Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:2521

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
10-03-2016
Zaaknummer
15/18983
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:2169, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

COA, art 9 Rva, art 17 Rva, noodzakelijke kosten

Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 3 is overwogen, komt aan verweerder (het COA) alleen in zeer evidente gevallen een oordeel toe over het ontbreken van de noodzaak van het aanwenden van een procesrechtelijk middel. Daarbij rust op verweerder de bewijslast om aannemelijk te maken dat van een zo evident ontbreken van de noodzaak tot het maken van de kosten sprake is. Dat eiser in de onderhavige procedure een linguïst - de heer Van Driem – wenst in te schakelen leidt niet zonder meer tot te conclusie dat om die reden geen sprake is van noodzakelijke kosten in vorenbedoelde zin. Niet op voorhand kan worden uitgesloten dat de heer van Driem vanuit zijn deskundigheid uitspraken kan doen over de inhoud van deskundigenrapportage. Verweerder heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat dat anders is. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een zeer evident geval als hiervoor bedoeld, zodat aanleiding bestaat te bepalen dat verweerder de te maken kosten in verband met het laten verrichten van een contra-expertise documentenonderzoek aan eiser dient te vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/18983

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum],

van Nepalese nationaliteit,

V-nummer [nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind, advocaat te Heerlen),

en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA),

gevestigd te Rijswijk, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 8 oktober 2015 om vergoeding van de kosten in verband met het laten verrichten van een contra-expertise documentenonderzoek afgewezen. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2016. Partijen zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, van de Rva 2005 omvat de opvang in een opvangvoorziening in elk geval de betaling van buitengewone kosten.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Rva 2005 kan een asielzoeker een vergoeding ontvangen voor buitengewone kosten, bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, die hij heeft gemaakt.

Ingevolge het tweede lid zijn buitengewone kosten noodzakelijke kosten die vanwege hun aard of hoogte in redelijkheid niet geacht kunnen worden door de asielzoeker zelf te worden betaald.

Ingevolge het derde lid worden buitengewone kosten slechts betaald voor zover vooraf door het COa aan de asielzoeker toestemming is verleend voor het maken van deze kosten, met uitzondering van kosten die voortvloeien uit noodsituaties waarin geen mogelijkheid bestond tot het verzoeken om toestemming.

Ingevolge het vierde lid wordt de toestemming, bedoeld in het derde lid, uitsluitend verleend indien en voor zover de kosten noodzakelijk zijn en niet op andere wijze in de betaling kan worden voorzien.

2. Eiser heeft zich primair op het standpunt gesteld dat - kort samengevat - het bepaalde in artikel 17 van de Rva 2005 in strijd is met het bepaalde in de artikelen 20 en 21 van de Richtlijn 2013/32/EU (hierna: de Procedurerichtlijn), omdat uit laatstgenoemde artikelen uit de Procedurerichtlijn volgt dat een vreemdeling verplicht is een contra-expertise te overleggen om een documentenonderzoek met succes te kunnen bestrijden en er in zoverre op verweerder samenwerkingsverplichting rust. Het COA is dan ook niet bevoegd te bepalen of een contra-expertise “inhoudelijk” noodzakelijk is.

3. De rechtbank volgt eiser niet in zijn primaire standpunt. Eiser maakt in zijn betoog geen onderscheid tussen enerzijds de samenwerkingsverplichting en anderzijds het recht op rechtsbijstand van de vreemdeling. Naar het oordeel van de rechtbank dient dit onderscheid wel te worden gemaakt. Het recht van de vreemdeling op rechtsbijstand en waar nodig vergoeding van de kosten van een expert staat los van de verplichting van verweerder om samen met de vreemdeling een onderzoek te doen naar de feiten die de aanvraag kunnen ondersteunen. Daarom is de stelling onjuist dat op grond van de samenwerkingsplicht aan het COA geen oordeel kan toekomen omtrent de noodzakelijkheid van de te maken kosten. Maar, net als bij het recht op gefinancierde rechtsbijstand dat de vreemdeling alleen kan worden onthouden wanneer de procedure die hij aanspant kennelijk ongegrond is, kan verweerder ook alleen treden in de procespositie en de afweging die eiser in dat kader moet maken als er sprake is van een evident onnodige aanwending van middelen. Een ander standpunt zou naar het oordeel van de rechtbank met zich brengen dat het bewijsrisico van de vreemdeling in de door hem gevoerde procedure over het verkrijgen van een verblijfstitel gedragen zou moeten worden door degene die inhoudelijk mag beoordelen of het inschakelen van een (bepaalde) deskundige wel opportuun is.

4. Verweerder heeft het verzoek afgewezen en heeft daaraan ten grondslag gelegd dat niet is aangetoond dat de door eiser in te schakelen expert, de heer Van Driem van het Linguistics Institute aan de Universiteit van Bern, Zwitserland, in staat is om een deugdelijk tegenonderzoek te verrichten. Eiser heeft volgens verweerder niet aangetoond dat de heer Van Driem beschikt over de benodigde forensisch-technische expertise en vaardigheden en tevens de beschikking heeft over betrouwbaar bronnenmateriaal. Derhalve zijn de kosten voor het laten verrichten van de door eiser gewenste contra-expertise documentenonderzoek niet te beschouwen als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 17 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005).

5. Gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 3 is overwogen, komt aan verweerder alleen in zeer evidente gevallen een oordeel toe over het ontbreken van de noodzaak van het aanwenden van een procesrechtelijk middel. Daarbij rust op verweerder de bewijslast om aannemelijk te maken dat van een zo evident ontbreken van de noodzaak tot het maken van de kosten sprake is. Dat eiser in de onderhavige procedure een linguïst - de heer Van Driem – wenst in te schakelen leidt niet zonder meer tot te conclusie dat om die reden geen sprake is van noodzakelijke kosten in vorenbedoelde zin. Niet op voorhand kan worden uitgesloten dat de heer van Driem vanuit zijn deskundigheid uitspraken kan doen over de inhoud van deskundigenrapportage. Verweerder heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat dat anders is. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een zeer evident geval als hiervoor bedoeld, zodat aanleiding bestaat te bepalen dat verweerder de te maken kosten in verband met het laten verrichten van een contra-expertise documentenonderzoek aan eiser dient te vergoeden.

6. Het beroep is gegrond.

7. Er bestaat aanleiding voor veroordeling van verweerder in de kosten die eiser in verband met het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de door eiser te maken kosten in verband met het laten verrichten van een contra-expertise in aanmerking komen voor vergoeding op de voet van artikel 17 Rva 2005 en bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 992,=, te voldoen eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Banda, rechter, in aanwezigheid van M.J.P. Kambeel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.