Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:2922

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
C-09-495805-HA ZA 15-1034
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Procedure over boek ‘De gekooide recherche’ tegen de auteur, de politie en de Staat.

Geen onrechtmatige inbreuk op de eer en goede naam van een in het boek beschreven persoon. Ook geen onrechtmatig gebruik gelekte politiegegevens en geen aansprakelijkheid schrijver voor gesteld onrechtmatig gebruik uit hoofde van voormalig ambt verkregen gegevens.

Politie niet aansprakelijk op de voet van artikel 6:170 BW. Staat evenmin aansprakelijk; het op (schending van) de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) gebaseerd betoog van eiser gaat voorbij aan reikwijdte, inhoud en systeem van deze wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

team handel

zaak- / rolnummer: C/09/495805 / HA ZA 15-1034

Vonnis van 23 maart 2016

[A] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser in de hoofdzaak en in het incident,

advocaat mr. D.I.N. Levinson-Arps,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te Den Haag,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE NATIONALE POLITIE,

zetelend te Den Haag,

gedaagden in de hoofdzaak en het incident,

advocaat mr. W. Heemskerk,

3 [B] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in de hoofdzaak en in het incident,

procesadvocaat mr. D. Knottenbelt,

behandelend advocaat mr. A.P. Groen.

Eiser wordt aangeduid als ‘ [A] ’, gedaagden tezamen als ‘gedaagden’ en apart als ‘de Staat’, ‘de politie’, respectievelijk ‘ [B] ’.

1 De procedure

1.1

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de dagvaardingen met producties;

- de conclusie van antwoord van de Staat en de politie;

- de conclusie van antwoord met producties van [B] ;

- het vonnis waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- de aktes van depot;

- het proces-verbaal van de op 5 februari 2016 gehouden comparitie van partijen;

- de opmerkingen van partijen over het buiten hun aanwezigheid opgemaakte proces-verbaal.

1.2

In het door [A] aangevoerde ziet de rechtbank geen grond om de kort na afloop van de tijdens de comparitie van partijen afgesproken termijn door [B] aan de rechtbank toegezonden opmerkingen over het proces-verbaal buiten beschouwing te laten. [B] heeft daar een redelijke verklaring voor gegeven. Los daarvan dient het beginsel van hoor en wederhoor te prevaleren boven deze, de doelmatigheid en efficiency dienende processuele afspraak van partijen. De rechtbank laat de opmerkingen van [A] over de opmerkingen van [B] wel buiten beschouwing, aangezien de gegeven gelegenheid tot het maken van opmerkingen over het proces-verbaal niet strekt tot het gelegenheid geven van opmerkingen over opmerkingen van anderen.

1.3

Tot slot is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 24 maart 2015 is het door uitgeverij Prometheus (hierna: de uitgever) uitgegeven en door [B] geschreven boek ‘ De Gekooide Recherche . Het ware verhaal achter de matige prestaties van de Nederlandse opsporing’ (hierna: ‘het boek’) verschenen.

2.2.

[B] heeft het boek geschreven over en naar aanleiding van zijn ervaringen gedurende de periode ( [periode] ) dat hij werkzaam was bij de recherche van het regiokorps Amsterdam-Amstelland.

2.3.

De uitgever heeft het boek als volgt omschreven:

“Als [B] in 2004 financieel rechercheur bij de Amsterdamse politie wordt, kan hij meteen vol aan de bak. Precies twee weken later wordt witwasfenomeen [X] voor zijn kantoor aan de [adres] in [plaats] geliquideerd. Het zal het begin blijken van een onderzoek naar de afpersing van [X] door [Y ] .

[B] doet jarenlang onderzoek naar witwassen van die afgeperste miljoenen door de ogenschijnlijk onkreukbare kasteelheer [Z] , de tot dan toe onomstreden eigenaar van de halve [de Straat] . Daarna werkt [B] mee aan andere rechercheonderzoeken naar witwassen, oplichting, verduistering en valsheid in geschifte binnen de georganiseerde criminaliteit en de ‘bovenwereld’.

Behalve zichtbare successen – arrestaties, beslagleggingen en veroordelingen – ziet hij ook talrijke bottlenecks en zwakke plekken binnen de opsporing. Daarnaast constateert hij hoe de sociale cultuur binnen de organisatie de eigen slagvaardigheid schaadt en hoe de organisatie zichzelf dwarszit in de uitoefening van haar taken: misdrijven oplossen en de criminaliteit beheersen.

Na tien jaar besluit [B] , met pijn in het hart, de recherche te verlaten en zijn bevindingen op papier te zetten. De gekooide recherche is zijn spannende, kritische en soms ronduit onthutsende verhaal, van binnenuit geschreven, over de gang van zaken bij de Amsterdamse recherche.”

2.4.

[A] figureert met naam en toenaam in hoofdstuk V, getiteld ‘[titel 1]’ en hoofdstuk VI, getiteld ‘[titel 2] ’. Tezamen worden deze hoofdstukken hierna aangeduid als: ‘de hoofdstukken’. Daarnaast bevat het boek een foto van een herkenbaar afgebeelde [A] , die hierna wordt aangeduid als: ‘de foto’.

2.5.

In de hoofdstukken wordt een aantal onderzoeken beschreven waarbij [B] als rechercheur betrokken was en waarin [A] figureert, onder meer het in 2008 uitgevoerde onderzoek naar [A] , dat heeft geleid tot veroordeling van [A] bij vonnis van 23 juni 2009 tot een gevangenisstraf van 42 maanden ter zake van oplichting, verduistering, valsheid in geschrifte en witwassen. Daarnaast zijn in dit vonnis – dat hierna wordt aangeduid als: ‘het strafvonnis’ – voorwerpen verbeurd verklaard en zijn vorderingen van benadeelde partijen toegewezen van € 15.152 en € 705.550,95. Deze veroordeling is na daartegen ingesteld hoger beroep en cassatie onherroepelijk. [A] heeft de opgelegde gevangenisstraf uitgezeten.

2.6.

[A] heeft met naam en toenaam gefigureerd in verschillende publicaties, onder meer (niet uitputtend):

- “[publicatie 1]”, Nieuwe Revue, 15 mei 2008;

- “[publicatie 2]”, Story, 25 maart 2008;

- “[publicatie 3]”, De Telegraaf, 16 maart 2008;

- “[publicatie 4]”, website Quote, 20 mei 2009;

- “[publicatie 5]”, Nieuwe Revue, 21 mei 2008;

- “[publicatie 6]”, website Quote, 23 juni 2009;

- “[publicatie 7]”, Nieuwe Revue, 8 juli 2009;

- “[publicatie 8]”, Privé, 15 juli 2009;

- “[publicatie 9]”, Algemeen Dagblad, 17 december 2011.

Deze publicaties worden hierna aangeduid als: ‘de publicaties’.

2.7.

In 2009 is een boek geschreven, waarin [A] figureert, ‘[het andere boek] ’, geschreven door [auteur 1] en [auteur 2] . Dit boek wordt hierna aangeduid als: ‘het andere boek’. Het verschijnen van dit andere boek heeft geleid tot verschillende publicaties, waarin [A] met naam en toenaam wordt genoemd en wordt gekwalificeerd als “meesteroplichter” en “sterrenoplichter”.

2.8.

In het strafvonnis heeft de rechtbank bij het verwerpen van het namens [A] gevoerde verweer dat sprake was van Trial by media onder meer overwogen:

“Voor verdachte geldt dat hij door eigen toedoen – in het verleden én als het gaat om de feiten die in deze strafzaak een rol spelen – ook zelf een publiek persoon is geworden. Hij heeft zich in elk geval vanaf augustus 2005 veelvuldig en actief ingelaten met bij het grote publiek bekende personen en trok daarmee de belangstelling van de media. Dat rechtvaardigt een verruiming van de grenzen van toelaatbaar commentaar. Dat die ruimere grenzen zijn overschreden is niet aannemelijk geworden. Bovendien valt uit de door de verdediging ter terechtzitting van 9 juni 2009 overgelegde knipsels voor zover zij betrekking hebben op de onderhavige strafzaak niet op te maken dat de betrokken media niet “accurate and reliable” verslag hebben gedaan.”

2.9.

De rechtbank heeft in het strafvonnis de aan [A] opgelegde straf als volgt gemotiveerd:

“Verdachte heeft zich in ernstige mate schuldig gemaakt aan oplichting en in een enkel geval verduistering, valsheid in geschrift en daarnaast aan witwassen op grote schaal. De rechtbank ziet in de bewezenverklaarde feiten en hetgeen omtrent verdachte overigens gedurende de behandeling van de strafzaak bekend is geworden een steeds terugkerend patroon. Alle aangevers verklaren dat zij na kennismaking al vrij snel op (zeer) vriendschappelijke voet stonden met verdachte, waarbij het zakelijke contact samenviel met het persoonlijke, en waarbij juist – vanwege de persoonlijke contacten – veel vertrouwen in verdachte werd gesteld. Verdachte heeft vervolgens op schandelijke wijze misbruik gemaakt van dit vertrouwen waarbij hij zeer geraffineerd te werk ging. Hij spon zijn cliënten een web van halve waarheden en leugens voor. Hij heeft daarbij ook niet geschuwd zijn eigen familie (dat wil zeggen zijn moeder en indirect ook zijn zuster) financieel op te lichten.

In de rapportages die in verband met eerdere strafzaken over verdachte zijn opgemaakt wordt hij omschreven als man met een grote vatbaarheid voor pathologisch liegen en ook overigens valt uit het dossier, waaronder de verklaring van zijn zuster, op te maken dat het liegen en bedriegen bij verdachte vanaf zijn jonge jaren een grote rol heeft gespeeld. Verdachte lijkt dit niet te onderkennen. Ook de rechtbank heeft tijdens de zittingen geconstateerd dat verdachte voor alles zijn eigen verhaal heeft. Vast is komen te staan dat hij gedurende tenminste een periode van zijn leven ook zijn eigen partner heeft belogen over zijn achtergrond, opleiding en inkomsten. De verklaringen die verdachte pleegt te geven ter rechtvaardiging dan wel uitleg van bepaalde handelingen vinden in geen enkel bewijsmiddel steun. Ook dit stemt overeen met de rapportages, waarin melding wordt gemaakt van het feit dat verdachte zijn eigen aandeel in de tenlasteleggingen minimaliseert en een sterk externaliserende houding heeft.

Vanaf het begin van de verdenking in deze zaak heeft verdachte aangegeven aan zichzelf te willen gaan werken om recidive in de toekomst te voorkomen. Zo heeft hij herhaaldelijk aangevoerd dat hij in behandeling wilde gaan bij een psycholoog om te kijken waarom hij telkens voor dit soort feiten in contact komt met politie en justitie. Op 5 augustus 2008 is door de rechter-commissaris een psycholoog benoemd. Verdachte heeft vervolgens geweigerd mee te werken met het opstellen van een rapportage, zodat de rechtbank sterke twijfels heeft over de waarde van het opleggen van een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde behandeling. In het door de verdediging overgelegde voorlichtingsrapport wordt dat advies wel gegeven, maar de rechtbank acht dat advies in het licht van het voorgaande onvoldoende onderbouwd. De rechtbank wordt in dit oordeel gesterkt door eerder ten behoeve van verdachte opgemaakte rapportages waarin met zoveel woorden staat vermeld dat niet veel valt te verwachten van een behandeling.

Uit de documentatie van verdachte is gebleken dat hij zich in het verleden gedurende een langere periode heeft bezig gehouden met het plegen van diverse vormen van oplichting. Hiervoor is verdachte reeds meerdere malen tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen en gedeeltelijk voorwaardelijke straffen veroordeeld. Dit heeft verdachte niet kunnen weerhouden van het opnieuw plegen van dergelijke strafbare feiten in de onderhavige zaak, in een periode waarin hij tot een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf was veroordeeld en daarvan nog in een proeftijd liep.

De rechtbank weegt ook ten nadele van verdachte mee dat hij zijn oplichtingspraktijken gedurende lange tijd heeft voortgezet.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte thans kennelijk niet in staat is zijn leven een andere wending te geven dan het zich telkens overgeven aan oplichting. De maatschappij dient beschermd te worden tegen de praktijken van verdachte en verdachte zelf moet daarop worden afgerekend. Voor clementie is thans naar het oordeel van de rechtbank geen plaats meer. Derhalve kan naar het oordeel van de rechtbank van een (deels) voorwaardelijke straf – zoals door de officier van justitie gevorderd en door de verdediging bepleit – geen sprake zijn. Het strafrechtelijk verleden van verdachte rechtvaardigt het oordeel dat van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf geen preventieve werking zal uitgaan, noch dat het verdachte zal weerhouden in de toekomst soortgelijke strafbare gedragingen te begaan.”

2.10.

[A] heeft in april 2015 aangifte tegen [B] gedaan van schending van ambtsgeheim bij het College van Procureurs-Generaal, die de aangifte in handen heeft gesteld van het arrondissementsparket Noord-Holland. Het onderzoek naar aanleiding van de aangifte is nog niet afgerond.

3 Het geschil

3.1.

[A] vordert in de hoofdzaak bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

  1. voor recht te verklaren dat het met door of vanwege gedaagden ter beschikking gestelde ambtshalve verkregen persoonsgegevens samengestelde boek, in het bijzonder de hoofstukken, onrechtmatig is/zijn jegens [A] ;

  2. voor recht te verklaren dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [A] als gevolg daarvan geleden schade;

  3. gedaagden hoofdelijk te veroordelen om aan [A] te vergoeden de door hem geleden materiële en immateriële schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met wettelijke rente over deze schade vanaf de datum van dagvaarding;

  4. gedaagden te gebieden het boek uit de handel te (doen) nemen en uit de handel te houden, althans zich daartoe in te spannen, alsmede zich in de toekomst te onthouden van het publiceren of anderszins delen van de betrokken ambtelijk verkregen informatie omtrent de persoon van [A] – zonder afscherming van de (bijzondere) persoonsgegevens van [A] – en om te voorkomen dat anderen deze strafrechtelijke en justitiële gegevens in de toekomst openbaar maken, althans zich daartoe in te spannen;

  5. gedaagden te veroordelen zich te onthouden van iedere inbreuk op de privacy van [A] door middel van het (doen) openbaar maken en/of verveelvuldigen van strafvorderlijke gegevens over [A] , voor commerciële doeleinden, dan wel het doen van publicatie en/of andere reclame-uitingen van gelijke aard of strekking, in enigerlei vorm of op enigerlei wijze;

  6. gedaagden te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 2.500 voor iedere overtreding van de onder sub i) en met v) bedoelde bevelen, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagde(n) met de gehele of gedeeltelijke nakoming van die bevelen in gebreke blijft/blijven, tot een maximum van € 500.000, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom;

  7. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, met rente.

3.2.

In het incident vordert [A] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

  1. gedaagden hoofdelijk te veroordelen om bij wijze van voorschot immateriële schadevergoeding van € 25.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, aan [A] te voldoen;

  2. gedaagden te gebieden het boek uit de handel te (doen) nemen en uit de handel te houden, althans zich daartoe in te spannen, alsmede zich in de toekomst te onthouden van het publiceren of anderszins delen van de betrokken ambtelijk verkregen informatie omtrent de persoon van [A] – zonder afscherming van de (bijzondere) persoonsgegevens van [A] – en om te voorkomen dat anderen deze strafrechtelijke en justitiële gegevens in de toekomst openbaar maken, althans zich daartoe in te spannen;

  3. gedaagden te veroordelen zich te onthouden van iedere inbreuk op de privacy van [A] door middel van het (doen) openbaar maken en/of verveelvuldigen van strafvorderlijke gegevens over [A] , voor commerciële doeleinden, dan wel het doen van publicatie en/of andere reclame-uitingen van gelijke aard of strekking, in enigerlei vorm of op enigerlei wijze;

  4. gedaagden te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 2.500 voor iedere overtreding van de onder sub i) en met v) bedoelde bevelen, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagde(n) met de gehele of gedeeltelijke nakoming van die bevelen in gebreke blijft/blijven, tot een maximum van € 500.000, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom;

  5. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het incident, met rente.

3.3.

Gedaagden voeren gemotiveerd verweer in de hoofdzaak en in het incident.

4 De beoordeling

in alle zaken

4.1.

[A] heeft als ‘sprekend voorbeeld’ van een volgens hem onrechtmatige passage het onderschrift bij de foto geciteerd:

“Kort na de moord op [X] bood [A] (rechts) zijn diensten als advocaat aan [Q] (links) aan, de weduwe van [X] . Er ontstond een hechte vriendschap (…) Pas eind 2007 zou ze ontdekken dat [A] geen advocaat was maar een rasoplichter. Het vergde een paar maanden om hem te vangen.”

4.2.

Nu [A] wel verwijst naar de foto, maar daarover geen concreet verwijt heeft geformuleerd, laat de rechtbank de foto buiten beschouwing. Overigens blijkt niet van enig redelijk belang van [A] tegen openbaarmaking van de foto.

4.3.

Gedaagden wijzen er terecht op dat [A] , afgezien van de hiervoor in r.o. 4.1 geciteerde passage, niet concreet heeft aangeduid op welke passages uit het boek zijn vordering betrekking heeft. Tijdens de comparitie van partijen heeft [A] toegelicht dat het hem gaat om alle passages over hem in de hoofdstukken. Hiermee heeft [A] voldoende concreet aangeduid waarop zijn vordering betrekking heeft.

in de zaak tegen [B]

4.4.

[A] stelt dat [B] , gebruikmakend van wetenschap die hij heeft ontleend aan zijn dienstbetrekking bij de politie, door in de hoofdstukken met naam en toenaam te publiceren over – kort gezegd – privé aangelegenheden van [A] de eer en goede naam heeft geschonden van [A] . Hij stelt verder dat het in de onder 4.1 geciteerde passage gebruikte woord “rasoplichter” feitelijk onjuist, discriminatoir, onnodig grievend en stigmatiserend is. Deze negatieve kwalificatie wordt volgens [A] kracht bijgezet door de daaropvolgende zin “Het vergde een paar maanden om hem te vangen”, aangezien hiermee in strijd met de waarheid wordt gesuggereerd dat hij een beroepscrimineel is, terwijl hij zijn straf heeft uitgezeten.

belangenafweging: vrijheid van meningsuiting versus bescherming eer en goede naam

4.5.

Bij de beoordeling van de vordering dient een afweging te worden gemaakt tussen twee gelijkwaardige belangen: tegenover elkaar staan het grondwettelijk en verdragsrechtelijk verankerde recht van [B] op vrijheid van meningsuiting, meer specifiek het recht om zich kritisch en informerend uit te laten over misstanden die de samenleving raken, en het onder andere door artikel 6:162 BW beschermde recht van [A] om niet te worden blootgesteld aan negatieve publicaties die inbreuk maken op zijn eer en goede naam respectievelijk op zijn recht op bescherming daarvan. Het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten zwaarder dient te wegen is afhankelijk van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. Bij deze afweging komt in beginsel geen voorrang toe aan het ene of het andere recht. Dat betekent dat de toetsing in één keer dient te geschieden, waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op de ter zake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dat het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op dat andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van artikel 8 lid 2 EVRM respectievelijk artikel 10 lid 2 EVRM.

4.6.

In het strafvonnis is vastgesteld dat [A] in 2009 door eigen toedoen een publiek persoon was, aangezien hij zich in elk geval vanaf augustus 2005 veelvuldig en actief heeft ingelaten met bij het grote publiek bekende personen en daarmee de belangstelling van de media trok. Publieke figuren dienen over het algemeen meer te dulden dan niet-publieke personen, ook als zij reeds enige tijd (meer) in de luwte verkeren, zoals bij [A] kennelijk het geval is.

4.7.

De rechtbank neemt in ogenschouw dat het persoonlijkheidsrecht kan meebrengen dat strafbare feiten die in het verleden zijn begaan de betrokkene niet levenslang worden ‘nagedragen’. Dat doet zich hier niet voor; het enkele feit dat [A] – zoals hij benadrukt – de aan hem in 2009 opgelegde straf heeft uitgezeten is daartoe onvoldoende.

4.8.

Het relevante nadeel van [A] is gelegen in de hernieuwde confrontatie met en aandacht voor zijn verleden door publicatie van het boek. [A] heeft onweersproken gesteld dat hij door vrienden en bekenden is aangesproken op de verschijning van het boek en dat dit onrust in zijn leven heeft veroorzaakt. Hij heeft erop gewezen dat hij na het uitzitten van zijn straf doende is geweest om zijn leven op te pakken en alle uitlatingen over hem achter zich te laten. Zijn verleden wordt nu weer opgerakeld door het boek, aldus [A] , die de publiciteit voorafgaand aan de comparitie van partijen in deze procedure tekenend vindt.

4.9.

In de bloemlezing van recensies, interviews en andere artikelen over of naar aanleiding van het boek die [B] in het geding heeft gebracht, komt [A] niet voor. [A] heeft tijdens de comparitie van partijen verklaard dat zijn naam is genoemd in de vooraankondiging van het boek en een artikeltje in Elsevier over het boek. Nu [B] dit heeft weersproken, [A's] naam niet wordt genoemd in het in het geding gebrachte in Elsevier gepubliceerde artikeltje over het boek of enige andere in het geding gebrachte publicatie over (het verschijnen van) het boek en [A] deze stelling op geen enkele manier heeft geconcretiseerd of onderbouwd, houdt de rechtbank het ervoor dat [A's] verklaring op een vergissing berust en stelt zij vast dat niet blijkt dat het verschijnen van het boek vorig jaar enige publiciteit over [A] heeft gegenereerd.

4.10.

Hetzelfde geldt voor de door [B] weersproken stelling van [A] dat zijn naam is genoemd op internet naar aanleiding van (het verschijnen van) het boek: ook deze door [B] weersproken stelling is op geen enkele manier concreet gemaakt of onderbouwd door [A] . Vaststaat wel dat de uitgever voorafgaand aan de comparitie van partijen een persbericht over deze procedure heeft uitgebracht, waarna op de website van Quote berichten zijn verschenen waarin [A] met naam en toenaam wordt genoemd. Deze publicaties zijn onmiskenbaar gegenereerd door deze, door [A] aangespannen procedure en niet door het vorig jaar verschijnen van het boek.

4.11.

Een volgende relevante omstandigheid is de aard van de publicatie. Het boek is een werk van non-fictie, dat ertoe strekt aandacht te vragen voor de zorgen en inzichten over de kwaliteit van het financiële recherchewerk van de Nederlandse politie die [B] gedurende zijn dienstbetrekking als rechercheur bij de Amsterdamse politie heeft ontwikkeld. Het boek is gebaseerd op [B's] eigen ervaringen als rechercheur.

4.12.

Niet ter discussie staat dat de in het boek geuite zorgen van [B] – bezien vanuit het algemeen belang – betrekking hebben op een ernstige misstand aangaande de kwaliteit van de financiële recherche en de maatschappelijke gevolgen daarvan.

4.13.

In de hoofdstukken worden onderzoeken beschreven waarbij [B] als rechercheur betrokken was en waarin [A] figureert. [A] wordt met naam en toenaam genoemd, met vermelding dan wel beschrijving van gegevens over zijn privé leven, zoals over zijn seksuele geaardheid, familieachtergrond, opleiding en werkervaring en zijn toenmalige woon- en verblijfplaatsen. Ook wordt het verloop van de strafzaken die zijn voortgevloeid uit de beschreven onderzoeken beschreven, onder meer de behandeling van de strafzaak tegen [A] , die heeft geleid tot veroordeling van [A] in het strafvonnis. De passages over [A] in de hoofdstukken – die hij ten aanzien van de daarin beschreven feiten overigens niet betwist – vinden steun in het ten tijde van het verschijnen van het boek beschikbare feitenmateriaal, in het bijzonder het strafvonnis.

4.14.

[B] heeft toegelicht dat hij in het boek heeft gekozen voor een benadering waarbij hij het werkproces van de politie beschrijft aan de hand van een aantal bekende strafzaken waarbij hij zelf als rechercheur was betrokken. Hij wilde met deze beschrijvingen de geloofwaardigheid en het realiteitsgehalte van de door hem gesignaleerde problemen illustreren en heeft bewust geen gebruik gemaakt van geanonimiseerde zaken, aangezien deze in zijn optiek zouden afdoen aan de zeggingskracht van het boek en het een theoretisch, academisch karakter zouden hebben gegeven als “het zoveelste beleidsrapport”.

Naar het oordeel van de rechtbank past de inkleding van de uitlatingen over [A] bij het gegeven dat [B] zijn inzichten over de misstanden die hij aan de kaak wenst te stellen heeft gesignaleerd tijdens zijn werk als rechercheur, onder meer bij het uitvoeren van de in het boek beschreven onderzoeken waarbij hij betrokken was.

4.15.

[A] heeft niet weersproken dat eerder, onder meer in het andere boek en de publicaties, informatie over zijn persoon, zijn strafzaak en de feiten waarvoor hij is veroordeeld openbaar is gemaakt. [B] heeft benadrukt dat hij in het boek alleen informatie heeft gebruikt die reeds eerder, in deze en andere openbare bronnen was verschenen en dat hij heeft geput uit zijn herinnering en – als het gaat om de behandeling van de strafzaak tegen [A] – uit de aantekeningen die hij heeft gemaakt bij het bijwonen van de openbare behandelingen daarvan. [A] heeft niet betwist dat [B] deze bronnen heeft gebruikt.

4.16.

Vaststaat dat [B] mede vanwege zijn eigen betrokkenheid kennis draagt van het onderzoek tegen [A] . De passages over [A] in de hoofdstukken zijn daarmee vanuit een andere invalshoek geschreven dan de publicaties over dezelfde feiten onder meer in het andere boek en de publicaties, die alle geschreven zijn door journalisten die – anders dan [B] – niet direct betrokken zijn geweest bij het onderzoek tegen [A] en de andere in het boek beschreven onderzoeken en dus niet uit eigen waarneming daarover hebben kunnen schrijven.

4.17.

Niet waarschijnlijk is dat [B] met een redelijke kans op succes het door hem in het algemeen belang nagestreefde doel van aandacht voor de door hem gesignaleerde misstanden op een andere manier had kunnen bereiken, als hij zijn inzichten niet uit eigen ervaring en gestaafd met concrete voorbeelden aan de orde zou hebben gesteld. [A] heeft zijn stelling dat het door [B] beoogde doel ook bereikt had kunnen worden zonder [A] te noemen niet geconcretiseerd. In het bijzonder is niet toegelicht hoe [A] , die ook figureert in de beschrijving van andere onderzoeken, geheel zou kunnen worden weggelaten uit de hoofdstukken zonder afbreuk te doen aan de logische opbouw en de samenhang van de inhoud daarvan.

4.18.

Afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval in onderling verband, leidt de rechtbank tot de conclusie dat het belang van [A] bij eerbiediging van het recht op zijn persoonlijke levenssfeer niet opweegt tegen het met publicatie van het boek gediende recht van vrijheid van meningsuiting.

4.19.

Bij deze belangenafweging heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat het boek een jaar geleden is verschenen. Overigens merkt de rechtbank op dat de belangenafweging niet anders was uitgevallen indien deze was gemaakt ten tijde van of kort(er) na het verschijnen van het boek.

onrechtmatig gebruik van gelekte politiegegevens ?

4.20.

[A] benadrukt dat het andere boek volgens de inleiding mede is gebaseerd op politiegegevens, die waren opgeslagen op een floppydisk die in een beige envelop anoniem bij de auteurs van dat andere boek was bezorgd. Hij wijst erop dat het andere boek daarmee is gebaseerd op gelekte ambtelijke stukken, hetgeen volgens [A] strekt als bewijs dat de in het boek gebruikte gegevens op onrechtmatige wijze zijn verkregen.

4.21.

Anders dan [A] stelt, maakt eventuele onrechtmatigheid van de verkrijging door en het gebruik van de auteurs van het andere boek van de gegevens op de floppydisk, het gebruik van dat andere boek als bron door [B] niet onrechtmatig.

4.22.

In de opmerking van [A] tijdens de comparitie van partijen dat [B] bij de politie werkte toen de envelop met gegevens werd bezorgd bij de auteurs van het andere boek ligt een ernstige en naar het oordeel van de rechtbank niet lichtvaardig te uiten beschuldiging aan het adres van [B] besloten, die [A] – op wiens weg dat ligt indien hij wenst dat daaraan in rechte enige gevolgtrekking wordt verbonden – op geen enkele manier heeft geconcretiseerd of gesubstantieerd. De rechtbank gaat daarom voorbij aan deze opmerking van [A] .

4.23.

Voor zover [A] zijn stelling dat [B] zich rechtstreeks heeft gebaseerd op processen-verbaal van de onderzoeken die hij heeft beschreven, heeft geconcretiseerd, is deze stelling gemotiveerd weerlegd door [B] , die heeft aangevoerd dat hij desgevraagd per passage kan aanduiden uit welke openbare bron de informatie over [A] afkomstig is en dat ook heeft gedaan met betrekking tot het door [A] tijdens de comparitie van partijen genoemde voorbeeld op bladzijde 179, waarin een doorzoeking wordt beschreven. Het andere door [A] genoemde voorbeeld is een foto (bovenste foto op de vijfde pagina met foto’s) die, volgens de daarnaast afgedrukte bronvermelding afkomstig is van de website van Vrij Nederland, dus uit een openbare bron.

4.24.

[A's] standpunt dat het aan [B] is om te bewijzen welke passages niet op geheime stukken zijn gebaseerd, strookt niet met de in de wet neergelegde bewijslastverdeling, waarin het aan [A] , die zich op het rechtsgevolg beroept, is om een en ander te stellen en zo nodig te bewijzen. Een uitzondering op deze regel doet zich hier niet voor en bij gebreke van voldoende concrete stellingen ontbreekt grondslag voor een door [B] met tegenbewijs te weerleggen bewijsvermoeden.

onrechtmatig gebruik van wetenschap uit hoofde van voormalig ambt ?

4.25.

Of de hiervoor genoemde, in de afweging van de rechtbank verdisconteerde omstandigheid dat [B] heeft geschreven over feiten waarvan hij kennis draagt uit hoofde van zijn voormalig ambt als bij de door hem beschreven onderzoeken betrokken rechercheur – zoals [A] heeft gesteld – ook op zichzelf gezien een onrechtmatige daad jegens [B] oplevert, laat de rechtbank onbesproken. Ook als [B] daarmee jegens [A] onrechtmatig zou hebben gehandeld, strandt een daarop gebaseerde vordering namelijk op het ontbreken van voor toewijzing daarvan vereist causaal verband, aangezien over [A's] strafzaak, de feiten waarvoor hij veroordeeld is en wat verder over hem is geschreven in de hoofdstukken reeds eerder is gepubliceerd, onder meer in het andere boek en de publicaties. Zoals hiervoor is overwogen heeft [A] – op wiens weg dat ligt – onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat het boek feitelijke informatie over [A] bevat die niet reeds in andere bronnen openbaar was gemaakt.

4.26.

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van [A] dat [B] zich schuldig heeft gemaakt aan het in artikel 272 Sr strafbaar gestelde schending van het ambtsgeheim. Zoals [A] tijdens de comparitie van partijen met juistheid heeft verklaard, is het niet aan de civiele rechter, maar aan de strafrechter om dit te beoordelen. Datzelfde geldt voor zijn stelling dat hier mogelijk sprake is van de in de artikelen 261, 262, 266, en 268 Sr strafbaar gestelde gedragingen (smaad, laster, eenvoudige belediging en lasterlijke aanklacht).

4.27.

[A's] verwijzing naar de door hem aangehaalde strafrechtelijke jurisprudentie over artikel 272 Sr kan hem niet baten. In deze jurisprudentie is – kort gezegd – geoordeeld dat het gegeven dat de informatie ook elders kon worden verkregen niet in de weg staat aan het oordeel dat sprake is van schending van het ambtsgeheim in de zin van artikel 272 Sr. Dat neemt echter niet weg dat in een civiele procedure het gegeven dat informatie reeds openbaar gemaakt is in de weg kan staan aan het aannemen van het voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad vereiste causale verband. Dat is in dit geval aan de orde (zie r.o. 4.25).

diskwalificerende en tendieuze termen ?

4.28.

De rechtbank komt nu toe aan de beoordeling van [A's] verwijt over de in r.o. 4.1 geciteerde passage. Nu vaststaat dat [A] voorafgaand aan de veroordeling die het resultaat was van het door [B] beschreven onderzoek reeds verschillende malen was veroordeeld voor oplichting en gezien de motivering in het strafvonnis van de aan [A] opgelegde straf is de in het in r.o. 4.1 opgenomen kwalificatie “rasoplichter” niet onnodig grievend jegens [A] . Dat geldt ook als de daarop volgende zin “Het vergde een paar maanden om hem te vangen” in verband moet worden gezien met deze term, wat overigens de vraag is, aangezien deze zin ook kan worden gelezen als de feitelijke en ook juiste vaststelling dat het geruime tijd heeft geduurd voordat [A] kon worden gearresteerd, omdat hij zich – zoals beschreven in de hoofdstukken – schuilhield en het de politie enige tijd en moeite heeft gekost voordat zij hem kon traceren en aanhouden.

4.29.

Het in algemene termen geformuleerde verwijt van [A] dat [B] in tendieuze en diskwalificerende termen heeft geschreven over hem en zijn voormalige partner treft geen doel. [A] , van wie dat kon worden gevergd, heeft nagelaten concreet aan te duiden op welke passages dit verwijt betrekking heeft.

nader onderzoek ?

4.30.

Naar aanleiding van de tijdens de comparitie van partijen door [A] gemaakte opmerking dat nu een heel team onderzoekers in de weer is met het boek en dat bij het uitpluizen daarvan op vele onjuistheden en ongerijmdheden wordt gestuit en zijn ter zitting geuite wens om getuigen te horen over het voorliggende geschil, overweegt de rechtbank dat het in het systeem van rechtsvordering aan [A] is om (in beginsel in de dagvaarding) zijn aan de vorderingen ten grondslag gelegde relevante feiten voldoende concreet te stellen en te substantiëren. Aan bewijslevering, bijvoorbeeld door het horen van getuigen, wordt pas toegekomen als sprake is van voor de beoordeling van de vordering relevante en voldoende concreet gestelde en gemotiveerd betwiste feiten. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de opmerkingen van [A] over het nu kennelijk lopende onderzoek en de bevindingen daaruit. Bij gebreke van een geschil over voldoende gestelde voor de beoordeling relevante feiten is in deze procedure geen plaats voor het door [A] gewenste horen van getuigen.

slotsom

4.31.

Het voorgaande leidt tot afwijzing van de vordering jegens [B] in de hoofdzaak. De vordering in het incident deelt dit lot. Aan bespreking van de andere geschilpunten wordt niet toegekomen.

in de zaak tegen de politie

4.32.

[A] heeft tijdens de comparitie van partijen toegelicht dat hij de politie als werkgever van [B] aansprakelijk houdt voor de door hem gestelde onrechtmatige gedragingen van [B] .

4.33.

De afwijzing van de vordering jegens [B] staat in de weg aan toewijzing van de vordering tegen de politie. Los daarvan is op geen enkele manier gesteld of gebleken dat kan zijn voldaan aan de vereisten van aansprakelijkheid van de politie voor eventueel onrechtmatig handelen van [B] op de voet van artikel 6:170 BW.

in de zaak tegen de Staat

4.34.

[A] wijst op de in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) neergelegde verantwoordelijkheid van het college van procureurs-generaal voor (de verwerking van) strafvorderlijke gegevens. Volgens [A] is het boek in feite een relaas van het strafrechtelijk onderzoek tegen hem, waarbij [B] in de vervolgingsfase onder gezag van de officier van justitie werkte. [B] diende als rechercheur alles neer te leggen in processen-verbaal die werden gevoegd in het strafdossier waarvoor de officier van justitie, het college van procureurs-generaal – en daarmee uiteindelijk de Staat – op grond van de Wsjg verantwoordelijk voor is, aldus [A] , die stelt dat hier in feite sprake is van verwerking van strafvorderlijke gegevens en dat dit de Staat dus verantwoordelijk maakt voor de publicatie van strafvorderlijke gegevens, waarvan volgens [A] vaststaat dat die zijn gebruikt in het boek.

4.35.

Het betoog van [A] gaat voorbij aan de reikwijdte, de inhoud en het systeem van de Wsjg waarop hij zich beroept. Artikel 1 aanhef en sub b Wsjg omschrijft strafvorderlijke gegevens als – voor zover hier van belang – “persoonsgegevens die zijn verkregen in het kader van een strafvorderlijk onderzoek en die het openbaar ministerie in een strafdossier of langs geautomatiseerde weg verwerkt”. De processen-verbaal van de politie zullen in het op [A] betrekking hebben strafdossier zijn gevoegd. In het strafdossier gevoegde processen-verbaal zijn strafvorderlijke gegevens in de zin van de Wsjg. De Staat heeft erop gewezen dat de politie – en dus [B] – geen toegang heeft tot het strafdossier en evenmin tot andere door het openbaar ministerie langs geautomatiseerde weg verwerkte gegevens. Op geen enkele manier blijkt dat [B] gebruik heeft gemaakt van binnen de reikwijdte van de Wsjg vallende gegevens uit het strafdossier van [A] . Het schrijven van het boek door [B] kan voorts op geen enkele manier worden aangemerkt als het verwerken van strafvorderlijke gegevens in de zin van de Wsjg. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die kunnen leiden tot aansprakelijkheid van de Staat jegens [A] in verband met (de publicatie van) het boek.

in alle zaken

4.36.

De vorderingen in de hoofdzaak en in het incident tegen alle gedaagden worden afgewezen, met veroordeling van [A] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, zoals hierna te melden in het dictum. Conform de onweersproken vordering daartoe van de Staat en de politie zal de proceskostenveroordeling ten aanzien van hen worden vermeerderd met wettelijke rente, te rekenen vanaf vijftien dagen na de datum van dit vonnis. Voor de door de Staat en de politie gevorderde veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de proceskostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BLI 116).

5 De beslissing

De rechtbank,

in alle zaken in de hoofdzaak en in het incident

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [A] in de proceskosten die tot aan deze uitspraak ten aanzien van [B] worden begroot op € 1.778 (€ 876 aan griffierecht en € 902 aan advocatenkosten – 2 punten tarief II) en ten aanzien van de Staat en politie op € 2.811 (€ 1.909 aan griffierecht en € 902 aan advocaatkosten – 2 punten tarief II), vermeerderd met wettelijke rente over dit bedrag, te rekenen vanaf vijftien dagen na de datum van dit vonnis;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Alwin en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2016.