gesteld, met benoeming van [curator] voornoemd tot curator.

  • -

    Ingevolge het bepaalde in artikel 1:246 juncto artikel 1:253q lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is de moeder onbevoegd tot het gezag en oefent de vader, die voorheen het gezag gezamenlijk met de moeder uitoefende op grond van artikel 1:252 lid 1 BW, alleen het gezag over de minderjarige uit.

  • -

    De minderjarige staat sinds 2011 onder toezicht, momenteel van de gecertificeerde instelling.

  • -

    De minderjarige heeft na het uiteengaan van de ouders bij de moeder gewoond. Vanaf december 2013 woont zij bij de vader. De ouders zijn niet in staat onderling afspraken te maken over of uitvoering te geven aan de omgang tussen de moeder en de minderjarige.

  • -

    Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 10 augustus 2015 is de ondertoezichtstelling van de minderjarige van 23 augustus 2015 tot 23 augustus 2016 verlengd.

Beoordeling

Vertegenwoordigingsbevoegdheid curator

Blijkens artikel 1:381 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) is de onder curatele gestelde onbekwaam rechtshandelingen te verrichten voor zover de wet niet anders bepaalt. Dit geldt ook voor familierechtelijke rechtshandelingen en procesrechtelijke handelingen. Het zesde lid van dit artikel bepaalt dat in zaken van curatele degene wiens curatele het betreft bekwaam is in rechte op te treden en tegen een uitspraak beroep in te stellen. Hieruit volgt in beginsel dat de curandus in zaken die geen betrekking hebben op de curatele niet procesbekwaam is en door de curator vertegenwoordigd moet worden. De vertegenwoordigingsbevoegdheid van de curator dient echter te wijken voor, ondanks de curatele, nog bestaande feitelijke bekwaamheid van de curandus. Dit strookt met de gedachte dat de curandus, voor zover hij tot een dergelijke waardering in staat is, zeggenschap moet hebben over zaken die hem persoonlijk betreffen, zoals bijvoorbeeld zijn verzorging of verpleging (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 28 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1246). Naar het oordeel van de rechtbank is de vraag van invulling van het recht op omgang van een ouder met zijn of haar kind bij uitstek een zaak die de curandus persoonlijk betreft waarvoor deze uitzondering op de procesonbekwaamheid ook moet gelden.

Een curandus is feitelijk bekwaam indien hij tot een redelijke waardering van zijn bij het conflict betrokken belangen in staat is. Daarvan is sprake indien aan betrokkene de nodige informatie is gegeven voor het nemen van een beslissing, die informatie is afgestemd op het bevattingsvermogen van betrokkene, voor zover dat met het oog op de aard en reikwijdte van de te nemen beslissing noodzakelijk is en betrokkene er blijk van geeft de verstrekte informatie te begrijpen. De betrokkene moet dan ook in staat zijn de betekenis van de desbetreffende rechtshandeling te overzien.

De rechtbank is van oordeel dat de moeder, zijnde de curandus, in deze zaak tot een redelijke waardering van haar belangen in staat is. Dit blijkt uit het volgende. De moeder kan zich vinden in het ingediende verzoekschrift en geeft er blijk van de in het verzoekschrift verstrekte informatie te begrijpen. Voorts is ter zitting gebleken dat de moeder haar belangen goed kan verwoorden. Verder heeft de moeder ter zitting nog een oplossing aangedragen voor begeleide omgang, in die zin dat zij heeft aangegeven dat haar schoonmoeder de omgang eventueel zou kunnen begeleiden.

De rechtbank merkt de moeder daarom in deze zaak aan als verzoekster met zelfstandige procesbevoegdheid, bijgestaan door mr. J.A.M. Koorn-Harkema als haar advocaat, waartoe mr. Koorn-Harkema zich ter zitting bereid heeft verklaard.

Omgangsregeling

Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind (artikel 1:377a BW). Het gezag omvat mede de verplichting van een ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (artikel 1:247 lid 3 BW).

Niet in geschil is dat de moeder recht heeft op omgang met de minderjarige. Wel in geschil is de wijze waarop daaraan invulling moet worden gegeven.

In het verzoek wordt gesteld dat de moeder vanaf januari 2015 onvoldoende steun en begeleiding van de gezinsvoogd heeft ervaren, waardoor het is gebeurd dat de moeder de minderjarige van 23 september tot 21 oktober 2015 niet heeft gezien. Daarvoor zag de moeder de minderjarige eenmaal per veertien dagen gedurende twee uur. Vanaf oktober 2015 is deze regeling hervat en heeft de moeder eens per twee weken gedurende twee uur onbegeleid omgang met de minderjarige gehad bij [verblijfplaats minderjarige] te Voorburg. De minderjarige werd door de gezinsvoogd naar de omgangsplek gebracht en de vader haalde de minderjarige na afloop van de omgang daar weer op. Het laatste omgangsmoment is op 15 januari 2016 geweest. Naar aanleiding van een incident, te weten de verdwijning van een kerstpakket bij [verblijfplaats minderjarige] waarbij de moeder betrokken zou zijn geweest en waarbij de moeder de minderjarige zou hebben betrokken, is de omgang door de gezinsvoogd stopgezet. De gezinsvoogd heeft ter zitting aangegeven dat zij, gelet op het voorgevallen incident, twijfels heeft of de moeder in staat is om de belangen van de minderjarige voorop te stellen. De gezinsvoogd wil daarover eerst een gesprek met de moeder hebben, voordat de omgang kan worden hervat. Van dat gesprek is het nog niet gekomen.

Overigens is niet gebleken dat de omgang tot het incident niet goed is verlopen. Ter zitting is duidelijk geworden dat, mede gelet op dit incident, er geen aanleiding bestaat voor uitbreiding van de omgang zoals door de moeder verzocht, zijnde een zogenoemde opbouw-weekendregeling. Alle betrokkenen zijn het erover eens dat de omgang in eerste instantie begeleid dient plaats te vinden. Met elkaar kan dan worden besproken wat er tijdens de omgang gebeurt, wat er wordt gezegd en hoe de minderjarige op de moeder reageert.

De rechtbank is van oordeel dat bij de begeleiding van de omgang een belangrijke taak voor de gecertificeerde instelling is weggelegd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de ondertoezichtstelling in augustus 2015 is verlengd omdat er, gelet op de conflictueuze relatie tussen de moeder en de vader, nog geen stabiele omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarige van de grond was gekomen. De kinderrechter heeft toen overwogen dat de gezinsvoogd in het kader van de ondertoezichtstelling moest proberen de onderlinge communicatie tussen de moeder en de vader te verbeteren en de noodzakelijke geachte hulpverlening in te zetten om zodoende de belangen van de minderjarige centraal te stellen en om een stabiele omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarige te realiseren. Ook wordt in aanmerking genomen dat de geschillenregeling van artikel 262b BW, die analoog zou kunnen worden toegepast, is bedoeld om een goede samenwerkings- of vertrouwensrelatie tussen de betrokkenen en behartiging van de belangen van de onder toezicht gestelde minderjarige te bevorderen. Hoewel de moeder kennelijk keuzes maakt die niet verstandig te noemen zijn, kan het niet zo zijn dat de minderjarige daarvan de dupe wordt. Het is in het belang van de minderjarige om op een veilige manier omgang met haar moeder te hebben. De vader en de gezinsvoogd dienen in dat belang te handelen. Daarbij dienen zij in aanmerking te nemen dat de moeder, mede gelet op de curatele, niet altijd in staat is adequaat te handelen in het kader van de omgang. Het heeft geen zin de moeder te verwijten dat zij niet adequaat handelt en te verlangen dat zij daarin stappen maakt als zij daartoe kennelijk niet in staat is. De gevolgen daarvan moeten dan anderszins worden opgevangen, door begeleiding en/of hulpverlening.

De gezinsvoogd heeft ter zitting aangegeven dat zij bereid is de omgang te begeleiden, maar dat zij de begeleiding van de omgang eens per twee weken te belastend vindt, nu zij meerdere cliënten heeft. Wel is zij in staat de omgang eens per maand te begeleiden. Hoewel de rechtbank het voorstel van de gezinsvoogd begrijpelijk acht, is zij van oordeel dat een dergelijke frequentie van de omgang niet in het belang van de minderjarige is, gelet op de leeftijd van de minderjarige en de frequentie van omgangscontacten in het verleden. De rechtbank zal dan ook beslissen dat de omgang voorlopig eens per twee weken gedurende twee uur begeleid zal plaatsvinden, op een in onderling overleg te bepalen dag en tijdstip. De rechtbank laat het aan de gezinsvoogd over om te bezien of zij in staat is zelf de omgang te begeleiden of dat daarvoor een andere wijze van hulpverlening of begeleiding moeten worden geregeld.

De rechtbank zal de behandeling pro forma aanhouden voor de duur van zes maanden. Op dat moment zal kunnen worden bezien hoe de omgang is verlopen en of voortzetting of uitbreiding daarvan in het belang van de minderjarige is. De rechtbank geeft de vader en de moeder nog wel mee dat zij moeten blijven openstaan voor begeleiding door de gecertificeerde instelling en hun medewerking aan de door de gecertificeerde instelling aangeboden hulpverlening moeten verlenen. Ook is ter zitting nog ter sprake gekomen dat de locatie waar de omgang tot voor kort plaatsvond te ver weg is voor de moeder. Zij moet iedere keer bijna 80 km fietsen. De gezinsvoogd heeft daarop aangegeven dat gekeken kan worden naar een locatie dichterbij de woonplaats van de moeder, bijvoorbeeld bij Jeugdzorg in Leiden.

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , voorlopig bij de moeder zal zijn eens per twee weken gedurende twee uur onder – door de gezinsvoogd aan te wijzen – begeleiding;

en verklaart deze voorlopige omgangsregeling uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling aan tot 1 september pro forma; uiterlijk twee weken vóór die datum dienen de moeder, de vader en de gecertificeerde instelling zich uit te laten omtrent de voortgang van de procedure;

bepaalt dat de behandeling ter terechtzitting, op een nader te bepalen datum en tijdstip, zal worden voortgezet;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgangsregeling aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.D. Bellaart, kinderrechter, bijgestaan door mr. I. van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2016.