Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:2793

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-03-2016
Datum publicatie
18-03-2016
Zaaknummer
09/842565-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gewapende woningoverval, wederrechtelijke vrijheidsberoving en opzetheling. Slachtoffers vastgetaped en vastgebonden. Gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/842565-15

Datum uitspraak: 18 maart 2016

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting “Alphen aan den Rijn” te Alphen aan den Rijn.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 3 december 2015 en 22 januari 2016 (pro forma) en 4 maart 2016 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.M. Gruppelaar en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. C.Y. Kekik, advocaat te Schiedam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 24 augustus 2015 te Voorschoten tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning, gelegen op of aan de [adres 2] heeft weggenomen

- sieraden en/of geld en/of een of meer ander(e) goed(eren), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , en/of

- een telefoon (Nokia) en/of een of meerdere sleutelbossen en/of een motorsleutel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- tonen van een (op een) vuurwapen (gelijkend(e) voorwerp(en)) aan die [slachtoffer 3] en/of

- fouilleren van die [slachtoffer 3] en/of

- op dreigende/dwingende toon tegen die [slachtoffer 3] zeggen dat hij mee moest komen en/of dat hij informatie over de bewoners van die woning en/of de bezittingen van die bewoners moest geven en/of

- met tie-rips vastbinden van de polsen en/of de benen van die [slachtoffer 3] en/of het plaatsen van tape op de mond en/of handen van die [slachtoffer 3] en/of

- in de nabijheid van die [slachtoffer 3] gooien van benzine op de grond en/of

en/of

- met bedekte gezicht(en) betreden van genoemde woning en/of

- plaatsen van (een) (op een) vuurwapen (gelijkend(e) voorwerp(en)) op het hoofd van die [slachtoffer 1] en/of het richten van een (op een) vuurwapen (gelijkend(e) voorwerp(en)) in de richting van die [slachtoffer 1] en/of

- ( al dan niet met een vuurwapen op het hoofd van die [slachtoffer 1] ) op dreigende toon tegen die [slachtoffer 1] zeggen: "Tik de code (van de kluis) in, anders schieten wij je dood" en/of "Als u niet doet wat wij zeggen, dan schieten wij" en/of "Wij willen goud en geld", althans woorden van gelijke dreigende/dwingende aard en/of strekking en/of

- vastpakken van die [slachtoffer 1] en/of het meesleuren van die [slachtoffer 1] en/of

- plaatsen van tape op de mond van die [slachtoffer 1] en/of het met tape en/of tie-rips vastbinden van de enkels en/of knieen en/of handen van die [slachtoffer 1] ;

2.

hij op of omstreeks 24 augustus 2015 te Voorschoten in een woning, gelegen aan de [adres 2] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] wederrechtelijk (enige uren) van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft hij verdachte en/of zijn mededader(s)

- die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, getoond en/of op het hoofd gezet en/of

- die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] aan handen en benen getapet en met tie-rips vastgebonden;

3.

hij in of omstreeks de periode van 9 augustus 2015 tot en met 24 augustus 2015 te Voorschoten en/of Leiden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een auto (Audi A6, [kenteken 1] ) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die auto wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

4.

hij op of omstreeks 24 augustus 2015 te Voorschoten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten een gaspistool (Reck, Miami 92 F, 9mm), en/of munitie van categorie III, te weten 6 knalpatronen (RWS en/of GFL), voorhanden heeft gehad.

3. Bewijsoverwegingen 1

3.1

Inleiding

Op 24 augustus 2015 heeft er in de ochtend een gewapende overval op een woning in Voorschoten plaatsgevonden. Tijdens deze overval zijn de tuinman, [slachtoffer 3] en de vrouwelijke bewoonster, [slachtoffer 1] , gedurende enige tijd met tape en tiewraps vastgebonden en met een vuurwapen bedreigd. De verdachte heeft bekend aan de overval te hebben deelgenomen.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vier ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van feit 2 geen verweer gevoerd. Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging enkel opgemerkt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het gieten van de benzine. Het enkele zich aan die handeling van een andere dader niet onttrekken maakt niet dat de verdachte daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk zou zijn. Ten aanzien van feit 3 heeft de verdachte weliswaar eerlijk verklaard dat hij vermoedde dat de auto gestolen was, maar nu hij slechts tien minuten achterin de auto heeft gezeten, valt dit niet aan te merken als het voorhanden hebben van die auto. De verdachte heeft zich hiermee niet schuldig gemaakt aan heling en daarom zou vrijspraak moeten volgen, aldus de verdediging. Ten aanzien van feit 4 heeft de verdediging bepleit dat de verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken, nu de verdachte het wapen niet voorhanden heeft gehad. Met betrekking tot het medeplegen van feit 1 is de verdediging van oordeel dat de handelingen met het wapen daar wel aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Inleiding

Op 24 augustus 2015 omstreeks 10.00 uur kregen dienstdoende agenten de opdracht om naar de [adres 2] te Voorschoten te gaan in verband met een melding van een woningoverval. [slachtoffer 3] had kort daarvoor in paniek tegen een aantal mensen in de buurt gezegd dat er een overval gaande was. Hij was ontsnapt uit de garage van de woning waar de overval plaatsvond en was naar hen toegerend om de politie te waarschuwen. Het ging om ‘drie Marokkanen’ en er zat nog een vrouw vast. De handen van [slachtoffer 3] waren vastgebonden met tiewraps, er zat tape op zijn mond en een zak half over zijn hoofd en hij had geen schoenen aan.2

Hierop is de politie uitgerukt en is er een helikopter ingezet. In de omgeving van de woning zijn de verdachte en twee andere verdachten aangehouden. Er werden eveneens tassen met sieraden, geld en andere goederen aangetroffen in de omgeving van de woning. Deze tassen hadden de aangehouden verdachten bij hun vlucht laten vallen.3 In een van de tassen bevond zich ook een gaspistool.4 Dit gaspistool is onderzocht en hierin bleken ook zes knalpatronen te zitten. Zowel het gaspistool als de knalpatronen zijn strafbaar gesteld in de Wet Wapens en Munitie.5

In de woning aan de [adres 2] troffen de politieagenten de vrouwelijke bewoonster, [slachtoffer 1] , aan. Zij was zeer angstig, er zat tape om haar nek dat waarschijnlijk eerst over haar mond had gezeten en haar benen en polsen waren vastgebonden met tiewraps en tape. De tiewraps zaten zeer strak en drukten in haar huid. Bovendien had zij schaafplekken op haar knieën.6

In de buurt van het landgoed waarop de woning staat, is een donkerblauwe Audi A6 aangetroffen. Deze auto bleek te zijn gestolen. Op de auto zaten kentekenplaten ( [kenteken 2] ). Op 21 augustus 2015 is aangifte is gedaan van diefstal van deze kentekenplaten. De auto zelf (met het originele kenteken [kenteken 1] ) was tussen 9 en 10 augustus 2015 in Leiden weggenomen bij een woninginbraak waarbij alleen de autosleutels en de auto waren weggenomen.7

De verklaringen van de aangevers

[slachtoffer 3] heeft bij de politie en de rechter-commissaris verklaard dat hij op 24 augustus 2015 omstreeks 7:45 uur aankwam bij de woning aan de [adres 2] . Hij werkt daar als tuinman/ klusjesman voor de familie [slachtoffers] . Toen hij met zijn motor het terrein op was gereden, zag hij drie in het zwart geklede mannen in de tuinset zitten. Ze droegen allen een bivakmuts. De mannen kwamen op hem afrennen en dwongen hem mee te lopen naar de garage. Eén van hen had een vuurwapen in zijn hand. In de garage hebben ze hem gefouilleerd en is zijn telefoon uit zijn tas gepakt. De drie mannen stelden hem verschillende vragen over de bewoners van de woning en hun bezittingen. In de garage werden zijn polsen en benen met tiewraps vastgebonden en kreeg hij tape om zijn vingers en op zijn mond. Daarnaast werden er een lege tas over zijn hoofd en gehoorbescherming over zijn oren gedaan. Bovendien werd er door één van de daders, nadat hij een aansteker had gepakt, benzine in zijn omgeving uitgegoten. In de garage werd meerdere keren het vuurwapen op zijn hoofd gezet. Op een gegeven moment hoorde hij zeggen dat ‘hij weg was’. De daders zijn toen weggegaan en hebben de garagedeur op slot gedaan. Hij hoorde plotseling een gil en herkende de stem van [slachtoffer 1] . Hij zag toen op zijn horloge dat het zes minuten voor 10:00 uur was. Hij heeft zich los kunnen maken en toen de deur open was, is hij weggerend en heeft hij de politie laten waarschuwen. Zijn Nokia telefoon is door de daders meegenomen en hij miste twee sleutelbossen en een motorsleutel.8

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij op 24 augustus 2015 in haar woning was en dat haar man haar om ongeveer 9:30 uur gedag kwam zeggen. Daarna liep zij de kleedkamer in en zag zij een in het zwart geklede man met een bivakmuts op in de gang staan. Toen zij terugliep naar de slaapkamer, zag zij nog een man. Toen deze mannen haar hadden gezien, kwam er nog een derde man bij. Zij rende nog wel naar de bijkeuken om door de openstaande buitendeur naar buiten te rennen, maar de mannen hebben haar daar alsnog overmeesterd. Er werd door hen een vuurwapen op haar gericht en tegen haar hoofd geplaatst. Er werd onder andere tegen haar gezegd dat als ze niet zou doen wat ze zeiden, ze haar dood zouden schieten. Ze had gezegd dat de mannen de autosleutels en de auto’s mee konden nemen, maar ze zeiden dat ze geld en goud wilden. De mannen draaiden alle drie tape over haar hoofd en mond en bonden haar knieën, enkels en handen vast met tape en tiewraps. Vervolgens vroegen ze om de kluizen en sleepten haar door de woning naar de locaties van de kluizen. Het vuurwapen werd nog steeds op haar gericht en er werd gezegd ‘tik de code in, anders schieten wij je dood’. Zij heeft de codes van de kluizen ingetikt, waarop zij de sieraden uit de kluizen hebben gehaald. Zij heeft hen ook nog aangewezen waar geld lag, wat de daders vervolgens ook meenamen. Vervolgens liepen de mannen weg en werd het stil. Toen hoorde ze een helikopter.9

De bekennende verklaring van de verdachte

De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting zijn betrokkenheid bij de overval bekend. Hij heeft verklaard dat hij en zijn medeverdachten hadden afgesproken om te gaan inbreken. Ze zijn in de donkerblauwe Audi A6, die in de buurt was aangetroffen, naar Voorschoten gereden en hebben het landgoed rondom de woning aan de [adres 2] betreden. Een medeverdachte had bivakmutsen en handschoenen meegenomen, welke zij daar allemaal hebben opgezet en aangetrokken. Toen [slachtoffer 3] arriveerde, hebben zij hem met zijn drieën overmeesterd. De verdachte heeft verklaard dat één van de medeverdachten hierbij een vuurwapen in zijn hand had. Vervolgens hebben zij [slachtoffer 3] in het tuinhuisje met tape en tiewraps aan zijn handen en benen vastgebonden. Zij hebben hem alle drie vragen gesteld met betrekking tot de woning, de bewoners en de kluizen in de woning. Hierbij hebben zij eveneens alle drie afwisselend buiten op de uitkijk gestaan. Toen de mannelijke bewoner van de woning weg was, hebben zij de tuinman vastgebonden achtergelaten, de deur van de garage op slot gedaan en zijn zij de woning ingegaan met de sleutels die zij van de tuinman hadden afgenomen.

In de woning zagen zij vrij snel de vrouwelijke bewoonster. Zij hebben haar met zijn drieën overmeesterd. De verdachte heeft verklaard dat ook in de woning één van de medeverdachten een vuurwapen in zijn hand had. De vrouw werd eveneens met tape en tiewraps vastgebonden. Zij werd door de verdachten gedwongen aan te geven waar de kluizen waren en deze kluizen te openen. Hierbij hebben de verdachten haar door de woning gesleept om de kluizen aan te wijzen. Ook heeft zij hen moeten aangeven waar in de woning geld lag. Toen de verdachten de sieraden, geld en andere goederen in hun tassen hadden gedaan, hoorden zij buiten sirenes en een helikopter. Hierop hebben zij snel de woning verlaten. Even later zijn zij aangehouden. Ten aanzien van de rolverdeling heeft de verdachte verklaard dat zij min of meer gelijkwaardige rollen hadden. De buit zou tussen hen worden verdeeld.10

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is op grond van voornoemde bewijsmiddelen, waarnaar in de voetnoten is verwezen, van oordeel dat de aan de verdachte ten laste gelegde diefstal met (bedreiging met) geweld in vereniging (feit 1), de wederrechtelijke vrijheidsberoving in vereniging (feit 2) en het in vereniging voorhanden hebben van een gaspistool met munitie (feit 4) wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De verdachte en zijn mededaders hebben elkaar volgens afspraak voor de overval ontmoet. Samen zijn ze naar Voorschoten gegaan. De verdachte heeft tijdens de overval een actieve rol gehad door met handschoenen aan en een bivakmuts op zowel [slachtoffer 3] als [slachtoffer 1] te overmeesteren, vast te binden en vervolgens de woning te doorzoeken, met in het vooruitzicht een deel van de buit. Bovendien heeft hij de woning verlaten in de wetenschap dat [slachtoffer 1] vastgetaped en vastgebonden was en in de veronderstelling dat ook [slachtoffer 3] nog vastgetaped en vastgebonden was. Tijdens de overval was er bij de verdachten voortdurend een wapen aanwezig, hetgeen voor de verdachte duidelijk was. Dit betrof een gaspistool dat niet van een echt vuurwapen te onderscheiden is. Hoewel de verdachte heeft verklaard geen wapen te hebben meegenomen of hiermee te hebben gedreigd, heeft hij wel verklaard het wapen meerdere malen in zijn aanwezigheid te hebben gezien.

Op grond van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het aandeel van de verdachte van zodanig gewicht is geweest dat er ten aanzien van deze feiten sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking in de zin van medeplegen. De rechtbank is van oordeel dat het gieten van de benzine in de nabijheid van [slachtoffer 3] onder deze omstandigheden onderdeel uitmaakt van de bedreiging van [slachtoffer 3] en niet zo uitzonderlijk is dat dit handelen van één van de verdachten niet aan de verdachte als medepleger kan worden toegerekend.

Ten aanzien van de heling van de gestolen Audi A6, waarmee de verdachten naar Voorschoten zijn gereden, overweegt de rechtbank als volgt. De verdachte heeft verklaard dat hij en zijn medeverdachten in de ochtend van 24 augustus 2015 hadden afgesproken in Leiden om vervolgens ‘iets fouts’ te gaan doen, namelijk inbreken. Op de afgesproken plek zijn zij allemaal in een Audi A6 gestapt, die gestolen bleek te zijn. Over waar deze auto vandaan kwam en wie van hen heeft gereden, heeft niemand van de verdachten willen verklaren. Een aannemelijke verklaring over de herkomst van deze gestolen auto is niet gegeven. De verdachte heeft wel verklaard dat zijn medeverdachten zich zo’n auto volgens hem niet kunnen veroorloven. De verdachte heeft ook verklaard dat hij wel een vermoeden had dat de auto gestolen was.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de Audi A6 waarmee hij en de medeverdachten naar Voorschoten zijn gereden van diefstal afkomstig was. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen met betrekking tot de overval en de rol van de verdachte hierbij is er gelet op de onderlinge samenhang eveneens bij het voorhanden hebben van de gestolen Audi A6 sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking in de zin van medeplegen. Dat de verdachte hierbij slechts tien minuten op de achterbank zou hebben gezeten, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de aan de verdachte ten laste gelegde heling in vereniging (feit 3) en het in vereniging voorhanden hebben van een vuurwapen (feit 4) eveneens wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

1.

hij op 24 augustus 2015 te Voorschoten tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning, gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen

- sieraden en geld en andere goederen, toebehorende aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en

- een telefoon (Nokia) en sleutelbossen en een motorsleutel, toebehorende aan [slachtoffer 3] ,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het

- tonen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer 3] en

- fouilleren van die [slachtoffer 3] en

- op dreigende/dwingende toon tegen die [slachtoffer 3] zeggen dat hij mee moest komen en dat hij informatie over de bewoners van die woning en de bezittingen van die bewoners moest geven en

- met tie-rips vastbinden van de polsen en de benen van die [slachtoffer 3] en het plaatsen van tape op de mond en handen van die [slachtoffer 3] en

- in de nabijheid van die [slachtoffer 3] gooien van benzine

en

- met bedekte gezichten betreden van genoemde woning en

- plaatsen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd van die [slachtoffer 1] en het richten van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de richting van die [slachtoffer 1] en

- ( al dan niet met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd van die [slachtoffer 1] ) op dreigende toon tegen die [slachtoffer 1] zeggen: "Tik de code (van de kluis) in, anders schieten wij je dood" en "Als u niet doet wat wij zeggen, dan schieten wij" en "Wij willen goud en geld", althans woorden van gelijke dreigende/dwingende aard en/of strekking en

- vastpakken van die [slachtoffer 1] en het meesleuren van die [slachtoffer 1] en

- plaatsen van tape op de mond van die [slachtoffer 1] en het met tape en tie-rips vastbinden van de enkels en knieën en handen van die [slachtoffer 1] ;

2.

hij op 24 augustus 2015 te Voorschoten in een woning, gelegen aan de [adres 2] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] wederrechtelijk (met betrekking tot [slachtoffer 3] : enige uren) van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben verdachte en zijn mededaders

- die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond en op het hoofd gezet en

- die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] aan handen en benen getaped en met tie-rips vastgebonden;

3.

hij op 24 augustus 2015 te Voorschoten en Leiden, tezamen en in vereniging met anderen, een auto (Audi A6, [kenteken 1] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van die auto wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4.

hij op 24 augustus 2015 te Voorschoten, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie III, te weten een gaspistool (Reck, Miami 92 F, 9mm), en munitie van categorie III, te weten 6 knalpatronen (RWS en/of GFL), voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1 en feit 2:

de voortgezette handeling van

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden;

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van opzetheling;

ten aanzien van feit 4:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en zes maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Zij heeft daarbij aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten en in strafverzwarende zin rekening gehouden met het medeplegen, het bedreigen met een wapen, het dragen van een bivakmuts en het vastbinden van de slachtoffers.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen, waarbij de verdediging heeft gewezen op een vergelijkbaar geval en ter onderbouwing een kopie van het desbetreffende vonnis heeft overgelegd (ECLI:NL:RBROT:2014:6765). Daarnaast heeft de verdediging verzocht bij een hoge straf een groot voorwaardelijk gedeelte op te leggen. Ook ter onderbouwing hiervan heeft de verdediging een kopie van een vonnis overgelegd (parketnummer 10/811100-14). De verdachte zal zich houden aan alle voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel, waaronder ook behandeling bij De Waag.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gewapende woningoverval. Samen met anderen is de verdachte vroeg in de ochtend het terrein van de te overvallen woning opgegaan. Hier werd eerst de tuinman door de drie mannen overmeesterd. De daders hebben hem met een gaspistool bedreigd en met tape en tiewraps vastgebonden. Om de tuinman heen werd benzine uitgegoten. In die situatie hebben de daders hem achtergelaten. Vervolgens zijn de daders de woning binnengegaan en hebben daar de vrouwelijke bewoonster overmeesterd. Ook zij werd met een gaspistool bedreigd en met tape en tiewraps stevig vastgebonden. De daders hebben vervolgens de woning doorzocht en hebben het vrouwelijke slachtoffer gedwongen de kluizen in de woning aan te wijzen en te openen. Zij is daarbij een paar maal over de grond van de woning gesleept. Ook zij werd vastgebonden achtergelaten en de daders zijn er met een geldbedrag en sieraden vandoor gegaan.

De verdachte heeft een zeer ernstige inbreuk gemaakt op het gevoel van veiligheid dat mensen in hun eigen woning en in hun eigen omgeving zouden moeten hebben.

De rechtbank gaat ervan uit dat de slachtoffers in doodsangst hebben verkeerd. Dat de overval voor hen traumatische ervaringen heeft teweeggebracht volgt uit de toelichting op hun vorderingen tot schadevergoeding en uit de namens hen ter terechtzitting afgelegde verklaringen. De rechtbank neemt het de verdachte uitermate kwalijk dat hij, met het oog op eigen gewin, met anderen deze overval heeft gepleegd en daarbij volledig is voorbijgegaan aan wat de zeer bedreigende handelingen bij de overval voor de slachtoffers zouden kunnen betekenen. De verdachte heeft aangegeven dat hij wel begreep dat de slachtoffers bang waren, maar dat heeft hem niet van het plegen van het feit weerhouden. De traumatische ervaringen die de overval bij de slachtoffers teweeg heeft gebracht alsmede de enorme impact die deze op hen heeft gehad en nog steeds heeft, komen mede voor rekening van de verdachte.

Naast de overval heeft de verdachte zich mede schuldig gemaakt aan opzetheling van een auto. Met zijn handelen heeft verdachte er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van anderen.

Documentatie

Uit een uittreksel Justitiële Documentatie van 26 augustus 2015 blijkt dat de verdachte eerder voor diefstallen met justitie in aanraking is geweest en voor die feiten taakstraffen zijn opgelegd. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om zich wederom schuldig te maken aan strafbare feiten.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van drs. S.P. van der Hoorn, GZ-psycholoog, van 4 december 2015, waarin - kort samengevat - wordt gesteld dat er bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een matige gedragsstoornis en van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale, narcistische en paranoïde persoonlijkheidstrekken. Er is geen sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De gedragsstoornis maakt dat hij sterk egocentrisch en opportunistisch gericht is en de zwakke gewetensfuncties maken dat hij neigt tot onverantwoordelijk gedrag. Hij is sterk gevoelig voor het oordeel van anderen en dit maakt hem beïnvloedbaar. Daarbij neigt hij zijn capaciteiten te overschatten en overziet hij onvoldoende wat de gevolgen van zijn gedrag zijn. Achteraf neigt hij zijn aandeel in negatieve zaken te externaliseren, aldus de deskundige. De verdachte was wel in staat om het ontoelaatbare van zijn handelen in te zien. Op basis hiervan adviseert de deskundige de verdachte volledig toerekeningsvatbaar te achten. Bij ongewijzigde omstandigheden is er sprake van een verhoogd risico op grensoverschrijdend en gewelddadig gedrag.

De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde rapportage op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de conclusies van het psychologisch onderzoek en in het bijzonder de conclusie met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt deze conclusies dan ook over.

Voor wat betreft de stafrechtelijke afdoening, is volgens de deskundige een verplicht reclasseringscontact voor langere duur geïndiceerd, waarbij de verdachte voor behandeling zou moeten worden aangemeld bij De Waag. Volgens de deskundige zijn er geen indicaties naar voren gekomen om het jeugdstrafrecht toe te passen.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het rapport van Reclassering Nederland te Den Haag van 7 oktober 2015. Hierin wordt de kans op recidive als gemiddeld ingeschat en adviseert de reclassering conform de overvallersaanpak (dat wil zeggen verscherpt toezicht met elektronische controle) bijzondere voorwaarden op te leggen bij een deels voorwaardelijke gevangenisstraf dan wel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen waarbij de detentiefasering en de voorwaardelijke invrijheidstelling conform deze overvallersaanpak zal verlopen. De reclassering ziet geen redenen om het jeugdstrafrecht toe te passen.

De rechtbank ziet in de in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, evenals de psycholoog en de reclassering, geen aanleiding toepassing te geven aan het vermelde in artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd maakt dit niet anders. De rechtbank zal daarom een straf opleggen overeenkomstig het volwassenenstrafrecht.

Straf

De rechtbank stelt voorop dat gelet op de ernst van de feiten niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur meebrengt. Bij het bepalen van de hoogte van de straf neemt de rechtbank de LOVS-oriëntatiepunten als uitgangspunt. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

Als oriëntatiepunt voor de op te leggen straf in geval van een woningoverval met licht geweld, te weten een enkele ruk/duw zonder noemenswaardig letsel, wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaren gehanteerd en in geval van een woningoverval met ander geweld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaren. Nu het verschil zit in de mate van geweld, dient allereerst dit aspect te worden beoordeeld.

De rechtbank overweegt dat er bij dit feit fysiek geweld is gebruikt. De beide slachtoffers zijn overmeesterd en vastgebonden met tape en tiewraps. Het vrouwelijke slachtoffer is zeer stevig vastgebonden. Het mannelijke slachtoffer heeft ook nog een zak over zijn hoofd gekregen en er is benzine in zijn nabijheid gegoten. Het vrouwelijke slachtoffer is daarnaast nog meerdere keren door de woning gesleept om - nog steeds vastgebonden - de kluizen te openen. Naast het uitgeoefende fysieke geweld was er ook sprake van dreiging met geweld door de aanwezigheid van een gaspistool. In dit verband is verder relevant dat de daders vroeg in de ochtend de woning zijn binnengedrongen en hebben gedreigd met het doodschieten van de vrouw als ze de kluizen niet zou aanwijzen en openen. Dit werkt zeer intimiderend en vergroot de impact van het gebeuren in aanzienlijke mate.

Alles bij elkaar genomen is de rechtbank van oordeel dat de mate van geweld, met name gelet op de dreiging daarmee en de omstandigheden waaronder dat heeft plaatsgevonden, kan worden gekwalificeerd als ‘ander geweld’. Dat betekent dat het uitgangspunt voor de op te leggen straf gesteld op een gevangenisstraf van vijf jaren is.

De verdachte is weliswaar jong, maar gelet op de ernst van de feiten ziet de rechtbank geen aanleiding af te wijken van dit uitgangspunt. De overval is gepleegd door meerdere daders die min of meer een gelijkwaardige rol hadden. Bij het verlaten van de woning hebben de daders de slachtoffers in een uiterst kwetsbare positie aan hun lot overgelaten: de slachtoffers waren beiden vastgetaped en vastgebonden. De slachtoffers zijn nog steeds bang en het vrouwelijke slachtoffer heeft aan de overval psychisch letsel overgehouden.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van vijf jaren passend en geboden.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen / de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vorderingen

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 26.508,60. De vordering strekt tot vergoeding van materiële schade (bestaande uit kosten van een mental coach en eigen risico in verband met EMDR), kosten voor rechtsbijstand en immateriële schade.

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 10.160,00. De vordering strekt tot vergoeding van materiële schade (bestaande uit kosten van twee oordoppen) en immateriële schade.

7.2

De conclusie van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de beide vorderingen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze vorderingen wel voor toewijzing in aanmerking komen, maar dat enkele posten gematigd dienen te worden. Ten aanzien van de materiële schade is geen verweer gevoerd. Voor wat betreft beide vorderingen heeft de verdediging gesteld dat het bedrag aan immateriële schade gematigd dient te worden, nu de het als onderbouwing van de vorderingen aangehaalde voorbeeld uit de smartengeldgids een ander geval betreft. In tegenstelling tot dat geval is er in onderhavige vorderingen niet vastgesteld dat er sprake is van onherstelbare PTSS. De verdediging heeft ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] naar voren gebracht dat de kosten voor rechtsbijstand niet onder rechtstreekse schade vallen. Daarnaast zijn de kosten onevenredig hoog en dienen deze gematigd te worden.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Vordering [slachtoffer 1]

De vordering van [slachtoffer 1] is door de verdediging inhoudelijk op twee punten betwist. Voor wat betreft de immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat de vordering in beginsel voldoende is onderbouwd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten van dagvaarding I. Nu niet is vastgesteld dat er bij de benadeelde partij sprake is van onherstelbare PTSS, zal de rechtbank het gevorderde bedrag matigen en acht zij een bedrag van € 7.500,00 als vergoeding ter zake van immateriële schade naar billijkheid toewijsbaar. Ten aanzien van de betwiste post ‘kosten rechtsbijstand’ overweegt de rechtbank dat de gevorderde kosten geen rechtstreekse schade vormen, zodat de rechtbank de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering. Wel kunnen deze kosten worden aangemerkt als kosten die de benadeelde partij in verband met de vordering heeft gemaakt. Deze kosten kunnen in redelijkheid aan de hand van het ‘Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven’ worden begroot op € 2.712,00, gebaseerd op zes punten in een zaak met een geldswaarde van € 10.000,00 tot € 20.000,00.

Nu de vordering voor het overige voldoende is onderbouwd door de benadeelde partij en door of namens de verdachte niet is betwist en uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de bewezenverklaarde feiten zal de rechtbank de vordering hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 10.485,00. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte tevens hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op € 2.712,00, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering [slachtoffer 3]

De vordering van [slachtoffer 3] is door de verdediging inhoudelijk op één punt betwist. Voor wat betreft de immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat de vordering in beginsel voldoende is onderbouwd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten van dagvaarding I. Nu inderdaad niet is vastgesteld of er bij de benadeelde partij sprake is van onherstelbare PTSS, zal de rechtbank derhalve het gevorderde bedrag matigen en acht zij een bedrag van € 7.500,00 als vergoeding ter zake van immateriële schade naar billijkheid toewijsbaar.

Nu de vordering voor het overige voldoende is onderbouwd door de benadeelde partij en door of namens de verdachte niet is betwist en uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de bewezenverklaarde feiten zal de rechtbank de vordering hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 7.660,00. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte tevens hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte voor de onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten van dagvaarding I zal worden veroordeeld en hij jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door deze feiten zijn toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat

  • -

    van een bedrag van € 10.485,00, ten behoeve van [slachtoffer 1] ;

  • -

    van een bedrag van € 7.660,00, ten behoeve van [slachtoffer 3] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 24 c, 36f, 47, 56, 57, 282, 312 en 416 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

12. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 en feit 2:

de voortgezette handeling van

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

en

medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden;

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van opzetheling;

ten aanzien van feit 4:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

  • -

    [slachtoffer 1] : een bedrag van € 10.485,00;

  • -

    [slachtoffer 3] : een bedrag van € 7.660,00;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot op heden begroot op € 2.712,00 en ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 3] tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] voor het overige niet ontvankelijk zijn in de vordering;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van:

  • -

    € 10.485,00, ten behoeve van [slachtoffer 1] ;

  • -

    € 7.660,00, ten behoeve van [slachtoffer 3] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 87 respectievelijk 73 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen door de verdachte en/of een van zijn mededaders aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de Staat de betalingsverplichtingen door de verdachte en/of zijn mededaders aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Fetter, voorzitter,

mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, rechter,

mr. A.M.A. Keulen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.A. Schaap, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 maart 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2015251725 (onderzoek DH6R015054 ‘Larry’), van de politie eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche/ Overvallenteam Twister, met bijlagen.

2 Bijlage 0/OPV/G (Getuigen), proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 8; Bijlage 0/OPV/G (Getuigen), proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 22.

3 Bijlage 0/OPV/AH (Ambtshandelingen), proces-verbaal van bevindingen, p. 31; Bijlage 0/OPV/FO (Forensisch Dossier), proces-verbaal Sporenonderzoek, p. 174, met foto bijlagen, p. 174 t/m 204.

4 Bijlage 0/OPV/FO (Forensisch Dossier), proces-verbaal Sporenonderzoek, p. 135 t/m 138, met foto bijlage, p. 160.

5 Bijlage 0/OPV/FO (Forensisch Dossier), proces-verbaal Sporenonderzoek, p. 244 t/m 246.

6 Bijlage 0/OPV/AH (Ambtshandelingen), proces-verbaal van bevindingen, p. 15 t/m 18, met foto bijlagen, p. 20 t/m 26.

7 Bijlage 0/OPV/AH (Ambtshandelingen), proces-verbaal van bevindingen, p. 78 en 79; Bijlage 0/OPV/A (Aangevers), proces-verbaal aangifte [aangever 3] , p. 19 t/m 21, met bijlage, p. 22.

8 Bijlage 0/OPV/A (Aangevers), proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer 3] , p. A/1 t/m A.5.

9 Bijlage 0/OPV/A (Aangevers), proces-verbaal aangifte [slachtoffer 1] , p. A/7 t/m A/13.

10 Bijlage 0/OPV/V/AZZAO96 ( [verdachte] ), proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 29 t/m 43; Bijlage 0/OPV/V/AZZAO96 ( [verdachte] ), proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 54 t/m 67; Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 4 maart 2016.