Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:2964

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-02-2016
Datum publicatie
28-04-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2467
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2017:2652, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/980
FutD 2016-1124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 15/2467, SGR 15/2470, SGR 15/2473 en SGR 15/2476

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 februari 2016 in de zaken tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats] , verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 2006 tot en met 2009 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd en bij daartoe strekkende beschikkingen vergrijpboeten opgelegd en belastingrente in rekening gebracht. De boeten bij de navorderingsaanslagen voor de vier achtereenvolgende jaren bedragen respectievelijk € 34.765, € 15.052, € 33.597 en € 31.372.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 19 februari 2015, 20 februari 2015 en 13 maart 2015 de navorderingsaanslagen en de rentebeschikkingen gehandhaafd, de boete voor het jaar 2007 verminderd tot € 10.000 en de boeten voor de jaren 2006, 2008 en 2009 verminderd tot elk € 20.000.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2015.

Eiser is aldaar verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] , [persoon D] , [persoon E] en [persoon F] .

Ter zitting heeft tevens de mondelinge behandeling plaatsgevonden van het beroep van [X] B.V., [Y] B.V. met het zaaknummer 15/2566 betreffende de aan die vennootschap opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2009 en de beroepen van [Z] B.V. met de zaaknummers SGR 15/2465, SGR 15/2469, SGR 15/2471 en SGR 15/2474, betreffende de aan die vennootschap opgelegde navorderingaanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 2006 tot en met 2009. Al hetgeen in die zaken is aangevoerd en overgelegd wordt tevens geacht te zijn aangevoerd en overgelegd in deze zaken.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is directeur en enig aandeelhouder van [Z] B.V. (de BV). De BV vormt als moedermaatschappij een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met de dochterondernemingen [W] B.V., [V] B.V., [U] B.V. ( [U] ) en [S] B.V. [U] , [Y] B.V. en [S] B.V. vormen daarnaast een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. [U] is opgericht in 1980 en exploiteerde een discotheek die tot 3 maart 2012 was gevestigd in [plaats] en daarna in [plaats] .

2. Op 23 augustus 2011 is verweerder begonnen aan een boekenonderzoek bij eiser. Doel van het onderzoek was onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting en omzetbelasting voor de jaren 2006 tot en met 2009. Van het onderzoek heeft verweerder op 25 april 2012 het controlerapport uitgebracht dat in kopie tot de gedingstukken behoort. In het controlerapport en de daarbij behorende bijlagen zijn de volgende overzichten opgenomen:

Totale correctie winst- en verliesrekening 2006, 2007, 2008 en 2009.

2006

2007

2008

2009

Omzet

300.628

167.568

305.317

289.337

Onderhoudskosten

22.196

Abonnementen kranten

394

461

487

454

Rente

6.250

6.250

6.250

6.250

Nettoloon bedrag

-63.132

-35.190

-64.116

-60.761

Totale correctie

266.336

139.089

247.938

235.280

Totale correcties omzetbelasting

2006

2007

2008

2009

Omzet

7.565

-2.272

20.812

15.675

Onderhoudskosten

4.196

Kranten

23

27

29

27

Totale correctie

11.784

-2.245

20.841

15.702

3. Op bladzijde 34 van het controlerapport is het volgende vermeld:

“Inkomstenbelasting

Uitdeling [eiser]

De onderneming heeft meer omzet gedraaid dan in de winst- en verliesrekening is verantwoord. (…) het geld is niet meer aanwezig in de onderneming. Ik ben van mening dat de vennootschap de aandeelhouder bewust heeft willen bevoordelen en dat de aandeelhouder zich hiervan bewust is geweest. Er is sprake van (vermomde) uitdelingen van winst. De uitdelingen dienen gekwalificeerd te worden als reguliere inkomsten uit aanmerkelijk belang, welke in de inkomstenbelasting over de jaren 2006, 2007, 2008 en 2009 bij [eiser] worden gecorrigeerd.

2006

2007

2008

2009

Correctie V&W

266.336

139.089

247.938

235.280

Correctie btw omzet

11.784

-2.245

20.841

15.702

Totale uitdeling

278.120

136.844

268.779

250.982”

4. Op basis van de bij het boekenonderzoek opgedane bevindingen heeft verweerder aan de in 1 vermelde vennootschappen naheffingsaanslagen loonheffing en omzetbelasting en navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting opgelegd.

5. Voor de jaren 2006, 2007, 2008 en 2009 heeft eiser verzamelinkomens aangegeven van respectievelijk € 27.514, € 34.952, € 30.913 en € 31.006. Na het boekenonderzoek heeft verweerder eiser de onderhavige navorderingsaanslagen opgelegd en de daarbij behorende boetebeschikkingen en rentebeschikkingen gegeven. Daarbij heeft verweerder de uitdelingen, zoals vermeld in het in 3 weergegeven overzicht, aangemerkt als inkomsten uit aanmerkelijk belang en de navorderingsaanslagen voor de vier achtereenvolgende jaren berekend naar verzamelinkomens van € 305.634, € 171.796, € 299.692 en € 281.988.

Geschil
6.In geschil is of de navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd dan wel gegeven. Meer specifiek ligt de vraag voor of sprake is van omkering van de bewijslast. In het kader van de boeten ligt voorts de vraag voor of het aan (voorwaardelijk) opzet van eiseres is te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is betaald.

7. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken.

Beoordeling van het geschil

8. Op grond van artikel 25, derde lid en 27e, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) geldt omkering van de bewijslast als de vereiste aangifte niet is gedaan of als sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking.

9. Aan eiser is geen informatiebeschikking gegeven. Verweerder stelt dat omkering van bewijslast geldt omdat de door eiser over de jaren 2006 tot en met 2009 aangegeven inkomens dermate lager zijn dan de bij de navordering vastgestelde inkomens dat moet worden geoordeeld dat eiser de vereiste aangiften niet heeft gedaan. Verweerder baseert zich daarbij op de bevindingen uit het boekenonderzoek.

10. Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de bevindingen opgenomen in het controlerapport aannemelijk dat er door de dochteronderneming [U] zwarte lonen zijn betaald en dat er, om deze lonen te kunnen betalen, ook omzet moet zijn behaald die niet in de administratie is verantwoord. Dit wordt ondersteund door de in het controlerapport weergegeven tekortkomingen in de kasadministratie. De kasadministratie bevatte onjuistheden; de bijlage bij het controlerapport bevat een overzicht van de dagen waarop volgens de kasadministratie geen omzet werd behaald er wel pinbetalingen binnenkwamen of waarop geen omzet zou zijn behaald maar er wel een optreden plaatsvond in de discotheek. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de omzetten door [U] niet tot de juiste bedragen zijn geboekt. Eiser heeft hetgeen verweerder dienaangaande heeft aangevoerd slechts summier weersproken en daarmee onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt die tot een ander oordeel kunnen leiden.

11. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat het geld dat met deze hogere omzetten moet zijn geïnd niet meer binnen de desbetreffende vennootschap aanwezig is en daarom moet worden aangenomen dat die aan de aandeelhouder ten goede zijn gekomen.

Er is aldus verweerder sprake van (vermomde) winstuitdelingen door de BV als moedermaatschappij van de fiscale eenheid aan eiser die bij eiser in aanmerking dienen te worden genomen als reguliere inkomsten uit aanmerkelijk belang. In feite is, aldus nog steeds verweerder, sprake van een middellijke winstuitdeling door de dochteronderneming [U] via de BV aan eiser. Hierbij betoogt verweerder dat eiser zich, gelet op zijn positie als bestuurder en enig aandeelhouder van de fiscale eenheid, redelijkerwijs bewust moet zijn geweest van deze bevoordeling. Het zelfde geldt voor de BV, aldus verweerder, aan wie de wetenschap van eiser kan worden toegerekend. De rechtbank acht aannemelijk dat sprake is van de door verweerder gestelde winstuitdeling aan eiser. Hierbij merkt de rechtbank op dat eiser geen afdoende antwoord heeft kunnen geven op de vraag waar deze omzetten dan zijn gebleven. Dat de winstuitdelingen in rekening courant zouden zijn verrekend, zoals door eiser in dit verband is gesteld, is niet gebleken. De enkele stelling in dezen is onvoldoende. Hetgeen eiser voor het overige nog heeft aangevoerd leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

12. Bij het berekenen van de theoretische omzet en daarmee van de hoogte van de geconstateerde winstuitdelingen is verweerder uitgegaan van 60.000 bezoekers per jaar. In het controlerapport is onder meer vermeld dat op grond van de veiligheidsvoorschriften in de discotheek maximaal 620 bezoekers aanwezig mochten zijn, – hetgeen leidt tot een maximum bezoekersaantal van ongeveer 64.000 per jaar – maar dat dit aantal regelmatig ruim werd overschreden. Eiser heeft dit niet weersproken en de rechtbank acht het door verweerder aangehouden bezoekersaantal van 60.000 dan ook niet te hoog. De omzetberekeningen van verweerder resulteren voor de jaren 2006, 2007, 2008 en 2009 in brutowinstpercentages van respectievelijk 375, 336, 311 en 311 en uiteindelijk in omzetcorrecties van respectievelijk € 300.628, € 167.568, € 305.317 en € 289.337. De rechtbank heeft geen reden om aan de aanvaardbaarheid van deze berekeningen te twijfelen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee aannemelijk gemaakt dat de verschillen tussen de door eiser verantwoorde inkomens en de vermoedelijk door hem ontvangen inkomens dusdanig groot zijn, dat moet worden geoordeeld dat deze gebreken ertoe leiden dat de volgens de aangiften verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en dat derhalve de vereiste aangiften niet zijn gedaan. Voorts acht de rechtbank op grond van de door verweerder gestelde feiten en omstandigheden, zoals hiervoor onder 10 en 11 weergegeven, aannemelijk dat eiser bewust inkomsten moet hebben verzwegen en daarom wist of zich ervan bewust moet zijn geweest dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Dit heeft tot gevolg dat omkering en verzwaring van de bewijslast geldt en de beroepen ongegrond moeten worden verklaard tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar en daarmee de navorderingsaanslagen IB/PVV onjuist zijn.

13. Met hetgeen eiser heeft aangevoerd heeft hij, naar het oordeel van de rechtbank, niet doen blijken dat de uitspraken op bezwaar en daarmee de navorderingsaanslagen onjuist zijn en ook anderszins is dat niet gebleken. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen is uitgegaan van redelijke schattingen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerder de omzetcorrecties nog heeft verminderd met 25 procent voor verlies en afval en dat de omzetcorrecties uiteindelijk leiden tot een besteding per bezoeker die in lijn ligt met een daarvan bekend landelijk gemiddelde. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de navorderingsaanslagen niet te hoog zijn vastgesteld. In zoverre zijn de beroepen dus ongegrond.

14. Bij het opleggen van de navorderingsaanslagen heeft verweerder vergrijpenboeten opgelegd. Verweerder dient te bewijzen dat eiser de vergrijpen die tot het opleggen aanleiding gaven heeft gepleegd. Verweerder heeft daarvoor aangevoerd dat het aan (voorwaardelijk) opzet van eiser is te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is betaald.

15. Op grond van de in het controlerapport gestelde feiten en omstandigheden, met name die waarvan is geoordeeld dat er zwarte lonen door [U] zijn uitbetaald, acht de rechtbank bewezen dat willens en wetens omzet is verzwegen en die aan eiser, die zich daarvan bewust moet zijn geweest, ten goede is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank is het daarom aan opzet van eiser te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is betaald. Verweerder heeft daarom terecht aan eiser de onderhavige vergrijpboeten opgelegd. De rechtbank acht de boeten passend en geboden. In de loop van het geding heeft verweerder zich evenwel op het standpunt gesteld dat er redenen zijn om de boeten te matigen en moeten worden verminderd met 10 procent. De rechtbank sluit zich daarbij aan. Feiten en omstandigheden die tot verdere matiging aanleiding zouden kunnen geven zijn gesteld noch gebleken. In zoverre zijn de beroepen dus gegrond.

16. Daarnaast dienen de vergrijpboeten te worden verminderd in verband met een overschrijding van de redelijke termijn. De boeten zijn aangekondigd in het controlerapport van 25 april 2012. De rechtbank doet in deze zaken uitspraak op 22 februari 2016. Op dat moment zijn afgerond drie jaren en tien maanden verstreken sinds de aankondiging. Hiermee is de redelijke termijn van twee jaar overschreden. Gelet daarop dienen de boeten nog verder te worden verminderd met 15% (vgl. HR 22 april 2005, nr. 37.984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006 en Hof Amsterdam 2 juli 2009, nr. 04/03329, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298).

17. Tegen het in rekening brengen van de belastingrente heeft eiser geen gronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat de belastingrente ten onrechte of in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht. Voor zover de beroepen moeten worden geacht te zijn gericht tegen de rentebeschikking zijn zij derhalve ongegrond.

18. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dienen de beroepen gegrond te worden verklaard, dienen de navorderingsaanslagen en de rentebeschikkingen te worden gehandhaafd en de boeten te worden verminderd.

Proceskosten

19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt voorop dat zij de onderhavige zaken en de zaken van [Z] B.V. met de zaaknummers SGR 15/2465, SGR 15/2469, SGR 15/2471 en SGR 15/2474 en van [X] B.V., [Y] B.V met zaaknummer SGR 15/2566 aanmerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 744 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 496 en een wegingsfactor 1,5 voor meer dan vier samenhangende zaken). Waarvan voor deze zaken vier negende deel, oftewel € 331, in aanmerking wordt genomen. Voor het vergoeden van de kosten van het bezwaar is geen aanleiding omdat gesteld noch gebleken is dat tijdens de bezwaarfase om vergoeding daarvan is verzocht. Voor een hogere kostenvergoeding ziet de rechtbank voorts geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond voor zover die zien op de boetebeschikkingen;

  • -

    verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover die zien op de boetebeschikkingen;

  • -

    wijzigt de boetebeschikkingen en vermindert de boeten bij de navorderingsaanslagen voor de jaren 2006, 2007, 2008 en 2009 tot respectievelijk € 15.300, € 7.650, € 15.300 en € 15.300;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde gedeelten van de uitspraken op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 331;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. N. Djebali, voorzitter, mr. S.E. Postema en mr. S.E. Faber, leden, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.