Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:3080

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-02-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
AWB 16/1856
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:1995, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De eerste asielaanvraag van eiser is afgewezen en dit staat inmiddels in rechte vast. Verweerder heeft de opvolgende aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Dit besluit is vernietigd door de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 8 juli 2015. Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen na eiser aanvullend te hebben gehoord. Eiser heeft als novum aangevoerd dat hij homoseksueel is en dat hij hierdoor problemen heeft ondervonden. Verweerder heeft deze elementen niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft tijdens zijn eerste asielaanvraag expliciet verklaard dat hij geen homoseksueel is. Het wekt enige bevreemding dat hij thans stelt wel homoseksueel te zijn. Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. De stelling dat hij moeite heeft om zijn problematiek te bespreken wordt niet gevolgd, nu uit de gehoren geenszins is gebleken dat hij het moeilijk vindt om over homoseksualiteit te praten en dat hij tijdens het nader gehoor van 14 februari 2013 geen moeite had om de gestelde homoseksuele geaardheid van zijn broer te bespreken.

De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit materieel vergelijkbaar is met het eerdere besluit van 20 februari 2013. Nu de aangevoerde homoseksualiteit aangemerkt dient te worden als rechtens relevant novum zal de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015, het bestreden besluit inhoudelijk toetsen. Verweerder heeft in het bestreden besluit met betrekking tot de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid van eiser allereerst tegengeworpen dat eiser bij de eerste asielaanvraag heeft verklaard dat hij geen homoseksueel is. Dit doet sterke afbreuk aan de geloofwaardigheid van eisers verklaringen bij de onderhavige aanvraag. Eerst daarna komt verweerder tot een beoordeling van de antwoorden op de vragen over de eigen ervaringen (onder andere bewustwording en zelfacceptatie) van eiser met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid. Door de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde homoseksualiteit op deze wijze in te richten heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank gehandeld in strijd met zijn eigen Werkinstructie 2015/9 en met de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015. Anders dan verweerder ter zitting heeft gesteld is de rechtbank van oordeel dat het voor bovenstaande geen verschil maakt of eiser in de eerste procedure expliciet heeft ontkend homoseksueel te zijn of dat hij dit niet naar voren heeft gebracht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Gelet hierop behoeven de overige gronden geen bespreking meer.

Met betrekking tot de kennelijk ongegrondverklaring op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, g en h, Vw overweegt de rechtbank dat noch de preambule noch de bepalingen van de herziene Procedurerichtlijn de lidstaten ruimte bieden om af te wijken van artikel 52 van de herziene Procedurerichtlijn. De stelling van eiser, dat artikel 52 van de herziene Procedurerichtlijn onjuist geïmplementeerd is, volgt de rechtbank dan ook. Reeds vanwege de door eiser aangevoerde aan de kennelijk ongegrondverklaring verbonden nadelige rechtsgevolgen is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een benadeling van eiser door de kennelijk ongegrondverklaring. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22, Awb. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond afgewezen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16/1856 (beroep)

AWB 16/1859 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 26 februari 2016 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Oegandese nationaliteit,

eiser, verzoeker,

hierna te noemen eiser,

(gemachtigde: mr. S.E.B. den Boer, advocaat te Eindhoven),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. D.C.F. van Noort, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2013 heeft verweerder de eerste aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Het hiertegen door eiser ingestelde beroep is bij uitspraak van 21 maart 2013 door deze rechtbank, zittingsplaats Assen, ongegrond verklaard.

Deze uitspraak is op 2 september 2013 bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).

Bij besluit van 25 september 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de opvolgende aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.

Op 17 november 2014 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, het beroep hiertegen ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 juli 2015 heeft de Afdeling het hoger beroep hiertegen gegrond verklaard.

Bij besluit van 26 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Verweerder heeft op 17 februari 2016 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. De Afdeling heeft het primaire besluit vernietigd onder verwijzing naar haar uitspraak van 8 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2170). Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen na eiser aanvullend te hebben gehoord op 9 oktober 2015.

  2. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. In Oeganda is een wetsvoorstel over homoseksualiteit ingediend, dat de president heeft ondertekend. Iedereen die zich inlaat met homoseksualiteit wordt gevangengezet of geëxecuteerd. Eiser is zelf homoseksueel en de politie heeft een document waarmee deze aan het publiek bekend maakt dat eiser homoseksueel is. Ook heeft hij geld en boeken naar zijn broer gestuurd in Oeganda. Hierdoor wordt er in Oeganda verteld dat hij zich inlaat met het promoten van homoseksualiteit. Ook wordt zijn moeder lastiggevallen.

  3. Verweerder onderscheidt de volgende relevante elementen:

  • -

    de gestelde identiteit en nationaliteit van eiser;

  • -

    de gestelde homoseksuele geaardheid van eiser;

  • -

    de gestelde problemen ten gevolge van de homoseksuele geaardheid van eiser.

Verweerder heeft de aanvraag van eiser – kort samengevat – afgewezen op de volgende gronden. De gestelde identiteit en nationaliteit worden geloofwaardig geacht. De gestelde geaardheid en problemen ten gevolge hiervan worden ongeloofwaardig geacht. Eiser heeft tijdens zijn eerste asielaanvraag verklaard dat hij geen homoseksueel is. Het wekt enige bevreemding dat hij thans stelt wel homoseksueel te zijn. Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. De stelling dat hij moeite heeft om zijn problematiek te bespreken wordt niet gevolgd, nu uit de gehoren geenszins is gebleken dat hij het moeilijk vindt om over homoseksualiteit te praten en dat hij tijdens het nader gehoor van 14 februari 2013 geen moeite had om de gestelde homoseksuele geaardheid van zijn broer te bespreken. Voorts heeft hij vage, summiere en tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Nu zijn gestelde homoseksualiteit niet geloofwaardig wordt geacht worden de problemen die hij stelt hiervan ondervonden te hebben evenmin geloofwaardig geacht. Bovendien heeft hij ook hierover ongerijmde verklaringen afgelegd.

4. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit materieel vergelijkbaar is met het eerdere besluit van 20 februari 2013.

4.1

Uit het ne bis in idem beginsel vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een materieel vergelijkbaar besluit wordt genomen, op voorhand moet worden aangenomen dat laatstgenoemd besluit door de bestuursrechter niet mag worden getoetst als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Dat geldt ook indien uit hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland; JV 1998/45) voordoen.

4.2

De rechtbank beoordeelt ambtshalve of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moet worden begrepen feiten en omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet voor het nemen van dat besluit konden worden aangevoerd en bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet voor het nemen van het eerdere besluit konden worden overgelegd. Dergelijke nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden rechtvaardigen echter geen nieuwe rechterlijke beoordeling, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit.

4.3

Eiser heeft aan zijn huidige aanvraag als nieuw gebleken feit of omstandigheid ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en dat hij hierdoor problemen heeft ondervonden. Eiser vreest ten gevolge van zijn homoseksualiteit voor vervolging bij terugkeer.

4.4

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eisers gestelde homoseksuele geaardheid als nieuw gebleken feit of omstandigheid moet worden aangemerkt. De gestelde homoseksuele geaardheid is naar het oordeel van de rechtbank nieuw, nu eiser tijdens de eerdere asielprocedure hierover niet heeft verklaard. In deze procedure heeft hij verklaard vervolging te vrezen in verband met de door hem gesteunde homoseksualiteit van zijn broer. In dit verband acht de rechtbank voormelde uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015 van belang, waarin de Afdeling heeft overwogen dat uit de aard van het asielmotief en de wijze waarop verweerder de geloofwaardigheid van de verklaringen daarover onderzoekt, voortvloeit dat ter beantwoording van de vraag of die seksuele geaardheid een nieuw gebleken feit of omstandigheid is, aan de vreemdeling niet mag worden tegengeworpen dat hij niet eerder over zijn seksuele geaardheid heeft verklaard en dat de bestuursrechter het besluit kan toetsen als ware het een eerste weigering. De rechtbank zal het bestreden besluit derhalve inhoudelijk toetsen.

4.5

Eiser voert - kort samengevat - het volgende aan. De beoordeling van het asielrelaas in het voornemen voldoet niet aan de eisen zoals die blijken uit de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015. Verweerder heeft volgens eiser onvoldoende gemotiveerd hoe deze tot het oordeel is gekomen dat niet geloofwaardig is dat eiser homoseksueel is. Eiser verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingplaats Amsterdam, van 8 december 2015 (AWB 15/19926), waarin is geoordeeld dat er onvoldoende inzicht is verschaft in de wijze waarop, aan de hand van de uitkomsten van het onderzoek, de beoordeling van de seksuele gerichtheid in algemene zin en in onderhavige zaak is verricht. Benadrukt wordt dat met name niet inzichtelijk is gemaakt op welke vragen en antwoorden van de vreemdeling het zwaartepunt ligt en hoe de gegeven antwoorden zijn gewaardeerd en gewogen.

4.6

Verweerder stelt zich op het standpunt dat is voldaan aan de eisen van de Afdelingsuitspraak van 8 juli 2015, nu verweerder toepassing heeft gegeven aan Werkinstructie 2015/9. In het nader gehoor heeft verweerder een vragenlijst gehanteerd die is gegroepeerd rond een aantal thema’s. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid is met name gewicht toegekend aan het bewustwordingsproces en het proces van zelfacceptatie. Verweerder heeft voorts geconstateerd dat er sprake is van het ontbreken van plausibele verklaringen voor de tegenstrijdige en ongerijmde verklaringen van de zijde van eiser.

4.7

De rechtbank overweegt daartoe als volgt. In het van het bestreden besluit deel uitmakende voornemen van 9 december 2015 merkt verweerder met betrekking tot de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid van eiser allereerst op dat eiser bij de eerste asielaanvraag heeft verklaard dat hij geen homoseksueel is. Uit de gehele context en strekking van zijn vrije relaas en de verklaringen die door hem naar aanleiding van de vragen over dit relaas zijn afgelegd, kan, zo stelt verweerder, duidelijk opgemaakt worden dat eiser heeft verklaard dat hij geen homoseksueel is. Op grond hiervan wekt het volgens verweerder enige bevreemding dat eiser in de onderhavige procedure zijn verklaringen heeft gewijzigd door thans te stellen dat hij homoseksueel zou zijn. Volgens verweerder heeft eiser dan ook tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de kern van zijn relaas, namelijk zijn gestelde geaardheid, hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen inzake zijn seksuele gerichtheid. Van belang hierbij is dat eiser tijdens de eerste asielprocedure meerdere malen is gevraagd of hij geen homoseksueel is, hetgeen door eiser bevestigend is beantwoord. Eiser heeft mitsdien tegenstrijdig verklaard omtrent zijn seksuele geaardheid, aldus verweerder. Nu eiser tijdens zijn eerste aanvraag expliciet heeft verklaard geen homoseksueel te zijn, stelt verweerder zich op het standpunt dat sterke afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser tijdens zijn onderhavige aanvraag, waarin hij heeft aangevoerd dat hij (ook ten tijde van de eerste aanvraag) homoseksueel zou zijn. Hierbij heeft verweerder van belang geacht dat eiser bij zijn eerste asielaanvraag reeds geruime tijd in Nederland verbleef. Gelet op de verblijfshistorie van eiser, alsmede zijn opleidingsniveau, kan volgens verweerder niet anders worden geconcludeerd dan dat eiser tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over zijn geaardheid. Hiervoor heeft eiser geen verschoonbare redenen aangevoerd, aldus verweerder. Eerst daarna komt verweerder tot een beoordeling van de antwoorden op de vragen over de eigen ervaringen (onder andere bewustwording en zelfacceptatie) van eiser met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid.

Door de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde homoseksualiteit op deze wijze in te richten heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank gehandeld in strijd met zijn eigen Werkinstructie 2015/9 en met de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015. Immers, feitelijk wordt eiser allereerst tegengeworpen dat hij ten tijde van zijn eerste aanvraag heeft gesteld geen homoseksueel te zijn. Weliswaar wordt hieraan niet de conclusie verbonden dat daardoor geen sprake is van een novum, maar wel dat daarmee sterke afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van eisers verklaringen tijdens de onderhavige aanvraag. Daaruit blijkt dat hieraan bij de weging van eisers verklaringen in het kader van de geloofwaardigheid een groot gewicht wordt toegekend. Naar het oordeel van de rechtbank is een dergelijke geloofwaardigheidsbeoordeling ook niet in overeenstemming met paragraaf C1/4.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000, waarnaar in Werkinstructie 2015/9 wordt verwezen. Daarin staat: “Als een vreemdeling tijdens een tweede of opvolgende asielaanvraag aangeeft dat hij homoseksueel is, en de IND deze informatie geloofwaardig acht, werpt de IND de vreemdeling niet tegen dat hij niet tijdens een voorgaande procedure gewag heeft gemaakt van zijn homoseksuele geaardheid.” In de onderhavige besluitvorming heeft verweerder eiser eerst tegengeworpen dat hij in de voorgaande procedure heeft ontkend homoseksueel te zijn om daarna pas de geloofwaardigheid van de gestelde homoseksualiteit te toetsen aan de antwoorden op de vragen die zijn gesteld gebaseerd op de verschillende in de Werkinstructie 2015/9 beschreven thema’s. Anders dan verweerder ter zitting heeft gesteld is de rechtbank van oordeel dat het voor bovenstaande geen verschil maakt of eiser in de eerste procedure expliciet heeft ontkend homoseksueel te zijn of dat hij dit niet naar voren heeft gebracht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.

5. Eiser voert voorts aan dat verweerder ten onrechte de aanvraag heeft afgewezen als zijnde kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, g en h, Vw, omdat Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking) (de herziene Procedurerichtlijn) niet van toepassing is. De overgangsregel van artikel 52 van de herziene Procedurerichtlijn is niet juist geïmplementeerd in de nationale wetgeving. Eiser verwijst hiertoe naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 december 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:14014). Nu de onderhavige aanvraag is ingediend op 18 augustus 2014 is de Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus en dus ook de Vw van vóór de wijziging van toepassing. Door de aanvraag af te wijzen als kennelijk ongegrond is eiser immers benadeeld doordat de rechtsgevolgen voor eiser nadelig zijn, bijvoorbeeld het feit dat er geen schorsende werking is, er een kortere vertrektijd geldt en eiser geen recht meer heeft op opvang.

5.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanvraag terecht is afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, Vw juncto artikel 30b, eerste lid, onder e, g en h, Vw.

5.2

Eiser kan slechts een rechtstreeks beroep op een richtlijn doen indien de richtlijn, na afloop van de implementatieperiode, niet, niet tijdig of onjuist is geïmplementeerd en de bepalingen van de richtlijn onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn bepaald. Eiser doet een beroep op (de tweede volzin van) artikel 52 van de herziene Procedurerichtlijn.

In artikel 51, eerste lid, van de herziene Procedurerichtlijn is onder het kopje ‘omzetting’ het volgende bepaald:

De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 20 juli 2015 aan de artikelen 1 tot en met 30, artikel 31, leden 1, 2 en 6 tot en met 9, de artikelen 32 tot en met 46, de artikelen 49 en 50 en bijlage I te voldoen. Zij stellen de Commissie van de tekst van die bepalingen onverwijld in kennis.

In artikel 52 van de herziene Procedurerichtlijn is onder het kopje ‘Overgangsbepalingen’ het volgende bepaald:

De lidstaten passen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen bedoeld in artikel 51, lid 1, toe op verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend en op de procedures tot intrekking van de internationale bescherming die zijn ingeleid na 20 juli 2015 of een eerdere datum. Verzoeken die zijn ingediend vóór 20 juli 2015 en procedures tot intrekking van de vluchtelingenstatus die zijn ingeleid vóór die datum zijn onderworpen aan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen krachtens Richtlijn 2005/85/EG.

Artikel II, eerste lid, van de Wet van 8 juli 2015 tot wijziging van de Vw ter implementatie van de herziene Procedurerichtlijn en Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming zoals gepubliceerd in Staatsblad (Stb) 2015, nr. 292 luidt:

Op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000, waarop is besloten voor inwerkingtreding van deze wet en intrekkingen voor inwerkingtreding van deze wet, is het recht zoals dit gold voor inwerkingtreding van deze wet van toepassing, met uitzondering van artikel 83a (nieuw) van de Vreemdelingenwet 2000, tenzij het onderzoek door de rechtbank gesloten is.

5.3

De rechtbank overweegt dat de eerste volzin van artikel 52 van de herziene Procedurerichtlijn onmiddellijke werking voorschrijft van de geïmplementeerde richtlijnbepalingen op internationale beschermingsverzoeken die na 20 juli 2015 of eerdere datum zijn gedaan. Daarbij verstaat de rechtbank, gezien het eerste lid van artikel 51 dat met de zinsnede ‘20 juli 2015 of een eerdere datum’, de datum bedoeld wordt waarop de geïmplementeerde richtlijnbepalingen in een lidstaat in werking treden. In Nederland zijn ze op (de uiterste voorgeschreven inwerkingtredingsdatum) 20 juli 2015 in werking getreden.

De tweede volzin is taalkundig duidelijk en regelt eerbiedigende werking van het oude recht ten aanzien van beschermingsverzoeken die zijn ingediend voor 20 juli 2015. In de nationale overgangsregeling is de eerbiedigende werking evenwel beperkt tot aanvragen waarop reeds een besluit is genomen. In de memorie van toelichting bij de Wetswijziging (Tweede Kamer der Staten Generaal, vergaderjaar 2014-2015, 34 088, nr. 3, p. 56) is opgenomen dat voor deze beperking is gekozen om te voorkomen dat tot lang na inwerkingtreding met twee verschillende wettelijke kaders zou moeten worden gewerkt. De rechtbank stelt vast dat dit een argument van praktische aard is en dat niet wordt ingegaan op de betekenis van deze keuze voor de rechten van degenen die om internationale bescherming verzoeken.

De rechtbank overweegt dat noch de preambule noch de bepalingen van de herziene Procedurerichtlijn de lidstaten ruimte bieden om af te wijken van artikel 52 van de herziene Procedurerichtlijn. De stelling van eiser, dat artikel 52 van de herziene Procedurerichtlijn onjuist geïmplementeerd is, volgt de rechtbank dan ook. Reeds vanwege de door eiser aangevoerde aan de kennelijk ongegrondverklaring verbonden nadelige rechtsgevolgen is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een benadeling van eiser door de kennelijk ongegrondverklaring. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22, Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond afgewezen. De beroepsgrond slaagt.

6. Gelet op het voorgaande behoeven de overige gronden geen bespreking meer. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit nu sprake is van een motiveringsgebrek als bedoeld in artikel 3:46, Awb. De rechtbank draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen.

7. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 992,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Verzoek om een voorlopige voorziening

8. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

9. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 992,- te betalen.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, tevens voorzieningenrechter in aanwezigheid van mr. C. Peeters, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2016.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.