Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:2792

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-03-2016
Datum publicatie
18-03-2016
Zaaknummer
09/842567-15; 09/827087-15 (gev.ttz)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gewapende woningoverval, wederrechtelijke vrijheidsberoving en opzetheling (meermalen). Slachtoffers vastgetaped en vastgebonden. Gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en drie maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/842567-15; 09/827087-15 (gev. ttz.)

Datum uitspraak: 18 maart 2016

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting “Haaglanden” te Zoetermeer.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 3 december 2015 en 22 januari 2016 (pro forma) en 4 maart 2016 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.M. Gruppelaar en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Dagvaarding I, parketnummer 09/842567-15:

1.

hij op of omstreeks 24 augustus 2015 te Voorschoten tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning, gelegen op of aan de [adres 2] heeft weggenomen

- sieraden en/of geld en/of een of meer ander(e) goed(eren), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

- een telefoon (Nokia) en/of een of meerdere sleutelbossen en/of een motorsleutel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- tonen van een (op een) vuurwapen (gelijkend(e) voorwerp(en)) aan die [slachtoffer 3] en/of

- fouilleren van die [slachtoffer 3] en/of

- op dreigende/dwingende toon tegen die [slachtoffer 3] zeggen dat hij mee moest komen en/of dat hij informatie over de bewoners van die woning en/of de bezittingen van die bewoners moest geven en/of

- met tie-rips vastbinden van de polsen en/of de benen van die [slachtoffer 3] en/of het plaatsen van tape op de mond en/of handen van die [slachtoffer 3] en/of

- in de nabijheid van die [slachtoffer 3] gooien van benzine op de grond en/of

en/of

- met bedekte gezicht(en) betreden van genoemde woning en/of

- plaatsen van (een) (op een) vuurwapen (gelijkend(e) voorwerp(en)) op het hoofd van die [slachtoffer 1] en/of het richten van een (op een) vuurwapen (gelijkend(e) voorwerp(en)) in de richting van die [slachtoffer 1] en/of

- ( al dan niet met een vuurwapen op het hoofd van die [slachtoffer 1] ) op dreigende toon tegen die [slachtoffer 1] zeggen: "Tik de code (van de kluis) in, anders schieten wij je dood" en/of "Als u niet doet wat wij zeggen, dan schieten wij" en/of "Wij willen goud en geld", althans woorden van gelijke dreigende/dwingende aard en/of strekking en/of

- vastpakken van die [slachtoffer 1] en/of het meesleuren van die [slachtoffer 1] en/of

- plaatsen van tape op de mond van die [slachtoffer 1] en/of het met tape en/of tie-rips vastbinden van de enkels en/of knieen en/of handen van die [slachtoffer 1] ;

2.

hij op of omstreeks 24 augustus 2015 te Voorschoten in een woning, gelegen aan de [adres 2] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] wederrechtelijk (enige uren) van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft hij verdachte en/of zijn mededader(s)

- die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, getoond en/of op het hoofd gezet en/of

- die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] aan handen en benen getapet en met tie-rips vastgebonden;

3.

hij in of omstreeks de periode van 9 augustus 2015 tot en met 24 augustus 2015 te Voorschoten en/of Leiden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een auto (Audi A6, [kenteken 1] ) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die auto wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

4.

hij op of omstreeks 24 augustus 2015 te Voorschoten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten een gaspistool (Reck, Miami 92 F, 9mm), en/of munitie van categorie III, te weten 6 knalpatronen (RWS en/of GFL), voorhanden heeft gehad;

Dagvaarding II, parketnummer 09/827087-15

1.

hij in of omstreeks de periode van 14 tot en met 17 februari 2015 te Katwijk met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit het bedrijfspand van " [bedrijf] " heeft weggenomen (een kistje met) een hoeveelheid goud en/of zilver en/of sieraden en/of een edelsteen en/of een toetswaterset en/of een diamant-moissaniet tester, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking, te weten door een bovenlicht van voornoemde Artelier open te breken/te forceren;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 mei 2015 te Leiden, althans in Nederland, een diamant tester en/of een toetswaterset heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van deze diamant tester en/of toetswaterset wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2.

hij in of omstreeks de periode van 3 mei 2015 tot en met 25 mei 2015 te Leiden, althans in Nederland, een kluis en/of sieraden en/of mobiele telefoons en/of laptops en/of camera's en/of een ipod en/of een autosleutel, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Dagvaarding I 1

3.1.1

Inleiding

Op 24 augustus 2015 heeft er in de ochtend een gewapende overval op een woning in Voorschoten plaatsgevonden. Tijdens deze overval zijn de tuinman, [slachtoffer 3] , en de vrouwelijke bewoonster, [slachtoffer 1] , gedurende enige tijd met tape en tiewraps vastgebonden en met een vuurwapen bedreigd. De verdachte heeft bekend aan de overval te hebben deelgenomen.

3.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vier onder dagvaarding I ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

3.1.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van alle vier onder dagvaarding I ten laste gelegde feiten geen verweer gevoerd. De verdediging heeft enkel opgemerkt dat de verdachte de benzine niet ter bedreiging in de buurt van de tuinman heeft gegoten, maar om sporen uit te wissen en dat niet blijkt dat de verdachte met het vuurwapen heeft gedreigd. De bijdrage van de verdachte aan de gewelddadigheden is geringer dan de tenlastelegging suggereert, aldus de verdediging.

3.1.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Inleiding

Op 24 augustus 2015 omstreeks 10.00 uur kregen dienstdoende agenten de opdracht om naar de [adres 2] te Voorschoten te gaan in verband met een melding van een woningoverval. [slachtoffer 3] had kort daarvoor in paniek tegen een aantal mensen in de buurt gezegd dat er een overval gaande was. Hij was ontsnapt uit de garage van de woning waar de overval plaatsvond en was naar hen toegerend om de politie te waarschuwen. Het ging om ‘drie Marokkanen’ en er zat nog een vrouw vast.

De handen van [slachtoffer 3] waren vastgebonden met tiewraps, er zat tape op zijn mond,

een zak half over zijn hoofd en hij had geen schoenen aan.2

Hierop is de politie uitgerukt en is er een helikopter ingezet. In de omgeving van de woning zijn de verdachte en twee andere verdachten aangehouden. Er werden eveneens tassen met sieraden, geld en andere goederen aangetroffen in de omgeving van de woning. Deze tassen hadden de aangehouden verdachten bij hun vlucht laten vallen.3 In een van de tassen bevond zich ook een gaspistool.4 Dit gaspistool is onderzocht en hierin bleken ook zes knalpatronen te zitten. Zowel het gaspistool als de knalpatronen zijn strafbaar gesteld in de Wet wapens en munitie.5

In de woning aan de [adres 2] troffen de politieagenten de vrouwelijke bewoonster, mevrouw [slachtoffer 1] , aan. Zij was zeer angstig, er zat tape om haar nek dat waarschijnlijk eerst over haar mond had gezeten en haar benen en polsen waren vastgebonden met tiewraps en tape. De tiewraps zaten zeer strak en drukten in haar huid. Bovendien had zij schaafplekken op haar knieën.6

In de buurt van het landgoed waarop de woning staat, is een donkerblauwe Audi A6 aangetroffen. Deze auto bleek te zijn gestolen. Op de auto zaten kentekenplaten ( [kenteken 2] ). Op 21 augustus 2015 is aangifte gedaan van diefstal van deze kentekenplaten. De auto zelf (met het officiële kenteken [kenteken 1] ) was tussen 9 en 10 augustus 2015 in Leiden weggenomen bij een woninginbraak waarbij alleen de autosleutels en de auto waren weggenomen.7

De verklaringen van de aangevers

[slachtoffer 3] heeft bij de politie en de rechter-commissaris verklaard dat hij op 24 augustus 2015 omstreeks 7:45 uur aankwam bij de woning aan de [adres 2] . Hij werkt daar als tuinman/ klusjesman voor de familie [slachtoffers] . Toen hij met zijn motor het terrein op was gereden, zag hij drie in het zwart geklede mannen in de tuinset zitten. Ze droegen allen een bivakmuts. De mannen kwamen op hem afrennen en dwongen hem mee te lopen naar de garage. Eén van hen had een vuurwapen in zijn hand. In de garage hebben ze hem gefouilleerd en is zijn telefoon uit zijn tas gepakt. De drie mannen stelden hem verschillende vragen over de bewoners van de woning en hun bezittingen. In de garage werden zijn polsen en benen met tiewraps vastgebonden en kreeg hij tape om zijn vingers en op zijn mond. Daarnaast werden er een lege tas over zijn hoofd en gehoorbescherming over zijn oren gedaan. Bovendien werd er door één van de daders, nadat hij een aansteker had gepakt, benzine in zijn omgeving uitgegoten. In de garage werd meerdere keren het vuurwapen op zijn hoofd gezet. Op een gegeven moment hoorde hij zeggen dat ‘hij weg was’. De daders zijn toen weggegaan en hebben de garagedeur op slot gedaan. Hij hoorde plotseling een gil en herkende de stem van mevrouw [slachtoffer 1] . Hij zag toen op zijn horloge dat het zes minuten voor 10:00 uur was. Hij heeft zich los kunnen maken en toen de deur open was, is hij weggerend en heeft hij de politie laten waarschuwen. Zijn Nokia telefoon is door de daders meegenomen en hij miste twee sleutelbossen en een motorsleutel.8

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij op 24 augustus 2015 in haar woning was en dat haar man haar om ongeveer 9:30 uur gedag kwam zeggen. Daarna liep zij de kleedkamer in en zag zij een in het zwart geklede man met een bivakmuts op in de gang staan. Toen zij terugliep naar de slaapkamer, zag zij nog een man. Toen deze mannen haar hadden gezien, kwam er nog een derde man bij. Zij rende nog wel naar de bijkeuken om door de openstaande buitendeur naar buiten te rennen, maar de mannen hebben haar daar alsnog overmeesterd. Er werd door hen een vuurwapen op haar gericht en tegen haar hoofd geplaatst. Er werd onder andere tegen haar gezegd dat als ze niet zou doen wat ze zeiden, ze haar dood zouden schieten.

Ze had gezegd dat de mannen de autosleutels en de auto’s mee konden nemen, maar ze zeiden dat ze geld en goud wilden. De mannen draaiden alle drie tape over haar hoofd en mond en bonden haar knieën, enkels en handen vast met tape en tiewraps. Vervolgens vroegen ze om de kluizen en sleepten haar door de woning naar de locaties van de kluizen. Het vuurwapen werd nog steeds op haar gericht en er werd gezegd ‘tik de code in, anders schieten wij je dood’. Zij heeft de codes van de kluizen ingetikt, waarop de mannen de sieraden uit de kluizen hebben gehaald. Zij heeft hen ook nog aangewezen waar geld lag, wat de daders vervolgens ook meenamen. Vervolgens liepen de mannen weg en werd het stil. Toen hoorde ze een helikopter.9

De bekennende verklaring van de verdachte

De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting zijn betrokkenheid bij de overval bekend. Hij heeft verklaard dat hij en zijn twee medeverdachten hadden afgesproken om te gaan inbreken. Ze zijn in de donkerblauwe Audi A6, die in de buurt van de woning is aangetroffen, naar Voorschoten gereden en hebben het landgoed rondom de woning aan de [adres 2] betreden. De verdachte had bivakmutsen en handschoenen meegenomen, welke zij daar allemaal hebben opgezet en aangetrokken. Toen [slachtoffer 3] arriveerde, hebben zij hem met zijn drieën overmeesterd. De verdachte heeft verklaard dat één van de medeverdachten hierbij een vuurwapen in zijn hand had. Vervolgens hebben zij [slachtoffer 3] in het tuinhuisje met tape en tiewraps aan zijn handen en benen vastgebonden. Zij hebben hem alle drie vragen gesteld met betrekking tot de woning, de bewoners en de kluizen in de woning. Hierbij hebben zij eveneens alle drie afwisselend buiten op de uitkijk gestaan. De verdachte heeft op een gegeven moment benzine gegoten over de bank waarop de tuinman zat. Ook kreeg de tuinman een zak over zijn hoofd. Toen de mannelijke bewoner van de woning weg was, hebben zij de tuinman vastgebonden achtergelaten, de deur van de garage op slot gedaan en zijn zij de woning ingegaan met de sleutels die zij van de tuinman hadden afgenomen.

In de woning zagen zij vrij snel de vrouwelijke bewoonster. Zij hebben haar met zijn drieën overmeesterd. De verdachte heeft verklaard dat ook in de woning één van de medeverdachten een vuurwapen in zijn hand had. De vrouw werd - net als de tuinman - met tape en tiewraps vastgebonden. Zij werd door de verdachten gedwongen aan te geven waar de kluizen waren en deze kluizen te openen. Hierbij hebben de verdachten haar door de woning gesleept om de kluizen aan te wijzen. Ook heeft de vrouw hen moeten aangeven waar in de woning geld lag. Toen de verdachten de sieraden, geld en andere goederen in hun tassen hadden gedaan, hoorden zij buiten sirenes en een helikopter. Hierop hebben zij snel de woning verlaten. Even later zijn zij aangehouden. Ten aanzien van de rolverdeling heeft de verdachte verklaard dat zij min of meer gelijkwaardige rollen hadden. De buit zou tussen hen worden verdeeld.10

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is op grond van voornoemde bewijsmiddelen, waarnaar in de voetnoten is verwezen, van oordeel dat de aan de verdachte ten laste gelegde diefstal met (bedreiging met) geweld in vereniging (feit 1), de wederrechtelijke vrijheidsberoving in vereniging (feit 2) en het in vereniging voorhanden hebben van een vuurwapen (feit 4) wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De verdachte en zijn mededaders hebben elkaar voor de overval volgens afspraak ontmoet. De verdachte heeft handschoenen en bivakmutsen meegenomen. De verdachte en zijn mededaders zijn samen naar Voorschoten gegaan.

De verdachte heeft tijdens de overval een actieve rol gehad door met handschoenen aan en een bivakmuts op zowel [slachtoffer 3] als [slachtoffer 1] te overmeesteren, vast te binden met tape en tiewraps en vervolgens de woning te doorzoeken, met in het vooruitzicht een deel van de buit. Bovendien heeft hij de woning verlaten in de wetenschap dat [slachtoffer 1] vastgetaped en vastgebonden was en in de veronderstelling dat ook [slachtoffer 3] nog vastgetaped en vastgebonden was. Tijdens de overval was er bij de verdachten voortdurend een wapen aanwezig, hetgeen voor de verdachte duidelijk was. Dit betrof een gaspistool, dat niet van een echt vuurwapen te onderscheiden is. De verdachte heeft benzine in de buurt van [slachtoffer 3] gegoten, hetgeen door [slachtoffer 3] als zeer bedreigend is ervaren. Ook was de verdachte er bij toen aan [slachtoffer 1] werd opgedragen een of meer van de kluizen te openen. Op grond van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het aandeel van de verdachte in de overval van zodanig gewicht is geweest dat er ten aanzien van deze feiten sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking in de zin van medeplegen.

Ten aanzien van de heling van de gestolen Audi A6, waarmee de verdachten naar Voorschoten zijn gereden, overweegt de rechtbank als volgt. De verdachte heeft verklaard dat hij en zijn medeverdachten in de ochtend van 24 augustus 2015 hadden afgesproken in Leiden om vervolgens te gaan inbreken. Op de afgesproken plek zijn zij allemaal in een Audi A6 gestapt, die gestolen bleek te zijn. Over waar deze auto vandaan kwam en wie van hen heeft gereden, heeft niemand van de verdachten willen verklaren. Een aannemelijke verklaring over de herkomst van deze gestolen auto is niet gegeven. De verdachte heeft wel verklaard dat hij zich zo’n auto in elk geval niet kan veroorloven. Hij heeft niet willen en durven verklaren van wie de auto was en of dit één van de medeverdachten of iemand anders was.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de Audi A6 waarmee hij en de medeverdachten naar Voorschoten zijn gereden van diefstal afkomstig was. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen met betrekking tot de overval en de rol van de verdachte hierbij is er, gelet op de onderlinge samenhang, eveneens bij het voorhanden hebben van de gestolen Audi A6 sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking in de zin van medeplegen.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de aan de verdachte ten laste gelegde heling in vereniging (feit 3) eveneens wettig en overtuigend kan worden bewezen.

3.2

Dagvaarding II

3.2.1

Inleiding

De verdachte wordt kort gezegd primair verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een bedrijfsinbraak tussen 14 en 17 februari 2015 te Katwijk. Subsidiair is dit ten laste gelegd als heling van een aantal goederen die bij deze inbraak zijn gestolen (feit 1). Daarnaast wordt de verdachte eveneens de heling van goederen afkomstig van andere inbraken verweten (feit 2).

3.2.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

3.2.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van de tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Voor de inbraak ontbreekt wettig en overtuigend bewijs en voor de heling van de goederen ontbreekt bewijs van wetenschap bij de verdachte.

3.2.4

De beoordeling van de tenlastelegging11

De gestolen goederen in de kelderbox

Op 25 mei 2015 kregen de dienstdoende agenten de opdracht om naar de [adres 3] te Leiden te gaan in verband met een melding van mogelijk gestolen goederen in een kelderbox. De eigenaar van de kelderbox en zijn buren hadden in de kelderbox allerlei goederen zien staan, die niet van hen waren en waarvan zij de herkomst niet vertrouwden. Ze hebben daarop de verdachte - die ook van de kelderbox gebruikmaakte - gebeld om hem te vragen of dit zijn goederen waren. Hierop is de verdachte ter plaatse gekomen en omdat ze het daarop nog steeds niet vertrouwden, hebben ze de politie gebeld. Voordat de politie ter plaatse was, hebben de melders gezien dat de verdachte tassen met spullen uit de kelderbox haalde. Toen de politie ter plaatse kwam, zagen zij dat er enkele tassen en goederen ontbraken.12 Op de vraag van de politie of de aangetroffen goederen van hem waren, kregen de verbalisanten van de verdachte geen duidelijk antwoord, waarop hij is aangehouden.

Uit onderzoek naar de aangetroffen goederen in de kelderbox aan de [adres 3] is gebleken dat er verschillende goederen te koppelen zijn aan diverse inbraken. [aangever 1] herkende van de aangetroffen goederen een diamanttester en een toetsset voor edelmetalen als haar eigendom.13 Zij heeft op 17 februari 2015 namens [bedrijf] aangifte gedaan van een inbraak in haar atelier tussen 14 en 17 februari 2015, waarbij onder andere een toetswaterset en een diamant-moissaniet tester zijn weggenomen.14

[benadeelde] herkende getoonde sieraden en een camera als haar eigendom.15 [man benadeelde] (de [man benadeelde] ) heeft op 1 februari 2015 aangifte gedaan van een woninginbraak tussen 31 januari en 1 februari 2015, waarbij onder andere sieraden en een fotocamera zijn weggenomen.16

De verklaring van de verdachte

De verdachte heeft verklaard dat hij de sleutel van de kelderbox had en dat hij van de kelderbox gebruik maakte. Over de goederen heeft de verdachte bij de politie niets willen verklaren. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij de sleutel aan iemand anders had uitgeleend en dat diegene een kopie van de sleutel heeft gemaakt. Anderen hebben zijn vertrouwen beschaamd. Van de goederen weet hij niets. Hij heeft tegenover de eigenaar van de kelderbox en de buren verklaard dat het zijn goederen waren en dat ze voor de verkoop in Marokko bestemd waren, omdat hij daarmee tijd wilde winnen. Hij wilde de persoon of personen die die goederen daar hadden opgeslagen de tijd geven om de goederen weg te halen. Hij wilde de politie er niet bij hebben, omdat er mogelijk gestolen goederen tussen zaten. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij als gevolg van het verlies van de gestolen goederen van deze persoon of personen een boete heeft gekregen.17

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 1 primair

De rechtbank is van oordeel dat het dossier en het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende basis bieden voor de conclusie dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Er is door de politie een schoensporenonderzoek en een vergelijkend werktuigsporenonderzoek ingesteld. Op basis van de uitkomsten hiervan, kan de rechtbank slechts vaststellen dat het schoenspoor dat in [bedrijf] is aangetroffen matcht met de linkerschoen die verdachte aan had op het moment van zijn aanhouding. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij zijn schoenen wel eens uitleent. Nu de rechtbank niet kan uitsluiten dat een andere persoon dan de verdachte de bewuste schoen heeft gedragen bij de bedrijfsinbraak, kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte in [bedrijf] is geweest. Uit het dossier volgt voorts geen direct verband tussen de verdachte en de aangetroffen schroevendraaiers, waarmee het vergelijkend werktuigsporenonderzoek is gedaan. Dat er in de kelderbox waarvan de verdachte gebruik maakte, goederen zijn aangetroffen welke afkomstig waren van [bedrijf] , is gelet op het tijdverloop tussen de inbraak en het aantreffen van de goederen (ruim drie maanden) naar het oordeel van de rechtbank evenmin direct bewijs voor betrokkenheid van de verdachte bij de inbraak. Nu zich verder niets in het dossier bevindt waaruit directe betrokkenheid van de verdachte blijkt bij dit feit, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen van het onder 1 primair ten laste gelegde feit. De verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

Feit 1 subsidiair

Ten aanzien van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde heling is de rechtbank van oordeel dat dit feit wel wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank stelt vast dat de verdachte gebruik maakte van de kelderbox aan de [adres 3] . De verdachte had de sleutel van de kelderbox en hij had hier in elk geval zijn scooter staan. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de sleutel aan iemand anders heeft uitgeleend en dat diegene een kopie van de sleutel heeft gemaakt. De verdachte heeft voorts verklaard dat de eigenaar van de kelderbox hier niets van wist. Hiermee heeft de verdachte anderen de kans gegeven gebruik te maken van de kelderbox. Door hier geen controle op uit te oefenen, heeft de verdachte bewust de kans aanvaard dat anderen misbruik zouden maken van de kelderbox. Dat er inderdaad misbruik is gemaakt van de kelderbox blijkt uit het aantreffen van gestolen goederen in de kelderbox, die volgens de politie aan verschillende inbraken kunnen worden gekoppeld. Ook van de inbraak bij [bedrijf] zijn in de kelderbox goederen aangetroffen, te weten een diamanttester en een toetswaterset.

Nadat de verdachte op 25 mei 2015 bij de kelderbox was gearriveerd en werd aangesproken door de eigenaar van de kelderbox en zijn buren, heeft hij vrijwel direct spullen weggezet. Daarnaast heeft hij tegenover de buren verklaard dat er gestolen goederen tussen de spullen konden zitten. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij tijd wilde winnen om de persoon of personen die de goederen daar hadden opgeslagen, de kans te geven deze goederen weg te halen. Hij wilde de politie er niet bij hebben. Hieruit leidt de rechtbank af dat het de verdachte duidelijk moet zijn geweest dat de herkomst van die goederen niet zuiver was.

Door, zoals hij heeft verklaard, het gebruik van de kelderbox door anderen toe te laten heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij op 25 mei 2015 gestolen goederen voorhanden had. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de onder 1 subsidiair ten laste gelegde heling wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Feit 2

De rechtbank is van oordeel dat de in de tenlastelegging in algemene termen genoemde goederen niet duidelijk aan de zich in het dossier bevindende aangiftes van woninginbraken zijn te koppelen. Slechts de aangifte van de woninginbraak aan de [adres 4] te Leiden wordt ondersteund door een herkenning van de goederen door de (mede)bewoonster. De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de in de tenlastelegging genoemde sieraden en een camera afkomstig zijn van deze woninginbraak aan de [adres 4] . Ten aanzien van de overige goederen blijkt niet uit de tenlastelegging noch het dossier aan welke specifieke aangiftes deze zijn te koppelen. Derhalve kan de rechtbank niet vaststellen of deze goederen afkomstig zijn van een specifieke inbraak waarvan aangifte is gedaan.

Gelet op hetgeen hiervoor met betrekking tot het voorwaardelijk opzet van de verdachte is overwogen ten aanzien van feit 1 subsidiair is de rechtbank van oordeel dat de onder 2 ten laste gelegde heling eveneens wettig en overtuigend kan worden bewezen.

3.3

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

Dagvaarding I, parketnummer 09/842567-15:

1.

hij op 24 augustus 2015 te Voorschoten tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning, gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen

- sieraden en geld en andere goederen, toebehorende aan [slachtoffer 1] [slachtoffer 2] en

- een telefoon (Nokia) en sleutelbossen en een motorsleutel, toebehorende aan [slachtoffer 3] ,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het

- tonen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer 3] en

- fouilleren van die [slachtoffer 3] en

- op dreigende/dwingende toon tegen die [slachtoffer 3] zeggen dat hij mee moest komen en dat hij informatie over de bewoners van die woning en de bezittingen van die bewoners moest geven en

- met tiewraps vastbinden van de polsen en de benen van die [slachtoffer 3] en het plaatsen van tape op de mond en handen van die [slachtoffer 3] en

- in de nabijheid van die [slachtoffer 3] gooien van benzine

en

- met bedekte gezichten betreden van genoemde woning en

- plaatsen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd van die [slachtoffer 1] en het richten van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de richting van die [slachtoffer 1] en

- ( al dan niet met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd van die [slachtoffer 1] ) op dreigende toon tegen die [slachtoffer 1] zeggen: "Tik de code (van de kluis) in, anders schieten wij je dood" en "Als u niet doet wat wij zeggen, dan schieten wij" en "Wij willen goud en geld", althans woorden van gelijke dreigende/dwingende aard en/of strekking en

- vastpakken van die [slachtoffer 1] en het meesleuren van die [slachtoffer 1] en

- plaatsen van tape op de mond van die [slachtoffer 1] en het met tape en tiewraps vastbinden van de enkels en knieën en handen van die [slachtoffer 1] ;

2.

hij op 24 augustus 2015 te Voorschoten in een woning, gelegen aan de [adres 2] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer 3] [slachtoffer 1] wederrechtelijk (met betrekking tot [slachtoffer 3] : enige uren) van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben verdachte en zijn mededaders

- die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond en op het hoofd gezet en

- die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] aan handen en benen getapet en met tiewraps vastgebonden;

3.

hij op 24 augustus 2015 te Voorschoten en Leiden, tezamen en in vereniging met anderen, een auto (Audi A6, kenteken [kenteken 1] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van die auto wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4.

hij op 24 augustus 2015 te Voorschoten, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie III, te weten een gaspistool (Reck, Miami 92 F, 9mm), en munitie van categorie III, te weten 6 knalpatronen (RWS en/of GFL), voorhanden heeft gehad;

Dagvaarding II, parketnummer 09/827087-15

1. subsidiair

hij op 25 mei 2015 te Leiden een diamanttester en een toetswaterset voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze diamanttester en toetswaterset wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

2.

hij op 25 mei 2015 te Leiden sieraden en een camera voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van dagvaarding I, feiten 1 en 2:

de voortgezette handeling van

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden;

ten aanzien van dagvaarding I, feit 3:

medeplegen van opzetheling;

ten aanzien van dagvaarding I, feit 4:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III.

ten aanzien van dagvaarding II, feiten 1 subsidiair en 2:

opzetheling, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Zij heeft daarbij aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten en in strafverzwarende zin rekening gehouden met het medeplegen, het bedreigen met een wapen, het dragen van een bivakmuts en het vastbinden van de slachtoffers. Aldus zou volgens de officier van justitie een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en negen maanden moeten worden opgelegd. De officier van justitie komt, gelet op het feit dat de verdachte nog twee feiten heeft gepleegd en omdat de verdachte de overval heeft gepleegd tijdens schorsing van de voorlopige hechtenis voor deze feiten, tot een eis van zes jaren gevangenisstraf.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit aan de verdachte, nu hij nog zeer jong is, een gevangenisstraf ‘met perspectief’ op te leggen: een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren zou passend zijn.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gewapende woningoverval. Samen met anderen is de verdachte vroeg in de ochtend het terrein van de te overvallen woning opgegaan. Hier werd eerst de tuinman door de drie mannen overmeesterd. De daders hebben hem met een gaspistool bedreigd en met tape en tiewraps vastgebonden. Om de tuinman heen heeft de verdachte benzine uitgegoten. In die situatie hebben de daders hem achtergelaten. Vervolgens zijn de daders de woning binnengegaan en hebben daar de vrouwelijke bewoonster overmeesterd. Ook zij werd met een gaspistool bedreigd en met tape en tiewraps stevig vastgebonden. De daders hebben vervolgens de woning doorzocht en hebben het vrouwelijke slachtoffer gedwongen de kluizen in de woning aan te wijzen en te openen. Zij is daarbij een paar maal over de grond van de woning gesleept. Ook het vrouwelijk slachtoffer werd vastgebonden achtergelaten en de daders zijn er met een geldbedrag en sieraden vandoor gegaan.

De verdachte heeft een zeer ernstige inbreuk gemaakt op het gevoel van veiligheid dat mensen in hun eigen woning en in hun eigen omgeving zouden moeten hebben.

De rechtbank gaat ervan uit dat de slachtoffers in doodsangst hebben verkeerd. Dat de overval voor hen traumatische ervaringen heeft teweeggebracht volgt uit de toelichting op hun vorderingen tot schadevergoeding en uit de namens hen ter terechtzitting afgelegde verklaringen. De rechtbank neemt het de verdachte uitermate kwalijk dat hij, met het oog op eigen gewin, met anderen deze overval heeft gepleegd en daarbij volledig is voorbijgegaan aan wat de zeer bedreigende handelingen bij de overval voor de slachtoffers zouden kunnen betekenen. De verdachte heeft aangegeven dat hij wel zag dat de slachtoffers bang waren maar dat heeft hem niet van het plegen van het feit weerhouden. De traumatische ervaringen die de overval bij de slachtoffers teweeg heeft gebracht alsmede de enorme impact die deze op hen heeft gehad en nog steeds heeft, komen mede voor rekening van de verdachte.

Naast de overval heeft de verdachte zich mede schuldig gemaakt aan opzetheling van een auto. Met zijn handelen heeft verdachte er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van anderen.

Naast de overval en de daarmee samenhangende bewezenverklaarde feiten, heeft de verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan twee andere gevallen van opzetheling (dagvaarding II). De rechtbank neemt het de verdachte bijzonder kwalijk dat hij voornoemde overval heeft gepleegd tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis in deze zaken.

Documentatie

Uit een uittreksel Justitiële Documentatie van 26 augustus 2015 blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen ter zake van soortgelijke strafbare feiten.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte kennis genomen van het reclasseringsadvies van 29 februari 2016. Indien de verdachte nog steeds niet wil meewerken aan een PJ-rapportage, adviseert de reclassering een onvoorwaardelijke straf aan de verdachte op te leggen.

Straf

De rechtbank stelt voorop dat gelet op de ernst van de feiten niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich meebrengt. Bij het bepalen van de hoogte van de straf neemt de rechtbank de LOVS-oriëntatiepunten als uitgangspunt. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

Als oriëntatiepunt voor de op te leggen straf in geval van een woningoverval met licht geweld, te weten een enkele ruk/duw zonder noemenswaardig letsel, wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaren gehanteerd en in geval van een woningoverval met ander geweld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaren. Nu het verschil zit in de mate van geweld, dient allereerst dit aspect te worden beoordeeld.

De rechtbank overweegt dat er bij dit feit fysiek geweld is gebruikt. De beide slachtoffers zijn overmeesterd en vastgebonden met tape en tiewraps. Het vrouwelijk slachtoffer is zeer stevig vastgebonden. Het mannelijke slachtoffer heeft ook nog een zak over zijn hoofd gekregen en er is benzine in zijn nabijheid gegoten. Het vrouwelijke slachtoffer is daarnaast nog meerdere keren door de woning gesleept om - nog steeds vastgebonden - de kluizen te openen. Naast het uitgeoefende fysieke geweld was er ook sprake van continue dreiging met geweld door de aanwezigheid van een gaspistool. In dit verband is verder relevant dat de daders vroeg in de ochtend de woning zijn binnengedrongen en hebben gedreigd met het doodschieten van de vrouw als ze de kluizen niet zou aanwijzen en openen. Dit alles werkt zeer intimiderend en vergroot de impact van het gebeuren in aanzienlijke mate.

Alles bij elkaar genomen is de rechtbank van oordeel dat de mate van geweld, met name gelet op de dreiging daarmee en de omstandigheden waaronder dat heeft plaatsgevonden, kan worden gekwalificeerd als ‘ander geweld’. Dat betekent dat het uitgangspunt voor de op te leggen straf een gevangenisstraf van vijf jaren is.

De verdachte is weliswaar jong, maar gelet op de ernst van de feiten ziet de rechtbank geen aanleiding af te wijken van dit uitgangspunt. De overval is gepleegd door meerdere daders die min of meer een gelijkwaardige rol hadden. Bij het verlaten van de woning hebben de daders de slachtoffers in een uiterst kwetsbare positie aan hun lot overgelaten: de slachtoffers waren beiden vastgetaped en vastgebonden. De slachtoffers zijn nog steeds bang en het vrouwelijke slachtoffer heeft aan de overval psychisch letsel overgehouden. Hiernaast heeft de verdachte zich nog schuldig gemaakt aan twee gevallen van opzetheling en liep hij tijdens het plegen van de woningoverval in een schorsing van zijn voorlopige hechtenis.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van vijf jaren en drie maanden passend en geboden.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen / de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vorderingen

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 26.508,60. De vordering strekt tot vergoeding van materiële schade (bestaande uit kosten van een mental coach en eigen risico in verband met EMDR), kosten voor rechtsbijstand en immateriële schade.

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 10.160,00. De vordering strekt tot vergoeding van materiële schade (bestaande uit kosten van twee oordoppen) en immateriële schade.

[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 4025,00. De vordering strekt tot vergoeding van materiële schade.

7.2

De conclusie van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en tot toewijzing van de vordering van [aangever 1] , met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze vorderingen wel voor toewijzing in aanmerking komen, maar dat enkele posten gematigd dienen te worden. Ten aanzien van de materiële schade is geen verweer gevoerd. Voor wat betreft beide vorderingen heeft de verdediging gesteld dat het bedrag aan immateriële schade gematigd dient te worden, nu de onderbouwing van de vorderingen met een voorbeeld uit de smartengeldgids een ander geval betreft. In tegenstelling tot dat geval is er in onderhavige vorderingen niet vastgesteld dat er sprake is van onherstelbare PTSS. De verdediging heeft ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] naar voren gebracht dat de kosten voor rechtsbijstand niet onder rechtstreekse schade vallen. Hierbij heeft de verdediging gewezen op een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2014:5745). Daarnaast zijn deze kosten onevenredig hoog en dienen deze sterk gematigd te worden.

Ten aanzien van de vordering van [aangever 1] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Vordering [slachtoffer 1]

De vordering van [slachtoffer 1] is door de verdediging inhoudelijk op twee punten betwist. Voor wat betreft de immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat de vordering in beginsel voldoende is onderbouwd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten van dagvaarding I. Nu niet is vastgesteld dat er bij de benadeelde partij sprake is van onherstelbare PTSS, zal de rechtbank het gevorderde bedrag matigen en acht zij een bedrag van € 7.500,00 als vergoeding ter zake van immateriële schade naar billijkheid toewijsbaar. Ten aanzien van de betwiste post ‘kosten rechtsbijstand’ overweegt de rechtbank dat de gevorderde kosten geen rechtstreekse schade vormen, zodat de rechtbank de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering. Wel kunnen deze kosten worden aangemerkt als kosten die de benadeelde partij in verband met de vordering heeft gemaakt. Deze kosten kunnen in redelijkheid aan de hand van het ‘Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven’ worden begroot op € 2.712,00, gebaseerd op zes punten in een zaak met een geldswaarde van € 10.000,00 tot € 20.000,00.

Nu de vordering voor het overige voldoende is onderbouwd door de benadeelde partij en door of namens de verdachte niet is betwist en uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de bewezenverklaarde feiten zal de rechtbank de vordering hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 10.485,00. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte tevens hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op € 2.712,00, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering [slachtoffer 3]

De vordering van [slachtoffer 3] is door de verdediging inhoudelijk op één punt betwist. Voor wat betreft de immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat de vordering in beginsel voldoende is onderbouwd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten van dagvaarding I. Nu inderdaad niet is vastgesteld of er bij de benadeelde partij sprake is van onherstelbare PTSS, zal de rechtbank derhalve het gevorderde bedrag matigen en acht zij een bedrag van € 7.500,00 als vergoeding ter zake van immateriële schade naar billijkheid toewijsbaar.

Nu de vordering voor het overige voldoende is onderbouwd door de benadeelde partij en door of namens de verdachte niet is betwist en uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de bewezenverklaarde feiten zal de rechtbank de vordering hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 7.660,00. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte tevens hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering [aangever 1]

De rechtbank zal de benadeelde partij [aangever 1] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien de verdachte ten aanzien van het feit waarop de vordering betrekking heeft, te weten het bij dagvaarding II onder 1 primair ten laste gelegde feit, zal worden vrijgesproken.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte voor de onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten van dagvaarding I zal worden veroordeeld en hij jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door deze feiten zijn toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat

  • -

    van een bedrag van € 10.485,00, ten behoeve van [slachtoffer 1] ;

  • -

    van een bedrag van € 7.660,00, ten behoeve van [slachtoffer 3] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 24 c, 36f, 47, 56, 57, 282, 312 en 416 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding II met parketnummer 09/827087-15 onder 1 primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I met parketnummer 09/842567-15 onder 1, 2, 3 en 4 en de bij dagvaarding II met parketnummer 09/827087-15 onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I, feiten 1 en 2:

de voortgezette handeling van

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden;

ten aanzien van dagvaarding I, feit 3:

medeplegen van opzetheling;

ten aanzien van dagvaarding I, feit 4:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III.

ten aanzien van dagvaarding II, feiten 1 subsidiair en 2:

opzetheling, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) JAREN en 3 (drie) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

  • -

    [slachtoffer 1] : een bedrag van € 10.485,00;

  • -

    [slachtoffer 3] : een bedrag van € 7.660,00;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot op heden begroot op € 2.712,00 en ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 3] tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] voor het overige niet ontvankelijk zijn in de vordering;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van:

  • -

    € 10.485,00, ten behoeve van [slachtoffer 1] ;

  • -

    € 7.660,00, ten behoeve van [slachtoffer 3] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 87 respectievelijk 73 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen door de verdachte en/of een van zijn mededaders aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de Staat de betalingsverplichtingen door de verdachte en/of zijn mededaders aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;

verklaart de benadeelde partij [aangever 1] niet-ontvankelijk in haar vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Fetter, voorzitter,

mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, rechter,

mr. A.M.A. Keulen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.A. Schaap, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 maart 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2015251725 (onderzoek DH6R015054 ‘Larry’), van de politie eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche/ Overvallenteam Twister, met bijlagen.

2 Bijlage 0/OPV/G (Getuigen), proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 8; Bijlage 0/OPV/G (Getuigen), proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 22.

3 Bijlage 0/OPV/AH (Ambtshandelingen), proces-verbaal van bevindingen, p. 31; Bijlage 0/OPV/FO (Forensisch Dossier), proces-verbaal Sporenonderzoek, p. 174, met foto bijlagen, p. 174 t/m 204.

4 Bijlage 0/OPV/FO (Forensisch Dossier), proces-verbaal Sporenonderzoek, p. 135 t/m 138, met foto bijlage, p. 160.

5 Bijlage 0/OPV/FO (Forensisch Dossier), proces-verbaal Sporenonderzoek, p. 244 t/m 246.

6 Bijlage 0/OPV/AH (Ambtshandelingen), proces-verbaal van bevindingen, p. 15 t/m 18, met foto bijlagen, p. 20 t/m 26.

7 Bijlage 0/OPV/AH (Ambtshandelingen), proces-verbaal van bevindingen, p. 78 en 79; Bijlage 0/OPV/A (Aangevers), proces-verbaal aangifte [aangever 3] , p. 19 t/m 21, met bijlage, p. 22.

8 Bijlage 0/OPV/A (Aangevers), proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer 3] , p. A/1 t/m A.5.

9 Bijlage 0/OPV/A (Aangevers), proces-verbaal aangifte [slachtoffer 1] , p. A/7 t/m A/13.

10 Bijlage 0/OPV/V/OUAHA97 ( [verdachte] ), proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 20 t/m 33; Bijlage 0/OPV/V/OUAHA97 ( [verdachte] ), proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 40 t/m 52; Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 4 maart 2016.

11 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2015174983, van de politie eenheid Den Haag, district Leiden-Bollenstreek, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 119) en het proces-verbaal met nummer PL 1500-2015038432 dossier A en dossier B).

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 95 t/m 97; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 98 en 99; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , met bijlagen p. 100 t/m 107; proces-verbaal van bevindingen, p. 116 en 117.

13 Proces-verbaal van bevindingen, p. 55.

14 Proces-verbaal aangifte, met bijlage, p. 30 t/m 35 en foto bijlage (p. 36 t/m 43).

15 Proces-verbaal van bevindingen, p. 81.

16 Proces-verbaal aangifte [aangever 2] , p. 58 t/m 62, met bijlagen, p. 63 t/m 80.

17 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 4 maart 2016.