Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:2870

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-03-2016
Datum publicatie
18-03-2016
Zaaknummer
C-09-503753-KG ZA 16-63
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Uitlevering naar Bosnië-Herzegovina. Taakverdeling uitleveringsrechter en Minister. Voorgenomen uitlevering verboden, omdat voorshands ervan moet worden uitgegaan dat sprake is van 'bijzondere hardheid' in de zin van art. 10 lid 2 Uitleveringswet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/503753 / KG ZA 16-63

Vonnis in kort geding van 17 maart 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] , thans gedetineerd in het penitentiair psychiatrisch centrum van de penitentiaire inrichting [X] , locatie [locatie] ,

eiser,

advocaat mr. B.D.W. Martens te Den Haag,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ' [eiser] ' en 'de Staat'.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties;

- de akte houdende aanvulling van eis, met productie;

- de brief van [eiser] van 29 februari 2016, met producties;

- de brief van de Staat van 29 februari 2016, met producties, waaronder een notitie ten behoeve van de behandeling ter zitting;

- de brief van de Staat van 2 maart 2016, met een productie;

- de op 3 maart 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Op 3 februari 2014 hebben de autoriteiten van Bosnië-Herzegovina verzocht om de uitlevering van [eiser] , zulks met het oog op diens berechting ter zake van oorlogsmisdaden jegens de burgerbevolking op 29 augustus 1992.

2.2.

In verband daarmee is [eiser] - die de Nederlandse nationaliteit bezit - op 8 mei 2014 aangehouden en in verzekering gesteld.

2.3.

Bij uitspraak van 24 november 2014 heeft de uitleveringskamer van deze rechtbank de uitlevering van [eiser] aan Bosnië en Herzegovina toelaatbaar verklaard. Bij advies van diezelfde datum heeft de rechtbank aan de minister van Veiligheid en Justitie (hierna 'de Minister') verzocht om:

( i) te bedingen dat de tijd die [eiser] in Nederland in uitleveringsdetentie heeft doorgebracht wordt afgetrokken van een eventueel in Bosnië-Herzegovina op te leggen vrijheidsstraf;

(ii) aandacht te schenken aan het bepaalde in artikel 4 lid 2 van de Uitleveringswet (terugkeergarantie), nu [eiser] de Nederlandse nationaliteit heeft;

(iii) toepassing van het in artikel 12 van de Uitleveringswet vervatte specialiteitsbeginsel en het beginsel van niet verderlevering te bedingen;

(iv) gelet op de medische/psychische conditie van [eiser] nader onderzoek te doen naar diens gezondheidstoestand, de noodzakelijke behandeling en de beschikbaarheid daarvan in Bosnië-Herzegovina, alsmede om garanties te vragen dat [eiser] zowel tijdens zijn verhoren als in detentie fatsoenlijk zal worden behandeld;

( v) rekening te houden met hetgeen het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft overwogen in de zaak Othman (Abu Qatada) tegen het Verenigd Koninkrijk over aan garanties te stellen eisen en het aan gegeven garanties al dan niet te hechten vertrouwen.

2.4.

[eiser] heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van 24 november 2014, maar heeft dat beroep op 9 maart 2015 weer ingetrokken.

2.5.

Bij brief van 10 maart 2015 heeft [eiser] aan de Minister medegedeeld zich - ondanks de intrekking van het cassatieberoep - onverminderd te verzetten tegen zijn uitlevering en verzocht om bij de beslissing bepaalde - in de brief specifiek aangeduide - aspecten in aanmerking te nemen.

2.6.

Op verzoek van de Minister heeft psychiater [psychiater 1] (hierna ' [psychiater 1] ') op 9 september 2015 een rapport uitgebracht over eiser, waarbij hij een aantal - door de Minister gestelde - vragen heeft beantwoord. Voor zover hier van belang, vermeldt het rapport:

"12. BEANTWOORDING VAN DE VRAGEN

1. Is er bij betrokkene sprake van een gebrekkige ontwikkeling dan wel ziekelijke stoornis van het geestesvermogen?

Ja. Bij betrokkene is sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een chronische posttraumatische stress-stoornis (PTSS). Andere ziekelijke stoornissen of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens kunnen niet worden vastgesteld.

2. Leidt deze gebrekkige ontwikkeling dan wel ziekelijke stoornis van het geestesvermogen op dit moment tot klachten en/of beperkingen?

Ja, de PTSS van betrokkene kenmerkt zich door de voortdurende herbeleving van de traumatische gebeurtenissen (in de vorm van onder andere opdringende herinneringen, nachtmerries, psychische en lichamelijke stress-reacties bij herinneringen en/of blootstelling aan traumatische gebeurtenissen), door aanhoudende vermijding van prikkels die bij het trauma hoorden en door afstomping van de algemene reactiviteit (in de vorm van het actief vermijden van wat met de Bosnische oorlog te maken heeft en interesseverlies), en door aanhoudende symptomen van verhoogde prikkelbaarheid (in- en doorslaapstoornissen, irritaties, moeite met concentreren, schrikreacties).

3. Leidt uitlevering van de betrokken persoon tot een eventuele verergering van zijn psychische toestand?

Ja. Betrokkene heeft de stellige overtuiging dat hij bij eventuele uitlevering wordt overgedragen aan Servische autoriteiten, en dat hij daarmee als het ware opnieuw het oude oorlogsgebied ingaat. Betrokkene wordt met een uitlevering blootgesteld aan stimuli, zowel interne als externe, die aspecten van de vroegere traumatische gebeurtenissen symboliseren of erop lijken, en waartegen hij zich bovendien niet kan verweren en niet aan kan onttrekken. Dat betrokkene daarbij de overtuiging heeft dat hij door een Servische rechtbank gezien zal worden als een Bosnische moslim en dat men hem alleen al daarom ongunstig gezind is, heeft eveneens een ongunstige invloed op het beloop van de klachten en symptomen van betrokkene.

Afgaand op wat betrokkene zegt, is de te verwachten verergering van zijn psychische toestand níet gelegen in het gegeven dat hij terecht zou moeten staan in verband met feiten gepleegd tegen Servische mensen, waarvan hij overigens zegt dat hij onschuldig is. Het gaat hem specifiek om de uitlevering aan een Servische rechtbank in Servisch gebied in Bosnië-Herzegovina.

4. Is deze verandering dusdanig dat er sprake is van een reversibele dan wel irreversibele schade aan zijn gezondheidstoestand?

Uitlevering zal, tegen de achtergrond van betrokkenes chronische PTSS, naar verwachting niet alleen betrokkenes klachten en symptomen doen toenemen, maar ook een nieuwe traumatisering betekenen. Het gevolg hiervan is dat de PTSS steviger in betrokkenes leven verankerd gaat worden. Uitlevering zal daarmee het toekomstige herstel- of genezingsproces zeer ongunstig beïnvloeden, en irreversibele schade toebrengen aan betrokkenes gezondheidstoestand. Nieuwe traumatisering is nu eenmaal niet ongedaan te maken.

5. Is deze verwachte verergering dusdanig dat uitlevering niet mogelijk is, daarbij in acht genomen dat de gezondheidszorg in het land waaraan betrokkene zou worden uitgeleverd, van evenredige kwaliteit is als die in Nederland?

Zelfs als de kwaliteit van gezondheidszorg na uitlevering van evenredige kwaliteit is als die in Nederland, wordt verergering van betrokkenes klachten en symptomen bij uitlevering niet voorkomen, nu reeds in de huidige Nederlandse omstandigheden (PPC [locatie] ) zichtbaar is dat betrokkene in toenemende mate last krijgt van de verschijnselen van PTSS, als gevolg van de confrontatie met stimuli die aspecten van de traumatische gebeurtenissen symboliseren of erop lijken, en waartegen hij zich bovendien niet kan verweren en waaraan hij zich niet kan onttrekken. Bij uitlevering is dit in sterkere mate het geval. Vanuit psychiatrisch oogpunt, gelet op de te verwachten verdere achteruit gang van betrokkenes psychische gezondheidstoestand, adviseert ondergetekende niet uit te leveren."

2.7.

Vervolgens heeft de Minister aan professor dr. [professor] (hierna ' [professor] ') - hoofd forensische psychiatrie van het Universitair Medisch Centrum en de Erasmus school of Law te Rotterdam, alsmede psychiatrisch adviseur van het ministerie van Veiligheid en Justitie - om advies gevraagd met het oog op de eventuele uitlevering van [eiser] . Voor zover van belang luidt zijn reactie d.d. 2 oktober 2015:

"Naar aanleiding van uw verzoek d.d. 10.09.15 betreffende: de heer [eiser] , geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats] in het voormalig Joegoslavië, kan ik u na bestudering van de stukken het volgende mededelen. U verzoekt mij u te adviseren of de heer [eiser] uitleverings- en detentiegeschikt is.

Het mij ter beschikking gestelde stuk is het Pro Justitia psychiatrisch onderzoek betreffende betrokkene door de deskundige collega [psychiater 1] , psychiater, d.d. 09.09.15. Voor het overige heb ik geen stukken ontvangen. Daarover kan ik mij dan ook geen oordeel vellen. (…)

(…)

Beschouwing op grond van bovenstaande informatie

(…)

Mijn conclusie: uit het psychiatrisch onderzoek door collega [psychiater 1] op 09.09.15 gedaan bij betrokkene, de heer [eiser] , blijken geen aanwijzingen voor een posttraumatische stress stoornis, althans niet op dat moment. (…)

Samenvattend kan gesteld worden dat uit het psychiatrisch onderzoek in engere zin (bladzijde 14 van het rapport) geen psychotische stoornis naar voren komt, noch een posttraumatische stress-stoornis, noch concentratie- of communicatiestoornissen. Er bestaat geen suïcidaliteit en er blijkt geen stoornis in de realiteitstoetsing.

Beantwoording van de vraagstelling:

A. Is er sprake van detentiegeschiktheid?

Er is sprake van detentiegeschiktheid. De onderzoekend psychiater maakt hier geen melding van maar betrokkene is in staat zijn status als gedetineerde te begrijpen, te overzien en zich aan de hand van dat overzicht te gedragen. Het psychiatrisch onderzoek geeft hier verder geen aanleiding dat te overwegen.

B. Is er sprake van uitleveringsgeschiktheid?

Ad B). de vraag naar uitleveringsgeschiktheid dient te worden beantwoord door de gestelde vraag van de bijzondere hardheid van de uitlevering te hanteren. Van bijzondere hardheid is er sprake wanneer de betrokkene niet in staat is zijn situatie te begrijpen, zoals wanneer er sprake is van een psychose of een andere vorm van stoornis in de realiteitstoetsing, wanneer er sprake is van de kans op irreversibele schade aan de gezondheidstoestand door de uitlevering, zoals bijvoorbeeld een grote kans op een psychotische manifestaties en ernstige suïcidaliteit dan wel automutilatie. Op grond van de ter beschikking staande informatie bestaan er geen aanwijzingen dat er op dit moment sprake is van een bijzondere hardheid van de uitlevering.

(…)

Deze vraag beantwoordend, kan worden gesteld dat er bij betrokkene geen bijzondere hardheid bestaat waardoor hij niet kan worden uitgeleverd. De eerdere uit de voorgeschiedenis vermelde manifestaties van ziekte zijn thans niet meer aanwezig, dan wel zijn zij voldoende gestabiliseerd met behulp van de eerdere begeleiding en medicatie. Er zijn op dit moment geen aanwijzingen dat deze vroegere decompensaties betrokkene een rol spelen en verhinderen een overzicht te houden over zijn situatie, te beseffen wie hij is en de reden van zijn penitentiaire verblijf en de bedoeling ervan. Betrokkene is ook met het criterium van de hardheidsclausule uitleveringsgeschikt.

C. Aanvullend wordt gevraagd of het uitmaakt of betrokkene door de federale rechtbank wordt gezien.

Het valt voor te stellen dat betrokkene zich ernstig bedreigd voelt wanneer er sprake is van berechting in de deelstaat Republika Srpska. In die zin mag niet vergeten worden dat betrokkene een kwetsbare persoonlijkheid heeft voor wat betreft eerdere psychiatrische decompensaties, zoals vermeld. Het verdient daarom de stringente voorkeur dat deze rechtszitting door een neutrale instantie wordt georganiseerd zodat betrokkene zich niet bedreigd voelt door de aanstaande rechtszitting. Ondergetekende vindt het zelfs onderdeel van onze zorgplicht hier met klem op aan te dringen bij de autoriteiten van het verzoekende land."

2.8.

Bij beschikking van 4 januari 2016 heeft de Minister de uitlevering van [eiser] aan Bosnië-Herzegovina toegestaan.

2.9.

Op 26 februari 2016 heeft psychiater [psychiater 2] (hierna ' [psychiater 2] ') - op verzoek van [eiser] - een psychiatrisch rapport uitgebracht met betrekking tot [eiser] en een aantal aan hem gestelde vragen beantwoord. Voor zover van belang luidt het rapport:

" VIIl. BEANTWOORDING VAN DE VRAAGSTELLING

1. Is er bij betrokkene sprake van een gebrekkige ontwikkeling dan wel ziekelijke stoornis van het geestvermogen?

Uit het onderhavige onderzoek komt betrokkene naar voren als een man bij wie al langdurig sprake is van een posttraumatische stressstoornis (PTSS), van het chronische type met een vertraagd begin. Er is bij betrokkene daarnaast sprake van een psychotische kwetsbaarheid, die zich vooral in 1998 duidelijk gemanifesteerd heeft in de vorm van paranoïde en grootheidswanen. Deze kunnen niet geheel losgekoppeld worden van de traumatische ervaringen van betrokkene in de oorlog in Bosnië, maar kunnen ook niet volledig hiertoe herleid worden. (…)

2. Leidt deze gebrekkige ontwikkeling dan wel ziekelijke stoornis van de geestvermogens op dit moment tot klachten en/of beperkingen?

Ja, er is bij betrokkene sprake van een scala aan klachten en beperkingen, die weliswaar enigszins aangezet lijken te worden, maar in zeer grote lijnen een reële basis hebben. De klachten zijn vooral te herleiden tot de volgende symptomen van PTSS: flashbacks en zich opdringende herinneringen, slaapstoornissen (ondanks medicatie) en nachtmerries, prikkelbaarheid en boosheid bij heel lichte aanleiding, vermijding van prikkels, schrikreacties, concentratiestoornissen. Het enige ontbrekende element van de PTSS bij betrokkene zijn geheugenstoornissen, maar dit doet geenszins af aan de diagnose.

3. Leidt uitlevering van de betrokken persoon tot een eventuele verergering van zijn psychische toestand?

Uitlevering leidt in ieder geval tot nieuwe traumatisering en ’opbloeien’ van oude traumata, die betrokkene momenteel doorgaans tracht te vermijden/ontwijken. Hierbij speelt ook nog een rol dat betrokkene meent ingeval van de rechtbank in Banja Luca al bij voorbaat veroordeeld te zijn, waarbij hem geen eerlijk proces zal wachten. Hij refereert hierbij voornamelijk aan zijn moslimachtergrond en aan de overtuiging dat de Serviërs een aantal moslims willen veroordelen om hiermee eigen oorlogsmisdaden enigszins te kunnen compenseren.

Waar er al sprake is van een verslechtering van het klachtenpatroon tijdens het huidige verblijf in het PPC zal dit in verhevigde mate het geval zijn bij uitlevering van betrokkene.

4. Is deze verandering dusdanig dat er sprake is van een reversibele dan wel irreversibele schade aan zijn gezondheidstoestand?

Ja, aangezien hier sprake is van een nieuwe traumatisering, die zal leiden tot exacerbatie van het al bestaande klachtenpatroon. Verwacht mag worden dat deze klachten grotendeels irreversibel zijn. Er is naar de mening van rapporteur dan ook sprake van de door prof. [professor] gememoreerde hardheidsclausule in de zin van een verhoogde kans op irreversibele psychische afwijkingen zoals chronisch letsel (verdere exacerbatie PTSS).

5. Is deze verwachte verergering dusdanig dat uitlevering niet mogelijk is, daarbij in acht genomen dat de gezondheidszorg in het land waaraan betrokkene zou worden uitgeleverd, van evenredige kwaliteit is als die in Nederland?

Uitlevering zal ongetwijfeld leiden tot verdere exacerbatie van de PTSS-klachten, niet in het laatst omdat betrokkene geen gebruik zal kunnen maken van zijn vermijdende coping en verdere achteruitgang van betrokkenes gezondheidstoestand en zijn functioneren zal optreden, wat de uitlevering aan Republika Sprska zeer ongewenst maakt. Mocht het toch tot uitlevering komen dan valt de federale rechtbank te Sarajevo zeer te prefereren boven de rechtbank in Banja Luka, niet in het laatst, omdat betrokkene in eerstgenoemde veel meer vertrouwen koestert."

2.10.

In verband met het opmaken van het rapport heeft [psychiater 2] een bedrag van
€ 2.000,-- in rekening gebracht.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert na wijziging van eis:

primair

- de Staat te bevelen niet over te gaan tot de uitlevering van [eiser] aan Bosnië-Herzegovina;

subsidiair

- de Staat te bevelen niet over te gaan tot uitlevering van [eiser] aan Bosnië-Herzegovina, zolang:

( i) niet kan worden gegarandeerd dat [eiser] dezelfde medische zorg in Bosnië-Herzegovina zal ontvangen als in Nederland beschikbaar is;

(ii) bepaalde garanties niet duidelijk worden gekwalificeerd, dan wel dusdanig zijn gepreciseerd dat de rechten van [eiser] op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden ('EVRM'), berechting voor een staatsgerecht in plaats van in Banja Luka en de terugkeergarantie afdoende zijn verzekerd en gegarandeerd en dat hij geen verboden behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM krijgt;

een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten, waaronder begrepen een bedrag van € 2.000,-- aan deskundigenkosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] - samengevat - het volgende aan.

De Minister handelt onrechtmatig jegens [eiser] door hem te willen uitleveren, aangezien [eiser] in Bosnië-Herzegovina, meer specifiek de Republika Srpska, in strijd met artikel 10 leden 1 en 2 van de Uitleveringswet het risico loopt te worden blootgesteld aan schending van de artikelen 3 en 6 EVRM. Bovendien handelt de Minister onzorgvuldig en in strijd met zijn zorgplicht, doordat hij - gelet op het advies van de rechtbank van 24 november 2014 - onvoldoende onderzoek heeft gedaan en waarborgen heeft gevraagd.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de voorgenomen uitlevering onrechtmatig is. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter - in dit spoedeisende geval de voorzieningenrechter in kort geding - tot kennisneming van de vordering gegeven. In het verlengde daarvan wordt opgemerkt dat uitsluitend ter beoordeling voorligt de vraag of de Minister in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de uitlevering van [eiser] aan Bosnië Herzegovina toe te staan.

4.2.

Op grond van de Uitleveringswet vindt uitlevering van een opgeëiste persoon plaats nadat die door de uitleveringsrechter toelaatbaar is verklaard en vervolgens door de Minister bij besluit is toegestaan. Uit de in de Uitleveringswet neergelegde taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister vloeit verder voort dat de opgeëiste persoon desgewenst bij de burgerlijke rechter kan vorderen de uitlevering te verbieden op de grond dat het besluit van de minister, of de tenuitvoerlegging daarvan, tegenover de opgeëiste persoon onrechtmatig is.

4.3.

Volgens vaste jurisprudentie heeft de minister, als orgaan van de Staat, een eigen verantwoordelijkheid om al dan niet tot uitlevering te besluiten, ondanks toelaatbaarverklaring door de rechter. Voorts geldt dat een verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering - zoals in beginsel aanwezig tegenover Bosnië-Herzegovina - op grond van het Europees Uitleveringsverdrag slechts dan wijkt voor de (ingevolge artikel 1 EVRM) op de Staat rustende verplichting om de rechten van het EVRM te verzekeren, indien blijkt dat de uit te leveren persoon door zijn uitlevering wordt blootgesteld aan het risico van een (flagrante) schending van een aan hem - ingevolge het EVRM - toekomend recht en voorts naar aanleiding van een voldoende onderbouwd betoog is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat.

4.4.

In het kader van de hiervoor al aangehaalde taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister toetst de uitleveringsrechter bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering niet alle aspecten van de uitlevering. Aspecten die volgens die taakverdeling worden beoordeeld door de Minister en daarom bij de toelaatbaarverklaring door de uitleveringsrechter niet aan de orde zijn gekomen, kan de opgeëiste persoon desgewenst betrekken in een vordering bij de burgerlijke rechter die ertoe strekt de uitlevering te verbieden op de grond dat het besluit van de Minister, of de tenuitvoerlegging daarvan, onrechtmatig is tegenover de opgeëiste persoon. Die taakverdeling betekent dat de opgeëiste persoon die bij de Minister aanvoert dat zijn uitlevering een schending van fundamentele rechten oplevert of zal opleveren, het besluit van de Minister ter toetsing kan voorleggen aan de burgerlijke rechter. Beroept de opgeëiste persoon zich echter op feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal waarover de uitleveringsrechter reeds heeft geoordeeld, dan kan aan dat beroep voorbij worden gegaan door de Minister indien daaraan niet andere feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal ten grondslag worden gelegd. Hetgeen in de uitleveringsprocedure niet aan de orde is gesteld en in de civiele procedure wel naar voren wordt gebracht, zal door de burgerlijke rechter in de beoordeling moeten worden betrokken, evenals overigens aspecten die in de uitleveringsprocedure wel aan de orde zijn gesteld maar waarover de uitleveringsrechter in zijn uitspraak niet heeft geoordeeld. In voorkomend geval kan dit ook ertoe leiden dat in de civiele procedure op grond van nieuwe omstandigheden anders moet worden geoordeeld dan in de uitleveringsprocedure (Hoge Raad 11 juli 2014; ECLI:NL:HR:2014:1680). De hiervoor bedoelde andere feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal heeft het gerechtshof Den Haag nader genuanceerd, in die zin dat het moet gaan over nadien voorgevallen nieuwe feiten en/of omstandigheden (ECLI:NL:GHDHA:2014:3750).

Vertaling strafvonnissen, onschuldexceptie en onafhankelijk- en onpartijdigheid rechterlijke macht in Bosnië-Herzegovina

4.5.

Voor zover [eiser] zich in het onderhavige kort geding heeft beroepen op het niet vertalen van de reeds jegens de medeverdachten uitgesproken vonnissen van de strafrechter in Bosnië-Herzegovina en (in het verlengde daarvan) zijn onschuld, alsmede op de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak in Bosnië-Herzegovina, is - bezien in het licht van hetgeen onder 4.4 is overwogen - van belang dat de uitleveringsrechter daarover al heeft geoordeeld, terwijl (relevante) nieuwe feiten, omstandigheden of bewijsmiddelen in voormelde zin niet zijn aangevoerd door [eiser] . Dat brengt mee dat het de Minister vrij stond om zich voor wat betreft die aspecten volledig aan te sluiten bij het oordeel van de uitleveringsrechter en dat die omstandigheden niet kunnen leiden tot toewijzing van (één van) de vordering(en) van [eiser] . Overigens moet - overeenkomstig de stellingen van de Staat - worden aangenomen dat Richtlijn 2010/64/EU, waarop [eiser] zich beroept met betrekking tot de vertaling van de strafvonnissen van de medeverdachten, niet van toepassing is op het onderhavige geschil. Die richtlijn legt immers enkel voorschriften vast met betrekking tot het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures en procedures voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. Een uitleveringsprocedure, zoals hier aan de orde, kan daaronder niet worden begrepen.

Tussenconclusie

4.6.

Het vorenstaande betekent dat de voorzieningenrechter zich in het onderhavige geschil enkel - inhoudelijk - dient uit te laten over de door [eiser] opgevoerde kwesties betreffende (i) de detentieomstandigheden in Bosnië-Herzegovina, (ii) de terugkeergarantie, (iii) de behandeling van de strafzaak door de lokale rechtbank van Banja Luka en (iv) zijn gezondheidstoestand. Deze zullen hieronder, steeds afzonderlijk, worden besproken.

Detentieomstandigheden

4.7.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat uit verschillende rapportages blijkt dat de detentieomstandigheden in Bosnië-Herzegovina zodanig zorgwekkend zijn dat hij het risico loopt te worden blootgesteld aan schending van het bepaalde in artikel 3 EVRM. Met het oog daarop heeft de rechtbank de Minister op 24 november 2014 geadviseerd nader onderzoek te laten verrichten en garanties te vragen.

4.8.

In dat verband is allereerst van belang dat Bosnië-Herzegovina partij is bij het EVRM en bij het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. Gelet hierop moet er - in beginsel - op worden vertrouwd dat Bosnië-Herzegovina de uit die verdragen voortvloeiende verplichtingen jegens [eiser] zal eerbiedigen en dat de detentieomstandigheden niet zodanig zijn dat deze strijdig zijn met artikel 3 EVRM. Voorts wordt vooropgesteld dat - ingevolge vaste jurisprudentie - sprake moet zijn van gegronde redenen ("substantial grounds") om aan te nemen dat juist [eiser] in geval van uitlevering een reëel gevaar ("a real risk") loopt te worden onderworpen aan foltering of aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (zie o.a. EHRM 7 juli 1989, ECLI:NL:XX:AB9902, NJ 1990,158); de enkele mogelijkheid van schending van artikel 3 EVRM is dus onvoldoende.

4.9.

De Staat (lees: de Minister) komt op basis van een rapport van de Europese Commissie van 10 november 2015 en een zogenoemd 'landenrapport' van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken tot de conclusie dat een dergelijk reëel risico niet aanwezig is. Daarnaast heeft de Staat onweersproken aangevoerd dat uit het laatste rapport blijkt dat gevangenen de mogelijkheid hebben om klachten in te dienen bij de ombudsman, mensenrechtenorganisaties wordt toegestaan gedetineerden te bezoeken en overbevolking van detentiecentra is aangepakt door de bouw van een nieuwe inrichting. Daarnaast stelt de Staat - onbetwist - dat hij van de Nederlandse ambassade en het ministerie van Buitenlandse Zaken informatie heeft ontvangen waarbij het voorgaande min of meer wordt bevestigd en waaruit volgt dat medewerkers van de ambassade vrije toegang hebben tot Nederlandse gedetineerden en detentieomstandigheden goed kunnen beoordelen, gedetineerden bij ernstige klachten voor behandeling worden overgeplaatst naar ziekenhuizen, incidenten tussen gedetineerden en personeel steeds minder voorkomen, een posttraumatische stress-stoornis ('PTSS') een erkende medische aandoening is in Bosnië-Herzegovina en dat alle gevangenissen daartoe de beschikking hebben over gespecialiseerde hulpverleners. Tot slot, maar - gelet op het hiervoor al aan de orde gestelde vertrouwensbeginsel - zeker niet in de laatste plaats is van belang dat de autoriteiten van Bosnië-Herzegovina bij brief van 24 september 2014, met daaraan gehecht een brief van de rechtbank in Banja Luka van 19 september 2014, toezeggingen hebben gedaan met betrekking tot de fysieke en psychische integriteit van [eiser] , geschikte medische zorg, toegang tot een advocaat en de mogelijkheid van consulaire bijstand. Hetgeen [eiser] in het onderhavige verband heeft aangevoerd is - mede bezien in het licht van al het voorgaande - onvoldoende om die garanties in twijfel te trekken.

4.10.

Een en ander betekent dat een dreigende schending van artikel 3 EVRM wegens zorgwekkende detentieomstandigheden niet kan worden aangenomen.

Terugkeergarantie

4.11.

In zijn beschikking van 4 januari 2016 heeft de Minister aangegeven dat [eiser] in verband met zijn Nederlandse nationaliteit recht heeft op een 'terugkeergarantie', dat de autoriteiten van Bosnië-Herzegovina hebben gegarandeerd dat [eiser] zijn straf in Nederland mag ondergaan indien hij - na uitlevering - wordt veroordeeld tot een vrijheidsstraf, alsmede dat op grond van het Verdrag betreffende de Overbrenging van gevonniste personen de aan [eiser] op te leggen straf zal kunnen worden aangepast, waarmee is voldaan aan de voorwaarden waaronder een Nederlandse onderdaan kan worden uitgeleverd. Daaraan voegt de Minister nog wel toe dat over een eventuele intrekking van het Nederlanderschap na een veroordeling ter zake van oorlogsmisdrijven nog geen uitsluitsel kan worden gegeven.

4.12.

Volgens [eiser] is de door de Minister verstrekte terugkeergarantie een 'wassen neus', omdat niet kan worden uitgesloten dat zijn Nederlandse nationaliteit zal worden ingetrokken indien hij in Bosnië-Herzegovina zal worden veroordeeld wegens oorlogsmisdrijven, waarna van een terugkeer naar Nederland geen sprake meer zal kunnen zijn. [eiser] stelt zich op het standpunt - althans zo begrijpt de voorzieningenrechter - dat pas tot zijn uitlevering mag worden overgegaan, indien wordt gegarandeerd dat zijn Nederlandse nationaliteit niet wordt ingetrokken.

4.13.

[eiser] kan daarin echter niet worden gevolgd. Van de Minister kan geen verderstrekkende garantie worden verlangd dan de garantie zoals vermeld in de beschikking van 4 januari 2016. Bij het verstrekken van een garantie, zoals hier aan de orde, moet worden uitgegaan van de bestaande situatie en kan niet worden vooruitgelopen op een toekomstige onzekere gebeurtenis (zie ook gerechtshof Den Haag 15 september 2015; ECLI:NL:GHDHA:2015:2743). Daar komt bij dat [eiser] in een bestuursrechtelijke procedure kan opkomen tegen een eventuele beslissing waarbij zijn Nederlandse nationaliteit wordt ingetrokken.

Rechtbank Banja Luka

4.14.

In zijn rapport heeft [psychiater 1] - gemotiveerd - aangegeven dat berechting door een "Servische rechtbank in Servisch gebied in Bosnië-Herzegovina" de psychische toestand van [eiser] kan verslechteren. Vervolgens heeft de Minister - wellicht naar aanleiding van die conclusie van [psychiater 1] - aan [professor] aanvullend gevraagd (vraag C) of het uitmaakt voor [eiser] door welke rechter zijn strafzaak wordt behandeld. In reactie daarop heeft [professor] gemotiveerd aangegeven zich te kunnen voorstellen dat [eiser] zich ernstig bedreigd voelt wanneer hij wordt berecht in de deelstaat Republika Srpska. Volgens [professor] verdient het daarom "de stringente voorkeur dat de terechtzitting bij een neutrale rechterlijke instantie plaatsvindt". Naar zijn mening behoort het zelfs tot de zorgplicht van de Staat daarop aan te dringen bij de autoriteiten van Bosnië-Herzegovina.

4.15.

Op grond van het antwoord van de autoriteiten van Bosnië-Herzegovina op een vraag van de Minister naar de rechter die de strafzaak van [eiser] zal behandelen (opmerking voorzieningenrechter: gesteld noch gebleken is dat - zoals [professor] adviseerde - is aangedrongen op behandeling door een 'neutrale' rechterlijke instantie), moet ervan worden uitgegaan dat de strafzaak van [eiser] zal worden behandeld door de rechtbank in Banja Luka, ofwel door een rechtbank in Servisch gebied in Bosnië-Herzegovina.

4.16.

In reactie op de bezwaren daartegen van [eiser] , heeft de Staat in feite niet meer aangevoerd dan dat de rechtbank in Banja Luka onpartijdig en onafhankelijk is. Dat gaat echter heen langs de kern van de aan [professor] gestelde vraag en het door hem gegeven antwoord. Het gaat immers niet om de partijdigheid en onafhankelijkheid van de rechter, maar om de gevolgen van een berechting door de rechtbank in Banja Luka voor de psychische gezondheid van [eiser] . Op grond van de rapportages van [psychiater 1] , [professor] en [psychiater 2] kan vooralsnog niet worden uitgesloten dat de (psychische) gezondheid van [eiser] daardoor zal verslechteren. Dat zou kunnen meebrengen dat sprake is van 'bijzondere hardheid' in de zin van artikel 10 lid 2 van de Uitleveringswet.

4.17.

Een en ander zou - naar het oordeel van de voorzieningenrechter - ertoe moeten leiden dat aan [professor] wordt gevraagd of berechting door de rechtbank in Banja Luka (die nu dus vaststaat) een belemmering vormt voor de uitlevering van [eiser] aan Bosnië-Herzegovina. De Staat heeft zich op de zitting bereid verklaard een dergelijke aanvullende vraag aan [professor] te stellen. Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen met betrekking tot de gezondheidstoestand van [eiser] is er thans echter geen aanleiding om de Staat daartoe in de gelegenheid te stellen.

Gezondheidstoestand

4.18.

Tot slot voert [eiser] aan dat hij lijdt aan een PTSS en dat uitlevering aan Bosnië-Herzegovina de klachten die hij als gevolg daarvan ondervindt zal verergeren, waardoor sprake zal zijn van irreversibele schade aan zijn gezondheidstoestand. De Staat heeft dat bestreden. Der voorzieningenrechter overweegt daarover het volgende.

4.19.

[psychiater 1] komt in zijn rapport gemotiveerd tot de conclusie dat ten aanzien van [eiser] sprake is van een PTSS, waarvan hij op dit moment klachten ondervindt en dat zijn uitlevering aan Bosnië-Herzegovina zal leiden tot een dusdanige verergering van zijn psychische toestand dat sprake is van irreversibele schade. [professor] concludeert vervolgens - enkel op basis van het rapport van [psychiater 1] en dus zonder [eiser] te hebben gezien en/of gesproken - dat ten aanzien van [eiser] geen sprake is van een PTSS. Daarmee zegt [professor] in feite dat het rapport/advies van [psychiater 1] niet deugt. Aan de andere kant concludeert [professor] (enkel) op basis van het rapport van [psychiater 1] weer wel dat [eiser] detentie- en uitleveringsgeschikt is. Daar komt bij dat [psychiater 2] - na een persoonlijk en grondig onderzoek van [eiser] - aan de hand van exact dezelfde vragen die de Minister aan [psychiater 1] heeft gesteld tot dezelfde conclusies komt als [psychiater 1] in diens rapport.

4.20.

Bij die stand van zaken moet worden geconcludeerd dat de Staat de hiervoor - onder 4.18 - vermelde stelling van [eiser] niet voldoende heeft weerlegd. Daarmee moet voorshands ervan worden uitgegaan dat ten aanzien van [eiser] sprake is van 'bijzondere hardheid' in de zin van artikel 10 lid 2 van de Uitleveringswet.

Afronding

4.21.

Het voorgaande brengt mee dat de primaire vordering van [eiser] zal worden toegewezen op de hieronder in het dictum vermelde wijze.

4.22.

De Staat zal - als de in het ongelijk gestelde partij - worden veroordeeld in de proceskosten, waaronder begrepen de kosten verbonden aan het door [psychiater 2] uitgebrachte rapport ad € 2.000,--. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het, gelet op de uitkomst van het onderhavige geschil, alleszins redelijk dat [eiser] - ter voorkoming van zijn uitlevering en ter weerlegging van de conclusies van [professor] - [psychiater 2] heeft ingeschakeld. Dat klemt te meer nu het rapport van [psychiater 2] heeft bijgedragen aan de toewijzing van de vordering van [eiser] .

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verbiedt de Staat over te gaan tot de uitlevering van [eiser] aan Bosnië-Herzegovina;

5.2.

veroordeelt de Staat in de proceskosten tot op dit vonnis in totaal begroot op
€ 2.972,75, waarvan:

a. € 2.895,-- te voldoen aan [eiser] (€ 816,-- aan salaris advocaat, € 79,-- aan griffierecht en € 2.000,-- aan kosten [psychiater 2] );

b. € 77,75, exclusief BTW, wegens explootkosten, aan de griffier van de rechtbank na ontvangst van een nota;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2016.

jvl