Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:3069

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-03-2016
Datum publicatie
19-05-2016
Zaaknummer
AWB - 14 _ 23690
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers betogen dat zij buiten hun schuld Nederland niet kunnen verlaten. De rechtbank overweegt dat eisers geen ambtsbericht met positief zwaarwegend advies van de DT&V hebben overgelegd waaruit blijkt dat wordt voldaan aan alle (cumulatieve) voorwaarden. Daarnaast blijkt uit het advies van de DT&V dat verweerder ten grondslag heeft gelegd aan het besluit in het kader van de Regeling Langdurig Verblijvende Kinderen dat eisers niet hebben meegewerkt aan hun vertrek. De rechtbank overweegt dat verweerder deze contra indicatie ook in het kader van de onderhavige aanvraag aan eisers heeft mogen tegenwerpen. Te meer nu deze contra indicatie door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3713) in rechte is komen vast te staan. Derhalve is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eisers niet voldoen aan de cumulatieve voorwaarden zoals deze zijn neergelegd in paragraaf B8/4.1 van de Vc 2000.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/23690

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 maart 2016 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummers [V-nummers]

(gemachtigde: mr. J.A. Tegenbosch),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.M.G. Bouma).

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) met de beperking ‘vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’ afgewezen.

Bij besluit van 25 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eiseres hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft op 9 maart 2016 een nadere reactie naar de rechtbank verzonden. Eiseres heeft hierop gereageerd bij brief van 9 maart 2016. Beide partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven de zaak zonder nadere zitting af te doen. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1979 en bezit de Azerbeidzjaanse nationaliteit.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij buiten haar schuld Nederland niet kan verlaten. Eiseres voldoet niet aan de cumulatieve voorwaarden genoemd in paragraaf B8/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

3. Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. De langdurige procedure is te wijten aan verweerder. Door het tijdsverloop in deze procedure is de regelgeving veranderd ten nadele van eiseres.

Eiseres heeft op 10 januari 2011 verweerder verzocht om via de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) assistentie te verlenen bij het verkrijgen van (vervangende reisdocumenten). Verweerder heeft pas op 14 februari 2014 de DT&V ingeschakeld.

4. Verweerder voert gemotiveerd verweer.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Gelet op het beleid van verweerder zoals weergegeven in paragraaf B8/4.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), verleent verweerder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan een vreemdeling die zonder resultaat heeft geprobeerd uit Nederland te vertrekken, als uit het ambtsbericht met positief zwaarwegend advies van de DT&V blijkt dat wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:

- de vreemdeling heeft zelfstandig geprobeerd zijn vertrek te realiseren;

- er bestaat geen redelijke twijfel aan de nationaliteit en identiteit van de vreemdeling;

- de vreemdeling heeft de DT&V verzocht ten behoeve van hem een aanvraag voor een (vervangend) reisdocument in te dienen bij de autoriteiten van zijn land van herkomst of een ander land waarvan kan worden aangenomen dat hem daar toegang zal worden verleend en deze aanvraag heeft niet het gewenste resultaat opgeleverd;

- de DT&V heeft vastgesteld dat sprake is van een samenhangend geheel van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de vreemdeling buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten;

- de vreemdeling verblijft zonder verblijfstitel in Nederland.

6.1

De rechtbank overweegt dat eisers geen ambtsbericht met positief zwaarwegend advies van de DT&V hebben overgelegd waaruit blijkt dat wordt voldaan aan alle (cumulatieve) voorwaarden. Daarnaast blijkt uit het advies van de DT&V dat verweerder ten grondslag heeft gelegd aan het besluit in het kader van de Regeling Langdurig Verblijvende Kinderen dat eisers niet hebben meegewerkt aan hun vertrek. De rechtbank overweegt dat verweerder deze contra indicatie ook in het kader van de onderhavige aanvraag aan eiseres heeft mogen tegenwerpen. Te meer nu deze contra indicatie door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3713) in rechte is komen vast te staan. Derhalve is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eisers niet voldoen aan de cumulatieve voorwaarden zoals deze zijn neergelegd in paragraaf B8/4.1 van de Vc 2000.

6.2

De rechtbank overweegt dat de informatieplicht van verweerder niet zover reikt dat hij bij een wijziging van het beleid eiseres actief had moeten informeren. Afgezien daarvan – en anders dan eiseres stelt – overweegt de rechtbank dat eiseres ook onder het oude beleid niet aan de voorwaarden voldeed. Onder het in januari 2011 geldende beleid was het aan eiseres om zich tot de DT&V te wenden met het verzoek om bemiddeling en moet deze bemiddeling niet het gewenste resultaat hebben gehad (zie paragraaf B14/3.2 van de toenmalige Vc 2000). Uit de voormelde uitspraak van de Afdeling van 23 november 2015 volgt reeds dat verweerder niet ten onrechte aan eiseres heeft tegengeworpen dat zij – na het verzoek aan de IND van 10 januari 2011 – zich niet zelf heeft gemeld bij de DT&V om met hulp van die instantie aan reisdocumenten te komen. Het beroep van eiseres op de uitspraak van de rechtbank van 23 juni 2006 (AWB 06/26364) treft dan ook geen doel.

6.3

Het beroep is ongegrond.

6.4.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Brand, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.