Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:2941

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-03-2016
Datum publicatie
22-03-2016
Zaaknummer
09/755046-14, 09/755050-14 [09/755052-14 en 09/809295-13]; 09/755056-14; 09/755048-14; 09/755049-14 [09/755054-14, 09/809604-14 en 09/809296-13]; 09/755047-14; 09/755051-14 en 09/755053-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Steekwoorden: criminele organisatie, winkeldiefstallen, witwassen, heling, mobiel banditisme, onvoorwaardelijke gevangenisstraffen

De rechtbank Den Haag veroordeelt acht verdachten tot gevangenisstraffen van 16 tot 22 maanden voor gewoonteheling en deelname aan een criminele organisatie.

De zaak is aan het rollen gekomen toen de gemeente tezamen met de Haagse politie een pand in Den Haag controleerde op overbewoning. De woning bleek vol te liggen met gestolen kleding en schoenen. Er werden bestellijsten voor kleding gevonden en een kaart van Nederland met omcirkelde plaatsnamen.

Vijf van de verdachten waren rechtstreeks bij de winkeldiefstallen betrokken. Het ging om strooptochten door het land waarbij goed georganiseerd, met gebruikmaking van geprepareerde tassen en met intensief onderling telefonisch contact, werd gestolen. In de ochtend vertrok de groep uit Den Haag het land in, en aan het einde van de middag keerde men terug in Den Haag waar de buit werd ontdaan van de alarmlabels.

De overige drie verdachten hebben op een andere manier steun gegeven aan de criminele organisatie, door bijvoorbeeld een woning of auto beschikbaar te stellen. Uit het onderzoek is niet gebleken wie van de verdachten een leidende rol had en de rechtbank heeft daarom alle verdachten aangemerkt en bestraft als uitvoerders, wat een licht matigende invloed heeft op de strafmaat. Maar voor dergelijke georganiseerde strooptochten, die de politie mobiel banditisme noemt, acht de rechtbank aanzienlijke gevangenisstraffen op zijn plaats.

De rechtbank spreekt twee mannen en een vrouw vrij van deelname aan een criminele organisatie, omdat daarvoor geen bewijs in het dossier werd gevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/755046-14, 09/755050-14, [09/755052-14 en 09/809295-13],

09/755056-14; 09/755048-14; 09/755049-14; 09/755055-14;

[09/755054-, 09/809604-14 * en 09/809296-13], 09/755047-14, 09/755051-14 en 09/755053-14.

Datum uitspraak: 22 maart 2016

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlasteleggingen en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaken van de officier van justitie tegen de verdachten:

[verdachte 1] ,

geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats ] ,

bijgestaan door mr. N.D. de Fluiter, advocaat te Amsterdam,

[verdachte 2],

geboren op [geboortedag] 1963 te [geboorteplaats ] ,

bijgestaan door mr. J.S. Dijkstra, advocaat te Den Haag,

[verdachte 3] ,

geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats ] ,

bijgestaan door mr. D. Nieuwenhuis, advocaat te Maastricht,

[verdachte 4] ,

geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats ] ,

bijgestaan door mr. P.D. Popescu, advocaat te Amsterdam,

[verdachte 5] ,

geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats ] ,

bijgestaan door mr. C.R. Jansma, advocaat te Kampen,

[verdachte 6] ,

geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats ] ,

bijgestaan door mr. A. Petrescu, advocaat te Amsterdam,

[verdachte 7] ,

geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats ] ,

bijgestaan door mr. J.G.D. Rutten, advocaat te Amsterdam,

[verdachte 8] ,

geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats ] ,

bijgestaan door mr. A. Petrescu, advocaat te Amsterdam,

[verdachte 9] ,

geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats ] ,

bijgestaan door mr. P.B. Spaargaren, advocaat te Den Haag,

[verdachte 10] ,

geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats ] ,

bijgestaan door mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht,

en,

[verdachte 11] ,

geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats ] ,

bijgestaan door mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht.

Geen van de verdachten heeft een bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1 De beschuldigingen

Wat de verdachten wordt verweten is omschreven in de (deels gewijzigde) tenlasteleggingen, die als bijlagen A1 t/m A11 onderdeel uitmaken van dit vonnis. De beschuldigingen komen kort gezegd op het volgende neer:

[verdachte 1] (09/755046-14)

  1. Gewoonte-, althans opzetheling althans schuldheling van een hoeveelheid kleding en schoenen;

  2. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

[verdachte 2] (09/755050-14)

  1. Diefstal bij de V&D Oss;

  2. Diefstal bij de Esprit Harderwijk;

  3. Diefstal bij de Scapino Harderwijk;

  4. Gewoonte-, althans opzetheling althans schuldheling van een hoeveelheid kleding en schoenen;

  5. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

[verdachte 3] (09/755052-14)

  1. Gewoonte-, althans opzetheling althans schuldheling van een hoeveelheid kleding en schoenen;

  2. (Gewoonte)witwassen;

  3. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

[verdachte 3] (09/809295-13)

1. Meerdere winkeldiefstallen, subsidiair opzet- dan wel schuldheling.

[verdachte 4] (09/755056-14)

  1. Witwassen althans de medeplichtigheid aan witwassen;

  2. Diefstallen bij de V&D Oss, Alkmaar en Veenendaal;

  3. Diefstal bij de Esprit Harderwijk;

  4. Diefstal bij de Scapino Harderwijk;

  5. Zakkenrollerij;

  6. Gewoonte-, althans opzetheling althans schuldheling van een hoeveelheid kleding en schoenen;

  7. (Gewoonte)witwassen;

  8. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

[verdachte 5] (09/755048-14)

  1. Diefstal bij de V&D Oss;

  2. Diefstal bij de Esprit Harderwijk;

  3. Diefstal bij Scapino Harderwijk;

  4. Gewoonte-, althans opzetheling althans schuldheling van een hoeveelheid kleding en schoenen;

  5. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

[verdachte 6] (09/755049-14)

  1. Diefstallen bij de V&D Oss, Alkmaar en Veenendaal;

  2. Gewoonte-, althans opzetheling althans schuldheling van een hoeveelheid kleding en schoenen;

  3. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

[verdachte 7] (09/755055-14)

  1. Gewoonte-, althans opzetheling althans schuldheling van een hoeveelheid kleding en schoenen;

  2. Voorhanden hebben van een busje traangas;

  3. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

[verdachte 8] (09/755054-14)

  1. Gewoonte-, althans opzetheling althans schuldheling van een hoeveelheid kleding en schoenen;

  2. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

[verdachte 8] (parallelle dagvaarding 09/819601-14)1

1. (Gewoonte)witwassen.

[verdachte 8] (09/809296-13)

1. Meerdere winkeldiefstallen, subsidiair opzet- dan wel schuldheling.

[verdachte 9] (09/755047-14)

  1. Gewoonte-, althans opzetheling althans schuldheling van een hoeveelheid kleding en schoenen;

  2. (Gewoonte)witwassen;

  3. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, althans de medeplichtigheid hieraan.

[verdachte 10] (09/755051-14)

  1. Diefstal bij de Hollister Utrecht;

  2. Diefstallen bij de V&D Oss, Alkmaar en Veenendaal;

  3. Diefstal bij de Esprit Harderwijk;

  4. Diefstal bij Scapino Harderwijk;

  5. Zakkenrollerij;

  6. Gewoonte-, althans opzetheling althans schuldheling van een hoeveelheid kleding en schoenen;

  7. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven althans de medeplichtigheid hieraan.

[verdachte 11] (09/755053-14)

  1. Witwassen althans de medeplichtigheid aan witwassen.

  2. Diefstal bij de Hollister Utrecht;

  3. Diefstallen bij de V&D Oss, Alkmaar en Veenendaal;

  4. Diefstal bij de Esprit Harderwijk;

  5. Diefstal bij de Scapino Harderwijk;

  6. Gewoonte-, althans opzetheling althans schuldheling van een hoeveelheid kleding en schoenen;

  7. (Gewoonte)witwassen;

  8. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

2.1

De behandeling van de zaken

De pro forma-zittingen vonden plaats op 31 juli 2014 (in alle zaken, met uitzondering van de zaak van [verdachte 6] ), en op 27 oktober 2014 en 22 januari 2015 (in alle zaken, met uitzondering van de zaken van [verdachte 6] , [verdachte 1] en [verdachte 7] ).

De inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden op

  • -

    29 februari 2016: opening van het onderzoek ter terechtzitting in de zaak van [verdachte 6] en voortzetting van de behandeling van de overige zaken, behandeling van het dossier en het requisitoir; 1 maart 2016: pleidooien, en in de zaak [verdachte 7] ook repliek, dupliek en het laatste woord; 2 maart 2016: pleidooien, en repliek, dupliek en het laatste woord in de overige zaken;

  • -

    8 maart 2016: sluiting van het onderzoek ter terechtzitting.

De zaken zijn niet gevoegd behandeld. De behandeling vond deels gelijktijdig (behandeling van het dossier, requisitoir, repliek en dupliek) en deels apart (de pleidooien en repliek en dupliek in de zaak van [verdachte 7] ) plaats.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.A. Willemse en van hetgeen door de raadslieden en de ter zitting verschenen verdachten [verdachte 2] en [verdachte 11] naar voren is gebracht.

Op de zitting van 29 februari 2016 hebben de raadslieden in de zaken van [verdachte 3] (met parketnummer 09/809295-13) en [verdachte 8] (met parketnummer 09/809296-13) verweren gevoerd die betrekking hadden op de nietigheid van de dagvaardingen vanwege betekeningsgebreken. De officier van justitie heeft tot nietigheid van deze dagvaardingen geconcludeerd. De rechtbank heeft beslist dat die verweren terecht zijn gevoerd en zullen worden toegewezen. Deze zaken zijn verder niet inhoudelijk behandeld.

2.2

De vorderingen van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten en tot vrijspraak van de overige tenlastegelegde feiten en gevorderd dat aan de verdachten de volgende gevangenisstraffen worden opgelegd, met aftrek van de tijd die zij reeds in voorarrest hebben doorgebracht.

In de zaak van [verdachte 1] (09/755046-14)

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van medeplegen van gewoonteheling (feit 1). Zij vordert een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, zijnde 100 dagen.

In de zaak van [verdachte 2] ((09/755050-14)

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van medeplegen van diefstal bij V&D Oss (feit 1), medeplegen van gewoonteheling (feit 4) en deelname aan een criminele organisatie. Zij vordert een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaar.

In de zaak van [verdachte 3] (09/755052-14)

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van medeplegen van gewoonteheling (feit 1), witwassen (feit 2) en deelname aan een criminele organisatie (feit 3). Zij vordert een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaar.

In de zaak van [verdachte 4] (09/755056-14)

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van medeplichtigheid aan witwassen (feit 1 subsidiair), medeplegen van gewoonteheling (feit 6) en witwassen (feit 7) en deelname aan een criminele organisatie (feit 8). Zij vordert een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaar.

In de zaak van [verdachte 5] (09/755048-14)

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van medeplegen van diefstal bij V&D Oss (feit 1), medeplegen van gewoonteheling (feit 4) en deelname aan een criminele organisatie (feit 5). Zij vordert een onvoorwaardelijk gevangenisstraf van drie jaar.

In de zaak van [verdachte 6] (09/755049-14)

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van medeplegen van gewoonteheling (feit 2). Zij vordert een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, zijnde 56 dagen.

In de zaak van [verdachte 7] (09/755055-14)

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van medeplegen van gewoonteheling (feit 1) en het voorhanden hebben van een busje traangas (feit 2). Zij vordert een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, zijnde 100 dagen.

In de zaken van [verdachte 8] (09/755054-14; 09/819601-14)

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van medeplegen van gewoonteheling (feit 1), deelname aan een criminele organisatie (feit 2) en witwassen (feit 3). Zij vordert een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaar.

In de zaak van [verdachte 9] (09/755047-14)

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van medeplegen van gewoonteheling (feit 1), witwassen (feit 2) en medeplichtigheid aan deelname aan een criminele organisatie (feit 3 subsidiair). Zij vordert, gezien zijn geringere aandeel in de criminele organisatie en zijn persoonlijke omstandigheden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar.

In de zaak van [verdachte 10] (09/755051-14)

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van medeplegen van diefstal bij de Hollister Utrecht (feit 1), de V&D’s Oss, Alkmaar en Veenendaal (feit 2) en de Esprit Harderwijk (feit 3), medeplegen van gewoonteheling (feit 6) en deelname aan een criminele organisatie (feit 7). Zij vordert een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaar.

In de zaak van [verdachte 11] (09/755053-14)

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van medeplichtigheid aan witwassen (feit 1 subsidiair), medeplegen van diefstal bij de Hollister Utrecht (feit 2), de V&D’s Oss, Alkmaar en Veenendaal (feit 3) en de Esprit Harderwijk (feit 4), medeplegen van gewoonteheling (feit 6) en deelname aan een criminele organisatie (feit 7). Zij vordert een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaar.

3. De start van het onderzoek op de [adres 1] te Den Haag2

Verdachten zijn op 23 april 2014 aangehouden in de woning aan de [adres 1] te Den Haag. In het kader van een controle op overbewoning werd deze woning omstreeks 21.45 uur betreden door toezichthouders van de Haagse Pandbrigade. Zij werden vergezeld door politieambtenaren. In de woning bleken, naast de hoofdbewoner [verdachte 9] , tien andere personen aanwezig. In de keuken van de woning werd een plastic zak met daarin alarmlabels (ook wel weavers genoemd) en prijskaartjes aangetroffen. Tevens was zichtbaar dat in een openstaand kastje verpakte parfums aanwezig waren. Ook trof men materiaal om tassen te prepareren aan.3

De woning is vervolgens doorzocht.4 Daarbij zijn goederen aangetroffen en inbeslaggenomen waarvan, gelet op de omstandigheden waaronder ze zijn aangetroffen, het vermoeden is ontstaan dat ze van diefstal afkomstig zijn. Zo werden onder meer in een kast nieuwe en ongedragen, sommige nog van een prijskaartje voorziene onderbroeken van het merk Björn Borg aangetroffen. In een sporttas werden nieuwe kledingstukken aangetroffen, waarvan sommige met een prijskaartje eraan. In een kruipruimte van de woning vond de politie een zestal met kleding gevulde vuilniszakken, waaraan prijskaartjes bevestigd zaten. In verband daarmee zijn alle elf in de woning aanwezige personen aangehouden.

Na inventarisatie van de inbeslaggenomen goederen is onderzoek gedaan naar de herkomst daarvan. De goederen bleken onder meer afkomstig van Hennis & Maurits, V&D, Perry Sport, Coolcat, Xenos, Mexx, Hollister, Zara en Schoenenreus. Een aantal van deze bedrijven heeft aangifte van diefstal gedaan.5

4 Verweren verdediging

Ter terechtzitting zijn door verschillende raadslieden verweren gevoerd. Bij een of meer van die verweren hebben anderen zich aangesloten. De rechtbank zal die verweren ten aanzien van alle verdachten, tenzij anders vermeld, bespreken.

4.1

Obscuur libel?

Namens [verdachte 8] is aangevoerd dat de dagvaarding partieel nietig moet worden verklaard omdat feit 3, zoals dat daar is omschreven, een obscuur libel oplevert, nu niet duidelijk is of hem gewoontewitwassen wordt verweten of heling, zoals het onderschrift suggereert. De rechtbank overweegt dienaangaande dat de tekst van de tenlastelegging geen twijfel laat over het verwijt. Het enkele gegeven dat onder de tekst verwezen wordt naar een onjuist artikel uit het Wetboek van Strafrecht geeft hiertoe geen aanleiding. De rechtbank verwerpt het verweer.

4.2

Binnentreden en doorzoeking onrechtmatig?

Aangevoerd is dat het binnentreden en doorzoeken van de woning [adres 1] te Den Haag op 23 april 2014 onrechtmatig is geweest.

In eerste instantie is hiertoe aangevoerd dat de Haagsche Pandbrigade werd vergezeld door een zodanig groot aantal verbalisanten dat moet worden aangenomen dat hun doel achter het huisbezoek niet kan zijn gelegen in het controleren van de woning in het kader van overbewoning, maar dat dit wel een strafrechtelijke achtergrond moest hebben. Er zijn dan ook bevoegdheden aangewend met een ander doel dan waarvoor zij zijn gegeven.

Tevens is betoogd dat er wellicht een bestuursrechtelijke machtiging tot binnentreden is geweest, maar dat – nu de machtiging niet in het dossier zit – niet kan worden gecontroleerd of de machtiging ook uitdrukkelijk zag op de verbalisanten die de Haagsche Pandbrigade vergezelden. Omdat dit niet kan worden nagegaan moet het ervoor worden gehouden dat dit niet het geval was, hetgeen betekent dat zij zijn binnengetreden zonder daartoe te zijn gemachtigd.

Daarnaast is aangevoerd dat voor zover rechtmatig zou zijn binnentreden, de verbalisanten meer hebben gedaan dan enkel zoekend rondkijken op het moment dat nog geen toestemming tot zoeken was gegeven door [verdachte 9] .

Ten slotte is aangevoerd dat indien het Openbaar Ministerie zich op het standpunt stelt dat de verdachten allen verbleven op dit adres, ook aan alle verdachten toestemming had moeten worden gevraagd tot binnentreden en dat zij allen door de onrechtmatige binnentreding in hun belangen zijn geschaad.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat van de machtiging tot binnentreden geen gebruik behoefde te worden gemaakt gelet op de uitdrukkelijke toestemming tot binnentreden van [verdachte 9] . Voor doorzoeking van de woning is door [verdachte 9] ook uitdrukkelijk, en zelfs schriftelijk, toestemming gegeven. Voorzover sprake zou zijn van een vormverzuim kan slechts [verdachte 9] een beroep op dit verzuim doen, dit gelet op de ‘schutznorm’.

De rechtbank verwerpt het verweer ten aanzien een onrechtmatige binnentreding.

Uit het verslag van senior inspecteur handhaving [naam 1] blijkt het volgende. Al op 3 februari 2014 had een controle op overbewoning in dit pand plaatsgevonden, waarbij aan de eigenaar van de woning mevrouw [naam 2] een last onder bestuursdwang is opgelegd. In verband daarmee heeft op 22 april 2014 een vooraf aangekondigde controle plaatsgevonden, waarbij genoemde [naam 2] en [verdachte 9] , de laatste als hoofdhuurder, aanwezig waren. Omdat tegenstrijdigheden werden geconstateerd in de verklaringen van [naam 2] en [verdachte 9] is de volgende dag binnen de taakstelling van controle op onrechtmatige bewoning opnieuw en nu een onaangekondigde controle gehouden, waarbij is aangehaakt bij de al geplande grootschalige Handhavingsactie die op 23 april 2014 plaatsvond in het verzorgingsgebied van bureau De Heemstraat.6 De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de mededeling van [naam 1] dat bij dergelijke grote integrale handhavingsacties altijd gebruik wordt gemaakt van de sterke arm, nu niet is te voorzien hoe groot de groep is die wordt aangetroffen en of dit spanningen oplevert. Van misbruik van bevoegdheid is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

Uit het proces verbaal aanhouding blijkt dat de toezichthouders van de Haagse Pandbrigade na aanbellen zich tegenover [verdachte 9] , die volgens de aan hen bekende gegevens de hoofdbewoner van de betreffende woning was, hebben gelegitimeerd, het doel van hun komst en de samenwerking met de politie hebben meegedeeld. [verdachte 9] gaf vervolgens vrijwillig uitdrukkelijk toestemming tot binnentreden. Van de machtiging tot binnentreden behoefde dus geen gebruik te worden gemaakt. Het is dan ook niet van belang of de verbalisanten uitdrukkelijk zijn vermeld in de machtiging.

De rechtbank verwerpt ook het verweer dat de doorzoeking van de woning onrechtmatig is geweest.

Eenmaal binnen zagen de verbalisanten onder andere een afvalzak, waarin zij alarmlabels en prijskaartjes zagen. Op grond hiervan ontstond een verdenking ter zake diefstal dan wel heling. De rechtbank ziet geen grond om aan te nemen dat deze constatering eerst werd gedaan, nadat meer werd gedaan dan zoekend rondkijken. De afvalzak was immers doorzichtig en lag op de grond in de keuken. Eerst na het aantreffen van deze afvalzak hebben de verbalisanten uitdrukkelijk aan [verdachte 9] toestemming gevraagd en verkregen om de woning te doorzoeken en mèt deze uitdrukkelijke schriftelijke toestemming7 hebben zij de woning doorzocht.

Naar het oordeel van de rechtbank konden de verbalisanten volstaan met de uitdrukkelijke toestemming tot doorzoeken van alleen [verdachte 9] . Gesteld noch gebleken is immers dat zich binnen de woning zelfstandige woonruimten bevonden van anderen dan de hoofdbewoner [verdachte 9] , zodat geen vormverzuim jegens de andere aangehouden verdachten heeft plaatsgevonden.

4.3

Beelden bodycam niet meer beschikbaar

Een ander gesteld vormverzuim betreft het feit dat de beelden van de bodycam niet op een CD zijn gebrand of anderszins nog ter beschikking zijn. Uit het proces verbaal van bevindingen blijkt dat de met een bodycam gemaakte beelden op grond van de Wet politiegegevens 30 dagen bewaard mogen worden en na 30 dagen worden gewist. Door een abuis zijn de beelden niet binnen de 30 dagen op een cd-rom gebrand. Dit is een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Naar het oordeel van de rechtbank kan evenwel worden volstaan met deze constatering en behoeft het verzuim geen verdere consequentie. Daartoe overweegt zij dat niet is onderbouwd op welke wijze de verdediging door dit vormverzuim in zijn belangen is geschaad. Immers, de feitelijke de gang van zaken bij de controle is gerelateerd in een proces-verbaal. Door de verdediging is niet betoogd dat deze feitelijke weergave onjuist zou zijn, zodat niet valt in te zien waarover de camerabeelden uitsluitsel zouden moeten geven. De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer.

4.4

Schending recht op vertolking en vertaling in strafprocedures?

Namens [verdachte 5] is aangevoerd dat zij nimmer een vertaling van de dagvaarding noch van de schorsingsbeschikking van de rechtbank van 23 januari 2015 heeft ontvangen. Dit geldt evenzeer in de zaken van alle andere verdachten. Het vorenstaande levert een structurele schending van de Wet vertolking en vertaling in strafprocedures op. Hierdoor heeft [verdachte 5] nadeel geleden, omdat zij zich niet goed op de strafzaak heeft kunnen voorbereiden en niet wist aan welke schorsingsvoorwaarden zij diende te voldoen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De inleidende dagvaarding is op 11 juli 2014 met een vertaling daarvan in de Roemeense taal aan [verdachte 5] uitgereikt in de penitentiaire inrichting waarin zij destijds preventief gehecht zat. Deze dagvaarding is nimmer gewijzigd. Verdachte wist dus waarvan zij wordt beschuldigd. Daarnaast heeft de officier van justitie op verzoek van de verdediging nog een aantal aanvullende stukken laten vertalen, waaronder het proces-verbaal van aanhouding van [verdachte 5] , de drie verklaringen die zij bij de politie heeft afgelegd, diverse aangiften en verschillende verklaringen van haar medeverdachten. In zoverre zijn de stellingen van de raadsman onjuist.

Met de raadsman is de rechtbank gebleken dat de schorsingsbeschikking inderdaad niet is vertaald. Als dit al moet worden geduid als een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, dan is in elk geval het nadeel dat [verdachte 5] daardoor zou hebben ondervonden geenszins onderbouwd. Haar wordt immers niet tegengeworpen dat zij zich niet aan een van de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet gezegd worden dat er sprake is van een structurele schending van de richtlijn 2010/64/EU betreffende de minimumeisen voor het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures, zodat het verweer wordt verworpen.

5 De beoordeling van de beschuldigingen

5.1

Inleiding

De rechtbank zal eerst de verweren bespreken die betrekking hebben op de betrouwbaarheid van de door de politie gedane herkenningen. Vervolgens zal de rechtbank vaststellen welke telefoonnummers aan welke verdachte kunnen worden toegeschreven.

Daarna worden de ten laste gelegde feiten die rechtstreeks verband houden met de verweten deelname aan een criminele organisatie besproken, te weten:

  • -

    de winkeldiefstallen (zaken 9, 20, 21 en 10 t/m 14);

  • -

    (gewoonte)witwassen (zaak 23);

  • -

    deelname aan een criminele organisatie (zaak 2);

  • -

    gewoonte-, althans opzetheling (zaken 4, 6, 7, 9, 16, 17 en 18).

Hierna volgen de resterende feiten:

  • -

    witwassen dan wel medeplichtigheid aan witwassen (aparte zaak, [verdachte 4] en [verdachte 11] );

  • -

    zakkenrollerij (zaak 5, [verdachte 4] en [verdachte 10] );

  • -

    voorhanden hebben van een busje traangas (zaak 19, [verdachte 7] ).

5.2

De herkenningen

In de zaken van [verdachte 2] , [verdachte 5] , [verdachte 10] en [verdachte 11]

5.2.1

De standpunten van de verdediging

Namens de verdachten is, samengevat, betoogd dat de processen-verbaal, waarin is gerelateerd dat de verbalisanten of medewerkers van Trigion hen herkennen op of van de verschillende camerabeelden niet kunnen bijdragen tot het bewijs. Hiertoe is aangevoerd dat de camerabeelden niet van voldoende kwaliteit zijn om een herkenning hierop of hiervan te kunnen baseren. Het NFI heeft dan ook geconcludeerd dat hooguit het iets waarschijnlijker is dat de persoon op de foto’s de verdachte is dan een ander. In een aantal gevallen is zelfs geconcludeerd dat het even waarschijnlijk is. Daar komt bij dat, nu de verdachten al bekend waren op het moment dat de camerabeelden door de verbalisanten zijn bekeken, geen sprake meer was van de nodige onbevangenheid bij het beoordelen van de beelden en het uitspreken van de herkenning. De verwachting de verdachten te zullen herkennen heeft de daadwerkelijke herkenning gekleurd. Dat geldt eveneens in omgekeerde zin voor de herkenning door de medewerkers van Trigion, die de camerabeelden kenden en later zijn geconfronteerd met foto’s van de verschillende verdachten. Ook is niet aangegeven op basis van welke specifieke gezichtskenmerken de verdachten zouden zijn herkend. Tenslotte spreekt een aantal herkenningen elkaar tegen.

5.2.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de camerabeelden van goede kwaliteit zijn en dat de processen-verbaal van herkenning behoorlijk goed onderbouwd zijn. Daarnaast kan de rechtbank ook zelf de herkenning toetsen, nu zij verdachten gedurende een aantal pro-forma zittingen heeft gezien en [verdachte 2] en [verdachte 11] ook gedurende de inhoudelijke behandeling van de zaak ter terechtzitting. Ook heeft het NFI de herkenningen ondersteund. Ten slotte is aangevoerd dat het bewijs – anders dan in de door de verdediging aangehaalde zaken – niet uitsluitend is gebaseerd op de herkenning door de verbalisanten.

5.2.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat ingevolge vaste jurisprudentie behoedzaam moet worden omgegaan met herkenningen, juist omdat moet worden onderkend dat een zekere verwachting meespeelt in een geval als het onderhavige, waarbij reeds verdachten zijn aangehouden. Dit betekent evenwel niet dat indien een verdachte in beeld is iedere herkenning van generlei waarde is. In iedere zaak op zich zal moeten worden beoordeeld welke bewijskracht aan een herkenning kan worden toebedeeld, al dan niet in samenhang met het overige bewijsmateriaal.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de herkenningen in het onderhavige geval in het geheel niet van iedere bewijswaarde ontbloot zijn, integendeel.

De rechtbank stelt voorop dat zich in het dossier niet enkel vage screenshots, maar ook bewegende beelden bevinden, van goede kwaliteit, waarbij de betreffende personen gedurende enige tijd, vanuit verschillende invalshoeken, soms van dichtbij in beeld verschijnen.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat de herkenningen niet enkel het gezicht betreffen, zoals geanalyseerd door het NFI, maar dat het gaat om een bredere herkenning. Zo is in een aantal gevallen ook de kleding van de betreffende personen op de camerabeelden herkend als zijnde de kleding die de verdachten aan hadden op het moment dat zij werden aangehouden danwel kleding of schoeisel die zij droegen op foto’s die zijn aangetroffen in de in beslaggenomen telefoons. Ook de grote rechthoekige donkerkleurige schoudertassen vormen een punt van herkenning.

Daar komt bij dat het geen losstaande herkenningen van slechts één verdachte zijn, maar dat veelal een combinatie van personen wordt herkend, hetgeen bijdraagt aan de bewijswaarde van de herkenning.

Ook weegt mee dat de herkenningen worden ondersteund door het feit dat op een aantal beelden is terug te zien dat een verdachte kennelijk belt, hetgeen correspondeert met de historische gegevens (zowel qua tijdstip als zendmast) van de telefoon van de herkende persoon.

Met betrekking tot de herkenning door [verbalisant 1] van [verdachte 11] weegt de rechtbank nog het volgende mee. Het gegeven dat de verbalisant op het moment dat hij [verdachte 11] herkende al enige tijd met hem had doorgebracht tijdens het verhoor, vergroot de bewijswaarde daarvan. Hij heeft immers tijdens het verhoor niet alleen de vorm van het gezicht kunnen waarnemen, maar ook bijvoorbeeld oogopslag, mimiek, postuur, houding en eventueel de manier van lopen.

Tenslotte heeft ook de rechtbank de verdachten op een aantal pro-forma zittingen gezien en gesproken, en ziet zij in hetgeen zij zelf heeft waargenomen, geen reden te twijfelen aan de gedane herkenning.

5.3

De telefoonnummers

Ten aanzien van alle verdachten

Gedurende het onderzoek naar de verschillende telefoons/simkaartjes zijn de volgende telefoonnummers in verband gebracht met de volgende gebruikers:

[verdachte 1] [06-nummer]

[verdachte 2] [06-nummer] (en [06-nummer] )

[verdachte 3] [06-nummer]

[verdachte 4] [06-nummer]

[verdachte 5] [06-nummer]

[verdachte 6] -

[verdachte 7] [06-nummer]

[verdachte 8] [06-nummer] (en [06-nummer] )

[verdachte 9] [06-nummer]

[verdachte 10] [06-nummer]

[verdachte 11] [06-nummer]

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van het merendeel van de verdachten de telefoon en/of de simkaart behorend bij de telefoon onder de verdachte in beslag is genomen en door deze verdachten niet is betwist dat dit nummer bij hen in gebruik is, welk gegeven veelal tevens wordt bevestigd door de naam bij dit nummer in de verschillende contactenlijsten aangetroffen in de telefoons.8 De rechtbank is dan ook van oordeel dat voldoende vaststaat dat de telefoonnummers kunnen worden gekoppeld aan de erbij genoemde personen.

Ten aanzien van [verdachte 2] , [verdachte 8] en [verdachte 4] en overweegt de rechtbank aanvullend het volgende.

Vooropgesteld wordt dat waar deze verdachten betrokkenheid bij de gevonden telefoons in meer of mindere mate ontkennen, de rechtbank bij de betrouwbaarheid van die verklaringen ten nadele van deze verdachten meeneemt dat zij bij aanhouding ook hebben verklaard elkaar die dag pas te hebben ontmoet, terwijl uit het dossier (eerdere staandehoudingen, foto’s in telefoons, facebook contacten) overduidelijk blijkt dat ze elkaar al veel langer kenden. Of de telefoonnummers aan deze verdachten kunnen worden toegeschreven zal de rechtbank dan ook toetsen aan de onderzoeksresultaten in het dossier.

Ten aanzien van [verdachte 8]

[verdachte 8] heeft betwist dat [06-nummer] zijn telefoonnummer was. De rechtbank constateert dat in de fouillering na zijn aanhouding geen telefoon of simkaart is aangetroffen.9 Ook na de tweede huiszoeking is geen telefoon of simkaart aangetroffen, waarvan aanwijzingen bestaan dat deze bij [verdachte 8] in gebruik is. Het voornoemde nummer is enkel aan [verdachte 8] gekoppeld omdat [verdachte 1] bij de politie heeft verklaard dat hij [verdachte 8] kent en dat het telefoonnummer van [verdachte 8] in [verdachte 1] telefoon bij de naam ‘ [naam 3] ’ staat. In de lijst met contacten in de telefoon van [verdachte 1] staat bij de naam [naam 3] .nl het telefoonnummer [06-nummer] .10 De rechtbank overweegt dat dit nummer vanaf 12 april 2014 tot aan de aanhouding van de verdachten 254 keer telefonisch contact heeft gehad met [verdachte 1] .11 Gelet op de intensiteit van dit contact (gemiddeld bijna 24 keer per dag) ziet de rechtbank geen aanleiding te veronderstellen dat deze verklaring van [verdachte 1] op een vergissing berust en acht zij daarmee voldoende vaststaan dat dit het nummer van [verdachte 8] betreft. Hieraan doet niet af het gegeven dat niet zijn officiële namen [verdachte 8] bij het contact staat vermeld. Immers, uit het dossier blijkt dat vaker bijnamen (zie hieronder ‘ [naam 4] )’ of compilaties van delen/klanken van de naam ( [naam 5] voor [verdachte 2] of [naam 6] voor [naam 7] ) worden gebruikt. De rechtbank ziet zich bovendien in haar oordeel gesteund, aangezien uit de historische gegevens van dit telefoonnummer blijkt dat deze telefoon op 22 april 2014 om 17.03 uur een zendmast aanstraalt vlakbij het Centraal Station in Utrecht,12 terwijl [verdachte 8] zich op dat moment in die omgeving bevond evenals een aantal andere verdachten. Dit blijkt uit het feit dat [verdachte 8] om 17.25 uur een boete kreeg in de trein op het traject tussen Utrecht en Den Haag, net als [verdachte 3] en [verdachte 1] , die in hetzelfde treinstel zaten.13 Ten slotte overweegt de rechtbank dat de verklaring van [verdachte 8] dat hij niet langer over een Nederlands telefoonnummer beschikt haar onaannemelijk voorkomt. De rechtbank acht het erg onwaarschijnlijk dat [verdachte 8] - die blijkens de aanhouding op 23 april 2014, eerdere staandehoudingen, een treinboete in dezelfde trein en verklaringen van medeverdachten kennelijk wel optrekt met de medeverdachten - als enige niet over een telefoon zou beschikken, waarmee hij met hen in contact kan treden.

Ten aanzien van [verdachte 4]

[verdachte 4] heeft eveneens betwist dat het nummer [06-nummer] zijn telefoonnummer was. De rechtbank overweegt dat onder [verdachte 4] geen telefoon of simkaart in beslag is genomen. Het nummer hoort bij een simkaartje dat tijdens de tweede huiszoeking op de tafel in de woonkamer is aangetroffen en is aan [verdachte 4] gekoppeld, omdat het nummer in de telefoons van een aantal medeverdachten in de contactenlijst staat met de naam [naam 8] of [naam 8] .14

De verdediging heeft daartegen aangevoerd dat hetzelfde telefoonnummer in de contactenlijst van [verdachte 10] staat onder een andere naam, nl de naam [naam 4] , hetgeen gerookt of teut zou betekenen. De rechtbank stelt vast dat ook hier geen voornaam maar slechts een bijnaam is gebruikt. Ook is aangevoerd dat in de contactenlijsten vaker de naam [naam 8] voorkomt, maar dan met een ander nummer (bijvoorbeeld ‘ [naam 8] ’ of ‘ [naam 8] , hetgeen sigaret betekent. Ook hierover stelt de rechtbank vast dat dus kennelijk opnieuw een (toegevoegde) bijnaam is gebruikt. Niet valt uit te sluiten, vervolgt de verdediging, dat [verdachte 3] een ander nummer gebruikte en dat de [naam 8] die voornoemd nummer heeft gebruikt een ander is. [naam 8] is een veel voorkomende naam in Roemenië. Evenmin kan worden uitgesloten dat het bijvoorbeeld de man is van het onbekend gebleven stel die veelal op de camerabeelden is te zien, aldus de verdediging.

De rechtbank overweegt hierover dat uit de historische zendmastgegevens van dit telefoonnummer blijkt dat het nummer de voorafgaande periode intensief is gebruikt en dat het de dag van de aanhouding nog dezelfde route lijkt te hebben afgelegd als [verdachte 2] , [verdachte 5] , [verdachte 10] en [verdachte 11] . Allen stralen zij vanaf ongeveer kwart over zeven ’s avonds opnieuw de zendmast aan die de Delftselaan dekt.15 De rechtbank concludeert hieruit dat de simkaart tot die avond in een telefoon gebruikt is en pas op de Delftselaan uit de gebruikte telefoon moet zijn gehaald. Verder overweegt de rechtbank dat van alle personen die op de bewuste avond op de Delftselaan zijn aangehouden in het huis waar de simkaart is aangetroffen, [verdachte 4] de enige is die [naam 8] heet. Daar komt nog bij dat onder hem geen andere telefoon of simkaart is aangetroffen terwijl het ook in zijn geval –als bij [verdachte 8] overwogen- volstrekt onaannemelijk is dat [verdachte 4] niet zou hebben beschikt over een telefoon. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat dit telefoonnummer in gebruik was bij [verdachte 4] .

Ten aanzien van [verdachte 2]

[verdachte 2] heeft weliswaar niet betwist dat zij gebruik maakte van het haar toegedichte telefoonnummer [06-nummer] , maar stelt dat zij haar telefoon wel eens uitleende. De rechtbank passeert deze weinig concrete, niet te verifiëren stelling reeds omdat het enkele kortstondige uitlenen van de telefoon niet kan afdoen aan het na te bespreken beeld dat uit de historische gegevens naar voren komt. Dit beeld is namelijk een patroon dat zich gedurende meerdere gehele dagen laat zien. Daar komt bij dat de enige mensen die zij zegt in Nederland te kennen zelf beschikken over een telefoon, zodat niet valt in te zien waarom zij haar telefoon zou uitlenen.

5.4

Bewijsoverwegingen ten aanzien van de winkeldiefstallen (zaken 9, 10 t/m 13, 20 en 21)

Gelet op de opbouw van dit dossier ontkomt de rechtbank er niet aan om de bewijsconstructie met veel feitelijke gegevens te onderbouwen, hetgeen hieronder per zaak is gebeurd. De verdachten hebben iedere betrokkenheid bij deze diefstallen ontkend.

5.4.1

Hollister Utrecht (zaak 9)

Ten aanzien van [verdachte 10] (feit 1) en [verdachte 11] (feit 2)

Op 23 april 2014 omstreeks 16.00 uur heeft een diefstal plaatsgevonden bij de Hollister te Utrecht, waarbij kleding ter waarde van in totaal € 3.278,00 is ontvreemd. Het leeuwendeel van deze kleding is diezelfde avond in beslag genomen op de [adres 1] .16 Gelet op het korte tijdsbestek levert dit reeds een sterke aanwijzing op dat de personen die in deze woning zijn aangehouden betrokken zijn geweest bij de diefstal van de kleding eerder die dag.

De Hollister heeft camerabeelden ter beschikking gesteld, welke [verbalisant 2] heeft bekeken en waarvan een proces-verbaal van bevindingen is opgemaakt.17 [verdachte 10] en [verdachte 11] zijn door [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] op basis van de foto’s die na hun aanhouding zijn gemaakt (Progis-foto’s) op de beelden herkend. Zij droegen op deze beelden dezelfde kleding als ten tijde van hun aanhouding later die dag.18De rechtbank heeft de beelden en stills bekeken en is van oordeel dat deze van voldoende kwaliteit zijn om tot een herkenning te komen. Zij acht de herkenningen verder betrouwbaar, omdat deze steun vinden in historische verkeersgegevens mobiele telefonie, waaruit blijkt dat de telefoonnummers van [verdachte 10] en [verdachte 11] tussen 16.00 uur en 16.35 uur de zendmast Neude 11 te Utrecht hebben aangestraald. De Hollister ligt binnen het bereik van die zendmast.19 Daarnaast acht de rechtbank ook het gegeven dat zowel [verdachte 10] als [verdachte 11] in combinatie met elkaar zijn herkend ondersteunend voor de herkenning. Zij behoren immers beiden tot de groep die is aangehouden in de woning waar ook de buit is aangetroffen, hadden op dat moment een relatie en trokken dus samen op.

De tussenconclusie van de rechtbank is dat [verdachte 10] en [verdachte 11] op de camerabeelden zijn te zien.

Betrokkenheid van [verdachte 2] , [verdachte 4] en [verdachte 5]

Verder blijkt uit historische verkeersgegevens dat [verdachte 10] en [verdachte 11] , als ook [verdachte 4] en [verdachte 5] in de ochtend vanuit Den Haag naar Utrecht zijn gereisd. Tussendoor hebben zij enkele uren doorgebracht in Zeist. Zij waren dus met elkaar op pad. [verdachte 11] heeft vóór, tijdens en na diefstal intensief telefonisch contact gehad met [verdachte 2] , [verdachte 4] en [verdachte 5] , van wie de telefoonnummers ook rondom het tijdstip van de diefstal de zendmast Neude 11 hebben aangestraald.20 Ook zij hebben onderling contact met elkaar gehad. Het betreffen in het algemeen korte gesprekken van minder dan een minuut, vlak na elkaar.

De tussenconclusie van de rechtbank is dat [verdachte 2] , [verdachte 4] en [verdachte 5] omstreeks het tijdstip van de diefstal in (de buurt van) de Hollister waren en dat er onderling veelvuldig telefonisch overleg werd gevoerd. Hoewel de rechtbank geen informatie heeft over de inhoud van de gesprekken, acht zij het gelet op de frequentie, de zeer korte duur en de locatie van de gesprekken zeer onaannemelijk dat het telkens sociale gesprekken betrof, een mogelijkheid waarop door de verdediging is gewezen.

Verder heeft de rechtbank op de camerabeelden gezien dat bij het verlaten van de winkel een onbekend gebleven stel, stel 2, in de Hollister direct gevolgd wordt door een oudere vrouw met kastanjebruin/rood kort haar, een ietwat spits gezicht en een lichtkleurige sjaal om, die een zeer bolstaande grote schoudertas meedroeg.21 Als zij langs de camera loopt, houdt zij (vermoedelijk) een tissue voor haar neus/gezicht. Gelet op voornoemde kenmerken constateert de rechtbank dat zij een zeer grote gelijkenis vertoont met [verdachte 2] . Op basis van dit gegeven in samenhang gezien met het feit dat ook háár telefoonnummer de zendmast Neude 11 heeft aangestraald, terwijl zij veelvuldig korte telefonische contacten had met de zich in de omgeving bevindende medeverdachten en ook zij diezelfde avond is aangehouden in de woning waar gestolen buit is aangetroffen, concludeert de rechtbank dat ook [verdachte 2] op de beelden is te zien.

De telefoonnummers van [verdachte 11] , [verdachte 4] en [verdachte 5] stralen om 19.08 uur respectievelijk 19.16 uur en 19.16 uur voor het eerst weer de zendmast Herman Costerstraat 10 te Den Haag aan. De Delftselaan 123 ligt binnen het bereik van die zendmast. In de keuken van de [adres 1] zijn ook nog 96 alarmlabels van de Hollister aangetroffen.22 Een bij de Hollister ontvreemde headset, nog nieuw in de verpakking, is verder aangetroffen in een Chrysler met [kenteken] , welke in de nabije omgeving van de woning geparkeerd stond.23 Deze auto is na de aanhouding van de verdachten niet meer gebruikt. In die auto zijn verder sigarettenpeuken aangetroffen met DNA-materiaal van zowel [verdachte 4] als [verdachte 10] en [verdachte 11] , alsook een lichtkleurige sjaal.

De tussenconclusie van de rechtbank is dat de diefstal is gepleegd door vijf van de verdachten en dat de buit zeer waarschijnlijk met voornoemde Chrysler vanaf Utrecht naar Den Haag is gebracht en omstreeks 19.00 uur op de [adres 1] is beland. Daar is de buit van de dag van de alarmlabels ontdaan en in vuilniszakken onder de vloer verstopt.

Medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid van een verdachte bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen twee of meer personen.

Uit de bewijsmiddelen en de camerabeelden leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van [verdachte 10] en [verdachte 11] bij het tenlastegelegde het volgende af.

In de Hollister neemt een onbekend gebleven stel tot driemaal toe verschillende stapels kleding weg. De man stopt die kleding rond 16.09 in zijn schoudertas. [verdachte 10] en [verdachte 11] staan hier op dat moment vlakbij, kijken niet naar de kleding die zij vastpakken en kijken voortdurend rond en in de richting van het eerste stel. Ook wordt door [verdachte 11] oogcontact gemaakt met het stel. Dat onbekend gebleven stel gaat vervolgens om 16.11 met volle schoudertassen naar buiten. Om 16.12 belt [verdachte 11] met [verdachte 2] . Hoewel niet te zien is wanneer [verdachte 2] de winkel binnenkomt, nu geen beelden beschikbaar zijn van de gehele periode, is wel te zien dat [verdachte 10] en [verdachte 11] om 16.20 zonder tassen de winkel verlaten, direct gevolgd door [verdachte 2] , die een grote gevulde schoudertas bij zich draagt. Die avond belanden zowel [verdachte 10] als [verdachte 11] plus de buit op de [adres 1] .

Op grond van het hiervoor omschreven voortdurende zicht op de diefstal en het bijzonder frequente telefonisch contact met de medeverdachten, alsook gelet op het feit dat deze diefstal niet op zichzelf staat, maar moet worden gezien in samenhang met de hierna te bespreken diefstallen, waarbij [verdachte 11] en [verdachte 10] telkens tezamen met een min of meer vaste groep anderen (het onbekend gebleven stel, [verdachte 2] , [verdachte 5] en [verdachte 4] ) volgens een bepaalde modus operandi diefstallen pleegt, oordeelt de rechtbank dat sprake was van een zodanige bijdrage in een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte 10] en [verdachte 11] en meerdere andere (deels onbekend gebleven) verdachten, dat deze bijdrage de rol van een enkel medeplichtige dader overstijgt.

Daarmee acht rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 10] en [verdachte 11] zich op 23 april 2014 schuldig hebben gemaakt aan medeplegen van diefstal bij de Hollister Utrecht.

5.4.2

Esprit en Scapino Harderwijk (zaken 20 en 21)

Ten aanzien van [verdachte 2] (feiten 2 en 3), [verdachte 4] (feiten 3 en 4), [verdachte 5] (feiten 2 en 3), [verdachte 10] (feiten 3 en 4) en [verdachte 11] (feiten 4 en 5).

Op 11 april 2014 tussen 15.00 uur en 15.20 uur heeft bij de Esprit te Harderwijk een diefstal plaatsgevonden, waarbij jurken en andere kledingstukken ter waarde van in totaal € 559,95 zijn ontvreemd. [aangever 1] heeft op camerabeelden drie opvallende personen gezien, twee vrouwen en een man. Zij heeft gezien dat een man samen met een vrouw met zwart haar de winkel binnenkwam. Ze zag dat de man stapels kleding pakte en deze naar de kleedkamer bracht. Enige tijd later kwam er een oudere vrouw met kort haar met een grote tas uit de kleedkamer. Er lag daarna geen kleding meer in die kleedkamer.24

De Esprit heeft camerabeelden ter beschikking gesteld, welke [verbalisant 4] heeft bekeken en waarvan een proces-verbaal van bevindingen is opgemaakt.25 [verdachte 10] en [verdachte 11] zijn door [verbalisant 3] op de beelden herkend. De rechtbank heeft stills van de beelden bekeken en is van oordeel dat de camerabeelden van voldoende kwaliteit waren om tot een herkenning te komen. Weliswaar is het gezicht van [verdachte 11] niet goed in beeld, zijn kleding is dat wel. Het gezicht van [verdachte 10] is duidelijker in beeld en ook haar opvallende witte laarsjes (die ze ook lijkt te dragen op een foto in haar telefoon)26 zijn goed te zien. De betrokkenheid van beiden wordt daarnaast onderbouwd nu op de telefoon van [verdachte 10] een foto is aangetroffen die is genomen een paar uur voor de diefstal, te weten op 11 april 2014 om 13:37 uur, waarop [verdachte 11] is te zien.27 Ter zitting heeft hij ook bevestigd dat hij op de foto is te zien.28 De rechtbank heeft waargenomen dat [verdachte 11] op die foto een zalm/roodkleurig shirt met grote donkere opdruk met daaroverheen een korte donkere jas of een kort jack draagt. Uit deze foto kan naar het oordeel van de rechtbank niet alleen worden geconcludeerd dat [verdachte 10] en [verdachte 11] in ieder geval samen op pad waren, maar ook dat zijn kleding die dag overeenkomt met het signalement van de man die samen met de vrouw, die als [verdachte 10] is herkend op de beelden, is te zien.29 De herkenning van [verdachte 11] wordt ondersteund door de historische telefoongegevens, waaruit blijkt dat [verdachte 11] tussen 13.20 uur en 16.54 uur veelvuldig zendmast De Sypel 2 te Harderwijk heeft aangestraald.30 De Esprit ligt binnen het bereik van die zendmast.

De tussenconclusie van de rechtbank is dat [verdachte 10] en [verdachte 11] op de camerabeelden van de Esprit zijn te zien en dat zij degenen zijn die door aangever de man en de vrouw met zwart haar worden genoemd.

Uit de historische verkeersgegevens blijkt verder het volgende. Net als in de hiervoor besproken zaak zijn in elk geval [verdachte 2] , [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 11] in de ochtend vanuit Den Haag vertrokken. Verder waren [verdachte 2] , [verdachte 4] en [verdachte 5] in de buurt van de Esprit in Harderwijk. Hun telefoons stralen vanaf 13:32 uur, respectievelijk 14.47 uur en 13.39 uur net als [verdachte 11] verschillende zendmasten in Harderwijk aan – en soms kortstondig een mast in de directe omgeving van Harderwijk- en in het bijzonder de zendmast De Sypel 2.31 Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de omstandigheid dat [verdachte 2] blijkens de zendmastgegevens ten tijde van die diefstal ook in de nabijheid was en veel telefonisch contact had met [verdachte 11] , én [verbalisant 3] heeft aangegeven dat gezien het signalement de tweede vrouwelijke verdachte zou kunnen gaan om [verdachte 2] - hetgeen ook door de rechtbank is waargenomen - die de andere man en vrouw ( [verdachte 10] en [verdachte 11] ) kent en met hen vaker diefstallen pleegt, worden geconcludeerd dat [verdachte 2] de tweede vrouwelijke verdachte is die op de beelden is te zien.

Voor het overige kan uit de historische gegevens worden afgeleid dat [verdachte 11] veel telefonisch contact heeft met [verdachte 4] en dat [verdachte 4] veelvuldig wordt gebeld door [verdachte 2] en [verdachte 5] . Het betreffen in het algemeen wederom zeer korte gesprekken, kort na elkaar.

Om 17.19 uur straalt de telefoon van [verdachte 4] voor het laatst De Sypel 2 aan, hij heeft dan een gesprek met [verdachte 11] . Enkele minuten daarvoor heeft hij een aantal gesprekken met zowel [verdachte 2] als [verdachte 5] en [verdachte 10] . Daarna heeft [verdachte 4] geen telefonisch contact meer en de eerstvolgende aanstraling vindt pas plaats in Den Haag om 19.03 uur. Op basis van deze gegevens acht de rechtbank het zeer waarschijnlijk dat [verdachte 4] de rol van chauffeur heeft vervuld en de buit en/of de overige betrokkenen naar Den Haag heeft gebracht, hetgeen wordt ondersteund door de zendmast gegevens van de telefoon van [verdachte 11] , die na 17.19 uur geen contact meer heeft met [verdachte 4] , bij wie hij kennelijk in de auto zit, maar op de route terug naar Den Haag nog een aantal maal belt met onder andere het nummer van [verdachte 8] en tijdens deze gesprekken zendmasten aanstraalt op de snelwegroute (bijvoorbeeld om 17.53 uur een zendmast te Zeist, een indicatie dat hij waarschijnlijk niet per trein is gereisd) van Harderwijk naar Den Haag, waar hij voor het eerst weer aanstraalt op de Herman Costerstraat om 19.15 uur.

De telefoonnummers van [verdachte 4] en [verdachte 5] stralen vervolgens eerst weer de zendmast Herman Costerstraat 10 aan om 19.35 uur respectievelijk 19.34 uur. Kennelijk zijn de verdachten ook hier weer aangekomen bij de [adres 1] .

Medeplegen

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van [verdachte 2] , [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 10] en [verdachte 11] bij het tenlastegelegde het volgende af.

In deze zaak is wederom te zien dat de verdachten vanuit Den Haag naar dezelfde plaats reizen. Aldaar zijn in ieder geval [verdachte 10] , [verdachte 11] en [verdachte 2] de Esprit ingegaan. [verdachte 11] pakt stapels kleding en geeft deze aan [verdachte 2] die zich inmiddels in de paskamer bevindt. [verdachte 10] en [verdachte 11] verlaten de winkel. Even later vertrekt ook [verdachte 2] met een volle schoudertas met gestolen buit. Voor, tijdens en na de diefstal hebben de verdachten veelvuldig korte telefonische contacten. [verdachte 5] en [verdachte 4] zijn weer in de nabije omgeving aanwezig. [verdachte 4] naar alle waarschijnlijkheid haalt de anderen met de buit op en men rijdt naar Den Haag.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank - opnieuw in samenhang bezien met de overige beschreven diefstallen - dat ook deze diefstal is gepleegd in nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte 2] , [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 10] en [verdachte 11] .

Daarmee acht rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat zij zich op 11 april 2014 schuldig hebben gemaakt aan medeplegen van diefstal bij Esprit Harderwijk.

Diefstal Scapino Harderwijk (zaak 21)

Diezelfde dag, 11 april 2014, heeft tussen 16.00 uur en 16.15 uur nog een winkeldiefstal plaatsgevonden in Harderwijk, nu bij de Scapino waarbij 21 paar slippers ter waarde van in totaal € 525,- gestolen. [aangever 2] kan zich twee personen herinneren die toen in de winkel waren. Een man met een rood shirt en een donker jasje en een vrouw met lang haar en witte hakschoenen.32 Deze signalementen komen overeen met de signalementen van de personen die op camerabeelden van de Esprit zijn gezien, zijnde [verdachte 10] en [verdachte 11] . Verder onderzoek heeft uitgewezen dat de Esprit en de Scapino slechts ongeveer 88 meter van elkaar verwijderd zijn.33

Gelet op hetgeen over de andere diefstallen is/wordt overwogen, in het bijzonder die bij de Esprit, de historische telefoongegevens, de signalementen, de zeer korte afstand tussen de beide winkels en het korte tijdsbestek tussen de diefstallen, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachten ook deze diefstal tezamen als groep hebben gepleegd.

5.4.3

V&D Oss (zaak 10)

Ten aanzien van [verdachte 2] (feit 1), [verdachte 4] (feit 2), [verdachte 5] (feit 1), [verdachte 10] (feit 2) en [verdachte 11] (feit 3).

Op 18 april 2014 heeft tussen 15.50 uur en 16.30 uur bij de V&D te Oss een diefstal plaatsgevonden, waarbij kledingstukken ter waarde van in totaal € 1.695,- zijn ontvreemd.34

De V&D heeft camerabeelden beschikbaar gesteld, welke door [verbalisant 5] zijn bekeken en waarvan een proces-verbaal van bevindingen is.35 [verbalisant 6] heeft [verdachte 2] , [verdachte 5] , [verdachte 10] en [verdachte 11] op de beelden herkend.36 Ook [verbalisant 5] heeft [verdachte 2] , [verdachte 10] en [verdachte 11] herkend.37 De rechtbank heeft de camerabeelden en stills bekeken en is van oordeel dat deze van voldoende kwaliteit zijn om tot een herkenning te komen. Zij acht de herkenningen verder betrouwbaar, omdat deze steun vinden in historische telefoongegevens, waaruit blijk dat [verdachte 2] , [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 11] omstreeks het tijdstip van de diefstal zendmast Oostwaal 144 aanstralen. De V&D ligt binnen het bereik van die zendmast.38 Daarnaast zijn juist ook de combinatie van personen die zijn herkend en de na te noemen modus operandi factoren die de herkenning versterken.

De tussenconclusie van de rechtbank is dat [verdachte 2] , [verdachte 5] , [verdachte 10] en [verdachte 11] op de camerabeelden zijn te zien. De rechtbank begrijpt op grond van de signalementen39 dat [verdachte 2] wordt herkend als vrouw 4, [verdachte 5] als vrouw 3, [verdachte 10] als vrouw 2 en [verdachte 11] als man 2. Man 1 en vrouw 1, die grote gelijkenissen vertonen met het onbekend gebleven stel uit de Hollister in Utrecht op 23 april 2014, worden niet herkend.

Verder blijkt uit historische telefoongegevens dat [verdachte 2] , [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 11] veelvuldig kortdurende telefonisch contacten hebben in het centrum van Oss. Ook de telefoon van [verdachte 4] straalt meermalen de zendmast Oostwaal 144 in Oss aan. Zijn telefoon straalt vervolgens eerst om 18.45 uur weer een zendmast in Den Haag aan en om 19.42 uur de zendmast H. Costerstraat 10.40 De verdachten en de buit eindigen aldus kennelijk, mede gelet op hetgeen in de voorgaande zaken is overwogen, weer op de [adres 1] .

De tussenconclusie van de rechtbank is dat [verdachte 4] zich omstreeks het tijdstip van de diefstal in de nabije omgeving van de V&D bevindt en dat onderling wederom veelvuldig telefonisch overleg werd gevoerd.

Medeplegen

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van [verdachte 2] , [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 10] en [verdachte 11] bij het tenlastegelegde het volgende af.

Wederom is te zien dat verdachten vanuit Den Haag naar dezelfde plaats afreizen. Daar gaan zij met een ander onbekend gebleven stel naar de V&D. [verdachte 10] en [verdachte 11] brengen steeds kleding naar de paskamers, waarna deze kleding door [verdachte 2] , [verdachte 5] en het onbekende stel in schoudertassen/flaptassen uit de paskamers en mee naar buiten worden genomen. [verdachte 10] en [verdachte 11] nemen zelf niets mee naar buiten. Voor, tijdens en na de diefstal wordt veelvuldig telefonisch contact met elkaar onderhouden, zo ook met [verdachte 4] . Bovendien hebben de onbekend gebleven man en [verdachte 5] tussendoor de V&D met volle tassen verlaten om even later met minder vol uitziende tassen opnieuw de V&D binnen te komen. Kennelijk is de buit in de tussentijd afgegeven aan een buiten de winkel aanwezige mededader, zeer waarschijnlijk [verdachte 4] . Het kan niet anders dan dat hij ook bij deze diefstal weer als chauffeur heeft gefungeerd.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte 2] , [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 10] en [verdachte 11] en in elk geval twee onbekend gebleven personen.

Daarmee acht rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat zij zich op 18 april 2014 schuldig hebben gemaakt aan medeplegen van diefstal bij V&D Oss.

Vrijspraak [verdachte 6] (feit 3)

Ten aanzien van de zich in het dossier bevindende camerabeelden overweegt de rechtbank dat met betrekking tot de diefstallen waarbij volgens verbalisanten steeds vermoedelijk de niet aangehouden verdachte [naam 9] op de beelden is te zien, verdachte [verdachte 6] en [naam 9] kennelijk met elkaar zijn verward. Dit heeft de officier van justitie tot vrijspraak doen concluderen ten aanzien van [verdachte 6] voor haar rol bij deze diefstallen. De rechtbank ziet aanknopingspunten in het dossier dat ook [verdachte 6] betrokken was bij een van de diefstallen, gepleegd door haar medeverdachten. Meer specifiek, met betrekking tot de diefstal gepleegd in Oss op 18 april 2014 overweegt de rechtbank dat vermoedelijk [naam 9] op de beelden is te zien, en eveneens [verdachte 6] , tezamen met [verdachte 4] . Zij komen om 15.48.20 uur de winkel binnen en zijn duidelijk zichtbaar op de camerabeelden. Om 15.56.50 uur verlaten zij de winkel via dezelfde ingang. De rechtbank herkent [verdachte 6] op die beelden, omdat ze duidelijk in beeld is en haar foto onderdeel uitmaakt van het dossier. Nu deze beelden evenwel niet zijn gerelateerd in een ter zitting voorgehouden proces-verbaal van bevindingen, waarin door verbalisanten over haar herkenning wordt gerelateerd - een dergelijk proces-verbaal van bevindingen ontbreekt - noch deze beelden ter zitting zijn besproken, staat het de rechtbank niet vrij deze beelden als bewijsmiddel te bezigen. Zij zal [verdachte 6] dan ook vrijspreken van deze diefstal.

5.4.4

Modus operandi

Ten aanzien van [verdachte 2] , [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 10] en [verdachte 11]

De rechtbank stelt op grond van de zaken 9, 10, 20 en 21 de volgende modus operandi vast.

[verdachte 2] , [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 10] en [verdachte 11] verblijven allen in Den Haag en begeven zich naar centra van andere plaatsen. Daar bezoeken zij kledingwinkels. [verdachte 10] en [verdachte 11] gaan als apart stel deze kledingwinkels binnen. Zij houden het een en ander in de gaten en/of brengen kleding naar de paskamers. Daar worden de goederen door [verdachte 2] en/of [verdachte 5] en/of en andere onbekend gebleven personen in tassen gestopt en mee naar buiten genomen. [verdachte 10] en [verdachte 11] nemen nimmer zelf spullen mee naar buiten. Een aantal van de onbekende personen heeft de rechtbank op camerabeelden van meerdere diefstallen waargenomen, namelijk op beelden van de Hollister en de V&D Oss. Voor, tijdens en na de diefstallen hebben de verdachten veelvuldig kortstondige telefonische contacten met elkaar, kennelijk om te overleggen. Met name [verdachte 11] is veel aan het bellen. [verdachte 4] is de chauffeur en is met de auto in de buurt. Tussendoor ontvangt hij gestolen goederen en vervoert de buit en/of de andere verdachten met de auto naar de [adres 1] te Den Haag. Daar treffen verdachten elkaar en wordt de buit kennelijk verwerkt.

5.4.5

V&D Alkmaar (zaak 11)

Ten aanzien van [verdachte 10] (feit 2) en [verdachte 11] (feit 2)

Op 26 februari 2014 heeft tussen 12.50 uur en 13.25 uur een diefstal plaatsgevonden bij de V&D Alkmaar, waarbij jassen en broeken ter waarde van in totaal € 2.338,90 zijn ontvreemd. In de damespaskamers zijn 18 lege kledinghangers gevonden.41

De V&D heeft camerabeelden ter beschikking gesteld, welke door [verbalisant 5] zijn bekeken en waarvan een proces-verbaal van bevindingen is opgemaakt.42 [verbalisant 5] en [verbalisant 6] hebben [verdachte 10] (vrouw 1) en [verdachte 11] (man 1) op de beelden herkend.43 De rechtbank heeft de camerabeelden en stills bekeken en is van oordeel dat deze van voldoende kwaliteit zijn om tot een herkenning te komen. De herkenningen worden verder ondersteund door de vastgestelde modus operandi en de combinatie van [verdachte 10] en [verdachte 11] .

Medeplegen

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van [verdachte 10] en [verdachte 11] bij het tenlastegelegde het volgende af.

[verdachte 10] en [verdachte 11] komen samen, maar apart van een onbekend gebleven man-vrouwkoppel (stel 2) en twee andere onbekend gebleven vrouwen (vrouw 3 en 4) de V&D binnen. [verdachte 10] brengt meermalen een hoeveelheid kledingstukken naar de paskamers en verlaat deze direct met aanzienlijk minder of zelfs geen kledingstukken. Stel 2 en vrouw 3 verlaten de paskamers en de winkel met bolstaande schoudertassen/flaptassen, waar kennelijk de buit in zit. De rechtbank herkent het man-vrouwkoppel als personen die ook bij de diefstal bij de Hollister en de V&D Oss waren betrokken, maar in het onderzoek onbekend zijn gebleven.

Op grond van deze bewijsmiddelen en de bij de diefstal herkende modus operandi, zoals hiervoor omschreven, oordeelt de rechtbank dat ook hier sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte 10] en [verdachte 11] en tenminste vier andere onbekend gebleven personen.

Daarmee acht rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat zij zich op 26 februari 2014 schuldig hebben gemaakt aan medeplegen van diefstal bij V&D Alkmaar.

Vrijspraak [verdachte 4] (feit 2) en [verdachte 6] (feit 1)

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit de processtukken niet is gebleken van enige betrokkenheid van [verdachte 4] en [verdachte 6] bij dit feit, zodat zij hiervan moeten worden vrijgesproken.

5.4.6

V&D Veenendaal (zaken 12 en 13)

Ten aanzien van [verdachte 10] (feit 2) en [verdachte 11] (feit 2)

Op 29 januari 2014 heeft tussen 16.25 uur en 16.45 uur bij V&D Veenendaal een diefstal plaatsgevonden, waarbij jassen ter waarde van in totaal € 489,88 zijn ontvreemd. In de paskamers bij de damesafdeling van zijn vier lege kledinghangers van Benneton aangetroffen.44 Tevens heeft tussen 16.25 uur en 17.05 uur een diefstal plaatsgevonden, waarbij jassen ter waarde van in totaal € 1.099,93 zijn weggenomen. In de paskamers bij de herenafdeling werden zeven kledinghangers van S. Oliver aangetroffen.45 De heren- en damesafdeling bevinden zich op dezelfde verdieping.46

De V&D heeft van beide incidenten camerabeelden beschikbaar gesteld, welke door [verbalisant 2] (herenafdeling)47 respectievelijk [verbalisant 6] (damesafdeling)48 zijn bekeken en waarvan processen-verbaal van bevindingen zijn opgemaakt.

Zowel [verbalisant 6] als [getuige 1] hebben [verdachte 10] en [verdachte 10] op de beelden herkend.49 [getuige 1] is als teamleider in dienst bij Trigion en werkzaam als landelijk coördinator taskforce mobiel banditisme. Deze taskforce houdt zich bezig met grootschalige regio-overschrijdende diefstallen en brengt verschillende groepen in kaart.50 [verbalisant 6] herkent [verdachte 10] aan haar gezicht en aan haar jas en witte laarsjes, welke tevens op foto’s op Facebook zijn te zien, en herkent [verdachte 11] aan zijn gezicht, zijn blik en grote inhammen bij de haargrens. De rechtbank heeft de camerabeelden en stills bekeken en is van oordeel dat deze van voldoende kwaliteit zijn om tot een herkenning te komen. De herkenningen worden daarnaast ondersteund door de vastgestelde modus operandi en de combinatie van [verdachte 10] en [verdachte 11] .

Medeplegen

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van [verdachte 10] en [verdachte 11] het volgende af.

[verdachte 10] en [verdachte 11] komen om 16.28 uur samen de V&D binnen. Vijftien minuten later komt een onbekende man (man 2) de V&D binnen. Hij draagt twee bijna-lege plastic tasjes en gaat de paskamers van de herenmode in. [verdachte 10] brengt een aantal jassen naar die paskamers en komt binnen enkele seconden weer naar buiten zonder jassen. [verdachte 11] verlaat de winkel. [verdachte 10] volgt hem op ongeveer tien meter afstand. Zij hebben wederom niets bij zich. Man 2 verlaat de paskamers met volle tassen en maakt contact met een onbekende man 3, die de paskamers in gaat. Beide mannen verlaten de V&D apart met gevulde tassen.

Voor wat betreft de diefstal op de damesafdeling wordt soortgelijk gehandeld door een man en een vrouw die de rechtbank herkent als personen die ook betrokken waren bij de diefstallen bij de Hollister en de V&D’s Oss en Alkmaar. Dit bezien in onderlinge samenhang met de omstandigheid dat de diefstallen omstreeks hetzelfde tijdstip op dezelfde verdieping plaatsvonden, leidt de rechtbank tot de conclusie dat de diefstallen rechtstreeks met elkaar verband houden.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte 10] en [verdachte 11] en in elk geval vier andere onbekend gebleven personen.

Daarmee acht rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat zij zich op 29 januari 2014 schuldig hebben gemaakt aan medeplegen van diefstal bij V&D Veenendaal.

Vrijspraak [verdachte 4] (feit 2) en [verdachte 6] (feit 1)

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit de processtukken niet is gebleken van enige betrokkenheid van [verdachte 4] en [verdachte 6] bij dit feit, zodat zij daarvan moeten worden vrijgesproken.

5.5

Bewijsoverwegingen ten aanzien (gewoonte)witwassen (zaak 23)

Ten aanzien van [verdachte 8] (feit 3)

Ten aanzien van het betoog dat namens [verdachte 8] is gevoerd dat aan de (processen-verbaal die zijn gebaseerd op de) overzichten van de DNB geen bewijswaarde toekomt, nu eerder overgelegde overzichten onjuistheden bevatten en ook nu nog onduidelijkheden en discrepanties bestaan, overweegt de rechtbank als volgt.

Het eerder door de DNB overgelegde overzicht maakte geen onderscheid tussen verzonden en ontvangen gelden, maar leek alle transacties te kwalificeren als verzonden gelden. Dit kwam aan het licht door een kwitantie die door de verdediging was overgelegd op de pro-forma zitting van 27 oktober 2014. Hierdoor rees het vermoeden dat een van de kolommen waarin de noodzakelijke nuancering was gemaakt was weggevallen. Dit gebrek is hersteld in het overzicht zoals het nadien door de DNB is overgelegd en zich thans in het dossier bevindt. De rechtbank merkt op dat, behalve dat in het nieuwe overzicht nu wel een duidelijk onderscheid is gemaakt tussen verzonden en ontvangen bedragen, de overzichten niet verschillen. De rechtbank ziet in het enkele gegeven dat bij een van de transacties een onjuiste geboortedatum staat vermeld geen grond om aan de juistheid van het later toegezonden overzicht te twijfelen, vooral ook nu de verzender zich kennelijk wel heeft gelegitimeerd met hetzelfde legitimatiebewijs als bij de andere transacties en tevens hetzelfde adres heeft opgegeven.

Ten aanzien van [verdachte 3] (feit 2), [verdachte 4] (feit 7) [verdachte 8] (feit 3), [verdachte 9] (feit 2) en [verdachte 11] (feit 1).

De rechtbank ziet ook overigens geen grond om te twijfelen aan de juistheid van het overzicht. De enkele ontkenning van een aantal verdachten dat zij geld hebben verzonden acht zij hiertoe onvoldoende.

De rechtbank stelt voorop dat zij - evenals de officier van justitie en de verdediging - de bedragen die blijkens het overzicht van de DNB door verdachten via moneytransfers zijn ontvangen buiten beschouwing laat, nu er onvoldoende grond bestaat om aan te kunnen nemen dat dit gelden betreft die uit misdrijf afkomstig zijn.

Uit het proces-verbaal van bevindingen en de bijbehorende bijlagen bestaande uit de van de DNB verkregen overzichten leidt de rechtbank ten aanzien van de verschillende verdachten het volgende af.51

[verdachte 8] heeft in de periode tussen 14 augustus 2013 en 30 augustus 2013 een totaalbedrag van € 813,10 met drie moneytransfers verzonden naar het buitenland. Hoewel dit bedrag niet bijzonder hoog is, overweegt de rechtbank dat het in een kort tijdsbestek is verzonden in een periode waarin verdachte niet heeft aangegeven over legale inkomsten in Nederland te beschikken, terwijl het bedrag naar Roemeense maatstaven gemeten wel degelijk als aanzienlijk kan worden aangemerkt. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het volstrekt onaannemelijk dat het geld een legale herkomst heeft. Dit temeer nu verdachte geen verklaring heeft gegeven voor dit geld. Voor zover is betoogd dat verdachte tevens geldbedragen heeft ontvangen, zodat dat de beschikking over het verzonden bedrag zou kunnen verklaren overweegt de rechtbank dat de ontvangen bedragen niet (vlak) voor deze overboekingen zijn ontvangen, maar geruime tijd daarna. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het geld dat hij verzond uit misdrijf afkomstig is en dat verdachte dit wist.

Dat geldt eveneens ten aanzien van de totale bedragen die:

  • -

    [verdachte 9] (€ 6.646,13 in 13 keer) in de periode van 25 oktober 2013 tot en met 31 december 2013;

  • -

    [verdachte 11] (€ 4.465,45 in 10 keer) in de periode van 12 juni 2013 t/m 4 oktober 2013;

  • -

    [verdachte 3] (€ 2.157,39 in 9 keer) in de periode van 3 oktober 2013 t/m 10 december 2013;

  • -

    en [verdachte 4] (€ 3.710,57 in 17 keer) in de periode van 1 juni 2013 t/m 18 oktober 2013,

hebben overgemaakt. De rechtbank merkt daarnaast op dat deze perioden langer zijn dan bij [verdachte 8] en dat het om aanzienlijk hogere bedragen gaat. Gezien de hoeveelheid transacties hebben zij naar het oordeel van de rechtbank van witwassen een gewoonte gemaakt.

Ten aanzien van [verdachte 4] overweegt de rechtbank dat de twee zendingen die in mei 2013 zijn gedaan niet zijn meegenomen in voornoemd bedrag, nu deze buiten de tenlastegelegde periode vallen. Ook is de verzending van 29 juli 2013 buiten beschouwing gelaten, nu deze is gedaan door iemand die een andere geboortedatum en een ander adres heeft opgegeven en waarbij een ander ID-nummer is genoteerd. De overige verzendingen zijn wel meegenomen, omdat deze telkens zijn gedaan door iemand met de geboortedatum van [verdachte 4] , ook telkens hetzelfde adres op de [adres 2] in Den Haag is opgegeven en de bedragen zijn verzonden naar mensen waarvan [verdachte 4] heeft aangegeven dat het familie van hem is. Het feit dat slechts bij twee betalingen het in het dossier bekende Roemeense ID nummer is vermeld doet hieraan gelet op voornoemde overeenkomsten niet af.

Ten aanzien van het betoog dat nu er zowel contant geld wordt verzonden als ontvangen geen patroon van wegsluizen kan worden ontwaard, overweegt de rechtbank dat het gegeven dat op enig moment ook geld vanuit Roemenië wordt teruggezonden naar de verdachten in Nederland niet afdoet aan het feit dat van het teruggezonden geld niet (langer) de criminele herkomst kan worden aangenomen, zoals hiervoor ook al is overwogen. Door het contante geld naar het buitenland te zenden wordt het - als resultaat daarvan - dan ook wel degelijk witgewassen.

[verdachte 3] heeft aangevoerd dat het geld is verkregen door zijn werk in een Roemeense bar in Schiedam. De rechtbank overweegt dat hij tijdens zijn verhoor heeft verklaard dat hij daar zwart werkt en er verder niet over wil praten. De rechtbank stelt onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2008 (LJN BD 2774) voorop dat geld verkregen uit werkzaamheden waarbij de belasting is ontdoken eveneens als uit misdrijf verkregen kan worden aangemerkt. Daarnaast acht zij een dergelijke weinig concrete en daarmee niet te verifiëren verklaring voor de herkomst van het geld volstrekt onvoldoende.

[verdachte 11] heeft zijn betoog dat hij geen bedragen heeft verzonden maar enkel heeft ontvangen onderbouwd door te verwijzen naar een stuk overgelegd aan de rechtbank, dat een vertaling bevat van een schrijven dat aan zijn moeder, genaamd [naam 10] , zou zijn gestuurd door de [naam 11] . Hierin is een overzicht gegeven van de bedragen die zij naar [verdachte 11] in (Spanje en) Nederland zou hebben gestuurd. De rechtbank constateert dat alle transacties die in het overzicht van DNB bij [verdachte 11] staan vermeld als verzonden door [verdachte 11] aan [naam 10] (waarbij de rechtbank 24 september 2013 leest als 25 september 2013), in het overzicht dat door de verdediging is overgelegd staan vermeld als verzonden door [naam 10] aan [verdachte 11] .

Zoals hierboven is overwogen is het eerste overzicht van DNB vervangen door een completer overzicht waardoor het onderscheid tussen verzonden en ontvangen gelden duidelijk is geworden. Van het door de verdediging overgelegde stuk kan door de rechtbank de herkomst en authenticiteit op geen enkele wijze worden vastgesteld. De rechtbank ziet hierin geen grond om aan het overzicht van de DNB te twijfelen en verwerpt het gevoerde verweer.

5.6

Bewijsoverwegingen ten aanzien van deelname aan een criminele organisatie (zaak 2)

Vrijspraak [verdachte 1] (feit 2) en [verdachte 7] (feit 3)

Van betrokkenheid van [verdachte 1] en [verdachte 7] bij dit tenlastegelegde feit blijkt ten laste van hen van niet veel anders dan dat zij op het tijdstip van de vondst van de gestolen goederen in de woning aanwezig waren, dat zij enkele van de andere aanwezigen kenden en dat van [verdachte 1] DNA is aangetroffen op een peuk, die werd gevonden in het zakje met alarmlabels en prijskaartjes in de woning.

Dit spoor geeft aan dat die peuk door [verdachte 1] is aangeraakt. Over een rol bij strafbare feiten in die woning zegt dit voorwerp op zichzelf niets belastend, hetgeen anders zou zijn geweest als dat DNA was aangetroffen op de gevonden buit dan wel op de daarvan verwijderde alarmlabels. Dat is echter niet het geval. De verklaring van [verdachte 9] ten aanzien van alle bij hem aangehouden medeverdachten is te vaag om ook [verdachte 1] en [verdachte 7] aan te merken als deelnemer aan een criminele organisatie. Andere bewijsmiddelen die op deelname aan een criminele organisatie zouden wijzen, zijn niet in het dossier aangetroffen, hetgeen leidt tot de conclusie –ook door de officier van justitie en de verdediging getrokken- dat [verdachte 1] en [verdachte 7] van dit verwijt moeten worden vrijgesproken.

Vrijspraak [verdachte 6] (feit 3)

Ten aanzien van [verdachte 6] overweegt de rechtbank dat ook van haar DNA is aangetroffen op een colaflesje, dat werd gevonden in het zakje met de alarmlabels. Ook in haar geval zegt dit op zichzelf niets.

Ten aanzien van het aantreffen van het bestellijstje overweegt de rechtbank dat, hoewel dit een zeer belastend bewijsmiddel zou kunnen zijn, uit het dossier niet valt op te maken wat de overeenkomsten zijn tussen dit briefje en het elders aangetroffen briefje (handschrift of de woorden), noch waar dit andere briefje is aangetroffen. Zo kan niet worden vastgesteld of ook dit briefje afkomstig is uit het aangetroffen boekje (geen paginanummering hierop), noch of en zo ja welk verband kan worden gelegd tussen dit briefje en het in de vuilniszak onder de vloer aangetroffen briefje. Daarom weegt het aantreffen van het briefje in onvoldoende mate mee als bewijsmiddel, en overtuigt het dan ook niet ter onderbouwing van de verdenking van enige deelname aan de diefstallen of de criminele organisatie. Nu – zoals hiervoor bij de bespreking van de diefstal bij de V&D in Oss reeds is overwogen – de camerabeelden, waarop [verdachte 6] met [verdachte 4] is te zien, niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd, is er onvoldoende wettig bewijs voor het door [verdachte 6] vervullen van enige rol bij een criminele organisatie, zodat ook zij- conform de eis van de officier van justitie- van dit verwijt wordt vrijgesproken.

Ten aanzien van [verdachte 2] (feit 5), [verdachte 3] (feit 3), [verdachte 4] (feit 8), [verdachte 5] (feit 5), [verdachte 8] (feit 2), [verdachte 9] (feit 3) [verdachte 10] (feit 7) en [verdachte 11] (feit 8).

De rechtbank toetst de feiten en omstandigheden in dit dossier aan de in de jurisprudentie uitgewerkte criteria voor het aanmerken van een groep verdachten als een criminele organisatie,52 te weten het bestaan van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid tussen tenminste twee personen, mogelijk herkenbare gemeenschappelijke regels, gezamenlijk overleg of besluitvorming, taakverdeling en/of hiërarchie. Daarbij dient het oogmerk van die organisatie tot het plegen van misdrijven te worden vastgesteld.

Ten aanzien van de verdachtengroep, bestaande uit [verdachte 2] , [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 10] en [verdachte 11] is hierboven een modus operandi omschreven, waaruit blijkt van een samenwerkingsverband met een duurzame structuur. Immers, er werd in een periode van een kleine drie maanden een reeks winkeldiefstallen door in elk geval twee of meer verdachten gepleegd, die steeds in meer of mindere mate volgens een vast patroon verliep: er wordt vanuit Den Haag, veelal het pand op de [adres 1] , vertrokken, de groep reist naar plaatsen in het land waarvoor geen andere verklaring is te vinden dan dat daar grote winkelcentra zijn, daar wordt - met intensief onderling telefoonverkeer - al dan niet meermalen in dezelfde winkel of plaats een winkeldiefstal gepleegd en de groep reist weer terug naar Den Haag. Niet veel later wordt hetzelfde patroon waargenomen met betrekking tot een andere plaats.

Daarbij komt nog dat in het pand bestellijsten zijn gevonden en in de Chrysler een kaart van Nederland met omcirkelde plaatsnamen.53 Uit de vondst van deze lijsten en kaart valt op te maken dat er een planning bestond, die zich in elk geval uitstrekte tot zowel de plaatsen met de beoogde winkels als de te stelen goederen.

Het organisatorische verband wordt verder nog ondersteund door de vaststelling dat de groep al dan niet gelijktijdig en al dan niet voor kortere of langere duur verbleef in het pand aan de [adres 1] , dat – zoals gezegd – sinds januari 2014 door [verdachte 9] werd gehuurd en beschikbaar werd gesteld, en door de vondst aldaar van de gedeeltelijk onder de vloer opgeslagen buit.

Ten aanzien van [verdachte 3] (feit 3) en [verdachte 8] (feit 2)

Met betrekking tot deze twee verdachten overweegt de rechtbank dat hoewel uit het dossier niet blijkt dat zij direct betrokken zijn geweest bij een van de concreet aan de andere verdachten tenlastegelegde diefstallen, wel is gebleken van hun bijdrage aan de criminele organisatie.

De rechtbank overweegt hiertoe allereerst dat zij beiden zijn aangetroffen in de woning waar de buit lag opgeslagen, in het gezelschap van de medeverdachten met wie zij de periode hieraan voorafgaan regelmatig en veelvuldig contact hebben gehad blijkens de historische telefoongegevens.

Daarnaast wijzen diezelfde historische gegevens over de afgelopen periode een patroon aan waaruit blijkt dat zij beiden in de periode van 1 november 2013 tot en met 23 april 2014 zendmasten aanstralen in de steden Den Bosch, Veenendaal, Nijmegen, Breda, Haarlem, Tilburg, Utrecht, Arnhem en Roosendaal,54 plaatsen die allemaal omcirkeld zijn op de in de Chrysler aangetroffen landkaart.55 De rechtbank acht dit belastende informatie, omdat hun aanwezigheid in die plaatsen waarvoor geen enkele aannemelijke verklaring is gegeven, goed kan duiden op een planmatig onderzoek naar mogelijke te bestelen winkels in den lande. Hierbij is waar te nemen dat zij- zoals in de modus operandi hierboven is aangegeven- in de ochtend in Den Haag zijn, in de middag in de diverse steden, en in de avond weer in Den Haag. Hoewel zij hierin nog niet verschillen van de vrij te spreken medeverdachten [verdachte 7] en [verdachte 1] onderscheiden zij zich door het volgende.

Zij zijn in het half jaar voorafgaand aan de aanhouding meermalen tezamen aangehouden in Nederland. Zo zijn zij beiden op 16 december 2013 aangehouden in een voertuig dat gesignaleerd stond als voertuig dat wordt gebruikt bij winkeldiefstallen door middel van geprepareerde tassen. In de kofferbak werden vuilniszakken aangetroffen met daarin kleding voorzien van de prijskaartjes. Beiden zijn hiervoor in deze zelfde strafzaak gedagvaard, maar aan een beoordeling daarvan is de rechtbank als gevolg van nietigheden in de betekening van de dagvaardingen niet toegekomen. Ook zijn [verdachte 3] en [verdachte 8] tezamen aangehouden ter zake diefstal bij de V&D in Alkmaar op 11 maart 2014, dus in dezelfde periode als die van de hierboven beschreven diefstallen. Ook de afdoening van deze zaak is nog niet bekend. Hieruit blijkt wel dat zij al meermalen met politie in aanraking zijn gekomen op verdenking van diefstal in vereniging onder omstandigheden die lijken op de werkwijze van de onderhavige criminele organisatie.56

Ook slaat de rechtbank acht op het volgende sms bericht dat is aangetroffen op de telefoon van [verdachte 3] , wat goed te duiden is als een bestellijst ten aanzien van kleding. Daarin staat: damescolbertjes, de verzameling levert te weinig op bel me, namen met bedragen, kledingsoorten met maten’.57

Tenslotte blijkt uit het volgende dat deze verdachten gebruik maakten van een auto van de vader van medeverdachte [verdachte 5] , en van de in het dossier genoemde Chrysler.

Op 12 april 2014 werden [verdachte 8] en [verdachte 4] tezamen gecontroleerd in Gorinchem, rijdend in de later op de Delftselaan aangetroffen Skoda.58 Ten aanzien van deze Skoda overweegt de rechtbank dat deze vermoedelijk is gebruikt bij de bewezenverklaarde diefstallen op grond van het volgende.

Deze auto staat op naam van [verdachte 5] .59 Hoewel [verdachte 5] aangeeft niets te weten over deze Skoda heeft [verdachte 3] verklaard dat het voertuig van [naam 12] uit Engeland is en hij hierover mag beschikken.60 In het facebookbericht van [verdachte 5] refereert zij aan een man als vadertje [naam 12] ,61 zodat de rechtbank ervanuit gaat dat het om dezelfde persoon gaat. Dat [verdachte 3] degene is die de feitelijke beschikking heeft over deze auto blijkt niet alleen uit het feit dat hij daarin is gecontroleerd op 12 april 2014, maar ook uit het feit dat de sleutel van de Skoda bij hem is aangetroffen tijdens de aanhouding.62 Uit hetgeen is aangetroffen in de Skoda kan worden aangenomen dat dit voertuig eveneens is gebruikt bij het transporteren van kleding. Immers zijn in de achterbak prijskaartjes en een kledinghanger aangetroffen. Dat dit geen gekochte kleding betrof maakt de rechtbank op uit het volgende. In de Skoda is tevens een hengsel van een papieren tas met nog een stukje tas eraan aangetroffen dat grote gelijkenissen vertoont met een bij de buit aangetroffen hoeveelheid papieren tasjes met de opdruk ‘Paris’.63 De rechtbank ziet – anders dan de verdediging – geen reden om te twijfelen aan de door de verbalisant geconstateerde overeenkomsten tussen het stukje tas uit de Skoda en de in de woning aangetroffen tas.64 Het -uit een rode veter met aan het eind een zwart stukje plastic bestaande- handvat, gecombineerd met de okerkleurige opdruk aan de bovenkant van de papieren tas is zodanig specifiek dat een herkenning kan worden uitgesproken. Dat de kleuren op de foto’s iets verschillen kan heel goed worden verklaard door verschillende belichting. Nu een onderdeel van de buit in het voertuig is aangetroffen, acht de rechtbank het overtuigend bewezen dat [verdachte 3] en [verdachte 8] gestolen goederen hebben vervoerd met deze auto en/of die auto beschikbaar hebben gesteld aan anderen van de groep.

Over de Chrysler staat vast dat deze auto aan de diefstallen kan worden gekoppeld, omdat daarin de headset van de Hollister-diefstal zijn gevonden en deze auto in gebruik was bij [verdachte 3] en [verdachte 8] . Verdachte [verdachte 12] heeft – op dit punt betrouwbaar te achten omdat [verdachte 3] dat heeft bevestigd – verklaard dat deze auto van zijn broer is gekocht door [verdachte 3] en [verdachte 8] .

Deze gegevens in samenhang met hun veelvuldig contact met de anderen en het feit dat hun telefoons vaak ’s avonds, als bij de andere verdachten, aanstraalden op de H. Costerstraat op momenten dat – zo blijkt uit de modus operandi – de buit van de dag werd verwerkt, alsook gelet op het op de telefoon van [verdachte 3] aangetroffen sms-bericht, acht de rechtbank bewezen dat ook zij hebben deelgenomen aan de criminele organisatie.

De rechtbank passeert met de conclusie dat het bewijs is geleverd dat de verdachten deel uitmaakten van een criminele organisatie de gevoerde verweren, die erop neerkomen dat niet blijkt van het bestaan van een criminele organisatie, omdat onduidelijk is gebleven wat de onderlinge verhoudingen tussen en de rolverdeling van deze verdachten precies was. Het is op zichzelf genomen juist dat concreet bewijs voor een vaste rolverdeling in de zin van regels, overleg, besluitvorming of een duidelijke hiërarchie in deze groep ontbreekt, zoals ook de officier van justitie heeft geconcludeerd. Hierbij speelt mee dat in het onderzoek in deze zaak onder meer geen observaties zijn gedaan of telefoongesprekken zijn afgeluisterd, waaruit veelal zulk bewijs voortkomt. De rechtbank overweegt evenwel dat de eerder genoemde criteria voor het bestaan van een criminele organisatie door bovenstaande bewijsmiddelen in voldoende mate worden vervuld. Het oogmerk van die organisatie was verrijking door het plegen van diefstallen, waarmee tevens als oogmerk gewoonteheling en witwassen bewezen kan worden verklaard.

De rol van [verdachte 9] als medepleger (feit 3 primair)

Ten aanzien van [verdachte 9] in het bijzonder beoordeelt de rechtbank zijn rol bij de tenlastegelegde feiten van meer gewicht dan het OM en de raadsman hebben aangegeven. Als huurder van de woning was hij bij uitstek degene die door het beschikbaar stellen daarvan een opslagplaats voor de goederen en een verzamelplek voor de verdachten mogelijk maakte, zoals blijkt uit het moment van aanhouding op 23 april 14. Kennelijk werd zijn huis ook gebruikt om de buit van de alarmlabels te ontdoen en werden daar de tassen geprepareerd en bewaard, die bij de diefstallen werden gebruikt.

De pleegperiode

De rechtbank sluit aan bij de conclusie van de officier van justitie waar het gaat om het bewijs van de tenlastegelegde periode, met een startdatum van 1 januari 2014. De eerste bewezenverklaarde diefstal door vier leden van de groep vond plaats op 29 januari 2014, en het is aannemelijk dat daaraan een zekere periode van voorbereiding is voorafgegaan. Dat wellicht niet iedere deelnemer gedurende de gehele periode aantoonbaar heeft deelgenomen doet hieraan niet af, nu de deelname daarbinnen heeft plaatsgevonden. De duur van de aangetoonde deelname zal evenwel bij de strafmaat worden verdisconteerd.

5.7

Bewijsoverwegingen ten aanzien van heling (zaken 4, 6, 7, 9, 16, 17, 18)

Vrijspraak [verdachte 1] (feit 1), [verdachte 6] (feit 2) en [verdachte 7] (feit 1).

Met betrekking tot de verdachten [verdachte 1] , [verdachte 6] en [verdachte 7] komt de rechtbank – anders dan de officier van justitie, die dit feit ten aanzien van alle verdachten bewezen achtte- tot een vrijspraak van dit feit. Ten aanzien van hen bevat het dossier – zoals hiervoor overwogen – geen belastende bewijsmiddelen waaruit blijkt dat zij betrokken waren bij de bewezen diefstallen, en zij worden evenmin aan de criminele organisatie gelinkt.

Waar de mogelijkheid openblijft dat – zoals het OM stelt – een ieder die de woning was binnengegaan direct had gezien dat zich daar gestolen goederen bevonden, is dat gegeven –als al juist – op zichzelf onvoldoende voor bewijs van medeplegen aan opzetheling. Daarvoor is in het kader van het voorhanden hebben van die goederen naast mogelijke wetenschap van de nabije aanwezigheid van goederen met een misdadige afkomst ook bewijs van feitelijke zeggenschap nodig, en dat [verdachte 1] , [verdachte 7] en [verdachte 6] die positie binnen deze dadergroep hadden is niet gebleken.

Ten aanzien van [verdachte 2] (feit 4), [verdachte 3] (feit 1), [verdachte 4] (feit 6) [verdachte 5] (feit 4), [verdachte 8] (feit1), [verdachte 10] (feit 6) en [verdachte 11] (feit 6)

Waar de rechtbank hiervoor is gekomen tot bewezenverklaring van deelneming aan een criminele organisatie, die tot doel heeft het plegen van misdrijven als diefstallen, heling en witwassen kan de motivering van de conclusie dat heling kan worden bewezen kort zijn, en zal de rechtbank zich hier beperken tot bespreking van een aantal specifieke punten.

Heling wordt niet bewezen voor die goederen die door [verdachte 10] , [verdachte 11] , [verdachte 2] , [verdachte 5] en [verdachte 4] tezamen zijn gestolen bij de Hollister op de dag van de aanhouding op 23 april 2014 en als onderdeel van de buit zijn gevonden, nu de dief niet tevens de heler kan zijn.

Dat alle aangetroffen goederen uit diefstal afkomstig zijn, een punt waarover verweer is gevoerd, acht de rechtbank bewezen. De rechtbank overweegt hiertoe dat het gaat om een grote hoeveelheid nog nieuwe goederen, die grotendeels zijn aangetroffen in plastic zakken, verstopt onder de vloer met vaak de prijskaartjes er nog aan. Ook zijn de eerder genoemde vele alarmlabels aangetroffen, en een sterke magneet, waarmee die alarmlabels kunnen worden verwijderd. Van een groot deel van de aangetroffen goederen is de oorspronkelijke winkel(keten) achterhaald. Deze hebben niet alleen de goederen herkend, maar ook die alarmlabels. Alarmlabels worden bij betaling aan de kassa altijd verwijderd, dus deze komen van gestolen kleding. In de aangiftes is daarnaast veelal omschreven dat (een filiaal van) de winkel een deel van de voorraad van juist deze goederen miste.65

Ten aanzien van de vraag of er nu sprake is van eenmalige heling, van heling meermalen gepleegd of van gewoonteheling overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de verklaring van [verdachte 9] , waaraan de rechtbank geen reden ziet te twijfelen,66 reeds nu deze op dit punt wordt ondersteund door de verklaring van de buren,67 kan worden afgeleid dat in de weken voorafgaand aan de inval vele gevulde vuilniszakken de woning zijn binnengedragen door deze verdachten. [verdachte 9] verklaart immers over de groep van tien aangehouden personen dat die hooguit anderhalve week bij hem hebben ingewoond en steeds met spullen de woning inkwamen, terwijl door de buren wordt gesproken over mannen en vrouwen van buitenlandse afkomst, die veelvuldig met vuilniszakken de woning ingingen. Ook uit de historische gegevens van de telefoons van de verdachten is te zien dat in ieder geval in de weken voorafgaande aan de aanhouding met zeer grote regelmaat aan het eind van de dag de zendmast aan de H. Costerstraat wordt aangestraald. Gelet op het doel van de criminele organisatie en hetgeen in de woning in vuilniszakken is aangetroffen moet dit de gestolen kleding en schoeisel zijn geweest. Gelet ook op het feit dat er in de aangetroffen plastic zak meerdere soorten alarmlabels van verschillende winkel(keten)s zaten, kan ervan worden uitgegaan dat het de buit van meerdere dagen is geweest en dat de buit telkens in die woning werd ontdaan van de alarmlabels. Omdat niet kan worden vastgesteld wie van de groep de verschillende diefstallen heeft gepleegd, waaruit het totaal van de buit voortkomt – er zijn ook onbekend gebleven verdachten betrokken en van een deel van de buit is de herkomst of de pleegdatum van de diefstal onduidelijk gebleven – gaat het voor de verdachten die deelnemers zijn aan de criminele organisatie om meerdere gevallen van medeplegen van heling.

De vraag of naast het (meermalen) (mede-)plegen van de bewezen opzetheling ook bewijs voorhanden is van het gewoonte maken daarvan, zoals de officier van justitie heeft geconcludeerd, moet worden beantwoord aan de hand van wat feitelijk kan worden vastgesteld. Het gewoonte maken op zichzelf is een feitelijk begrip. Voor de invulling daarvan is dan wel nodig dat uit het dossier zonneklaar blijkt dat – naast het criterium dat uit de herhaling van de gedraging een zekere continuïteit moet op te maken zijn die op het bestaan van een gewoonte wijst – het telkenmale ging om deze verdachtengroep die onder soortgelijke omstandigheden als die van 23 april 2014 met elkaar de buit van die of eerdere dagen aanwezig heeft gehad. Uit het vorenomschreven bewijsmateriaal volgt dat daarvan zeker sprake is geweest.

De rechtbank acht overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie bewezen dat de opzetheling zich heeft afgespeeld in de periode tussen 1 januari 2014 tot en met 23 april 14.

Het huurcontract van [verdachte 9] vormt hiervan de start, waarbij de rechtbank aannemelijk acht dat de verdachten – in het kader van de criminele organisatie – zich tijdig van een opslagplaats voor gestolen goederen zullen hebben willen voorzien, waarna vanaf eind januari 2014 de eerste bewezen winkeldiefstal door leden van de groep bewezen is en de laatste op 23 april 2014.

5.8

Bewijsoverwegingen ten aanzien van witwassen

Ten aanzien van [verdachte 4] (feit 1) en [verdachte 11] (feit 1)

5.8.1

Inleiding

Door verschillende aangevers is aangifte gedaan van fraude met een overschrijvingskaart, waarbij die kaarten zijn gestolen en daarna zijn gebruikt voor overmaking van geld van hun bankrekening naar rekeningen van voor hen onbekende personen.

[aangever 3] geeft namens zijn moeder [naam 13] een bedrag van € 1.280,- op, dat op 6 november 2013 naar de [rekeningnummer] ten name van [verdachte 11] is overgemaakt. [naam 13] woont in Amersfoort.68

[aangever 4] heeft twee overboekingen, gedateerd op 5 en 8 november 2013, van in totaal € 1882,04 gezien, die zijn gestort op [rekeningnummer] van [verdachte 4] . Hij had zijn overschrijvingskaarten gepost in Amersfoort.69

Uit verder onderzoek bleek dat het bedrag van € 1.280,- op 11 november 2013 van het [rekeningnummer] is overgeschreven naar [rekeningnummer] op naam van [verdachte 4] .70

Op 11 en 12 november 2013 zijn in de buurt van Soest in meerdere keren bij een pinautomaat contante opnames gedaan van de rekening van [verdachte 4] .71

[verdachte 11] en [verdachte 4] hebben ieder voor zich erkend dat zij op 16 oktober 2013 een bankrekening hebben geopend, met – respectievelijk - het hiervoor genoemde bankrekeningnummer.

Als de bij elk van deze rekeningen behorende adresgegevens wordt vermeld: [adres 3] .72

De rechtbank beziet of het dossier bewijsmiddelen bevat waaruit volgt dat [verdachte 11] en [verdachte 4] enige vorm van opzet hadden op misbruik van de bankrekening met het doel van witwassen, als medepleger dan wel als medeplichtige.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat het de rekeninghouder is die verantwoordelijk is voor het gebruik dat wordt gemaakt van de op zijn naam gestelde bankrekening. Zo mag van de rekeninghouder worden verwacht dat hij bij gesteld misbruik van zijn rekening ter afwending van zijn verantwoordelijkheid kan aantonen dat hij in redelijkheid de zorgvuldigheid heeft in acht genomen die ter voorkoming van misbruik noodzakelijk is.

5.8.2

Ten aanzien van [verdachte 11]

Openen rekening

In het dossier bevindt zich een afschrift van de door [verdachte 11] getekende zogenaamde Overeenkomst BetaalPakket, waaruit blijkt dat [verdachte 11] zich akkoord verklaart met de standaardvoorwaarden die bij het openen van een bankrekening van toepassing zijn.73 Met de voorwaarden “Mijn ING” heeft [verdachte 11] zich ook akkoord verklaard. Bij het openen van de rekening heeft [verdachte 11] de betaalpas en pincode ontvangen, alsmede de gebruikersnaam, wachtwoord en activeringscode SMS TAN. Aan deze rekening van [verdachte 11] was één telefoonnummer gekoppeld, te weten het mobiele telefoonnummer [06-nummer] , dat volgens eigen verklaring van [verdachte 11] zijn mobiele nummer was.74

Via "Mijn ING" op internet kunnen telefoonnummers worden gewijzigd.

Uit het dossier blijkt dat na openen van de rekening een tweede telefoonnummer is gekoppeld aan deze rekening, te weten [06-nummer] .75 Met dit telefoonnummer is - na ontvangst van de TAN-code van de ING - de overboeking van het bedrag van € 1280,- van de rekening van [verdachte 11] naar [verdachte 4] gedaan.

Over het tweede aan de rekening gekoppelde telefoonnummer [06-nummer] , gebruikt voor de overboeking als hiervoor vermeld, blijkt over de periode 1 november 2013 tot 8 mei 2014 nog dat nummer waarschijnlijk niet van [verdachte 11] was, aangezien het in gebruik bleef na zijn aanhouding op 23 april 2014. Dit nummer heeft in die periode voortdurend masten aangestraald in de omgeving van Bergschenhoek.76

Uit informatie van Eneco, respectievelijk Aegon blijkt dat dit nummer op naam staat van een Roemeen, genaamd [naam 14] ,77 en volgens Aegon op naam van een Roemeen genaamd [naam 15] , beiden uit Bergschenhoek.78 De tevens als verdachte gehoorde [verdachte 12] heeft bij de politie verklaard dat hij denkt dat dat zijn nummer is.79

Verklaringen [verdachte 12]

[verdachte 12] is door de politie uitvoerig gehoord en later bij de rechter-commissaris waar hij afstand heeft genomen van zijn eerdere politieverklaring. Zijn verklaringen over het openen van de bankrekeningen en zijn aanwezigheid daarbij om te tolken acht de rechtbank voldoende betrouwbaar omdat die verklaring goeddeels overeenkomt met die van [verdachte 11] , die kennelijk voor hem de naam [naam 16] heeft gebruikt, en door de summiere verklaring van [verdachte 4] , die zegt te zijn begeleid door een Roemeen met de naam [naam 17] . Dat dit was in de korte tijd dat [verdachte 11] en [verdachte 4] bij hem verbleven op de [adres 3] is dan ook aannemelijk.

Bij de politie verklaart [verdachte 12] verder dat het kan zijn, dat het nummer aan de rekening van [verdachte 4] gekoppeld zijn telefoonnummer is. hoewel hij dit later bij de rechter-commissaris ontkent, acht de rechtbank zijn eerste verklaring op dit punt betrouwbaar, aangezien met dat telefoonnummer in de periode van 1 november 2013 en 4 juni 2014 zeer veel is gebeld naar het telefoonnummer van de vrouw van [verdachte 12] .80

Dat de bank korte tijd na opening van de bankrekeningen de permanente passen naar het adres [adres 3] heeft gestuurd, blijkt uit de beschrijving van de gebruikelijke gang van zaken bij opening van een rekening bij de ING: de klant krijgt direct tijdelijke pas en pincode, en de permanente pas wordt ongeveer twee weken later aangeleverd.81

Dat wordt door [verdachte 12] ook wel bevestigd, hoewel zijn verdere verklaringen wie die passen dan in gebruik heeft genomen wisselend, vaag en niet concreet zijn en daarom niet bruikbaar als betrouwbaar bewijsmiddel.

Verklaringen [verdachte 11]

[verdachte 11] heeft zijn verantwoordelijkheid afgedaan met - uiteenlopende - verklaringen, die erop neerkomen, allereerst dat hij helemaal geen pasjes had ontvangen en dus de rekening niet heeft gebruikt, daarna dat hij geen permanente pas heeft ontvangen en de rekening niet heeft gebruikt, en tenslotte dat hij - als Roemeen - niet precies begreep hoe het openen van een bankrekening in zijn werk ging en hij daarom een ander, ene [naam 16] , nodig had voor de vertaling bij het openen van die rekening, en dat hij die [naam 16] het tijdelijke bankpasje heeft gegeven, toen hij kort daarna naar Roemenië vertrok, waarbij hij ten slotte [naam 16] verantwoordelijk heeft gesteld voor het misbruik dat van de rekening is gemaakt.

Over de redenen om voor zichzelf een bankrekening te openen heeft [verdachte 11] verklaard dat hij die rekening nodig had om contante gelden te kunnen storten. Uit de gegevens in het dossier blijkt niet dat er sinds de dag van opening van die rekening op 16 oktober 2013 tot 6 november 2013 enig geldbedrag is gestort.82

De behoefte aan een bankrekening wordt dan ook niet ondersteund door deze informatie.

[verdachte 11] heeft daarna verklaard dat hij de rekening niet heeft gebruikt omdat hij kort na opening daarvan naar Roemenië is vertrokken en dat hij bij terugkeer in Nederland het tijdelijke pasje van [naam 16] niet heeft teruggekregen en evenmin in bezit is gekomen van de permanente pas. Deze verklaring is evenmin ondersteund door andere betrouwbare bewijsmiddelen in het dossier.

Conclusie van de rechtbank

Uit het voorgaande volgt dat [verdachte 11] om onaannemelijke redenen een bankrekening heeft geopend. Daarna is een tweede telefoonnummer met de mogelijkheid tot internetbankieren gekoppeld aan zijn rekening, wat ofwel door hemzelf als bezitter van de bankpas en pincode is gedaan, ofwel is gebeurd na afgifte van zijn bankpas én pincode aan een ander. Dat tweede telefoonnummer was niet bij hemzelf in gebruik, en werd wellicht gebruikt door [verdachte 12] door de twee andere Roemeense personen als hiervoor genoemd. Daarmee komt vast te staan dat hij in ieder geval de beschikking over zijn bankrekening heeft gegeven aan een ander. Dat daarbij in het midden moet blijven aan wie en wanneer – aangezien het dossier daarover geen uitsluitsel geef – doet aan deze conclusie niet af. In beide gevallen heeft hij de controle over zijn bankrekening aan een ander gelaten.

Dat dit ook te kwader trouw is geschied, maakt de rechtbank op uit de wisselende, niet verifieerbare verklaringen van [verdachte 11] over de gang van zaken bij en na opening van de bankrekening, terwijl bovendien nog uit de verklaring van de betreffende medewerker van de ING [medewerker] bij de rechter-commissaris blijkt dat [medewerker] datgene wat nodig is om over de rekening te beschikken (tijdelijk bankpasje, pincode, en internetbankieren) meegeeft aan de klant en hem daarbij uitleg geeft over de toepasselijke voorwaarden, dat er geen misbruik van de rekening en pas gemaakt mag worden en dat het pasje alleen door de klant mag worden gebruikt.

Het vorenstaande brengt met zich dat de rechtbank niet bewezen acht dat [verdachte 11] zodanig nauw en bewust met [verdachte 12] en/of andere onbekend gebleven personen heeft samengewerkt dat sprake is van medeplegen (feit 1 primair). Wel levert het de conclusie op dat [verdachte 11] minst genomen het voorwaardelijk opzet op medeplichtigheid aan medeplegen van witwassen heeft gehad (feit 1 subsidiair).

5.8.3

Ten aanzien van [verdachte 4]

Ook van [verdachte 4] mag als bankrekeninghouder worden verwacht dat hij bij gesteld misbruik van zijn rekening ter afwending van zijn verantwoordelijkheid kan aantonen dat hij in redelijkheid de zorgvuldigheid heeft in achtgenomen die ter voorkoming van misbruik noodzakelijk is.

Openen rekening

[verdachte 4] heeft op dezelfde dag en gelijktijdig met [verdachte 11] een bankrekening bij de INGbank geopend. De overeenkomst is door hem getekend en ook hij ontving direct de tijdelijke betaalpas en pincode daarbij, alsmede de gebruikersnaam, wachtwoord en activeringscode SMS TAN. Aan deze bankrekening was als zijn telefoonnummer het nummer [06-nummer] gekoppeld.83

Uit onderzoek van de politie blijkt dat het aan deze rekening gekoppelde telefoonnummer in gebruik was bij [verdachte 12] ,84op dat moment bewoner van het adres [adres 3] , hetzelfde adres dat [verdachte 4] bij de bank heeft opgegeven als zijn adres.

Verklaring [verdachte 4]

[verdachte 4] is bevraagd naar zijn relatie met [verdachte 12] , maar heeft daarover niet willen verklaren. Het enige wat hij heeft verklaard is dat hij de rekening heeft geopend in aanwezigheid van een Roemeen met de naam [naam 17] .

Een verklaring waarom hij een bankrekening nodig had, als iemand zonder vaste woon-of verblijfplaats in Nederland en zonder werk, heeft hij evenmin gegeven.

Conclusie van de rechtbank

Uit het voorgaande volgt dat [verdachte 4] bij het openen van de bankrekening het telefoonnummer heeft opgegeven, dat in gebruik was bij [verdachte 12] , en een adres waar hij met [verdachte 12] verbleef. Na ontvangst door hem van de tijdelijke pas met pincode is de bankrekening vervolgens slechts gebruikt voor ontvangst van gelden afkomstig van fraude met overschrijvingskaarten.

Van zorgvuldigheid zijnerzijds ter voorkoming van misbruik van zijn rekening is bij gebrek aan enige verklaring daaromtrent niet gebleken. Er is geen verklaring gegeven voor het openen van een rekening, over de gang van zaken met betrekking tot de tijdelijke en permanente pas en pincode, voor de herkomst van de gestorte bedragen en evenmin voor het door pinopnames opnemen van dat geld.

Aangezien een bankpas slechts bruikbaar is met de bijbehorende pincode, moet [verdachte 4] –als bezitter van de pincode – deze pincode op enig moment met de (tijdelijke of met de permanente) pas hebben gegeven aan [verdachte 12] of een of meer onbekende anderen die daarmee de mogelijkheden had of hadden om geld van die rekening op te nemen.

Het vorenstaande brengt met zich dat de rechtbank niet bewezen acht dat [verdachte 4] zodanig nauw en bewust met [verdachte 12] en/of andere onbekenden heeft samengewerkt dat sprake is van medeplegen (feit 1 primair). Wel levert het ook bij [verdachte 4] de conclusie op dat hij minst genomen het voorwaardelijk opzet op medeplichtigheid aan medeplegen van witwassen heeft gehad (feit 1 subsidiair)

Het verweer dat [verdachte 4] door [verdachte 12] is misbruik is in het geheel niet onderbouwd, en wordt daarom verworpen.

5.8.4

Slotsom

Ten aanzien van zowel [verdachte 4] als [verdachte 11] komt de rechtbank tot de slotsom dat zij met hun gedragingen de rol hebben ingenomen, bij de rechtbank ambtshalve bekend als die van “moneymule” of “geldezel”, waarbij de dader zijn bankrekening ter beschikking heeft gesteld aan anderen, met als doel op die manier een route te openen om crimineel geld te laten witwassen.

5.9

Vrijspraak zakkenrollerij (zaak 5)

Ten aanzien van [verdachte 4] (feit 5) en [verdachte 10] (feit 5)

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat de verdachten daarvan moeten worden vrijgesproken.

5.10

Bewijsoverweging ten aanzien van het hoorhanden hebben van een busje traangas (zaak 19)

Ten aanzien van [verdachte 7] (feit 2)

Op de [adres 1] is een busje met vermoedelijk traangas aangetroffen.85 Uit onderzoek is gebleken dat het een busje Cs Gas van het merk CN Tear Gas betreft. Dat is een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende en traanverwekkende stoffen,86 zijnde een wapen in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie II, onder 6, van de Wet wapens en munitie.

[verdachte 7] heeft verklaard dat voornoemd busje aan hem toebehoort.87

Gezien het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 23 april 2014 schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde feit.

6. Het bewezenverklaarde, de strafbaarheid daarvan en de strafbaarheid van de verdachten

De bewezenverklaringen per verdachte maken als bijlagen B1 t/m B9 onderdeel uit van dit vonnis. De bewezenverklaringen komen kort gezegd op het volgende neer:

Ten aanzien van [verdachte 2] (09/755050-14)

  • -

    Medeplegen van diefstal bij V&D Oss, Esprit Harderwijk en Scapino Harderwijk (feiten 1, 2 en 3);

  • -

    Medeplegen van gewoonteheling van kleding en schoenen (feit 4);

  • -

    Deelname aan een criminele organisatie (feit 5).

Ten aanzien van [verdachte 3] (09/755052-14)

  • -

    Medeplegen van gewoonteheling van kleding en schoenen (feit 1);

  • -

    Gewoontewitwassen (feit 2);

  • -

    Deelname aan een criminele organisatie (feit 3).

Ten aanzien van [verdachte 4] (09/755056-14)

  • -

    Medeplichtigheid aan medeplegen van witwassen (feit 1 subsidiair);

  • -

    Medeplegen van diefstal bij de V&D’s Oss, Alkmaar, Veenendaal, Esprit Harderwijk en Scapino Harderwijk (feiten 2, 3 en 4);

  • -

    Medeplegen van gewoonteheling van kleding en schoenen (feit 6);

  • -

    Gewoontewitwassen (feit 7);

  • -

    Deelname aan een criminele organisatie (feit 8).

Ten aanzien van [verdachte 5] (09/755048-14)

  • -

    Medeplegen van diefstal bij V&D Oss, Esprit Harderwijk en Scapino Harderwijk (feiten 1, 2 en 3);

  • -

    Medeplegen van gewoonteheling van kleding en schoenen (feit 4);

  • -

    Deelname aan een criminele organisatie (feit 5);

Ten aanzien van [verdachte 7] (09/755055-14)

- Het voorhanden hebben van een busje met traangas (feit 2).

Ten aanzien van [verdachte 8] (09/755054-14; 09/819601-14)

  • -

    Medeplegen van gewoonteheling van kleding en schoenen (feit 1);

  • -

    Deelname aan een criminele organisatie (feit 2);

  • -

    Witwassen (feit 3).

Ten aanzien van [verdachte 9] (09/755047-14)

  • -

    Medeplegen van gewoonteheling van kleding en schoenen (feit 1);

  • -

    Gewoontewitwassen (feit 2);

  • -

    Deelname aan een criminele organisatie (feit 3);

Ten aanzien van [verdachte 10] (09/755051-14)

  • -

    Medeplegen van diefstal bij Hollister Utrecht, V&D’s Oss, Alkmaar en Veenendaal, Esprit Harderwijk en Scapino Harderwijk (feiten 1 t/m 4);

  • -

    Medeplegen van gewoonteheling van kleding en schoenen (feit 6);

  • -

    Deelname aan een criminele organisatie (feit 7).

Ten aanzien van [verdachte 11] (09/755053-14)

- Medeplichtigheid aan medeplegen van witwassen van een totaalbedrag van

€ 1.280,- (feit 1 subsidiair);

  • -

    Medeplegen van diefstal bij Hollister Utrecht, V&D’s Oss, Alkmaar en Veenendaal, Esprit Harderwijk en Scapino Harderwijk (feiten 2 t/m 5);

  • -

    Medeplegen van gewoonteheling van kleding en schoenen (feit 6);

  • -

    Deelname aan een criminele organisatie (feit 7).

Ten aanzien van voornoemde verdachten

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de in de beslissingen genoemde strafbare feiten op.

De verdachten zijn eveneens allen strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die hun strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafoplegging

7.1

Inleiding

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachten, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

7.2

Algemene overwegingen

Ten aanzien van [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 8] , [verdachte 9] , [verdachte 10] en [verdachte 11]

De verdachten hebben zich met elkaar in een relatief korte periode schuldig gemaakt aan het plegen van een aantal goed georganiseerde winkeldiefstallen, gewoonteheling en witwassen. Duidelijk is geworden dat het om ware strooptochten ging waarbij steeds waardevolle goederen als (merk)kleding en schoeisel werden gestolen. Over hoe de groep te werk ging en hoe de onderlinge verhoudingen daarbij waren, heeft de rechtbank hiervoor reeds het nodige opgemerkt.

Door deze diefstallen is aanmerkelijke schade toegebracht aan de desbetreffende winkel(keten)s en daarmee overigens indirect ook aan de consument die uiteindelijk de rekening betaalt, door de doorberekening van de schade danwel de noodzakelijke - steeds stijgende - verzekeringspremies in de prijzen.

Kennelijk zijn verdachten naar Nederland gekomen met als enig doel om hier diefstallen te plegen. Het gaat hier, ook door het georganiseerde verband, niet meer om een paar eenvoudige winkeldiefstallen, waarbij iemand ten behoeve van zichzelf spullen steelt. Door als deelnemer aan een criminele organisatie een bijdrage te leveren aan de diefstallen door deze te faciliteren of te plegen hebben zij zich hard gemaakt voor het criminele doel en daarmee voor het voortbestaan van hun eigen (criminele) organisatie, met alle gevolgen van dien. Deze vorm van criminaliteit overstijgt daardoor het niveau van een serie eenvoudige winkeldiefstallen aanzienlijk. De hiervoor op te leggen straf dient als normbevestiging en als afschrikking aan anderen om dergelijke georganiseerd vermogensdelicten te plegen.

Gelet op de omstandigheid dat verdachten geen binding hebben met Nederland ziet de rechtbank geen aanleiding een deels voorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank met name de deelname aan de criminele organisatie zwaar laten wegen. Uit de jurisprudentie blijkt dat normaal gesproken zwaardere straffen worden uitgedeeld aan degenen met een leidinggevende/coördinerende rol binnen de organisatie dan aan degenen die de diefstallen feitelijk hebben gepleegd. Nu de rechtbank van geen van de verdachten een leidinggevende rol heeft kunnen vaststellen, zal de rechtbank ten voordele van de verdachten bij allen uitgaan van een uitvoerende rol en bij de voorbeelden in de jurisprudentie hieromtrent aanhaken. De rechtbank heeft daarentegen wel onderscheid gemaakt ten aanzien van de uit het dossier blijkende duur van de deelname aan de criminele organisatie van elk van de verdachten en met eventuele eerdere veroordelingen voor vergelijkbare zaken.

7.2

Overwegingen per verdachte

Ten aanzien van [verdachte 2]

Met betrekking tot verdachte [verdachte 2] overweegt de rechtbank dat haar deelname aan de criminele organisatie is gebleken vanaf april 2014. Daarnaast heeft de rechtbank in het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 28 april 2014 gezien, dat aan haar in Nederland geen onherroepelijke straffen zijn opgelegd en ook overigens blijkt niet van straffen voor recente vergelijkbare feiten in het buitenland.

Ten slotte weegt in het voordeel van verdachte mee dat zij door ter zitting te verschijnen nog enigszins blijk lijkt te hebben gegeven haar verantwoordelijkheid te nemen.

Het eindoordeel is dat een vrijheidsbenemende straf van aanmerkelijke duur passend is. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf voor de duur van 17 maanden, met aftrek van de tijd die zij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, opleggen.

Ten aanzien van [verdachte 3]

Met betrekking tot verdachte [verdachte 3] overweegt de rechtbank dat ook zijn deelname aan de criminele organisatie is gebleken vanaf april 2014. Daarnaast heeft de rechtbank gezien in het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 28 april 2014, dat aan hem in Nederland geen onherroepelijke straffen zijn opgelegd. Uit het dossier blijkt dat hem in Roemenië in 2009 voorwaardelijke gevangenisstraffen zijn opgelegd voor diefstal. In België is hij in 2012 tot een gevangenisstraf van 12 maanden veroordeeld, nadat hij was aangehouden in een auto, waarvan de bagageruimte gevuld was met van winkeldiefstal afkomstige kleding. Deze eerdere veroordelingen betroffen dus ook steeds vermogenscriminaliteit, en hebben hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Het eindoordeel ten aanzien van hem is dat een vrijheidsbenemende straf van aanmerkelijke duur passend is. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, opleggen.

Ten aanzien van [verdachte 4]

Met betrekking tot verdachte [verdachte 4] overweegt de rechtbank dat ook zijn deelname aan de criminele organisatie is gebleken vanaf april 2014. [verdachte 4] heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan witwassen door het beschikbaar stellen van een bankrekening wat in de strafmaat dient te worden betrokken.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 28 april 2014, waaruit blijkt dat aan hem in Nederland geen onherroepelijke straffen zijn opgelegd. Uit het dossier blijkt dat hem in Roemenië in 2006 een gevangenisstraf van zes maanden is opgelegd voor poging tot gekwalificeerde diefstal. Ook in België zijn hem in 2012 en 2013 terzake winkeldiefstallen gevangenisstraffen van 12 respectievelijk 10 maanden opgelegd. Deze eerdere veroordelingen hebben hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Het vorenstaande leidt tot het eindoordeel dat een vrijheidsbenemende straf van aanmerkelijke duur passend is. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 23 maanden, waarvan 1 maand voor het witwasfeit, met aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Ten aanzien van [verdachte 5]

Met betrekking tot verdachte [verdachte 5] overweegt de rechtbank dat haar deelname aan de criminele organisatie is gebleken vanaf april 2014. Daarnaast heeft de rechtbank het op haar betrekking hebbend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 28 april 2014 gezien, waaruit blijkt dat aan haar in Nederland en ook elders geen onherroepelijke straffen zijn opgelegd.

Uit het beknopte reclasseringsrapport d.d. 12 januari 2015, opgemaakt door I.M.T.J. Weiss, reclasseringsmedewerker van Reclassering Nederland, blijkt dat men geen aanknopingspunten ziet voor een plan van aanpak.

Ook voor haar acht de rechtbank een vrijheidsbenemende straf van aanmerkelijke duur passend. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die zij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, opleggen.

Ten aanzien van [verdachte 7]
Aan verdachte [verdachte 7] wordt, aangezien hij alleen voor het bezit van een busje traangas wordt veroordeeld, een geldboete van € 290,- met aftrek vanwege ondergaan voorarrest opgelegd.

Ten aanzien van [verdachte 8]

Met betrekking tot verdachte [verdachte 8] overweegt de rechtbank dat zijn deelname aan de criminele organisatie is gebleken vanaf april 2014. Daarnaast blijkt uit zijn uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 28 april 2014, dat hij in Nederland eenmaal eerder en wel kort voor de nu bewezenverklaarde feiten is veroordeeld, te weten op 4 december 2013 door de Politierechter te Rotterdam, tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf terzake schuldheling. Hoewel het niet ging om zware straffen zoals bij [verdachte 3] en [verdachte 4] kan wel worden geoordeeld dat deze eerdere veroordeling hem er kennelijk niet van heeft weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Dit brengt de rechtbank tot het eindoordeel dat een vrijheidsbenemende straf van aanmerkelijke duur passend is. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, opleggen.

Ten aanzien van [verdachte 9]

Met betrekking tot verdachte [verdachte 9] overweegt de rechtbank dat zijn deelname aan de criminele organisatie is gebleken vanaf januari 2014. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 28 april 2014, waaruit blijkt dat aan hem in Nederland en ook elders geen onherroepelijke straffen zijn opgelegd.

Door de raadsman zijn ter terechtzitting van 22 januari 2015 persoonlijke omstandigheden van verdachte, meer in het bijzonder betreffende zijn psychische gesteldheid benadrukt. Hoewel een deugdelijke medische rapportage ontbreekt, zijn de psychische problemen van [verdachte 9] eerder in de procedure aan de orde gesteld en heeft hij zijn voorarrest doorgebracht in een PPC. De rechtbank zal om die reden in lichte mate rekening houden met die persoonlijke omstandigheden.

Al het vorenstaande brengt de rechtbank tot het eindoordeel dat een vrijheidsbenemende straf van aanmerkelijke duur passend is. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, opleggen.

Ten aanzien van [verdachte 10]

Met betrekking tot verdachte [verdachte 10] overweegt de rechtbank dat ook haar deelname aan de criminele organisatie is gebleken vanaf januari 2014. Daarnaast heeft de rechtbank de betreffende justitiële documentatie d.d. 28 april 2014 gezien, waaruit blijkt dat aan haar in Nederland geen onherroepelijke straffen zijn opgelegd. Van vergelijkbare veroordelingen in het buitenland is niet gebleken.

Dit vorenstaande brengt de rechtbank tot het eindoordeel dat een vrijheidsbenemende straf van aanmerkelijke duur passend is. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van de tijd die zij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, opleggen.

Ten aanzien van [verdachte 11]

Met betrekking tot verdachte [verdachte 11] overweegt de rechtbank dat zijn deelname aan de criminele organisatie is gebleken vanaf januari 2014. [verdachte 11] heeft zich ook schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan witwassen door het beschikbaar stellen van een bankrekening wat in de strafmaat dient te worden betrokken.

Daarnaast blijkt uit de justitiële documentatie d.d. 28 april 2014, dat aan hem in Nederland geen onherroepelijke straffen zijn opgelegd. Ook elders zijn geen recente vergelijkbare veroordelingen gebleken. Ten slotte weegt in het voordeel van verdachte mee dat hij door ter zitting te verschijnen nog enigszins lijkt te hebben blijk gegeven zijn verantwoordelijkheid te nemen. Een vrijheidsbenemende straf van aanmerkelijke duur is ook voor hem passend. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 1 maand voor het witwasfeit, met aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, opleggen.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

Ten aanzien van [verdachte 2]

- 57, 140, 311 en 417 van het Wetboek van Strafrecht;

Ten aanzien van [verdachte 3]

- 57, 140, 417 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht;

Ten aanzien van [verdachte 4]

- 48, 57, 140, 311, 417 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht;

Ten aanzien van [verdachte 5]

- 57, 140, 311 en 417 van het Wetboek van Strafrecht;

Ten aanzien van [verdachte 7]

- 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie;

Ten aanzien van [verdachte 8]

- 57, 140, 417 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;

Ten aanzien van [verdachte 9]

- 57, 140, 417 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht;

Ten aanzien van [verdachte 10]

- 57, 140, 311 en 417 van het Wetboek van Strafrecht;

Ten aanzien van [verdachte 11]

- 48, 57, 311, 417 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Bijlage A1: Tenlastelegging [verdachte 1]

1.

ZAKEN 4, 6, 7, 9, 16, 17, 18:

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 23 april 2014 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van opzetheling een gewoonte heeft gemaakt, althans opzet-/schuldheling heeft gepleegd door op verschillende tijdstippen, in elk geval eenmaal, (telkens) een (grote) hoeveelhe(i)d(en) kleding en/of schoeisels heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die kleding en/of schoeisels (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2.

ZAAK 2:

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 23 april 2014,te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie bestaande uit onder meer [verdachte 10] en/of [verdachte 9] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 11] en/of [verdachte 8] en / of [verdachte 7] en/of [verdachte 3] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 6] en/ [verdachte 5] en/of enige andere leden, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (al dan niet in vereniging) plegen van vermogensdelicten, onder andere (winkel)diefstallen en/of (gewoonte)heling en/of (gewoonte)witwassen.

Bijlage A2: Tenlastelegging [verdachte 2]

1.

ZAAK 10:

zij op of omstreeks 18 april 2014 te Oss, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid kledingstukken (ter waarde van totaal ongeveer 1.695 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het bedrijf V&D, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

2.

ZAAK 20:

zij op of omstreeks 11 april 2014 te Harderwijk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere jurk(en) en/of een of meerdere andere kledingstuk(ken) (ter waarde van totaal ongeveer 559,95 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het bedrijf Esprit Harderwijk, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

3.

ZAAK 21:

zij op of omstreeks 11 april 2014 te Harderwijk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid slippers (ter waarde van totaal ongeveer 1.154,84 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het bedrijf Scapino, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

4.

ZAKEN 4, 6, 7, 9, 16, 17, 18:

zij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 23 april 2014 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van opzetheling een gewoonte heeft gemaakt, althans opzet-/schuldheling heeft gepleegd door op verschillende tijdstippen, in elk geval eenmaal, (telkens) een (grote) hoeveelhe(i)d(en) kleding en/of schoeisels heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl zij en/of haar mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die kleding en/of schoeisels (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

5.

ZAAK 2:

zij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 23 april 2014,te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie bestaande uit onder meer [verdachte 10] en/of [verdachte 9] en/of [verdachte 3] en/of [verdachte 11] en/of [verdachte 8] en/of [verdachte 7] en/of [verdachte 3] en/of [verdachte 6] en/of [verdachte 1] en/of [verdachte 5] en/of enige andere leden, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (al dan niet in vereniging) plegen van vermogensdelicten, onder andere (winkel)diefstallen en/of (gewoonte)heling en/of (gewoonte)witwassen.

Bijlage A3: Tenlasteleggingen [verdachte 3]

In de zaak met parketnummer 09/755052-14:

1.

ZAAK 4, 6, 7, 9, 16, 17, 18:

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 23 april 2014 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van opzetheling een gewoonte heeft gemaakt, althans opzet-/schuldheling heeft gepleegd door op verschillende tijdstippen, in elk geval eenmaal, (telkens) een (grote) hoeveelhe(i)d(en) kleding en/of schoeisels heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die kleding en/of schoeisels (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2.

ZAAK 23:

hij (op een of meerdere tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 4 juli 2013 tot en met 22 april 2014 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans meermalen, althans eenmaal heeft witgewassen, immers heeft hij, verdachte (telkens) een voorwerp, te weten geld (totaal ongeveer) 8.178,63 euro, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten dat geld, gebruik gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

3.

ZAAK 2:

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 23 april 2014,te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie bestaande uit onder meer [verdachte 10] en/of [verdachte 9] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 11] en/of [verdachte 8] en/of [verdachte 7] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 6] en/of [verdachte 1] en/of [verdachte 5] en/of enige andere leden, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (al dan niet in vereniging) plegen van vermogensdelicten, onder andere (winkel)diefstallen en/of (gewoonte)heling en/of (gewoonte)witwassen;

In de zaak met parketnummer 09/809295-13

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 november 2013 tot en met 16 december 2013 te 's-Gravenhage (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, heeft weggenomen een grote hoeveelheid aan kledingstukken en/of knuffels/knuffeldieren en/of haarbandjes en/of sieraden en/of een speelkleed en/of een handtas, in elk geval (telkens) enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan H&M en/of Bershka en/of CoolCat en/of Dolcis en/of Kruidvat en/of ZARA en/of Jack & Jones en/of New Yorker en/of WE en/of Pull & Bear en/of Perry Sport en/of Sting en/of Aktie Sport en/of V&D en/of Mexx en/of MS Mode, in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 november 2013 tot en met 16 december 2013 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een grote hoeveelheid aan kledingstukken en/of knuffels/knuffeldieren en/of haarbandjes en/of sieraden en/of een speelkleed en/of een handtas heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die goederen (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten weten dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Bijlage A4: Tenlastelegging [verdachte 4]

1.

ZAAK PL1513-2013248428:

hij in of omstreeks de periode van 5 november 2013 tot en met 12 november 2013 te Amersfoort en/of 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,een voorwerp, te weten een of meerdere geldbedrag(en) (van totaal ongeveer 4.462 euro) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten dat geld, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

subsidiair indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[verdachte 12] en/of onbekend gebleven personen

in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 12 november 2013 te Amersfoort en/of Soest en/of ’s-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten (een) gelbedrag(en) (van ongeveer 4.462 euro) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten geld, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij/zij wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf,

tot en/of bij het plegen van welke misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 12 november 2013 te ‘s-Gravenhage opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest door een bankrekening te openen en/of die bankrekening en/of de daarbij behorende bankpas ter beschikking te stellen aan die [verdachte 12] en/of zijn mededader(s);

2.

ZAKEN 10, 11, 12, 13:

hij (op een of meerdere tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 29 januari 2014 tot en met 18 april 2014 te Veenendaal en/of Alkmaar en/of Oss, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere (grote) hoeveelheden kleding, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het bedrijf V&D B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), te weten:

  • -

    (zaak 10:)op of omstreeks 18 april 2014 te Oss meerdere kledingstukken (ter waarde van totaal ongeveer 1.695 euro) en/of

  • -

    (zaak 11:) op of omstreeks 26 februari 2014 te Alkmaar een of meerdere jas(sen) en/of broek(ken) (ter waarde van totaal ongeveer 2.338,90 euro) en/of

  • -

    (zaak 12:) op of omstreeks 29 januari 2014 te Veenendaal een of meerdere jas(sen) (ter waarde van totaal ongeveer 489,88 euro) en/of

  • -

    (zaak 13:) op of omstreeks 29 januari 2014 te Veenendaal een of meerdere jas(sen) (ter waarde van totaal ongeveer 1.099,93 euro);

3.

ZAAK 20:

hij op of omstreeks 11 april 2014 te Harderwijk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere jurk(en) en/of een of meerdere andere kledingstuk(ken) (ter waarde van totaal ongeveer 559,95 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het bedrijf Esprit Harderwijk, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

4.

ZAAK 21:

hij op of omstreeks 11 april 2014 te Harderwijk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid slippers (ter waarde van totaal ongeveer 1.154,84 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het bedrijf Scapino, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

5.

ZAAK 5:

hij op of omstreeks 22 maart 2014 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee (met inhoud), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

6.

ZAKEN 4, 6, 7, 9, 16, 17, 18:

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 23 april 2014 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van opzetheling een gewoonte heeft gemaakt, althans opzet-/schuldheling heeft gepleegd door op verschillende tijdstippen, in elk geval eenmaal, (telkens) een (grote) hoeveelhe(i)d(en) kleding en/of schoeisels heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die kleding en/of schoeisels (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

7.

ZAAK 23:

hij (op een of meerdere tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 22 april 2014 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans meermalen, althans eenmaal heeft witgewassen, immers heeft hij, verdachte (telkens) een voorwerp, te weten geld (totaal ongeveer 5.816, 47 euro), verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten dat geld, gebruik gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

8.

ZAAK 2:

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 23 april 2014,te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie bestaande uit onder meer [verdachte 10] en/of [verdachte 9] en/of [verdachte 11] en/of [verdachte 8] en/of [verdachte 7] en/of [verdachte 3] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 6] en/of [verdachte 1] en/of [verdachte 5] en/of enige andere leden, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (al dan niet in vereniging) plegen van vermogensdelicten, onder andere (winkel)diefstallen en/of (gewoonte)heling en/of (gewoonte)witwassen.

Bijlage A5: Tenlastelegging [verdachte 5]

1.

ZAAK 10:

zij op of omstreeks 18 april 2014 te Oss, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid kledingstukken (ter waarde van totaal ongeveer 1.695 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het bedrijf V&D, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

2.

ZAAK 20:

zij op of omstreeks 11 april 2014 te Harderwijk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere jurk(en) en/of een of meerdere andere kledingstuk(ken) (ter waarde van totaal ongeveer 559,95 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het bedrijf Esprit Harderwijk, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

3.

ZAAK 21:

zij op of omstreeks 11 april 2014 te Harderwijk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid slippers (ter waarde van totaal ongeveer 1.154,84 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het bedrijf Scapino, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

4.

ZAKEN 4, 6, 7, 9, 16, 17, 18:

zij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 23 april 2014 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van opzetheling een gewoonte heeft gemaakt, althans opzet-/schuldheling heeft gepleegd door op verschillende tijdstippen, in elk geval eenmaal, (telkens) een (grote) hoeveelhe(i)d(en) kleding en/of schoeisels heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl zij en/of haar mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die kleding en/of schoeisels (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

5.

ZAAK 2:

zij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 23 april 2014,te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie bestaande uit onder meer [verdachte 10] en/of [verdachte 9] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 11] en/of [verdachte 8] en/of [verdachte 7] en/of [verdachte 3] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 6] en/of [verdachte 1] en/of enige andere leden, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (al dan niet in vereniging) plegen van vermogensdelicten, onder andere (winkel)diefstallen en/of (gewoonte)heling en/of (gewoonte)witwassen.

Bijlage A6: Tenlastelegging [verdachte 6]

1.

ZAKEN 10, 11, 12, 13:

zij (op een of meerdere tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 29 januari 2014 tot en met 18 april 2014 te Veenendaal en/of Alkmaar en/of Oss, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of

meerdere (grote) hoeveelheden kleding, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het bedrijf V&D B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), te weten:

  • -

    (zaak 10:)op of omstreeks 18 april 2014 te Oss meerdere kledingstukken (ter waarde van totaal ongeveer 1.695 euro) en/of

  • -

    (zaak 11:) op of omstreeks 26 februari 2014 te Alkmaar een of meerdere jas(sen) en/of broek(ken) (ter waarde van totaal ongeveer 2.338,90 euro) en/of

  • -

    (zaak 12:) op of omstreeks 29 januari 2014 te Veenendaal een of meerdere jas(sen) (ter waarde van totaal ongeveer 489,88 euro) en/of

  • -

    (zaak 13:) op of omstreeks 29 januari 2014 te Veenendaal een of meerdere jas(sen) (ter waarde van totaal ongeveer 1.099,93 euro);

2.

ZAKEN 4, 6, 7, 9, 16, 17, 18:

zij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 23 april 2014 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van opzetheling een gewoonte heeft gemaakt, althans opzet-/schuldheling heeft gepleegd door op verschillende tijdstippen, in elk geval eenmaal, (telkens) een (grote) hoeveelhe(i)d(en) kleding en/of schoeisels heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die kleding en/of schoeisels (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

3.

ZAAK 2:

zij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 23 april 2014,te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie bestaande uit onder meer [verdachte 10] en/of [verdachte 9] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 11] en/of [verdachte 8] en/of [verdachte 7] en/of [verdachte 3] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 1] en/of [verdachte 5] en/of enige andere leden, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (al dan niet in vereniging) plegen van vermogensdelicten, onder andere (winkel)diefstallen en/of (gewoonte)heling en/of (gewoonte)witwassen.

Bijlage A7: Tenlastelegging [verdachte 7]

1.

ZAKEN 4, 6, 7, 16, 17, 18:

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 23 april 2014 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van opzetheling een gewoonte heeft gemaakt, althans opzet-/schuldheling heeft gepleegd door op verschillende tijdstippen, in elk geval eenmaal, (telkens) een (grote) hoeveelhe(i)d(en) kleding en/of schoeisels heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die kleding en/of schoeisels (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2.

ZAAK 19:

hij op of omstreeks 23 april 2014 te 's-Gravenhage een busje CS gas (traangasbusje), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met (een) giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) van de categorie II, onder 6°, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

3.

ZAAK 2:

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 23 april 2014,te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie bestaande uit onder meer [verdachte 10] en/of [verdachte 9] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 11] en/of [verdachte 8] en/of [verdachte 3] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 6] en/of [verdachte 1] en/of [verdachte 5] en/of enige andere leden, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (al dan niet in vereniging) plegen van vermogensdelicten, onder andere (winkel)diefstallen en/of (gewoonte)heling en/of (gewoonte)witwassen.

Bijlage A8: Tenlasteleggingen [verdachte 8]

In de zaak met parketnummer 09/7555054-14:

1.

ZAKEN 4, 6, 7, 9, 16, 17, 18:

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 23 april 2014 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van opzetheling een gewoonte heeft gemaakt, althans opzet-/schuldheling heeft gepleegd door op verschillende tijdstippen, in elk geval eenmaal, (telkens) een (grote) hoeveelhe(i)d(en) kleding en/of schoeisels heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die kleding en/of schoeisels (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2.

ZAAK 2:

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 23 april 2014,te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie bestaande uit onder meer [verdachte 10] en/of [verdachte 9] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 11] en/of [verdachte 7] en/of [verdachte 3] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 6] en/of [verdachte 1] en/of [verdachte 5] en/of enige andere leden, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (al dan niet in vereniging) plegen van vermogensdelicten, onder andere (winkel)diefstallen en/of (gewoonte)heling en/of (gewoonte)witwassen.

In de zaak met parketnummer 09/809601-14:

ZAAK 23:

hij (op een of meerdere tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 1 juli 13 t/m 30 april 14

te 's-Gravenhage, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans meermalen, althans eenmaal, heeft witgewassen, immers heeft hij, verdachte (telkens) een voorwerp, te weten geld (totaal ongeveer 2.213,13 euro) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten dat geld, gebruik gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

In de zaak met parketnummer 09/809296-13:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 november 2013 tot en met 16 december 2013 te 's-Gravenhage (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, heeft weggenomen een grote hoeveelheid aan kledingstukken en/of knuffels/knuffeldieren en/of haarbandjes en/of sieraden en/of een speelkleed en/of een handtas, in elk geval (telkens) enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan H&M en/of Bershka en/of CoolCat en/of Dolcis en/of Kruidvat en/of ZARA en/of Jack & Jones en/of New Yorker en/of WE en/of Pull & Bear en/of Perry Sport en/of Sting en/of Aktie Sport en/of V&D en/of Mexx en/of MS Mode, in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 november 2013 tot en met 16 december 2013 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een grote hoeveelheid aan kledingstukken en/of knuffels/knuffeldieren en/of haarbandjes en/of sieraden en/of een speelkleed en/of een handtas heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die goederen (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten weten dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Bijlage A9: Tenlastelegging [verdachte 9]

1.

ZAKEN 4, 6, 7, 9, 16, 17, 18:

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 23 april 2014 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van opzetheling een gewoonte heeft gemaakt, althans opzet-/schuldheling heeft gepleegd door op verschillende tijdstippen, in elk geval eenmaal, (telkens) een (grote) hoeveelhe(i)d(en) kleding en/of schoeisels heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die kleding en/of schoeisels (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2.

ZAAK 23:

hij (op een of meerdere tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 8 juli 2013 tot en met 31 december 2013 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans meermalen, althans eenmaal heeft witgewassen, immers heeft hij, verdachte (telkens) een voorwerp, te weten geld (totaal ongeveer 7.318 euro, verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten dat geld, gebruik gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

3.

ZAAK 2:

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 23 april 2014,te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie bestaande uit onder meer [verdachte 10] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 11] en/of [verdachte 8] en/of [verdachte 7] en/of [verdachte 3] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 6] en/of [verdachte 1] en/of [verdachte 5] en/of enige andere leden, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (al dan niet in vereniging) plegen van vermogensdelicten, onder andere (winkel)diefstallen en/of (gewoonte)heling en/of (gewoonte)witwassen;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

[verdachte 10] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 11] en/of [verdachte 3] en/of [verdachte 8] en/of e.v. [verdachte 7] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 6] en/of [verdachte 1] en/of [verdachte 5] en/of enig(e) ander(e) perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 23 april 2014, te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, hebben deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (al dan niet in vereniging) plegen van vermogensdelicten, onder andere (winkel)diefstallen en/of (gewoonte)heling en/of (gewoonte)witwassen,

tot en/of bij het plegen van welke misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 23 april 2014, te 's-Gravenhage opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest door zijn, verdachtes, (huur)woning (dagelijks) ter beschikking te stellen als voorbereidings- en/of verzamellocatie voor die vermogensdelicten, onder andere (winkel)diefstallen en/of (gewoonte)heling en/of (gewoonte )witwassen.

Bijlage A10: Tenlastelegging [verdachte 10]

1.

ZAAK 9:

zij op of omstreeks 23 april 2014 te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid kleding (ter waarde van totaal ongeveer 3.278,- euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het bedrijf Hollister, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

2.

ZAKEN 10, 11, 12, 13:

zij (op een of meerdere tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 29 januari 2014 tot en met 18 april 2014 te Veenendaal en/of Alkmaar en/of Oss, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of

meerdere (grote) hoeveelheden kleding, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het bedrijf V&D B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), te weten:

  • -

    (zaak 10:)op of omstreeks 18 april 2014 te Oss meerdere kledingstukken (ter waarde van totaal ongeveer 1.695 euro) en/of

  • -

    (zaak 11:) op of omstreeks 26 februari 2014 te Alkmaar een of meerdere jas(sen) en/of broek(ken) (ter waarde van totaal ongeveer 2.338,90 euro) en/of

  • -

    (zaak 12:) op of omstreeks 29 januari 2014 te Veenendaal een of meerdere jas(sen) (ter waarde van totaal ongeveer 489,88 euro) en/of

  • -

    (zaak 13:) op of omstreeks 29 januari 2014 te Veenendaal een of meerdere jas(sen) (ter waarde van totaal ongeveer 1.099,93 euro);

3.

ZAAK 20:

zij op of omstreeks 11 april 2014 te Harderwijk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere jurk(en) en/of een of meerdere andere kledingstuk(ken) (ter waarde van totaal ongeveer 559,95 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het bedrijf Esprit Harderwijk, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

4.

ZAAK 21:

zij op of omstreeks 11 april 2014 te Harderwijk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid slippers (ter waarde van totaal ongeveer 1.154,84 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het bedrijf Scapino, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

5.

ZAAK 5:

zij op of omstreeks 22 maart 2014 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee (met inhoud), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

6.

ZAKEN 4, 6, 7, 16, 17, 18:

zij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 23 april 2014 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van opzetheling een gewoonte heeft gemaakt, althans opzet-/schuldheling heeft gepleegd door op verschillende tijdstippen, in elk geval eenmaal, (telkens) een (grote) hoeveelhe(i)d(en) kleding en/of schoeisels heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl zij en/of haar mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die kleding en/of schoeisels (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

7.

ZAAK 2:

zij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 23 april 2014,te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie bestaande uit onder meer [verdachte 9] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 11] en/of [verdachte 8] en/of [verdachte 7] en/of [verdachte 3] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 6] en/of [verdachte 1] en/of [verdachte 5] en/of enige andere leden, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (al dan niet in vereniging) plegen van vermogensdelicten, onder andere (winkel)diefstallen en/of (gewoonte)heling en/of (gewoonte)witwassen.

Bijlage A11: Tenlastelegging [verdachte 11]

1.

ZAAK PL1513-2013248428:

hij in of omstreeks de periode van 6 november 2013 tot en met 12 november 2013 te Amersfoort en/of 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten een of meerdere geldbedrag(en) (van totaal ongeveer 1280 euro) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten dat geld, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

subsidiair indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[verdachte 12] en/of onbekend gebleven personen

in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 12 november 2013 te Amersfoort en/of Soest en/of ’s-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten (een) gelbedrag(en) (van ongeveer 4.462 euro) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten geld, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij/zij wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf,

tot en/of bij het plegen van welke misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 12 november 2013 te ‘s-Gravenhage opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest door een bankrekening te openen en/of die bankrekening en/of de daarbij behorende bankpas ter beschikking te stellen aan die [verdachte 12] en/of zijn mededader(s);

2.

ZAAK 9:

hij op of omstreeks 23 april 2014 te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid kleding (ter waarde van totaal ongeveer 3.278,- euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het bedrijf Hollister, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

3.

ZAKEN 10, 11, 12, 13:

hij (op een of meerdere tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 29 januari 2014 tot en met 18 april 2014 te Veenendaal en/of Alkmaar en/of Oss, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere (grote) hoeveelheden kleding, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het bedrijf V&D B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), te weten:

  • -

    (zaak 10:)op of omstreeks 18 april 2014 te Oss meerdere kledingstukken (ter waarde van totaal ongeveer 1.695 euro) en/of

  • -

    (zaak 11:) op of omstreeks 26 februari 2014 te Alkmaar een of meerdere jas(sen) en/of broek(ken) (ter waarde van totaal ongeveer 2.338,90 euro) en/of

  • -

    (zaak 12:) op of omstreeks 29 januari 2014 te Veenendaal een of meerdere jas(sen) (ter waarde van totaal ongeveer 489,88 euro) en/of

  • -

    (zaak 13:) op of omstreeks 29 januari 2014 te Veenendaal een of meerdere jas(sen) (ter waarde van totaal ongeveer 1.099,93 euro);

4.

ZAAK 20:

hij op of omstreeks 11 april 2014 te Harderwijk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere jurk(en) en/of een of meerdere andere kledingstuk(ken) (ter waarde van totaal ongeveer 559,95 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het bedrijf Esprit Harderwijk, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

5.

ZAAK 21:

hij op of omstreeks 11 april 2014 te Harderwijk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid slippers (ter waarde van totaal ongeveer 1.154,84 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het bedrijf Scapino, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

6.

ZAKEN 4, 6, 7, 16, 17, 18:

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 23 april 2014 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van opzetheling een gewoonte heeft gemaakt, althans opzet-/schuldheling ling heeft gepleegd door op verschillende tijdstippen, in elk geval eenmaal, (telkens) een (grote) hoeveelhe(i)d(en) kleding en/of schoeisels heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die kleding en/of schoeisels (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

1.

ZAAK 23:

hij (op een of meerdere tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 12 juni 2013 tot en met 22 april 2014 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans meermalen, althans eenmaal heeft witgewassen, immers heeft hij, verdachte (telkens) een voorwerp, te weten geld (totaal ongeveer 10.427,98) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten dat geld, gebruik gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

8.

ZAAK 2:

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 23 april 2014,te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie bestaande uit onder meer [verdachte 10] en/of [verdachte 9] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 8] en/of [verdachte 7] en/of [verdachte 3] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 6] en/of [verdachte 1] en/of [verdachte 5] en/of enige andere leden, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (al dan niet in vereniging) plegen van vermogensdelicten, onder andere (winkel)diefstallen en/of (gewoonte)heling en/of (gewoonte)witwassen.

Bijlage B1: Camerabeelden Hollister Utrecht

Proces-verbaal van bevindingen, p. 651-653:

Uitgekeken beelden beveiligingscamera's Hollister Utrecht.

Dudes 1/ Dudes ent:

16:02:50 uur: Een man en een vrouw komen de Hollister Utrecht samen binnen. Deze man en vrouw omschrijf ik verder in het proces-verbaal als man 1 en vrouw 1 of samen als stel 1. Signalement van deze man en vrouw omschrijf ik als volgt:

  • -

    Man 1: Oost-Europees uiterlijk, wat forser postuur, kort bruin haar, wat breder gezicht met inhammen naar de haargrens. kleding: Spijkerbroek, donderblauw shirt met hierop een kort model grijskleurige jas, lichte (sport)schoenen, donderkleurige schoudertas (rechthoekig model)

  • -

    Vrouw 1: Oost-Europees uiterlijk, slank postuur, kop kleiner dan man 1, smal gezicht, bril, lang donder stijl haar. kleding: licht gekleurde(sport)schoenen, een donkere broek en jas, droeg bij zich een plastictasje van de H&M en een schoudertas, vierkant model.

Zowel man 1 als vrouw 1 lopen samen kort naar een stelling in de winkel en lopen dan weer terug in de richting van waar zij vandaan kwamen.

16:03:23 uur: Een man en een vrouw komen de Hollister Utrecht binnen. Deze man en vrouw omschrijf ik verder in het proces-verbaal als man 2 en vrouw 2 en samen als stel 2. Het signalement van deze man en vrouw omschrijf ik als volgt:

  • -

    Man 2: Oost-Europees uiterlijk, inhammen naar de haargrens, licht kalend op het achterhoofd, donker kort haar wat bovenop iets langer is. Normaal postuur. kleding: Donkerkleurige(spijker)broek, zalmkleurig shirt met zwarte opdruk, zwarte heupmodel(leren)jas. Had tevens een(zonne)bril in zijn hand

  • -

    Vrouw 2: Oost-Europees uiterlijk, erg kenmerkend gezicht, lang donker haar, slank postuur. kleding: Nauwsluitende spijkerbroek, hoger model donkerkleurige schoenen, zwart shirt, zwart kort modeljasje met korte of opgestroopte mouwen, schoudertas.

Dudes 2:

16:05:54 uur: Stel 2 komen in beeld en kijken wat rond tussen de aldaar gelegen stellingen en rekken. Vervolgens loopt man 2 naar een stelling en pakt een mouw van een wit shirt beet. Opvallend hieraan is dat hij nauwelijks kijkt naar wat hij vastpakt. Vrouw 2 staat naast hem. Ze vormen duidelijk een paar en staan naast de plant bij de eerder omschreven stelling 1. Beide maken pratende bewegingen met hun mond.

16:06:01 uur: Stel 2 staan tegenover elkaar. Man 2 maakt vervolgens een wijzende beweging in de richting van de linkerkant van stelling 2, alwaar vervolgens te 16:06:03 uur stel 1 in beeld verschijnen.

Op laatst genoemde tijdstip pakt man 2 een wit overhemd uit het rek waar hij voor staat en zetten hij en vrouw 2 direct twee stappen in de richting van stel 1. Man 2 maakt een korte pratende beweging met zijn mond in de richting van man 1. Stel 1 lopen tussen het gangpad tussen stelling 1 en 2, langs stel 2 en lopen vervolgens tussen de stellingen door welke tegenover stel 2 gelegen zijn, rechts van stelling 2. Stel 1 en stel 2 hebben zicht op elkaar, er zit slechts enkele meters tussen hen. Het gezicht van man 2 en vrouw 2 is voornamelijk gedraaid in de richting van stel 1, die op dat moment weer even voorbij lopen.

16:07:24 uur: Stel 1 komen achterin weer in beeld. Opvallend is dat ze met hun handen door de kleding gaan maar in de richting van stel 2 kijken.

16:07:39 uur: Man 2 heeft in zijn linker hand een voorwerp gelijkend op een mobiele telefoon. Het beeldscherm geeft licht. Deze schermt hij met zijn rechterhand af. Vrouw 2 staat bij hem. Vervolgens stopt man 2 het voorwerp weg in zijn linkerbroekzak.

16:08:02 uur: Er loopt wat winkelend publiek langs. Vervolgens verplaatst stel 2 zich naar de plek, rechts van de plant, met hun gezicht in de richting van stel 1. Stel 1 staan naast elkaar bij de stelling 2, tegenover stel 2. Ze hebben duidelijk zicht op elkaar. Hiermee bedoel ik dat hun gezichten naar elkaar gericht zijn, waardoor zij zicht zouden kunnen hebben op elkaar. Vervolgens pakken man 1 en vrouw

1. stapels kleding van de genoemde stelling. Dit gebeurd in korte handelingen waarbij het lijkt alsof ze de kleding dubbel doen en direct wegstoppen. De kleding die ze pakken leggen ze niet terug. De handelingen gaan snel. Aan de manier van hoe ze hun armen bewegen lijkt het alsof ze de kleding wegduwen ergens in. Er worden meerdere stappels met kleding gepakt.

Ten tijden van de genoemde handelingen van stel 1 past man 2 het witte overhemd wat hij eerder al bij zich droeg. Tijdens het passen is zijn gezicht gedraaid naar stel 1.

16:08:14 uur: Vrouw 1 gaat met haar hand weer naar een stapel kleding op de stelling 2. Op dat moment kijkt zij in de richting van stel 2. Stel 2 draait zich op dat moment om en staan hierdoor met hun rug naar vrouw 1. Vervolgens trekt vrouw 1 direct haar hand terug van de stapel kleding. Ze heeft niets in haar hand en loopt meteen weg samen met man 1. Op dat moment pakt man 2 een roodkleurig shirtje van een rek en kijkt hij weer in de richting van de stelling 2.

16:09:48 uur: Man 2 brengt een voorwerp gelijkend op een mobiele telefoon naar zijn oor en maakt pratende bewegingen met zijn mond.

16:09:29 uur: man 1 komt weer in beeld bij stelling 2. Vervolgens pakt hij een stapel shirts van een daarop gelegen kledingstapel af en rolt deze in een snelle beweging op en stopt deze rol vervolgens in zijn schoudertas. Op dat moment staat stel 2 weer rechts van de plant en kunnen zij zicht hebben op

deze handeling en omgeving.

Dudes 1/ Duses ent

16:11:15 uur: Stel 1 komen in beeld van de camera's en lopen in de richting van de in- en uitgang. Hun tassen lijken meer gevuld dan toen zij de winkel binnenkwamen.

16:11:21 uur: Stel 1 verlaat de Hollister.

16:20:50 uur: Stel 2 verlaat de Hollister.

Noot verbalisant:

Over het gehele genomen vertoonde stel 1 en stel 2 afwijkend gedrag ten aanzien van het overige winkelende publiek. Ik verbalisant ben me zeer bewust van afwijkend gedrag door een gevolgde observatieopleiding.

Bij stel 1 was dit gedrag overduidelijk omdat er zichtbaar was dat zij kleding pakte en deze niet terug legde. Daarnaast viel het op dat zij op dat moment met hun gezicht naar stel 2 stonden, welke ook hun gezicht in hun richting hadden gericht.

Ten aanzien van stel 2 was hun gedrag ook afwijkend doordat:

  • -

    hun blik/gezicht was niet/nauwelijks op de hoogte van de kleding op de stellingen/rekken gericht, die zich direct naast zich bevonden.

  • -

    Keken weinig naar de spullen die zij vastpakte. Leek op een "plaatje" wat niet werd afgemaakt.

  • -

    De wisseling van plek op de momenten dat stel 1 in hun buurt kwam.

Bijlage B2: Camerabeelden Esprit Harderwijk

Proces-verbaal van bevindingen, p. 873-874:

[Ik zie] een man (betrokkene 1) en een vrouw (betrokkene 2) samen de winkel [Esprit te Harderwijk] inlopen. Een halve minuut later zie ik een vrouw (betrokkene 3) de winkel inlopen. Even later zie ik dat de drie verdachten contact met elkaar hebben in de winkel. Ik zie dat betrokkene 2 een wit shirt uit een rek haalt en deze gaat passen in het linkerpashok. Even later gaat betrokkene 3 ook een shirt passen [..]. Ik zie dat betrokkene 1, 3 stapels met kleding weg nemen. Betrokkene 1 brengt de kleding naar betrokkene 3. Zonder kleding wacht hij op betrokkene 1. Betrokkene 1 en 2 verlaten samen de winkel. Betrokkene 3 verlaat even later het pashok […] alle kleding die zij heeft gekregen van betrokkene 1 heeft zij vermoedelijk in een tas gedaan die zij bij zich droeg. Ik zag dat deze tas opgevuld was. De tas stond bol.

Signalement betrokkenen:

BETROKKENE 1. Manspersoon

  • -

    Licht getint

  • -

    Zwart haar, met inhammen

  • -

    Normaal postuur

  • -

    Rood/roze shirt

  • -

    Zwart jack erover die hij los droeg

  • -

    Spijkerbroek

  • -

    Zwarte gympen met witte zolen en veters

  • -

    Schoudertas linksdragend

BETROKKENE 2. Vrouwpersoon

  • -

    Licht getint

  • -

    Smal postuur

  • -

    Lang zwart haar, losdragend

  • -

    Zwarte jas

  • -

    Spijkerbroek

  • -

    Witte sneakers

BETROKKENE 3. Vrouwpersoon

  • -

    Licht getint

  • -

    Normaal postuur

  • -

    Zwart kort haar

  • -

    Zwarte jas

  • -

    Gele sjaal met motief

  • -

    Spijkerbroek

  • -

    Witte sneakers

  • -

    Rechts van haar draagt ze een grote zwarte boodschappentas

Bijlage B3: Camerabeelden V&D Oss

Proces-verbaal van bevindingen, p. 1682:

Uitgekeken beelden beveiligingscamera's V&D Oss

Camera 1:

15:40:56 uur: Een man en een vrouw verschijnen in beeld van camera 1. Deze man en vrouw omschrijf ik verder in dit proces-verbaal als man 1 en vrouw 1 of samen als stel 1. Signalement van deze man en vrouw omschrijf ik als volgt:

  • -

    Man 1: Oost-Europees uiterlijk, normaal tot forser postuur, kort bruin haar met een kuif, inhammen naar de haargrens en een vol gezicht. Kleding man 1: Spijkerbroek, licht kleurig blauw shirt met daarop een donkerblauwe jas, donkerkleurige (sport) schoenen, donkerkleurige schoudertas (rechthoekig model)

  • -

    Vrouw 1: Oost-Europees uiterlijk, slank postuur, kop kleiner dan man 1, smal gezicht, bril dragend en lang donker stijl haar. Kleding vrouw 1: Blauwe jas met een witte kraag, donkerkleurige spijkerbroek, witte (sport) schoenen. In haar rechterarm draagt ze een plasticzak van de H&M. Daarachter draagt zij een rechthoekige bruinkleurige tas.

Stel 1 lopen samen de V&D in Oss binnen.

15:51:14 uur: een man en een vrouw verschijnen in beeld van camera 1. Deze man en vrouw omschrijf ik verder in dit proces-verbaal als man 2 en vrouw 2 of samen als stel 2.

Signalement van de man en vrouw omschrijf ik als volgt:

  • -

    Man 2: Oost-Europees uiterlijk, normaal tot slank van postuur, inhammen naar de haargrens, donker kort haar wat bovenop iets langer is. Kleding van man 2: Donkerkleurige spijkerbroek, donkerkleurige jas, donkerkleurige (sport) schoenen. Man 2 kwam binnen lopen met vermoedelijk een telefoon tegen zijn oor.

  • -

    Vrouw 2: Oost-Europees uiterlijk, erg kenmerkend gezicht, lang donker stijl haar, slank postuur. Kleding vrouw 2: Donkerkleurige spijkerbroek, donker korte laarzen, kort model zwart jasje en een lang grijs vest tot in haar knieholte.

Stel 2 lopen samen de V&D in Oss binnen.

Camera 2:

15:52:20 uur: een vrouw verschijnt in beeld van camera 2. Deze vrouw omschrijf ik verder in dit proces-verbaal als vrouw 3.

Signalement van de vrouw omschrijf ik als volgt:

- Vrouw 3: Oost-Europees uiterlijk, normaal postuur, kort donker haar. Kleding van vrouw 3: Witte schoenen, lichtkleurige spijkerbroek, donkerkleurige jas waar onder een wit shirt zit. In haar rechterarm draagt ze een plasticzak van de H&M. Daarachter draagt zij een rechthoekige bruinkleurige tas.

Vrouw 3 loopt de winkel in.

Camera 1:

15:56:13 uur: Man 1 verschijnt in beeld van camera 1. Man 1 loopt richting de uitgang van de V&D in Oss. Zichtbaar is dat de schoudertas van man I meer gevuld lijkt dan toen hij de winkel binnen kwam lopen. Vervolgens loopt man 1 naar buiten en blijft hij stilstaan voor de winkel. Hierna te 15:56:29 uur loopt man 1 vervolgens weg van de winkel.

Camera 4:

15:58:13 uur: Vrouw 3 verschijnt in beeld van camera 4. Vrouw 3 loopt richting de ingang van de dames paskamer. Vrouw 3 heeft in haar hand een kledinghaakje waaraan een shirt hangt. Dit shirt is wit van kleur met horizontale zwarte strepen. Vervolgens loopt vrouw 3 te 15:58:16 uur de dames paskamer binnen.

15:58:16 uur: Direct nadat vrouw 3 de dames paskamer inloopt, verschijnt vrouw 2 in beeld. Vrouw 2 loopt vervolgens ook de dames paskamer naar binnen. Vrouw 2 heeft in haar hand diverse kledinghaakjes waaraan meerdere shirts hangen. Waaronder een donkerkleurig shirt en een bruinkleurig shirt. Vervolgens loopt vrouw 2 te 15:58:19 uur de dames paskamer binnen.

15:58:39 uur: Vrouw 2 verschijnt in beeld van camera 4. Vrouw 2 verlaat de dames paskamer. Vrouw twee heeft enkel het kledinghaakje met het donkerkleurige shirt in haar handen. Vervolgens loopt vrouw 2 de winkel in.

16:00:19 uur: Vrouw 1 verschijnt kort in beeld van camera 4. Vrouw 1 loopt voorlangs de dames paskamer van rechts naar links in beeld en verdwijnt te 16:00:21 uur weer uit beeld. Vrouw 1 heeft op dat moment geen kledinghaakje in haar handen.

16:00:35 uur: Vrouw 1 verschijnt in beeld van camera 4. Vrouw 1 loopt richting de ingang van de dames paskamer. Vrouw 1 heeft in haar hand een kledinghaakje waaraan een zwartkleurig shirt hangt. Vervolgens loopt vrouw 1 te 16:00:37 uur de paskamer binnen.

16:00:40 uur: Vrouw 3 verschijnt in beeld van camera 4. Vrouw 3 heeft hetzelfde kledingstuk in haar hand als waarmee zij de dames paskamer binnen kwam. De schoudertas van vrouw 3 lijkt boller te zijn dan wanneer zij de paskamer binnen kwam. Vrouw 3 loopt vervolgens de dames paskamer uit.

Camera 2:

16:01:13 uur: Vrouw 3 verschijnt in beeld van camera 2. Vrouw 3 loopt richting de uitgang van de winkel. Vrouw 3 loopt rechtdoor de winkel uit.

Camera 4:

16:04:08 uur: Man 2 verschijnt in beeld van camera 4. Direct hierachter te 16:04:14 uur verschijnt vrouw 2 in beeld. Vrouw 2 loopt achter man 2 aan. Man 2 heeft niets in zijn handen. Vrouw 2 heeft diverse kledinghaakjes met kleding in haar hand. Waaronder een fel roze shirt en een aantal shirts met diverse lichte kleuren. Te 16:04:27 uur verdwijnt man 2 uit beeld, op voornoemd tijdstip blijven de schoenen van vrouw 2 in beeld. Vervolgens te 16:04:31 uur verschijnt man 2 weer in beeld. Man 2 heeft een grote hoeveelheid kledinghaakjes in zijn hand met donkergekleurde kleding. Hierna te 16:04:35 uur is te zien dat man 2 de grote hoeveelheid kledinghaakjes overgeeft aan vrouw 2. Vervolgens te 16:04:40 uur loopt vrouw 2 in de richting van de ingang van de kleedkamer. Vrouw 2 loopt te 16:04:41 de dames paskamer in.

16:04:53 uur: Man 2 verschijnt in beeld van camera 4. Man 2 loopt van links naar rechts voor de dames paskamer langs. Direct hierna te 16:04:56 uur verschijnt vrouw 2 in beeld. Vrouw 2 heeft nog 1 kledinghaak met een gekleurd kledingstuk in haarhanden. Vrouw 2 loopt achter man 2 aan.

Camera 2:

16:06:37 uur: Een vrouw verschijnt in beeld van camera 2. Deze vrouw omschrijf ik verder in dit proces-verbaal als vrouw 4.

Signalement van deze vrouw omschrijf ik als volgt:

- Vrouw 4: Oost-Europees uiterlijk, normaal tot fors postuur, klein van stuk, kort mogelijk kastanjebruin geverfd haar, oud in het gezicht. Kleding vrouw 4: Bruine lage schoenen, blauwe spijkerbroek, lang model donkerblauw kleurige jas, droeg bij zich een donkergekleurde rechthoekige schoudertas.

Bij binnenkomst in de winkel houdt vrouw 4 een witte doek voor haar neus. Kennelijk om haar neus te snuiten.

16:08:33 uur: Man 1 verschijnt in beeld van camera 2. Man 1 loopt de ingang van de winkel binnen. Zichtbaar is dat de schoudertas van man 1 minder bol staat dan wanneer hij de winkel verliet. Man 1 loopt vervolgens verder de winkel in.

Camera 4:

16:09:37 uur: Man 1 verschijnt in beeld van camera 4. Man 1 loopt rechtstreeks zonder dat hij iets in zijn handen meedraagt, de dames paskamer binnen.

16:11:01 uur: Stel 1 verschijnt in beeld van camera 4. Stel 1 staat stil voor de ingang van de dames paskamer en kijken beide de winkel in. Vrouw 1 heeft een kledinghaakje ik haar handen met een lichtkleurig kleding stuk daaraan. Vervolgens te 16:11:03 uur verschijnt man 2 in beeld. Op dat zelfde moment draaien de gezichten van stel 1 naar elkaar toe en kijken elkaar aan. Hierna te 16:11:04 uur

loopt man 1 terug de dames paskamer in en verdwijnt te 16:11:04 uur uit beeld. Direct hierna te 16:11:06 uur verschijnt vrouw 2 in beeld. Vrouw 2 loopt achter man 2 aan. Vrouw 2 kijk in het voorbij lopen van de dames paskamer in de richting van de dames paskamer waar op dat moment vrouw 1 staat. Vervolgens verdwijnt stel 2 te 16:11:09 uur uit beeld. Op dat zelfde moment verschijnt man 1 in beeld. Man 1 raakt vrouw 1 aan. Direct op dat moment pakt vrouw 1 een kledinghaakje met een

donkerkleurig kledingstuk beet en loopt achter man 1 aan de dames paskamer in.

6:11:15 uur: Vrouw 4 verschijnt in beeld van camera 4. Vrouw 4 loopt in de richting van de ingang van de dames paskamer. Vrouw 4 heeft daarbij een kledinghaakje in haar hand met daaraan een lichtkleurig lang model shirt. Voordat vrouw 4 de dames paskamer binnenloopt, rolt vrouw 4 het shirt meerdere malen om haar arm. Hierna te 16:11:26 uur loopt vrouw 4 de dames paskamer binnen.

16:11:48 uur: Vrouw 4 verschijnt in beeld van camera 4. Vrouw 4 heeft niets in haar handen. Vrouw 4 blijft voor de ingang van de dames paskamer staan. Vrouw 4 loopt terug de dames paskamer in te 16:12:16 uur, waarnaar ze vervolgens te 16:12:20 uur kort in beeld van camera 4 verschijnt. Direct op het zelfde moment verdwijnt ze weer uit beeld en loopt ze weer terug de dames paskamer binnen.

16:13:16 uur: Man 2 verschijnt in beeld van camera 4. Man 2 verschijnt in beeld en blijft stil staan voor de dames paskamer.

16:13:26 uur: Man 1 verschijnt in beeld van camera 4. Man 1 loopt de dames paskamer uit en blijft vervolgens voor de ingang van de dames paskamer stilstaan. De schoudertas van man 1 is zichtbaar boller dan voordat hij de dames paskamer binnen kwam. Man 1 loopt vervolgens te 16:13:37 uur verder de winkel in.

16:13:45 uur: Vrouw 2 verschijnt in beeld van camera 4. Vrouw 2 loopt in de richting van de ingang van de dames paskamer. Vrouw 2 heeft meerdere kledinghaakjes in haar hand. Bestaande uit meerdere licht gekleurde shirts en één zwart gekleurd shirt. Vrouw 2 loopt vervolgens te 16:13:47 uur de dames paskamer.

16:14:01 uur: Vrouw 2 verschijnt in beeld van camera 4. Vrouw 2 loopt de dames paskamer uit. Vrouw 2 heeft daarbij een kledinghaakje in haar hand met een zwart shirt. Vervolgens te 16:14:03 uur loopt vrouw 2 de winkel in.

16:14:11 uur: Man 1 verschijnt in beeld van camera 4. Man 1 loopt in de richting van de dames paskamer. Vervolgens te 16:14:12 uur loopt man 1 de dames paskamer binnen.

16:14:28 uur: Man 2 verschijnt in beeld van camera 4. Man 2 verschijnt kort in beeld voor de dames paskamer.

16:14:34 uur: Vrouw 2 verschijnt in beeld van camera 4. Vrouw 2 loopt voor de dames paskamer. Vrouw 2 heeft diverse kledinghaakjes in haar hand met daaraan gekleurde shirts.

16:14:39 uur. Vrouw 2 verschijnt in beeld van camera 4. Vrouw 2 loopt richting de ingang van de dames paskamer. Vrouw 2 heeft diverse kledinghaakjes in haar hand met daaraan gekleurde shirts. Vervolgens pakt vrouw 2 op hetzelfde moment met haar rechterhand meerdere kledinghaakjes met diverse shirts. Vervolgens te 16:14:42 uur loopt vrouw 2 met de kledinghaakjes de dames kleedkamer binnen.

16:14:53 uur: Vrouw 2 verschijnt in beeld van camera 4. Vrouw 2 loopt de dames paskamer uit. Vrouw twee heeft niets in haar handen. Vervolgens loopt vrouw 2 de winkel in.

16:15:52 uur: Vrouw 2 verschijnt in beeld van camera 4. Vrouw 2 loopt richting de dames paskamer. Vrouw 2 heeft meerdere kledinghaakjes in haar hand. Waaronder diverse witgekleurde, lichtblauw gekleurde en één fel roze shirt hangt. Vrouw 2 loopt de dames paskamer.

16:16:05 uur: Vrouw 2 verschijnt in beeld van camera 4. Vrouw 2 loopt de dames paskamer uit. Vrouw 2 heeft één kledinghaakje in haar hand. Hieraan hangt een fel roze shirt. Vrouw 2 loopt te 16:16:08 uur uit beeld de winkel in.

16:16:08 uur: Stel 1 verschijnt in beeld van camera 4. Stel 1 loopt richting de uitgang van de dames paskamer. Vrouw 1 heeft meerdre kledinghaakjes in haar handen beet. Daaraan hangen donker gekleurde shirt. Voor de ingang van de dames paskamer pakt man 1 de kledinghaakjes van vrouw 1. Man 1 hangt de kledinghaakjes vervolgens op. Vervolgens loopt stel 1 de winkel in. De schoudertassen van stel 1 lijken dikker te zijn dan voordat zei de dames paskamer in kwamen.

Camera 2:

16:16:37 uur: Stel 1 verschijnt in beeld van camera 2. Stel 1 loopt richting de uitgang van de winkel. Stel 1 verlaat de winkel.

16:20:37 uur: Vrouw 3 verschijnt in beeld van camera 2. Vrouw 3 loopt de ingang van de winkel binnen. De schoudertas van vrouw 3 lijkt minder bol te slaan dan wanneer zij de winkel verliet. Vrouw 3 loopt de winkel binnen.

Camera 4:

16:21:13 uur: Vrouw 3 verschijnt in beeld van camera 4. Vrouw 3 loopt van links naar rechts voor de dames paskamer langs. Vrouw 3 heeft een op een mobiletelefoon gelijkend voorwerp in haar hand. Vrouw 3 loopt verder de winkel in.

16:23:00 uur. Vrouw 4 verschijnt in beeld van camera 4. Vrouw 4 loopt richting de uitgang van de dames paskamer. De schoudertas van vrouw 4 lijkt boller te zijn dan voordat zij de dames paskamer binnen kwam. Vrouw 4 loopt vervolgens verder de winkel in.

Camera 2:

16:24:04 uur: Vrouw 4 verschijnt in beeld van camera 4. Vrouw 4 loopt richting de uitgang van de winkel. Vrouw 4 verlaat vervolgens de winkel.

Camera 1:

16:28:32 uur: Stel 2 verschijnt in beeld van camera 1. Stel 2 loopt richting de uitgang van de winkel. Stel 2 verlaat vervolgens de winkel.

Camera 4:

16:28:57 uur: De medewerkers van de V&D te Oss ontdekken een grote hoeveelheid lege kledinghaakjes in de dames paskamer.

Camera 1:

16:29:44 uur: Vrouw 3 verschijnt in beeld van camera 4. Vrouw 3 loopt richting de uitgang van de winkel.

Bijlage B4: Camerabeelden V&D Alkmaar

Proces-verbaal van bevindingen p. 1800-1803:

Uitgekeken beelden beveiligingscamera's V&D te Alkmaar [DVD A].

Bestand 1 Camera 3:

12:54:03 uur: een man en een vrouw verschijnen in beeld van camera 3. Deze man en vrouw omschrijf ik verder in dit proces-verbaal als man 1 en vrouw 1 of samen als stel 1.

Signalement van de man en vrouw omschrijf ik als volgt:

  • -

    Man 1: Oost-Europees uiterlijk, normaal postuur, inhammen naar de haargrens, donker kort haar wat bovenop iets langer is. Kleding van man 1: Donkerkleurige spijkerbroek, donkerkleurige jas met daaronder blauwkleurige kleding en donkerkleurige (sport) schoenen met een witte zool.

  • -

    Vrouw 1: Oost-Europees uiterlijk, erg kenmerkend gezicht, lang donker stijl haar, slank postuur. Kleding vrouw 1: Lichtblauwe spijkerbroek, hoge zwarte laarzen, kort model zwart jasje.

Stel 1 loopt samen de V&D in Alkmaar binnen.

12:55:41 uur: Een man en een vrouw verschijnen in beeld van camera 3. Deze man en vrouw omschrijf ik verder in dit proces-verbaal als man 2 en vrouw 2 of samen als stel 2. Stel 2 lopen samen de V&D in Alkmaar binnen. Vrouw 2 wijst met haar linker hand in de richting van camera 3, daarbij kijkt vrouw 2 ook in de richting van camera 3.

Bestand 2 Camera 3:

13:05:48 uur: Vrouw 3 verschijnt in beeld van camera 3. Vrouw 3 loopt richting de uitgang van de winkel. De schoudertas van vrouw 3 lijkt boller te zijn dan voordat zij de winkel binnen kwam. Vrouw 3 verlaat vervolgens de winkel en verdwijnt te 13:05:58 uur uit beeld.

Bestand 3 Camera 3:

13:12:22 uur: Stel 2 verschijnt in beeld van camera 3. Stel 2 loopt richting de uitgang van de winkel. In de winkel loopt man 2 recht achter vrouw 2 aan. Zodra stel 2 de winkel uit loopt, gaat stel 2 naast elkaar lopen. De schoudertassen van stel 2 lijken boller te zijn dat voordat zij de winkel binnenkwamen.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 1769-1772:

Uitgekeken beelden beveiligingscamera's V&D te Alkmaar [DVD B]

Camera 3:

13:03:46 uur: een vrouw verschijnt in beeld van camera 3. Deze vrouw omschrijf ik verder in dit proces-verbaal als vrouw 3. Vrouw 3 loopt in de richting van de paskamer. Vrouw 3 heeft een kledinghaakje met daaraan een fel roze shirt in haar handen. Vrouw 3 loopt de paskamers binnen.

13:04:00 uur: Een man en een vrouw verschijnen in beeld van camera 3. Deze man en vrouw omschrijf ik verder in dit proces-verbaal als man 2 en vrouw 2 of samen als stel 2. Stel 2 loopt van rechts naar links voor de ingang van de paskamers langs. Daarbij kijkt man 2 in de richting van de ingang van de paskamers.

13:05:35 uur: een vrouw verschijnt in beeld van camera 3. Deze vrouw omschrijf ik verder in dit proces-verbaal als vrouw 1. Signalement van de vrouw omschrijf ik als volgt:

- Vrouw 1: Oost-Europees uiterlijk, erg kenmerkend gezicht, lang donker stijl haar, slank postuur. Kleding vrouw 1: Lichtblauwe spijkerbroek, hoge zwarte laarzen, kort model zwart jasje.

Vrouw 1 loopt in de richting van de ingang van de paskamer. Vrouw 1 heeft in haar handen meerdere kledinghaakjes met daaraan diverse donkergekleurde kleding. Vrouw 1

loopt vervolgens de paskamer binnen.

13:05:50 uur: Vrouw 1 verschijnt in beeld van camera 3. Vrouw 1 loopt de paskamer uit. Vrouw 1 heeft één kledinghaakje in haar hand, daaraan hangt een donkergekleurd shirt. Vervolgens loopt vrouw 1 verder de winkel in.

13:06:38 uur: Vrouw 2 verschijnt in beeld van camera 3. Vrouw 2 loopt in de richting van de ingang van de paskamer. Vrouw 2 heeft één kledinghaakje in haar hand, daaraan hang een gekleurd shirt. Vrouw 2 loopt vervolgens de paskamer binnen.

13:06:54 uur: Man 2 verschijnt in beeld van camera 3: Man 2 loopt in de richting van de ingang van de paskamer. Man 2 blijft vervolgens stilstaan in beeld van camera 3. Vervolgens te 13:07:43 uur verschijnt vrouw 1 in beeld van camera 3. Vrouw 1 loopt in de richting van de paskamers. Vrouw 1 heeft diverse kledinghaakjes met daaraan diverse donkergekleurde kledingstukken in haar handen. Vrouw 1 en man 2 kijken beide in elkaars richting. Vrouw 1 loopt vervolgens de paskamers binnen. Man 2 loopt vervolgens te 13:07:57 uur verder de paskamer binnen.

13:07:59 uur: Vrouw 3 verschijnt in beeld van camera 3. Vrouw 3 loopt richting de uitgang van de paskamer. Vrouw 3 heeft één kledinghaakje met daaraan een fel roze shirt in haar handen. De schoudertas van vrouw 3 lijkt boller te zijn dan voordat zij de paskamer binnen kwam. Vrouw 3 loopt vervolgens verder de winkel in.

13:08:04 uur: Man 2 verschijnt in beeld van camera 3. Man 2 loopt richting de uitgang van de paskamer. Man 2 heeft in zijn rechter hand een voorwerp gelijkend op een mobile telefoon. Zijn rechter hand heeft hij tegen zijn rechter oor aan. Man 2 loopt vervolgens de paskamers uit.

13:08:09 uur: Vrouw 1 verschijnt in beeld van camera 3. Vrouw 1 loopt richting de uitgang van de paskamers. Vrouw 1 heeft één kledinghaakje in haar hand met daaraan een donkerkleurig shirt. Vrouw 1 loopt vervolgens de paskamers uit verder de winkel in.

13:08:20 uur: Man 2 verschijnt in beeld van camera 3. Man 2 staat stil ter hoogte van de ingang van de paskamer, daarbij kijkt man 2 in de richting van de paskamer. Man 2 heeft nog steeds zijn rechter hand tegen zijn rechter oor. Vervolgens verdwijnt man 2 te 13:08:22 uur uit beeld.

13:08:35 uur: Man 2 verschijnt in beeld van camera 3. Man 2 loopt richting de ingang van de paskamers. Man 2 heeft zijn armen over elkaar. Man 2 blijft vervolgens stilstaan in beeld van de camera. Vervolgens te 13:09:22 uur loopt man 2 verder de paskamers binnen. Daarbij heeft man 2 een voorwerp gelijkend op een mobile telefoon in zijn handen.

13:10:55 uur: Vrouw 1 verschijnt in beeld van camera 3. Vrouw 1 loopt in de richting van de ingang van de paskamers. Voor de ingang van de paskamer staan rechts en links rekken met kledinghaakjes waaraan diverse kledingstukken hangen. Vrouw 1 heeft niets in haar handen. Vrouw 1 staat stil voor het rek rechts in beeld. Vrouw 1 pakt met haar linker hand van het voornoemde rek één kledinghaakje

met een donkerkleurig kledingstuk. Vervolgens loopt vrouw 1 verder de winkel in.

13:11:21 uur: Vrouw 1 verschijnt in beeld van camera 3. Vrouw 1 loopt richting de ingang van de paskamers. Vrouw 1 heeft in haar hand diverse kledinghaakjes met daaraan diverse donker en licht gekleurde kledingstukken. Vrouw 1 loopt vervolgens verder de paskamers binnen.

13:11:38 uur: Vrouw 1 verschijnt in beeld van camera 3. Vrouw 1 loopt richting de uitgang van de paskamers. Vrouw 1 heeft twee kledinghaakjes in haar handen waaraan een lichtkleurig en een donkerkleurig shirt hangt. Vervolgens loopt vrouw 1 de paskamers uit verder de winkel in.

13:14:38 uur: Stel 2 verschijnt in beeld van camera 3. Stel 1 loopt richting de uitgang van de paskamers. Man 1 heeft een kledinghaakje in zijn handen met daaraan een lichtgekleurd shirt, Man 1 hangt dit haakje aan een rek welke aanwezig is in de paskamers. De schoudertassen van stel 1 lijken dikker te zijn dan voordat zei de dames paskamer in kwamen. Stel 1 verlaat vervolgens de paskamers.

13:06:02 uur: een vrouw verschijnt in beeld van camera 3. Deze vrouw omschrijf ik verder in dit proces-verbaal als vrouw 4. Vrouw 4 loopt richting de ingang van de paskamers. Vrouw 4 heeft in haar handen twee kledinghaakjes met daaraan lichtgekleurde shirts. Vrouw 4 loopt verder de

paskamers binnen.

13:17:25 uur: Vrouw 1 verschijnt in beeld van camera 3. Vrouw 1 loopt richting de ingang van de paskamers. Vrouw 1 heeft diverse kledinghaakjes met daaraan diverse kledingstukken in haar handen. Vrouw 1 loopt vervolgens de paskamers binnen.

13:17:38 uur: Vrouw 1 verschijnt in beeld van camera 3. Vrouw 1 loopt richting de uitgang van de paskamers. Vrouw 1 heeft één kledinghaakje in haar handen met daaraan een lichtgekleurd shirt. Vrouw 1 verlaat vervolgens de paskamers en loopt verder de winkel in.

Bijlage B5: Camerabeelden Veenendaal I

Proces-verbaal van bevindingen, p. 1809-1810:

De beelden van de beveiligingscamera's in de V&D te Veenendaal van 29 januari 2014

zijn door mij [verbalisant 2] bekeken.

16:28:33 uur: Vrouw A komt in beeld op camera 1, ze loopt de V&D binnen en verdwijnt dan weer uit beeld.

16:29:14 uur: Vrouw A komt in beeld op camera 7, ze neemt de roltrap van de begane grond naar de lste etage.

16:29:20 uur: Man A en vrouw B komen in beeld bij camera 1, ze gaan de V&D Binnen. Man A en vrouw B lopen naast elkaar.

16:34:11 Vrouw B komt in beeld bij camera 8. Dit betreft de camera welke gericht is op de paskamers op de damesafdeling. Vrouw B heeft diverse kledingstukken aan hangers vast in haar rechterhand. Vrouw B gaat de paskamer.

16:35:13: Man A komt in beeld van camera 8. Hij heeft nog steeds een zwarte schoudertas over zijn linker schouder, hangend op zijn rechter heup. Dit betreft de door M. Bohem omschreven "flaptas. Man B staat voor de kleedkamer.

16:35:13: Man A gaat de paskamer in.

16:35:54 Man A gaat de paskamer weer uit. Kort daarvoor is een medewerkster van de V&D binnen gekomen om de vloer schoon te maken. Ze gaat met een zwabber over de grond.

16:36:51: De eerder genoemde medewerkster van de V&D is uit de paskamer gekomen en man A gaat de paskamer weer binnen.

16:38:15: Man A en vrouw B komen uit de paskamer. Vrouw B heeft de kledingstukken waarmee ze de paskamer in ging niet meer in haar hand. Haar zo genoemde flaptas staat bol. Er zit duidelijk zichtbaar meer inhoud in dat toen zij de paskamer binnen ging. Ook de genoemde H&M plastic-tas is meer gevuld. Dit is zichtbaar omdat hij aan alle kanten bol staat. Ook de zo genoemde flaptas van man A is meer gevuld dan toen hij de paskamer in ging.

16:40:12: Man A en Vrouw B komen in beeld op camera 2 en verlaten de V&D.

Bijlage B6: Camerabeelden Veenendaal II en herkenning

Proces-verbaal van bevindingen, p. 1818-1820:

M. Bohmer omschreef in proces-verbaal 2014048041 een aantal personen te weten:

  • -

    vrouw: Oostblokker, mogelijk Roemeens, 30-35 jaar oud, 1,70 m lang, normaal postuur, smal gezicht, opgemaakt, zwart haar strak achterover. Zwarte gewatteerde jas, grijze sjaal, grote ronde oorbellen, witte korte laarsjes, donkere schoudertas. Deze vrouw noem ik nader: vrouw 1

  • -

    man: Oostblokker, mogelijk Roemeens, 30-35 jaar oud, 1,70-1,75 m lang, normaal postuur, kort donker haar met diepe inhammen op het voorhoofd. Droeg een zwart kort glimmend jack met bont capuchon, blauwe spijkerbroek, zwarte choenen. Deze man noem ik nader: man 1

De beelden van de beveiligingscamera's in de V&D te Veenendaal van 29 januari 2014 zijn door mij [verbalisant 6] bekeken.

16:28:33 uur: man 1 en vrouw 1 komen samen de V&D in. De omschrijving zoals in de aangifte en hierboven genoemd komt goed overeen. Aanvulling op het signalement van vrouw 1: de witte korte laarsjes zijn voorzien van een bondrand en in het midden van de zwarte jas zit een riem.

Herkenning [verdachte 10]

Ik verbalisant herkende op de beelden direct vrouw 1 als zijnde verdachte [verdachte 10] . Verdachte [verdachte 10] heeft een zeer herkenbaar gezicht. Tevens droeg vrouw 1 dezelfde jas en laarsjes als op een foto op facebook.

Herkenning [verdachte 11]

Ik verbalisant herkende man 1 direct als zijnde verdachte [verdachte 11] . Ik herken hem aan zijn gezicht, blik en grote inhammen.

16:29:08 uur: Man 1( [verdachte 11] ) en vrouw l ( [verdachte 10] ) nemen de roltrap naar de eerste verdieping en verdwijnen uit het beeld van de camera.

16:44:38 uur: Man 2 komt de V&D binnen.

16:45:30 uur: Man 2 neemt de roltrap naar de eerste verdieping. Hij heeft duidelijk zichtbaar een tweetal plastic tasjes bij zich, welke hij in zijn linkerhand bij zich draagt. Er zit zichtbaar niet veel in de genoemde tasjes.

16:46:24 uur: Man 2 komt in beeld bij de camera 10 op de eerste verdieping bij de kleedkamer bij de herenmode. Over zijn linkerhand draagt hij de twee plastic tasjes. Deze zijn licht grijs met een witte tekst erop. In zijn rechterhand draagt hij een zwart kledingstuk met een hanger. Hij verdwijnt dan uit het zicht, omdat hij zeer vermoedelijk de paskamer in is gegaan, welke zich links van de camera bevind.

16:47:52 uur: Vrouw 1 komt in het zicht van camera 10, bij de kleedkamer van de herenmode. Ze draagt een grote hoeveelheid kledingstukken, zeer vermoedelijk jassen. Met twee handen houd zij de kledingstukken voor zich. Ze gaat ook naar links, vermoedelijk de kleedkamer in. Dit betreft de plek links waar man 2 kort daarvoor ook uit beeld van de camera verdween.

16:48:00 uur: Vrouw 1 komt links van camera 10 weer in beeld. Kennelijk is ze weer uit de kleedkamer gelopen. Ze heeft op dat moment geen kledingstukken meer bij zich. Kennelijk heeft zij de grote hoeveelheid kledingstukken in de korte tijd achter gelaten in de kleedkamer van de herenmode.

16:48:10 uur: Man 1 komt in beeld op camera 7. Hij neemt de roltrap vanaf de eerste verdieping naar beneden.

16:48:21 uur: Vrouw 1 komt in beeld op camera 7. Ze neemt de roltrap vanaf de eerste verdieping naar beneden. Zij draagt haar, haar nog steeds in een strakke staat naar achteren.

16:48:36 uur: Man 1 komt in beeld bij camera 2 en verlaat de winkel.

16:48:45 uur: Vrouw 1 komt in beeld bij camera 2 en verlaat de winkel. Er zit dan ongeveer 10 meter tussen haar en man 1. Opvallend is dat vrouw 1 in eens een hoofddoek over haar, haar draagt welke grijs van kleur is. Zeer waarschijnlijk betreft dit de grijze sjaal die zij eerder om haar nek droeg.

16:56:50 uur: Op camera 7 verschijnt een man op de roltrap. Deze man gaat vanaf de begane grond op de roltrap naar de eerste verdieping. Hij heeft in zijn linkerhand een wit voorwerp gelijkend op een mobiele telefoon, welke hij bij zijn linker oor houd. Hij maakt pratende bewegingen. De man verdwijnt dan uit beeld. Deze man noem ik nader in dit proces-verbaal man 3

16:59:36 uur: Man 2 komt links in beeld van camera 10. Man 2 komt kennelijk de paskamer van de afdeling bij de herenmode uitgelopen. In zijn rechterhand draagt hij een donkerkleurig kledingstuk. In zijn linker hand draagt hij twee plastic tassen. Opvallend is dat een van de twee plastictassen(een vermoedelijke tas van H&M gezien het logo) geheel gevuld is. Hij staat geheel bol. Kennelijk is de tas

gevuld op het moment dat man 2 zich in de genoemde paskamer zich bevond, daar de tas eerder niet gevuld was bij binnenkomst van de paskamer. Vervolgens verschijnt man 3 bij hem. Man 3 heeft op dat moment een donkerkleurig kledingstuk in zijn hand, maar is zichtbaar niet met het kledingstuk bezig. Man 2 en man 3 staan op dat moment ongeveer 1 meter van elkaar af. Man 3 bevind zich

rechts van de camera en is met zijn gezicht naar man 2 gedraaid. Man 2 staat met zijn rug naar de camera. Het lijkt voor mij verbalisant alsof man 3 en man 2 heel kort contact hebben Daarna verdwijnen ze uit beeld van de camera.

17:00:07 uur: Man 2 verschijn in beeld bij camera 7. Hij neemt de roltrap vanaf de eerste verdieping naar de begane grond. Hij draagt de zeer gevulde plastictas van H&M (groot model)in zijn rechter hand. Aan zijn houding te zien, weegt hetgeen hij in zijn rechterhand heeft wat zwaarder. Man 2 en verdwijnt dan uit beeld.

17:00:40 uur: Man 3 verschijnt in beeld bij camera 7. Hij neemt de roltrap vanaf de eerste verdieping naar de begane grond. Hij heeft een voorwerp in zijn handen gelijkend op een mobiele telefoon. Zie foto 16, camera 7.

17:00:41 uur: Man 2 verschijnt in beeld bij camera 2. Hij verlaat de winkel met gevulde tas(sen).

Bijlage C1: Bewezenverklaring [verdachte 2]

ten aanzien van feit 1:

zij op 18 april 2014 te Oss, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid kledingstukken (ter waarde van totaal ongeveer 1.695 euro), toebehorende aan het bedrijf V&D;

ten aanzien van feit 2:

zij op 11 april 2014 te Harderwijk, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen jurken en andere kledingstukken (ter waarde van totaal ongeveer 559,95 euro), toebehorende aan het bedrijf Esprit Harderwijk;

ten aanzien van feit 3:

zij op 11 april 2014 te Harderwijk, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid slippers (ter waarde van totaal ongeveer 1.154,84 euro) toebehorende aan het bedrijf Scapino;

ten aanzien van feit 4:

zij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 23 april 2014 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van opzetheling een gewoonte heeft gemaakt door op verschillende tijdstippen, (telkens) een (grote) hoeveelhe(i)d(en) kleding en/of schoeisels voorhanden te hebben gehad, terwijl zij en haar mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van die kleding en/of schoeisels (telkens) wist(en), dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

ten aanzien van feit 5:

zij in de periode van 1 januari 2014 en met 23 april 2014,te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie bestaande uit onder meer [verdachte 10] en [verdachte 9] en [verdachte 4] en [verdachte 11] en [verdachte 8] en [verdachte 3] en [verdachte 5] en enige andere leden, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (al dan niet in vereniging) plegen van vermogensdelicten, onder andere winkeldiefstallen en gewoonteheling en gewoontewitwassen.

Bijlage C2: Bewezenverklaring [verdachte 3]

In de zaak met parketnummer 09/755052-14:

ten aanzien van feit 1:

hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 23 april 2014 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van opzetheling een gewoonte heeft gemaakt door op verschillende tijdstippen, (telkens) een (grote) hoeveelhe(i)d(en) kleding en/of schoeisels voorhanden te hebben gehad, terwijl zij en haar mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van die kleding en/of schoeisels (telkens) wist(en), dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

ten aanzien van feit 2:

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 4 juli 2013 tot en met 30 september 2013 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte (telkens) een voorwerp, te weten geld (totaal ongeveer) 2.157,39 euro, heeft verworven, voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij wist dat dat geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

ten aanzien van feit 3:

hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 23 april 2014, te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie bestaande uit onder meer [verdachte 10] en [verdachte 9] en [verdachte 4] en [verdachte 11] en [verdachte 8] en [verdachte 2] en [verdachte 5] en enige andere leden, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (al dan niet in vereniging) plegen van vermogensdelicten, onder andere winkeldiefstallen en gewoonteheling en gewoontewitwassen.

Bijlage C3: Bewezenverklaring [verdachte 4]

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

[verdachte 12] en meer onbekend gebleven personen in de periode van 1 november 2013 tot en met 12 november 2013 te Amersfoort en/of Soest en/of ’s-Gravenhage, een voorwerp, te weten (een) geldbedrag(en) (van ongeveer 4.462 euro) hebben verworven, voorhanden hebben gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl zij wisten althans redelijkerwijs moesten vermoeden dat het geld – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf,

tot en/of bij het plegen van welke misdrijf verdachte in de periode van 1 november 2013 tot en met 12 november 2013 te ‘s-Gravenhage opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft en behulpzaam is geweest door een bankrekening en de daarbij behorende bankpas ter beschikking te stellen aan die [verdachte 12] en zijn mededader(s);

ten aanzien van feit 2:

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 29 januari 2014 tot en met 18 april 2014 te Veenendaal en Alkmaar en Oss, tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen meerdere hoeveelheden kleding, toebehorende aan het bedrijf V&D B.V., te weten:

  • -

    (zaak 10:) op 18 april 2014 te Oss meerdere kledingstukken (ter waarde van totaal ongeveer 1.695 euro) en

  • -

    (zaak 11:) op 26 februari 2014 te Alkmaar meerdere jassen en broeken (ter waarde van totaal ongeveer 2.338,90 euro) en

  • -

    (zaak 12:) op 29 januari 2014 te Veenendaal meerdere jassen (ter waarde van totaal ongeveer 489,88 euro) en

  • -

    (zaak 13:) op 29 januari 2014 te Veenendaal meerdere jassen (ter waarde van totaal ongeveer 1.099,93 euro);

ten aanzien van feit 3:

hij op 11 april 2014 te Harderwijk, in tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen jurken en andere kledingstukken (ter waarde van totaal ongeveer 559,95 euro), toebehorende aan het bedrijf Esprit Harderwijk;

ten aanzien van feit 4:

hij op 11 april 2014 te Harderwijk, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid slippers (ter waarde van totaal ongeveer 1.154,84 euro), toebehorende aan het bedrijf Scapino;

ten aanzien van feit 6:

hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 23 april 2014 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van opzetheling een gewoonte heeft gemaakt door op verschillende tijdstippen, (telkens) een (grote) hoeveelhe(i)d(en) kleding en/of schoeisels voorhanden te hebben gehad, terwijl zij en haar mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van die kleding en/of schoeisels (telkens) wist(en), dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

ten aanzien van feit 7:

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 juni 2013 tot en met 18 oktober 2013 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte (telkens) een voorwerp, te weten geld (totaal ongeveer 3.710,57 euro), verworven, voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij wist dat dat geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

ten aanzien van feit 8:

hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 23 april 2014, te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie bestaande uit onder meer [verdachte 10] en [verdachte 9] en [verdachte 11] en [verdachte 8] en [verdachte 3] en [verdachte 2] en [verdachte 5] en enige andere leden, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (al dan niet in vereniging) plegen van vermogensdelicten, onder andere winkeldiefstallen en gewoonteheling en gewoontewitwassen.

Bijlage C4: Bewezenverklaring [verdachte 5]

ten aanzien van feit 1:

zij op 18 april 2014 te Oss, tezamen en in vereniging met een anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid kledingstukken (ter waarde van totaal ongeveer 1.695 euro), toebehorende aan het bedrijf V&D;

ten aanzien van feit 2:

zij op 11 april 2014 te Harderwijk, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen jurken en andere kledingstukken (ter waarde van totaal ongeveer 559,95 euro), toebehorende aan het bedrijf Esprit Harderwijk;

ten aanzien van feit 3:

zij op 11 april 2014 te Harderwijk, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid slippers (ter waarde van totaal ongeveer 525 euro toebehorende aan het bedrijf Scapino;

ten aanzien van feit 4:

zij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 23 april 2014 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van opzetheling een gewoonte heeft gemaakt door op verschillende tijdstippen, (telkens) een (grote) hoeveelhe(i)d(en) kleding en/of schoeisels voorhanden te hebben gehad, terwijl zij en haar mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van die kleding en/of schoeisels (telkens) wist(en), dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

ten aanzien van feit 5:

zij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 23 april 2014, te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie bestaande uit onder meer [verdachte 10] en [verdachte 9] en [verdachte 4] en [verdachte 11] en [verdachte 8] en [verdachte 3] en [verdachte 2] en enige andere leden, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (al dan niet in vereniging) plegen van vermogensdelicten, onder andere winkeldiefstallen en gewoonteheling en gewoontewitwassen.

Bijlage C5: Bewezenverklaring [verdachte 7]

ten aanzien van feit 2:

hij op 23 april 2014 te 's-Gravenhage een busje CS gas (traangasbusje), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met een giftige en verstikkende en weerloosmakende en traanverwekkende stof van de categorie II, onder 6°, voorhanden heeft gehad.

Bijlage C6: Bewezenverklaring [verdachte 8]

In de zaak met parketnummer 09/7555054-14:

ten aanzien van feit 1:

hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 23 april 2014 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van opzetheling een gewoonte heeft gemaakt door op verschillende tijdstippen, (telkens) een (grote) hoeveelhe(i)d(en) kleding en/of schoeisels voorhanden te hebben gehad, terwijl zij en haar mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van die kleding en/of schoeisels (telkens) wist(en), dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

ten aanzien van feit 2:

hij in de periode van 1 januari 2014 2013 tot en met 23 april 2014, te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie bestaande uit onder meer [verdachte 10] en [verdachte 9] en [verdachte 4] en [verdachte 11] en [verdachte 3] en [verdachte 2] en [verdachte 5] en enige andere leden, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (al dan niet in vereniging) plegen van vermogensdelicten, onder andere winkeldiefstallen en gewoonteheling en gewoontewitwassen.

ten aanzien van feit 3 (09/819601-14):

hij op meerdere tijdstip(pen) in de periode van 14 augustus 2013 tot en met 30 augustus 2013,

te 's-Gravenhage, meermalen heeft witgewassen, immers heeft hij, verdachte (telkens) een voorwerp, te weten geld (totaal ongeveer 813,10 euro) verworven, voorhanden gehad en overdragen, terwijl hij wist, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Bijlage C7: Bewezenverklaring [verdachte 9]

ten aanzien van feit 1:

hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 23 april 2014 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van opzetheling een gewoonte heeft gemaakt door op verschillende tijdstippen, (telkens) een (grote) hoeveelhe(i)d(en) kleding en/of schoeisels voorhanden te hebben gehad, terwijl zij en haar mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van die kleding en/of schoeisels (telkens) wist(en), dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

ten aanzien van feit 2:

hij in de periode van 25 oktober 2013 tot en met 31 december 2013 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte (telkens) een voorwerp, te weten geld (totaal ongeveer 6.646,13 euro), verworven, voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij wist, dat dat geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

ten aanzien van feit 3:

hij in de periode van 1 november 2013 tot en met 23 april 2014, te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie bestaande uit onder meer [verdachte 10] en [verdachte 4] en [verdachte 11] en [verdachte 8] en [verdachte 3] en [verdachte 2] en en [verdachte 5] en enige andere leden, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (al dan niet in vereniging) plegen van vermogensdelicten, onder andere winkeldiefstallen en gewoonteheling en gewoontewitwassen.

Bijlage C8: Bewezenverklaring [verdachte 10]

ten aanzien van feit 1:

zij op 23 april 2014 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid kleding (ter waarde van totaal ongeveer 3.278,- euro), toebehorende aan het bedrijf Hollister;

ten aanzien van feit 2:

zij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 januari 2014 tot en met 18 april 2014 te Veenendaal en Alkmaar en Oss, in tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere hoeveelheden kleding, toebehorende aan het bedrijf V&D B.V., te weten:

  • -

    (zaak 10:) op 18 april 2014 te Oss meerdere kledingstukken (ter waarde van totaal ongeveer 1.695 euro) en

  • -

    (zaak 11:) op 26 februari 2014 te Alkmaar meerdere jassen en broeken (ter waarde van totaal ongeveer 2.338,90 euro) en

  • -

    (zaak 12:) op 29 januari 2014 te Veenendaal meerdere jassen (ter waarde van totaal ongeveer 489,88 euro) en

  • -

    (zaak 13:) op 29 januari 2014 te Veenendaal meerdere jassen (ter waarde van totaal ongeveer 1.099,93 euro);

ten aanzien van feit 3:

zij op 11 april 2014 te Harderwijk, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen jurken en andere kledingstukken (ter waarde van totaal ongeveer 559,95 euro), toebehorende aan het bedrijf Esprit Harderwijk;

ten aanzien van feit 4:

zij op 11 april 2014 te Harderwijk, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid slippers (ter waarde van totaal ongeveer 525 euro) toebehorende aan het bedrijf Scapino;

ten aanzien van feit 6:

zij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 23 april 2014 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van opzetheling een gewoonte heeft gemaakt door op verschillende tijdstippen, (telkens) een (grote) hoeveelhe(i)d(en) kleding en/of schoeisels voorhanden te hebben gehad, terwijl zij en haar mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van die kleding en/of schoeisels (telkens) wist(en), dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

ten aanzien van feit 7:

zij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 23 april 2014,te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie bestaande uit onder meer [verdachte 9] en [verdachte 4] en [verdachte 11] en [verdachte 8] en [verdachte 3] en [verdachte 2] en [verdachte 5] en enige andere leden, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (al dan niet in vereniging) plegen van vermogensdelicten, onder andere winkeldiefstallen en gewoonteheling en gewoontewitwassen.

Bijlage C9: Bewezenverklaring [verdachte 11]

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

[verdachte 12] en meer onbekend gebleven personen in de periode van 1 november 2013 tot en met 12 november 2013 te Amersfoort en/of Soest en/of ’s-Gravenhage, een voorwerp, te weten (een) geldbedrag(en) (van ongeveer 4.462 euro) hebben verworven, voorhanden hebben gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl zij wisten althans redelijkerwijs moesten vermoeden dat het geld – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf,

tot en/of bij het plegen van welke misdrijf verdachte in de periode van 1 november 2013 tot en met 12 november 2013 te ‘s-Gravenhage opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft en behulpzaam is geweest door een bankrekening en de daarbij behorende bankpas ter beschikking te stellen aan die [verdachte 12] en zijn mededader(s);

ten aanzien van feit 2:

hij op 23 april 2014 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid kleding (ter waarde van totaal ongeveer 3.278,- euro), geheel of ten dele toebehorende aan het bedrijf Hollister;

ten aanzien van feit 3:

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 29 januari 2014 tot en met 18 april 2014 te Veenendaal en Alkmaar en Oss, tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen meerdere hoeveelheden kleding, toebehorende aan het bedrijf V&D B.V., te weten:

  • -

    (zaak 10:) op 18 april 2014 te Oss meerdere kledingstukken (ter waarde van totaal ongeveer 1.695 euro) en

  • -

    (zaak 11:) op 26 februari 2014 te Alkmaar meerdere jassen en broeken (ter waarde van totaal ongeveer 2.338,90 euro) en

  • -

    (zaak 12:) op 29 januari 2014 te Veenendaal meerdere jassen (ter waarde van totaal ongeveer 489,88 euro) en

  • -

    (zaak 13:) op 29 januari 2014 te Veenendaal meerdere jassen (ter waarde van totaal ongeveer 1.099,93 euro);

ten aanzien van feit 4:

hij op 11 april 2014 te Harderwijk, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen jurken en andere kledingstukken (ter waarde van totaal ongeveer 559,95 euro), toebehorende aan het bedrijf Esprit Harderwijk;

ten aanzien van feit 5:

hij op 11 april 2014 te Harderwijk, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid slippers (ter waarde van totaal ongeveer 1.154,84 euro) toebehorende aan het bedrijf Scapino;

ten aanzien van feit 6:

hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 23 april 2014 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van opzetheling een gewoonte heeft gemaakt door op verschillende tijdstippen, (telkens) een (grote) hoeveelhe(i)d(en) kleding en/of schoeisels voorhanden te hebben gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van die kleding en/of schoeisels (telkens) wist(en), dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

ten aanzien van feit 7:

hij in de periode van 12 juni 2013 tot en 4 oktober 2013 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte (telkens) een voorwerp, te weten geld (totaal ongeveer 4.465,45) verworven, voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij wist dat dat geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

ten aanzien van zaak 8:

hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 23 april 2014, te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie bestaande uit onder meer [verdachte 10] en [verdachte 9] en [verdachte 4] en [verdachte 8] en [verdachte 3] en [verdachte 2] en [verdachte 5] en enige andere leden, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (al dan niet in vereniging) plegen van vermogensdelicten, onder andere winkeldiefstallen en gewoonteheling en gewoontewitwassen.

1 Hierna doorgenummerd als feit 3.

2 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van:- Tjonger: het proces-verbaal met het nummer PL1513-2014080913, van de politie eenheid Den Haag, bureau De Heemstraat, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 2518);- Tjonger Witwassen: het proces-verbaal met nummer PL1513-2013248428, van de politie Haaglanden, district Den Haag/Centrum, bureau De Heemstraat, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1-378).

3 Tjonger: Processen-verbaal van aanhouding, p. 31 [verdachte 4] ; p. 58 [verdachte 11] ; p. 85 [verdachte 8] ; p. 104 [verdachte 7] ; p. 123 [verdachte 3] ; p. 152 [verdachte 10] ; p.171 [verdachte 9] ; p.192 [verdachte 2] ; p.206 [verdachte 6] ; p. 226 [verdachte 1] ; p. 244 [verdachte 5] .

4 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 290-292.

5 Tjonger: Proces-verbaal van aangifte, p. 264-265; proces-verbaal van bevindingen, p. 267-271.

6 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 2169.

7 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 291.

8 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 378-380; proces-verbaal van bevindingen, p. 554-599;

9 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 380.

10 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 1409.

11 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 1410.

12 Tjonger: Een geschrift, te weten historische verkeersgegevens, p. 1434.

13 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 1637.

14 Tjonger: proces-verbaal van bevindingen, p. 543; proces-verbaal van verhoor [verdachte 4] , p. 55; proces-verbaal van bevindingen, p. 553; en proces-verbaal van bevindingen, p. 559.

15 Bijlagen D1 t/m D3, D5 en D6, voor zover inhoudende: de historische verkeersgegevens van 23 april 2014.

16 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 633 en 634; proces-verbaal van aangifte, p. 644-645.

17 Bijlage B1: proces-verbaal van bevindingen camerabeelden Hollister.

18 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 668.

19 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 1037; proces-verbaal van bevindingen, p. 1250.

20 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 1291; proces-verbaal van bevindingen, p. 1312; proces-verbaal van bevindingen, p. 1174; proces-verbaal van bevindingen p. 1338; bijlagen D2, D3, D4 en D5, voor zover inhoudende: de historische verkeersgegevens van 23 april 2014.

21 Camerabeelden Hollister: clip 5, camera ‘DUDES ENT’ tussen 16.20.47 uur en 16.20.51 uur.

22 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 480; proces-verbaal van bevindingen. p. 489.

23 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 453.

24 Tjonger: Proces-verbaal van aangifte, p. 867-869.

25 Bijlage B2: proces-verbaal van bevindingen camerabeelden Esprit.

26 Tjonger: geschrift, p. 2191.

27 Tjonger: geschriften, p. 2184 en 2194.

28 In de zaak van [verdachte 11] : Eigen verklaring van [verdachte 11] ter terechtzitting van 29 februari 2016.

29 Bijlage B2: proces-verbaal van bevindingen camerabeelden.

30 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 1037; bijlage D6, voor zover inhoudende: de historische verkeersgegevens van 11 april 2014.

31 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 1291; proces-verbaal van bevindingen, p. 1250; bijlagen D1, D2 en D3 voor zover inhoudende: de historische verkeersgegevens van 11 april 2014.

32 Tjonger: Proces-verbaal van aangifte, p. 883.

33 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 849-850.

34 Tjonger: Proces-verbaal van aangifte, p. 674 en 677.

35 Bijlage B3: proces-verbaal van bevindingen camerabeelden V&D Oss.

36 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 440.

37 Tjonger: proces-verbaal van bevindingen, p. 1752; proces-verbaal van bevindingen, p. 1756; proces-verbaal van bevindingen, p. 1764.

38 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1037; proces-verbaal van bevindingen, p. 1291; bijlagen D2 en D3, voor zover inhoudende: de historische verkeersgegevens van 18 april 201.

39 Bijlage B3: proces-verbaal van bevindingen camerabeelden V&D Oss.

40 Bijlagen D1, D2, D3 en D6, voor zover inhoudende: de historische verkeersgegevens van 18 april 201.

41 Tjonger: Proces-verbaal van aangifte, p. 727.

42 Bijlage B4: Proces-verbaal van bevindingen camerabeelden V&D Alkmaar.

43 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 440; proces-verbaal van bevindingen, p. 1752; proces-verbaal van bevindingen, p. 1756.

44 Tjonger: Proces-verbaal van aangifte, p. 757-759.

45 Tjonger: Proces-verbaal van aangifte, p. 800-802.

46 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 1809.

47 Bijlage B5: proces-verbaal van bevindingen camerabeelden Veenendaal I.

48 Bijlage B6: proces-verbaal van bevindingen camerabeelden Veenendaal II.

49 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 1818-1819; proces-verbaal van bevindingen, p. 440.

50 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 349; proces-verbaal verhoor getuige Bohmer, p.

51 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 2292; geschriften, te weten overzichten van de DNB, p. 2293-2296.

52 ECLI:NL:PHR:2010:BK5182 (http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:PHR:2010:BK5182).

53 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 461.

54 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 1438.

55 Proces-verbaal van bevindingen, p. 452, proces-verbaal van bevindingen, p. 461 en proces-verbaal van bevindingen, p. 465.

56 Proces-verbaal van bevindingen, p. 279-281; proces-verbaal van bevindingen, p. 282-283.

57 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 2175.

58 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 281.

59 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 564.

60 Tjonger: Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 3] , p. 143.

61 Tjonger: Geschrift, p. 610; proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 5] , p. 2128.

62 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 530; proces-verbaal van bevindingen, p. 562.

63 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 294-295; proces-verbaal van bevindingen, p. 532; geschriften, p. 300 en 533.

64 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, 532.

65 Zie: Paragraaf 3.

66 Tjonger: Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 9] , p. 2054 en 2066.

67 Tjonger: Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] , p. 566; proces-verbaal van bevindingen, p. 571.

68 Tjonger Witwassen: Proces-verbaal van aangifte, p. 57.

69 Tjonger Witwassen: Proces-verbaal van aangifte, p. 140-141.

70 Tjonger Witwassen: Proces-verbaal van bevindingen, p. 66.

71 Tjonger Witwassen: Proces-verbaal van bevindingen, p. 75.

72 Tjonger Witwassen: Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte 11] , p. 110; proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 4] , p. 303.

73 Tjonger Witwassen: Een geschrift, te weten Overeenkomst BetaalPakket, p. 208-209.

74 Tjonger Witwassen: Proces-verbaal van verhoor verdachte Vers, p. 270.

75 Tjonger Witwassen: Proces-verbaal van bevindingen, p. 201.

76 Tjonger Witwassen: Proces-verbaal van bevindingen, p. 199.

77 Tjonger Witwassen: Een geschrift, te weten een e-mail van Eneco, p. 202.

78 Tjonger Witwassen: Een geschrift, te weten een brief van Aegon, p. 206.

79 Tjonger Witwassen: Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 12] , p. 375.

80 Tjonger Witwassen: Proces-verbaal van bevindingen, p. 344.

81 Tjonger Witwassen: Proces-verbaal van bevindingen, p. 90.

82 Tjonger Witwassen: Proces-verbaal van bevindingen, p. 66.

83 Tjonger Witwassen: Een geschrift, te weten een Overeenkomst BetaalPakket, p. 323-324.

84 Tjonger Witwassen: Proces-verbaal van bevindingen, p. 344.

85 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 295.

86 Tjonger: Proces-verbaal van bevindingen, p. 845.

87 Tjonger: Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 7] , p. 923.