Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:2995

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-03-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
AWB - 14 _ 817
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing erkenning aansprakelijkheid voor als gevolg van uitzending Srebrenica opgelopen gezondheidsschade in verband met verjaring. Geen sprake van verjaring (bekendheid schade, aansprakelijk persoon en voldoende zekerheid eventuele schending zorgplicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/817 MAW

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. P.M. Groenhart),

en

de minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E.P. van Zandbergen).

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2010 heeft verweerder erkenning van aansprakelijkheid voor de door eiser als gevolg van zijn uitzending opgelopen gezondheidsschade afgewezen in verband met verjaring.

Bij besluit van 19 december 2013 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2016.

Eiser is verschenen bij gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1 De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Eiser is van januari 1995 tot juli 1995 als militair van Dutchbat III uitgezonden geweest naar Srebrenica/Sim Hinan. Hij is met ingang van 1 maart 2002 uit de militaire dienst ontslagen.

1.2

Bij brief van 16 december 2008 heeft eiser verweerder aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van de posttraumatische stressstoornis (PTSS) die hij als gevolg van voornoemde uitzending naar Srebrenica heeft opgelopen.

1.3

Verweerder heeft met het oog op de bijzondere zorgplicht voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers besloten bij schadeclaims ten gevolge van incidenten die hebben plaatsgevonden tijdens crisisbeheersingsoperaties in Libanon en daarop volgende crisisbeheersingsoperaties geen beroep meer te doen op de absolute verjaringstermijn bedoeld in artikel 3:310, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Wel wordt vastgehouden aan de relatieve verjaringstermijn.

1.4

Bij besluit van 18 februari 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 december 2013 heeft verweerder erkenning van aansprakelijkheid afgewezen.

Eiser heeft bij brief van 29 januari 2014 beroep ingesteld tegen dit besluit.

2 Verweerder heeft aan het bestreden besluit van 19 december 2013 ten grondslag gelegd dat eiser meer dan vijf jaar vóór de aansprakelijkstelling op 16 december 2008 bekend was met de schade en de mogelijk daarvoor aansprakelijke persoon, zodat de gestelde vordering is verjaard. Verweerder volgt het standpunt van eiser dat in het rapport van psycholoog [psycholoog A] en psychiater [psychiater A] van 28 januari 2000 de diagnose ‘PTSS in remissie’ is vermeld, maar stelt in dat verband vast dat dit betekent dat sprake is van vermindering van ziekteverschijnselen, meestal tijdelijk, zonder dat zij geheel verdwijnen. Van een PTSS was derhalve toentertijd wel sprake. Voorts was eiser tijdens voornoemd onderzoek reeds van opvatting dat hij na de uitzending onvoldoende was opgevangen, aldus verweerder.

3 Eiser stelt zich op het standpunt dat de aansprakelijkstelling niet is verjaard. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verweerder ten onrechte vasthoudt aan de relatieve verjaringstermijn. Eiser stelt dat de diagnose hem eerst veel later dan 16 december 2003 bekend is gesteld. Nog veel later is hij bekend geworden met de daarvoor aansprakelijke (rechts-)persoon, zijnde het ministerie van Defensie. Hij behoefde niet eerder een verband te leggen tussen de schade en de veroorzaker daarvan dan op het moment dat er uit een aan hem bekend gestelde rapportage van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar voren is gekomen dat er sprake is van een dienstverband tussen zijn PTSS en zijn uitoefening van de militaire dienst. Eerst na kennisname van het onderliggende rapport van het militair geneeskundig onderzoek (MGO) van 2004 was hem met voldoende mate van zekerheid bekend dat zijn klachten zijn veroorzaakt door een mogelijke schending van de op verweerder rustende zorgplicht.

Voor invalide veteranen die na 1 juli 2007 uit de militaire dienst zijn ontslagen, geldt bovendien dat de relatieve verjaringstermijn niet meer wordt gehanteerd. Dit is een niet te rechtvaardigen onderscheid tussen veteranen, zoals eiser, die voor die datum zijn ontslagen en veteranen die na 1 juli 2007 op grond van artikel 39, tweede lid, sub f, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) zijn ontslagen, in het bezit zijn van een militair invaliditeitspensioen en voorts voldoen aan de daarvoor geldende eisen. Derhalve is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel.

4 De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

De vraag die partijen verdeeld houdt is of de mogelijke vordering tot vergoeding van schade ten tijde van de aansprakelijkstelling op 16 december 2008 was verjaard. Voor het antwoord op die vraag is van belang op welk moment de verjaring is aangevangen.

4.2

In de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 april 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1129) is overwogen:

“5.2 Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2675) zijn financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaren niet meer in rechte afdwingbaar. Zowel bij aanspraken die gebaseerd zijn op een rechtspositioneel voorschrift als in geval van een aansprakelijkstelling voor geleden schade legt de Raad de aanvang van deze verjaringstermijn bij het moment waarop de ambtenaar met betrekking tot de desbetreffende rechtspositionele aanspraak dan wel zijn schade in actie had kunnen komen.

5.3

De Raad ziet aanleiding om bij de beoordeling van de vraag wanneer de ambtenaar in actie had kunnen komen uit oogpunt van eenvormige rechtstoepassing aansluiting te zoeken bij de verjaringsbepalingen in het Burgerlijk Wetboek en de uitleg die de Hoge Raad daaraan geeft. In dit geval gaat het dan in het bijzonder om artikel 3:310 van het BW dat betrekking heeft op rechtsvorderingen tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad.

5.4

Ingevolge artikel 3:310, eerste lid, van het BW, voor zover hier van belang, verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgend op de datum waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon of instantie bekend is geworden.

5.5

De woorden ‘bekend is geworden’ in artikel 3:310, eerste lid, van het BW moeten worden verstaan in de betekenis van: daadwerkelijke bekendheid met zowel de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon. Dit betekent dat het enkele vermoeden van het bestaan van schade onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van daadwerkelijke bekendheid met de schade. Als sprake is van lichamelijke klachten waarvan de herkomst niet zonder meer duidelijk is, kan van daadwerkelijke bekendheid met de schade pas sprake zijn wanneer met voldoende mate van zekerheid is vastgesteld waardoor de klachten zijn ontstaan. In het algemeen zal deze vereiste mate van zekerheid - die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn - pas aanwezig zijn wanneer deze oorzaak door te dier zake deskundige artsen is gediagnostiseerd. Vergelijk de uitspraak van de Hoge Raad van 24 januari 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF0694 en NJ 2003, 300).

4.3

In de uitspraak van de Raad van 2 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2180, gerectificeerd en vervangen door ECLI:NL:CRVB:2015:2724) is in het kader van het bekendheidsvereiste met de schade overwogen dat geen reden wordt gezien om daarover anders te oordelen bij psychische klachten.

4.4

Ten aanzien van het bekendheidsvereiste met de aansprakelijke persoon heeft de Raad bij uitspraak van 9 april 2015 (ECLI:NL:CRVB: 2015:1139) als volgt overwogen:

5.6

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de korte verjaringstermijn in ieder geval niet voor maart 2006 is aangevangen, zodat de aansprakelijkstelling op 12 februari 2007 niet was verjaard. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de wetenschap dat de door hem opgelopen schade verband houdt met zijn uitzending naar Srebrenica op zichzelf niet doorslaggevend is. Hij acht tevens van belang dat hij pas later voldoende zekerheid heeft verkregen dat de schade (mede) is veroorzaakt door een aan de minister toe te schrijven fout. Appellant heeft gesteld dat hij pas door kennisneming van de brief van de Staatssecretaris van Defensie van 30 maart 2006 aan de Tweede Kamer, waarin uitleg is gegeven over het zogenaamde nazorgbeleid, bekend is geworden met de mogelijk niet adequate nazorg door de minister. Dit was het moment dat hem voor het eerst bekend werd dat zijn schade wellicht (mede) is veroorzaakt door een mogelijke schending van de zorgplicht door de minister.

(…)

5.8

Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 31 oktober 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AL8168, NJ 2006, 112), staat de korte verjaringstermijn van artikel 3:310, eerste lid, van het BW niet alleen in het teken van de rechtszekerheid, maar ook van de billijkheid. De eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon, moet aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid. De korte verjaringstermijn begint, gelet op de strekking van deze bepaling, pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de schade in te stellen. Deze verjaringstermijn vangt aan, zodra de benadeelde voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid hoeft te zijn - heeft verkregen dat de schade (mede) is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen.

5.9

In lijn met de onder 5.8 genoemde uitspraak is de Raad van oordeel dat appellant uit de omstandigheid dat de bij hem vastgestelde PTSS verband houdt met zijn uitzending naar Srebrenica, niet zonder meer kon afleiden dat deze schade wellicht (mede) was veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de minister. De PTSS had bijvoorbeeld ook kunnen voortvloeien uit de door hem opgedane ervaringen in Srebrenica in combinatie met in zijn persoon gelegen factoren. In ogenschouw genomen wat appellant heeft aangevoerd, gaat de Raad ervan uit dat appellant eerst door kennisneming van de inhoud van de onder 5.6 genoemde brief van de Staatssecretaris van Defensie van 30 maart 2006 bekend is geworden met de omstandigheid dat de schade mogelijk (mede) is veroorzaakt door een tekortschietend of foutief handelen van de minister. Tot dat moment was er voor appellant geen voldoende zekerheid in de zin van de onder 5.8 genoemde uitspraak, dat de bij hem vastgestelde PTSS wellicht (mede) is veroorzaakt door een mogelijke schending van de zorgplicht door de minister.

5.10

Uit 5.1 tot en met 5.9 volgt dat de korte verjaringstermijn in ieder geval niet is aangevangen voor 30 maart 2006. Dit betekent dat de verjaringstermijn op 12 februari 2007 niet was verstreken. De minister heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat de mogelijke vordering is verjaard. Het hoger beroep slaagt.

4.5

Ter zitting heeft eiser uiteengezet dat hij eerst op 21 september 2004 de onderliggende stukken van het rapport geneeskundig onderzoek blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring van 23 augustus 2004 heeft ontvangen. Deze stukken worden niet meegezonden, maar alleen na opvragen verstrekt. Onder deze stukken bevond zich ook het rapport van psychiater [psychiater B] van 16 december 2003. Dat was het moment waarop hij bekend is geworden met de schade. De bekendheid met de daarvoor aansprakelijke persoon is later geweest, op 18 februari 2011. Eiser heeft op dat moment een enquête ingevuld, over waaraan Defensie had moeten voldoen met betrekking tot de zorgplicht en wat er daadwerkelijk in zijn geval is gebeurd. Op dat moment werd voor hem duidelijk wie aansprakelijk was. Eiser heeft zich in dit verband ter zitting op het standpunt gesteld dat met het rapport van 23 augustus 2004 uitsluitend vast stond dat sprake was van schade, maar nog niet dat verweerder de daarvoor aansprakelijke persoon was. Daarvoor is immers vereist dat eiser voldoende bekend was met het feit dat de schade is veroorzaakt door nalatigheid van verweerder.

4.6

Verweerder heeft ter zitting gesteld dat niet in geschil is dat in het Pro Justitia Rapport van 28 januari 2000 van psycholoog [psycholoog A] en psychiater [psychiater A] (te dier zake deskundige artsen) de diagnose “PTSS in remissie” is gesteld. Ook bezien in samenhang met het daaraan voorafgaande Pro Justitia rapport van 6 maart 1998 kan, volgens verweerder, niet ter discussie staan dat hiermee dan ook vaststaat dat er sprake is van daadwerkelijke bekendheid met de schade. Verweerder heeft voorts gewezen op zijn brief van 8 april 2014 met bijlagen. Hij heeft benadrukt dat uit het verslag van horen van 25 januari 2001 blijkt dat de gemachtigde van eiser expliciet heeft gesteld “dat er een relatie bestaat tussen zijn aandoening, PTSS, en de dienst” en “deze PTSS heeft belanghebbende opgelopen ten tijde van zijn uitzending in Joegoslavië”. In de brief van de gemachtigde van eiser van 30 januari 2001 is gesteld dat “ons lid tijdens de hoorzitting d.d. 25 januari 2001 heeft gesteld dat hij sedert zijn uitzending lijdende is aan PTSS”. Met betrekking tot de veroorzaker van de schade stelt verweerder zich op het standpunt dat zowel eiser als zijn gemachtigde al in 2000 en 2001 van opvatting waren dat eiser “na zijn uitzending onvoldoende is opgevangen”, dat “er ten onrechte geen behandeling is geweest voor PTSS” en dat “tot op de dag van vandaag deze specialistische hulp niet heeft plaatsgevonden, en de Staatssecretaris van Defensie zijn verantwoordelijkheid ten aanzien van ons lid niet heeft ingevuld”.

4.7

In de brieven van [medisch adviseur], medisch adviseur van Veduma, aan verweerder van 24 augustus 2009 en 21 december 2009 is een overzicht en een samenvatting gegeven van omtrent eiser uitgebrachte medische stukken over de periode van 1995 tot en met 1 december 2009. In deze samenvattingen zijn ook diagnoses vermeld.

Zo is op 6 maart 1998 omtrent eiser een Pro Justitia rapport uitgebracht door psychiater [psychiater A] voornoemd en psycholoog [psycholoog B], waarin is geconcludeerd dat geen sprake is van een PTSS. Op 28 januari 2000 is een aanvulling op het Pro Justitia rapport van 6 maart 1998 uitgebracht door psycholoog [psycholoog A] en psychiater [psychiater A], waarin als diagnose is vermeld PTSS, grotendeels in remissie. Als psychosociale stressfactoren zijn genoemd een lopende rechtszaak, dreigend ontslag, financiële problemen en relationele problemen. De rechtbank overweegt dat hieruit niet volgt dat op dat moment sprake was van een PTSS die aan de uitzending van eiser kon worden gerelateerd. Dit wordt bevestigd met het rapport van psychiater [psychiater B] van 16 oktober 2001, die ook de Pro Justitia rapporten in beschouwing heeft genomen en geen aanwijzingen heeft gevonden voor PTSS.

Op 16 december 2003 heeft psychiater [psychiater B] wederom een rapportage uitgebracht, waarin is geconcludeerd dat de klachten van eiser achteraf bezien kunnen worden geduid als een PTSS, waaraan eiser ten tijde van het ontslag (nog) leed, en waarvoor nog geen behandeling werd ingesteld. Verweerder heeft niet betwist dat eiser eerst op 21 september 2004 kennis heeft kunnen nemen van het rapport van [psychiater B] van 16 december 2003. Niet aannemelijk is geworden dat de bevindingen en conclusies eerder aan eiser zijn teruggekoppeld. De rechtbank houdt het ervoor dat eiser op 21 september 2004 voor het eerst bekend is geworden met de aard en de omvang van zijn klachten.

Eiser heeft verweerder op 16 december 2008 aansprakelijk gesteld, onder verwijzing naar het MGO-rapport van 23 augustus 2004. Uit dit rapport blijkt dat de PTSS, chronisch, met verlaat begin, wordt geacht in overwegende mate het gevolg te zijn van uitgeoefende militaire dienst in voormalig Joegoslavië.

4.8

Naar het oordeel van de rechtbank is het moment van ontvangst van het MGO-rapport van 23 augustus 2004 het moment waarop eiser met de schade bekend is geworden. De rechtbank overweegt in dat verband dat het gegeven dat bij eiser zelf mogelijk in 2001 reeds een vermoeden heeft bestaan dat zijn klachten verband hielden met zijn uitzending en dat hij daarbij destijds wellicht ook over de mogelijkheid van PTSS heeft gesproken, niet als een bijzondere omstandigheid is te beschouwen die meebrengt dat reeds in 2001 aan het bekendheidsvereiste werd voldaan. Hiertoe overweegt de rechtbank, in navolging van eerdergenoemde uitspraken van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2015:2724 en ECLI:NL:CRVB:2015:1129), dat eiser geen ter zake deskundige is. Bovendien is onduidelijk hoe bestendig dit vermoeden bij betrokkene is geweest, zeker nu dit niet wordt ondersteund met de voorhanden zijnde medische gegevens.

4.9

Ter zake van het moment van de bekendheid van eiser met de aansprakelijke persoon overweegt de rechtbank dat, zoals uit de hierboven onder 4.4 weergegeven uitspraak van de Raad blijkt, daartoe niet voldoende is dat is vastgesteld dat er sprake is van een causaal verband tussen de PTSS en de uitzending, maar dat er ook een voldoende mate van zekerheid bij eiser moet bestaan dat de bij hem vastgestelde PTSS wellicht (mede) is veroorzaakt door een mogelijke schending van de zorgplicht door verweerder. De rechtbank acht de uitlatingen van eiser in 2000 en 2001 waarnaar verweerder heeft verwezen, te weten dat eiser “na zijn uitzending onvoldoende is opgevangen”, dat “er ten onrechte geen behandeling is geweest voor PTSS” en dat “tot op de dag van vandaag deze specialistische hulp niet heeft plaatsgevonden, en de Staatssecretaris van Defensie zijn verantwoordelijkheid ten aanzien van ons lid niet heeft ingevuld” daartoe onvoldoende. Deze uitlatingen geven veeleer aan dat eiser zelf wellicht het gevoel had dat verweerder niet adequaat reageerde op zijn klachten, maar dat betekent niet dat eiser op dat moment voldoende zekerheid had gekregen dat hier sprake was van foutief of nalatig handelen door verweerder in de vorm van een eventuele schending van de zorgplicht.

5 Uit het voorgaande volgt dat de verjaringstermijn in ieder geval niet is aangevangen vóór 21 september 2004. Nu dit moment is gelegen binnen vijf jaren voor het tijdstip waarop eiser de minister aansprakelijk heeft gesteld, betekent dit dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de mogelijkheid van aansprakelijkstelling is verjaard.

6 Het beroep dient gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd met betrekking tot de door verweerder tegengeworpen verjaringstermijn behoeft derhalve geen bespreking.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het primaire besluit van 18 februari 2010 op eenzelfde niet houdbare grond berust. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar gegrond te verklaren, het primaire besluit van 18 februari 2010 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat verweerder een nader onderzoek moet instellen naar de aansprakelijkheid en een besluit dient te nemen op het verzoek van eiser van 16 december 2008.

7 De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.488,-- (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 496,--, wegingsfactor 1). Voorts dient verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank :

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 19 december 2013;

  • -

    verklaart het bezwaar gegrond en herroept het primaire besluit van 18 februari 2010;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het verzoek van eiser van 16 december 2008 met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,-- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.488,--

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.G.J. Dop, voorzitter, en mr. B. Meijer, lid, en mr. S. van Groningen, generaal-majoor b.d., militair lid, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.