Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:2420

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-03-2016
Datum publicatie
14-03-2016
Zaaknummer
4605352 RL EXPL 15-34513
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht (WWZ). Bestaan arbeidsovereenkomst. Eindigen arbeidsovereenkomst. Opzeggingsbevoegdheid werknemer voor feitelijk aanvang arbeidsovereenkomst. Opzegtermijn werknemer. Proeftijdbeding. Dringende reden voor werknemer? Artt. 7:652 en 7:672 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/742
Prg. 2016/112
AR-Updates.nl 2016-0260
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team kanton Den Haag

CK

Rolnr.: 4605352 RL EXPL 15-34513

3 maart 2016

Vonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap Qualified4U Nederland B.V.,
gevestigd te Rijswijk (Zuid-Holland),
eisende partij,
gemachtigde: mr. M.A. Koot,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. A.B.B. Beelaard.

Partijen worden aangeduid als Q4U en [gedaagde] .

1 Procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 3 november 2015, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de op 12 februari 2016 gehouden comparitie van partijen, waarbij namens Q4U is verschenen M.A. Koot, alsmede [gedaagde] bijgestaan door zijn gemachtigde.

1.2.

Na afloop van de comparitie is de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet voldoende gemotiveerd weersproken, mede op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de overgelegde producties, voor zover in deze van belang, het navolgende vast.

2.1.

In de periode van 13 juli 2015 tot 1 september 2015, heeft [gedaagde] werkzaamheden verricht voor Q4U waarvoor hij een (contant) bedrag van € 1.000,00 heeft ontvangen. Partijen zijn het erover eens dat gedurende deze periode sprake was van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.

2.2.

Aan [gedaagde] is door Q4U een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met ingangsdatum 1 september 2015 toegezonden. Deze arbeidsovereenkomst heeft [gedaagde] ontvangen maar niet ondertekend en retour gezonden naar Q4U.

2.3.

Op 31 augustus 2015 is [gedaagde] bij Q4U verschenen. Hij heeft toen de onder 2.1. bedoelde € 1.000,00 contant in ontvangst genomen.

2.4.

Vervolgens heeft [gedaagde] bij e-mail van 31 augustus 2015 aan Q4U het volgende laten weten:

“Beste [J] ,

Ik stuur je deze mail omdat ik een gesprek niet zag zitten ivm de omstandigheden.

Ik heb een grote twijfel over de afspraken gemaakt met mij betreffende betaling.

Je gaf aan in ons eerste gesprek dat ik contact betaald zou krijgen voor mijn vakantie.

Nu wilde je dat destijds overmaken en ik heb daarop in mijn vakantie aangegeven om hier mee te wachten om dat ik geen problemen wilden met het UWV. Na mijn vakantie(3 weken late) ging dit ook moeizaam en vrijdag zou het van het weekend worden.

Ik heb hiermee geen vertrouwen in de toekomst en wil je hierbij mededelen dat ik niet meer kom werken. Aangezien het contract ingaat vanaf morgen zie ik hiervan af.

Wellicht dat je dit van een andere kant ziet maar ik heb het gevoel dat er niet de juiste sfeer is om dit persoonlijk te bespreken.

Ik zal mijn pasje inleveren en wens je geluk met de verdere werkzaamheden.

[M] ”

2.5.

[gedaagde] is op 1 september 2015 en nadien niet meer bij Q4U verschenen om te komen werken.

3 Het geschil

3.1.

Q4U vordert dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de som van € 3.969,42, nog te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding, alsmede proces- en nakosten.

3.2.

Aan haar vordering heeft Q4U het volgende ten grondslag gelegd. Tussen partijen is een arbeidsovereenkomst tot stand gekomen per 1 september 2015. Door op 31 augustus 2015 aan te geven dat hij het werken bij Q4U niet zag zitten waarna hij niet meer bij Q4U is verschenen, heeft [gedaagde] schadeplichtig jegens Q4U gehandeld. De overeengekomen opzegtermijn van één maand, die overeenkomt met de wettelijke opzegtermijn, heeft [gedaagde] namelijk niet in acht genomen. Daarnaast is het overeengekomen proeftijdbeding niet geldig aangezien het een arbeidsovereenkomst van minder dan zes maanden betreft.

3.3.

[gedaagde] heeft het volgende ten verwere aangevoerd. Tussen partijen is geen arbeidsovereenkomst per 1 september 2015 tot stand gekomen. [gedaagde] heeft de arbeidsovereenkomst niet van zijn handtekening voorzien retour gezonden naar Q4U. Voor zover er wel sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst tussen partijen, heeft [gedaagde] deze voor ingangsdatum buitengerechtelijk ontbonden wegens onvoorziene omstandigheden dan wel wegens een dringende reden. De problemen met de uitbetaling van de € 1.000,00, alsmede de grimmige en onprettige werksfeer, de stemmingswisselingen en verbale agressie van zijn werkgever en op de achtergrond spelende rechtszaken, heeft [gedaagde] hiertoe doen besluiten.

4 De beoordeling

4.1.

Pas eerst in deze procedure heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat er tussen partijen geen arbeidsovereenkomst per 1 september 2015 tot stand is gekomen omdat hij nimmer een door hem ondertekende versie retour heeft gezonden naar Q4U. Echter, de kantonrechter is van oordeel dat er wel degelijk een arbeidsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen per 1 september 2015 en overweegt daartoe als volgt. Het zetten van een handtekening en het retour zenden van een ondertekende versie is in de gegeven omstandigheden slechts een formaliteit aangezien er tussen partijen in ieder geval overeenstemming bestond over de essentialia van de overeenkomst, waaronder de ingangsdatum en duur van de arbeidsovereenkomst, de functie, het salaris, de werkzaamheden en de werktijden. Niet gesteld of gebleken is dat partijen hierover of over überhaupt nog een punt in de arbeidsovereenkomst in onderhandeling waren. Ook in de, bij dagvaarding overgelegde en door [gedaagde] niet weersproken, uitgebreide e-mailwisseling tussen partijen die plaatsvond op 31 augustus en 1 september 2015 gaan partijen uit van een bestaande arbeidsovereenkomst. Dat [gedaagde] in het geheel niet meer voor Q4U wilde werken, doet aan het voorgaande niet af. Dit betekent dat er tussen partijen een (opvolgende) arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, te weten van 1 september 2015 tot 1 december 2015, tot stand is gekomen.

4.2.

De vraag is vervolgens of [gedaagde] de bovenbedoelde arbeidsovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd door op 31 augustus 2015, één dag voor de feitelijke aanvang van de arbeidsovereenkomst, (per e-mail) Q4U te laten weten dat hij niet meer komt werken.

4.3.

Ook het huidige arbeidsrecht kent een gesloten stelsel van het eindigen van een arbeidsovereenkomst. Eenzijdige beëindiging door opzegging ervan is er één. De opzeggende partij dient de wettelijke opzegtermijnen zoals omschreven in artikel 7:672 BW in acht te nemen, tenzij partijen anders zijn overeengekomen of sprake is van een proeftijdbeding. Niet gebleken is in ieder geval dat partijen een van de wet afwijkende opzegtermijn zijn overeengekomen. De opzegtermijn die [gedaagde] in acht diende te nemen is daarom, in beginsel, één maand (lid 3 van voornoemd artikel). Indien sprake is van een dringende reden, mag onverwijld worden opgezegd onder onverwijlde mededeling van die dringende reden.

4.4.

In de arbeidsovereenkomst is een proeftijd van één maand opgenomen. Op die overeenkomst is het nieuwe arbeidsrecht van toepassing. Ingevolge artikel 7:652 leden 4 en 8 onder f BW is elk beding waarbij een proeftijd is overeengekomen nietig indien het is opgenomen in een arbeidsovereenkomst van ten hoogste zes maanden. Dat is in casu het geval, zoals Q4U terecht heeft aangevoerd. Het proeftijdbeding is derhalve nietig en wordt geacht nooit te hebben bestaan. Dit betekent dat de vaste jurisprudentie ten aanzien van de ruimere opzeggingsbevoegdheid van de werknemer indien er een proeftijdbeding is (de bevoegdheid geldt dan ook voor de periode voordat de arbeidsovereenkomst feitelijk aanvangt) waardoor van onregelmatige opzegging wegens het niet in acht nemen van de opzegtermijn en eventueel daaruit voortvloeiende schadeplichtigheid in beginsel geen sprake is, [gedaagde] geen soelaas meer biedt.

4.5.

Primair heeft [gedaagde] aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden wegens onvoorziene omstandigheden. Dit volgt de kantonrechter niet. Indien [gedaagde] meent dat een opzegging van de arbeidsovereenkomst vanwege onvoorziene omstandigheden, wat daar ook van zij, de tussen partijen geldende opzegtermijn doet verkorten of hem de bevoegdheid gaf de overeenkomst anderszins onverwijld te doen eindigen, had hij dat dienen te motiveren en te onderbouwen. Nu [gedaagde] dat heeft nagelaten wordt dit verweer als onvoldoende onderbouwd verworpen.

4.6.

[gedaagde] heeft subsidiair aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden voor ingangsdatum is opgezegd. Als onverwijlde dringende reden heeft te gelden de reden die is opgegeven in de e-mail van [gedaagde] aan Q4U op 31 augustus 2015, zoals letterlijk opgenomen bij de feiten onder 2.3. Die reden komt er in de kern op neer dat het loon niet is betaald op de tussen partijen overeengekomen tijd. [gedaagde] heeft gesteld dat tussen partijen is afgesproken dat hij de onder 2.1. bedoelde € 1.000,00 contant voor zijn vakantie zou ontvangen. Q4U heeft die afspraak als zodanig niet bestreden, maar heeft aangegeven dat vanwege het ontbreken van contant geld op het kantoor van Q4U zij [gedaagde] voor zijn vakantie heeft aangeboden het geld over te maken naar zijn bankrekening welk aanbod [gedaagde] heeft geweigerd. Dat de afspraak niet letterlijk is nagekomen staat daarmee wel vast. De kantonrechter is van oordeel dat deze handelwijze van Q4U weliswaar laakbaar is maar niet zodanig ernstig of dermate onacceptabel dat die op dat moment een onmiddellijk beëindiging van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigde. Daarbij is in overweging genomen dat Q4U [gedaagde] tijdig een redelijk voorstel heeft gedaan waardoor het bedrag alsnog op de afgesproken tijd zou zijn betaald. Door dat aanbod om hem moverende redenen te weigeren creëerde [gedaagde] een situatie waarin het voor Q4U onmogelijk werd de afspraak op voldoende passende alternatieve wijze na te komen. Opgemerkt zij nog dat in de conclusie van antwoord meerdere redenen worden genoemd op grond waarvan [gedaagde] uiteindelijk heeft besloten de arbeidsovereenkomst niet voort te zetten. Deze redenen kunnen niet aangemerkt worden als onverwijld medegedeelde redenen en behoeven daarom geen verdere behandeling.

4.7.

Het voorgaande betekent dat [gedaagde] bij opzegging van de arbeidsovereenkomst de opzegtermijn van één maand in acht had moeten nemen, hetgeen hij niet heeft gedaan. Dat maakt hem schadeplichtig jegens Q4U. Bij regelmatige opzegging zou de arbeidsovereenkomst hebben voortgeduurd tot 1 oktober 2015 nu de overeenkomst tussentijdse opzegging mogelijk maakt. Q4U heeft als vergoeding één maandsalaris, in deze zijnde € 3.400,00, gevorderd. Gelet op het bepaalde in artikel 7:672 lid 9 BW is dat toewijsbaar.

4.8.

Tegen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente heeft [gedaagde] geen zelfstandig verweer meer gevoerd, zodat deze als op de wet gegrond zullen worden toegewezen. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is echter hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot een bedrag van € 562,65 in plaats van de gevorderde € 562,90.

4.9.

Als de in het ongelijk gestelde partij dient [gedaagde] te worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Q4U. De rente over deze kosten zal worden toegewezen zoals hierna in het dictum vermeld. De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen op de hierna in het dictum aan te geven wijze.

Beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt [gedaagde] om aan Q4U te voldoen een bedrag van € 3.969,17, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 3.962,65 vanaf datum dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Q4U vastgesteld op € 943,84 waarvan € 400,00 als het aan de gemachtigde van Q4U toekomende salaris, en bepaalt dat dit bedrag binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis moet zijn voldaan, die kosten te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening indien en voor zover niet tijdig voldaan en veroordeelt [gedaagde] voorts tot betaling van € 60,00 aan nasalaris, voor zover Q4U daadwerkelijk nakosten zal maken, en voorts, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de explootkosten van betekening van het vonnis;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. W. ten Cate en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2016.