Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:2477

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
10-03-2016
Zaaknummer
C/09/491187 / HA ZA 15-732
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Samenloop Gemeenschapsmerk en Beneluxmerk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/491187 / HA ZA 15-732

Vonnis in incident van 9 maart 2016

in de zaak van

de vennootschap naar Duits recht

DR. ING. H.C.F. PORSCHE AKTIENGESELLSCHAFT,

gevestigd te Stuttgart, Duitsland,

woonplaats gekozen hebbend te Amsterdam ten kantore van haar advocaten,

eiseres,

advocaat mr. D. Knottenbelt te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat voorheen mr. N. Claassen te Schiedam, thans mr. M.W. Huijzer te Papendrecht.

Partijen zullen hierna Porsche en [gedaagde] genoemd worden.

De procedure wordt voor Porsche behandeld door mr. J.A. Schaap en mr. N.M. Ketelaar, advocaten te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de rolbeslissing van 21 oktober 2015;

  • -

    de akte houdende toelichting bevoegdheid Rechtbank Den Haag, vermeerdering van eis en overlegging producties, van Porsche, met producties;

  • -

    de akte uitlaten partijen, tevens houdende incidentele conclusie tot onbevoegdheid, van [gedaagde] ;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident tot onbevoegdheid van Porsche.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 Vorderingen en grondslagen in de hoofdzaak

2.1.

Porsche heeft in de hoofdzaak bij dagvaarding een zestal vorderingen tegen [gedaagde] ingesteld, waarvan de laatste betrekking heeft op vergoeding van de volledige door Porsche gemaakte proceskosten. De overige vorderingen houden, kort samengevat, in:

A. nietigverklaring van de Beneluxmerkinschrijving onder nummer 128295 voor het woordmerk P@RSCHE op naam van [gedaagde] ;

B. [gedaagde] te verbieden in de toekomst het teken P@RSCHE dan wel een ander teken dat identiek dan wel soortgelijk is aan of verwarringwekkend overeenstemt met de merken van Porsche als merk te deponeren;

C. [gedaagde] te gebieden ieder gebruik van het teken P@RSCHE dan wel een ander teken dat identiek dan wel soortgelijk is aan of verwarringwekkend overeenstemt met de Gemeenschapsmerken van Porsche te staken;

D. [gedaagde] te veroordelen tot lijfsdwang bij overtreding van het onder B gevorderde verbod;

E. [gedaagde] te veroordelen een bedrag van € 25.000,- aan Porsche te betalen wegens verbeurde dwangsommen.

2.2.

Deze vorderingen zijn gebaseerd op de navolgende, thans relevante stellingen.

2.2.1.

De Beneluxmerkinschrijving onder nummer 128295 is nietig omdat deze in strijd is met oudere Gemeenschapsmerken van Porsche. Het depot van het merk is bovendien te kwader trouw omdat [gedaagde] wist dat Porsche in de drie jaren voorafgaand aan het merkdepot overeenstemmende tekens voor soortgelijke waren te goeder trouw en op een normale wijze heeft gebruikt.

2.2.2.

Het depot is voorts in strijd met een eerder tussen partijen gewezen vonnis en arrest waarin [gedaagde] is bevolen zich te onthouden van het verrichten van enig Benelux- of Gemeenschapsmerkdepot waarvan het woordelement PORSCHE deel uitmaakt, op straffe van een dwangsom van € 25.000,- Deze dwangsom is derhalve door [gedaagde] verbeurd. Nu bovendien blijkt dat de dwangsom als prikkel tot nakoming niet werkt dient te worden overgegaan tot het opleggen van lijfsdwang.

2.2.3.

[gedaagde] handelt ook anderszins onrechtmatig jegens Porsche door voordeel te trekken uit de door Porsche opgebouwde goodwill en Porsche op kosten te jagen. Porsche vordert daarom een verbod tot het registreren en gebruiken van aan haar merken identieke of soortgelijke tekens.

2.3.

Bij akte van 4 november 2015 heeft Porsche haar eis en de grondslag daarvan gewijzigd. Zij vordert nu tevens dat [gedaagde] wordt bevolen een tweetal door hem verrichte depots van Gemeenschapsmerken van het woordmerk P@RSCHE door te halen. Porsche stelt dat deze depots eveneens inbreuk maken op haar merkrechten en dat de depots daarnaast jegens haar onrechtmatig zijn. Door het verrichten van deze depots is het bedrag aan verbeurde dwangsommen waarop Porsche aanspraak maakt opgelopen tot € 75.000,-.

3 Het geschil in het incident

3.1.

Incidenteel wordt door [gedaagde] gevorderd dat de rechtbank zich relatief onbevoegd verklaart. [gedaagde] stelt in dit verband dat hij woonachtig is in het arrondissement Rotterdam en dat volgens de hoofdregel van het burgerlijk procesrecht de rechtbank Rotterdam bevoegd is van de vorderingen van Porsche kennis te nemen. De eisvermeerdering dient volgens [gedaagde] bij het beoordelen van de bevoegdheid buiten beschouwing te worden gelaten omdat de bevoegdheid moet worden beoordeeld aan de hand van de stellingen in de dagvaarding. De Gemeenschapsmerken waartegen Porsche zich nu keert zijn volgens [gedaagde] nimmer geregistreerd. [gedaagde] bestrijdt dat hij door deponering van het teken P@RSCHE dwangsommen heeft verbeurd.

3.2.

Porsche heeft de incidentele vordering bestreden. Zij voert aan dat haar vorderingen kwalificeren als het afweren van inbreuken op haar toekomende Gemeenschapsmerken. Hiervoor is de rechtbank Den Haag exclusief bevoegd. De vordering tot nietigverklaring van het Beneluxmerkdepot dient volgens Porsche in het licht van de bescherming van haar Gemeenschapsmerken tegen inbreuken te worden beschouwd.

De beoordeling in het incident

3.3.

De rechtbank Rotterdam is in beginsel bevoegd kennis te nemen van de bij dagvaarding ingestelde vorderingen, vermeld in 2.1 onder A, B, D en E, omdat gedaagde woonplaats heeft in het arrondissement Rotterdam. Dit volgt voor de vordering onder A uit 4.6 BVIE1. Voor zover moet worden aangenomen dat de EEX-Vo2 prevaleert boven het BVIE, volgt de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter uit artikel 24 lid 4 EEX-Vo en de relatieve bevoegdheid van de rechtbank Rotterdam uit 4.6 BVIE of artikel 99 Rv3. Voor wat betreft de vorderingen onder B, D en E volgt de relatieve bevoegdheid eveneens uit artikel 99 Rv.

3.4.

Volgens Porsche is deze rechtbank exclusief bevoegd voor de vordering tot doorhaling van de depots van de Gemeenschapsmerken op grond van artikel 96 GMVo4. De stelling is onjuist omdat een vordering met deze strekking in dat artikel niet is vermeld. Voor zover de vordering moet worden opgevat als een vordering tot nietigverklaring van een Gemeenschapsmerk geldt dat artikel 96 GMVo uitsluitend exclusieve bevoegdheid toekent aan een rechtbank voor het Gemeenschapsmerk indien sprake is van een reconventionele vordering. Een vordering tot nietigverklaring van een Gemeenschapsmerk kan overigens alleen bij het in artikel 52 bedoelde Bureau worden ingesteld. Op deze vordering dient – daargelaten de ontvankelijkheid – dus in beginsel evenzeer te worden beslist door de rechtbank Rotterdam.

3.5.

Aan de vordering vermeld onder 2.1 onder C is echter onder meer inbreuk op de Gemeenschapsmerken van Porsche ten grondslag gelegd. Deze rechtbank is exclusief bevoegd die vordering te beoordelen op grond van artikel 95 lid 1 juncto de artikelen 96 sub a en 97 lid 1 GMVo en artikel 3 van de Uitvoeringswet E.G.-verordening inzake het Gemeenschapsmerk. De zaak kan in zoverre niet naar Rotterdam worden verwezen.

De overige vorderingen hangen bovendien nauw samen met deze inbreukvordering. Het door [gedaagde] gedeponeerde teken maakt namelijk volgens Porsche inbreuk op de Gemeenschapsmerken van Porsche omdat het daarmee verwarringwekkend overeenstemt terwijl om dezelfde reden het Beneluxmerk zou moeten wijken voor de oudere Gemeenschapsmerken van Porsche. Onder die omstandigheden is aan te nemen dat, nu in ieder geval bevoegdheid toekomt aan de Nederlandse rechter, deze rechtbank relatief bevoegd is ook kennis te nemen van deze samenhangende vorderingen.

3.6.

De incidentele vorderingen wordt gezien het voorgaande afgewezen. De beslissing over de proceskosten van het incident wordt gereserveerd tot de beslissing in de hoofdzaak.

4 De beslissing

De rechtbank:

in het incident

4.1.

wijst het gevorderde af;

4.2.

reserveert de beslissing over de kosten van het incident tot de beslissing in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

4.3.

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 20 april 2016 voor conclusie van antwoord;

4.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.G.J. de Heij en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2016.

1 Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen)

2 Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

4 Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Gemeenschapsmerk