Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:2408

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-03-2016
Datum publicatie
08-03-2016
Zaaknummer
16/2511
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Iran, ongeloofwaardig asielrelaas, bekering, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 16/2511 (beroep) en AWB 16/2512 (verzoek)

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken van 3 maart 2016 in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser,

gemachtigde mr. I. Petkovski,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. M. Talsma.

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2016 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) als kennelijk ongegrond afgewezen. Daarnaast is bepaald dat eiser niet ambtshalve in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw en dat geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw wordt verleend.

Op 10 februari 2016 heeft eiser tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft eiser de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op zijn beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2016. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren aanwezig D. Madjlessi, tolk in de Farsi taal, en de heren P. Charante en A. Gauganyan. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1978 en bezit de Iraanse nationaliteit. Op 26 juli 2015 heeft hij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

2. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn asielaanvraag het volgende aangevoerd.

Hij is tijdens zijn toevallige aanwezigheid bij een demonstratie in de zomer van 2009 gearresteerd door de ANSAR en hierop vastgehouden op een onbekende detentieplaats. Tijdens deze detentie is hij gemarteld. Na een detentie van twee maanden is hij vrijgelaten. Vervolgens was eiser eind 2009 aanwezig bij een religieuze/politieke bijeenkomst waarbij er foto- dan wel filmopnames van hem zijn gemaakt door de autoriteiten. Naar aanleiding hiervan is een jaar later in maart 2011 een oproeping aan hem gestuurd, gevolgd door nog enkele oproepingen. Eiser heeft hieraan geen gevolg gegeven. Toen hij eind 2014 via derden vernam dat er een vonnis en arrestatiebevel voor hem was afgegeven, heeft eiser Iran verlaten.

Daarnaast heeft eiser verklaard zichzelf als afvallige van het Islamitische geloof te beschouwen. Eiser heeft in het aanvullende gehoor op 20 augustus 2015 aangegeven dat hij zich heeft bekeerd tot het christendom. Verder heeft eiser verklaard dat tijdens zijn detentie bekend is geworden dat hij een tatoeage heeft op zijn lichaam in de vorm van een weegschaal. Dit wordt volgens eiser in Iran niet getolereerd en kan problemen opleveren bij (her)-ontdekking.

3. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

a. identiteit en nationaliteit;

b. aanwezigheid bij de demonstratie in de zomer van 2009;

c. arrestatie, detentie en marteling door de ANSAR (volksmilitie) tijdens de bewuste

demonstratie in 2009;

d. deelname aan een religieuze/politieke bijeenkomst en de daarop volgende vervolging

(dagvaardingen en arrestatiebevel);

e. afvalligheid en de gevolgen daarvan;

f. bekering tot het christendom;

g. problemen hij terugkeer vanwege een tatoeage.

4. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw.

De gestelde identiteit en nationaliteit acht verweerder geloofwaardig is. Dat eiser als omstander aanwezig was bij een demonstratie in de zomer van 2009 (pal voor zijn ouderlijk huis) acht verweerder eveneens geloofwaardig. De overige elementen c. tot en met g. worden door verweerder niet geloofwaardig geacht.

Eiser komt op basis van de niet geloofwaardig geachte elementen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a dan wel b, van de Vw.

De aanvraag is als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw, omdat eiser wisselend heeft verklaard over zijn gestelde arrestatie en detentie in Iran alsmede zijn bekering. Ook heeft eiser ongeloofwaardige verklaringen afgelegd over zijn gestelde afvalligheid van de Islam.

5. Eiser kan zich niet verenigen met de afwijzing van de asielaanvraag. Op hetgeen hij in dat verband heeft aangevoerd wordt hierna ingegaan.

6. Met betrekking tot de stelling van eiser dat zijn arrestatie, detentie en marteling door de ANSAR tijdens de bewuste demonstratie in 2009 geloofwaardig is, overweegt de rechtbank als volgt.

7. Verweerder heeft in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat de arrestatie, detentie en marteling door de ANSAR in 2009 ongeloofwaardig zijn. Verweerder heeft dat ter zitting nader toegelicht. Daarbij heeft verweerder allereerst gesteld dat de duur van de detentie niet langer aan eiser wordt tegengeworpen. Wat verweerder tegenwerpt is dat eiser wisselend heeft verklaard over de aanleiding van zijn arrestatie en dat hij weinig informatie over zijn detentie kan geven. Dat eiser zonder voorwaarden is vrijgelaten acht verweerder niet te rijmen met de handelswijze van de ANSAR. Eiser heeft hiervoor geen deugdelijke verklaring gegeven.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser het vorenstaande niet weerlegd. De rechtbank geeft aan eiser toe dat de aanleiding van de arrestatie geen tegenstrijdigheid maar een kwestie van interpretatie is. De rechter is echter met verweerder van oordeel dat eiser niet uit heeft kunnen leggen waarom hij zo weinig concrete informatie over zijn detentie kan geven. Dat eiser geblinddoekt naar de gevangenis is gebracht en niet met medegevangenen mocht spreken is hiervoor geen genoegzame verklaring. Verweerder heeft terecht gesteld dat, gelet op de detentieduur van twee maanden, van eiser mag worden verwacht dat hij meer informatie kan geven over onder meer zijn ondervragers, de reden van zijn detentie en over zijn medegedetineerden. Eiser heeft verder niet uit kunnen leggen waarom hij na twee maanden zonder voorwaarden of waarschuwing is vrijgelaten. De stelling, dat de autoriteiten pas na twee maanden op de hoogte waren van zijn personalia en woonadres, is niet aannemelijk. De ter zitting naar voren gebrachte stelling, dat van algemene bekendheid is dat Iran op die manier met mensrechten omgaat, is evenmin toereikend. Verweerder heeft daarom terecht het standpunt ingenomen dat de arrestatie, detentie en marteling door de ANSAR in 2009 ongeloofwaardig zijn.

9. Ten aanzien van de stelling van eiser dat zijn deelname aan de religieuze/politieke bijeenkomst en de daarop volgende vervolging geloofwaardig is, overweegt de rechtbank als volgt.

10. Verweerder heeft in het bestreden besluit de deelname aan de religieuze/politieke bijeenkomst en de daarop volgende oproepingen niet geloofwaardig geacht. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat eiser niet kan uitleggen of de demonstratie waaraan hij heeft deelgenomen een religieuze of politieke demonstratie was en dat eiser niet weet of er tijdens deze demonstratie daadwerkelijk foto’s en of filmopnames van hem zijn gemaakt en of hij naar aanleiding hiervan is herkend en opgeroepen. Ten aanzien van de overgelegde kopieën van de oproepingen van 11 juli 2011 en 14 augustus 2011 stelt verweerder dat deze niet als origineel kunnen worden aangemerkt, omdat deze afkomstig zijn van internet en daarom niet op echtheid kunnen worden onderzocht. Eiser heeft volgens verweerder voldoende tijd gehad om voor zijn vertrek uit Iran aan de originele stukken te komen, zodat hij deze mee had kunnen nemen. Verder heeft eiser wisselend verklaard over hoe deze stukken in het bezit van zijn vader zijn gekomen. Daarnaast bevatten beide stukken enkel data en geen inhoudelijke tenlastelegging noch andere verifieerbare inhoud.

11. De verklaring van eiser dat hij op 30 december 2009 heeft deelgenomen aan een politieke demonstratie waar ook gelovigen aan deelnamen, acht de rechtbank aannemelijk.

De rechtbank is echter met verweerder van oordeel dat eiser niet heeft onderbouwd dat er tijdens deze demonstratie foto’s en filmopnames zijn gemaakt door de autoriteiten en dat hij hierdoor in persoon is herkend door de autoriteiten. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser hierover wisselend heeft verklaard. Zo heeft eiser in beroep verklaard dat de autoriteiten hem dat verteld hebben, terwijl hij in het nader gehoor (pagina 19) heeft verklaard dat hij het gehoord heeft van familieleden van kennissen die ook een dagvaarding hebben ontvangen en zich wel hebben gemeld. Met betrekking tot de oproepingen gaat de rechtbank voorbij aan de stelling dat deze niet afkomstig zijn van internet, omdat dit eerst ter zitting naar voren is gebracht. Dat eiser het verschil tussen ‘opsturen’ en ‘uitreiken’ niet zou kennen neemt niet weg dat hij niet consequent heeft verklaard over de wijze waarop de stukken in het bezit van zijn vader zijn gekomen. Eiser heeft immers in eerste instantie verklaard dat zijn vader deze stukken niet in persoon heeft ontvangen en later in het aanvullend gehoor verklaard dat zijn vader deze stukken wel in persoon heeft ontvangen maar ze is kwijtgeraakt en daarom - op het verzoek van eiser - opnieuw heeft aangevraagd. Verder heeft eiser niet bestreden dat uit de oproepingen niet blijkt waarvoor hij is veroordeeld. Verweerder heeft daarom terecht het standpunt ingenomen dat de deelname van eiser aan de politieke/religieuze bijeenkomst eind 2009 en de daarop volgende vervolging niet geloofwaardig is.

12. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder de verklaring van eiser, dat hij als een afvallige van het Islamitische geloof moet worden beschouwd, terecht ongeloofwaardig heeft geacht. Daarbij heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat eiser in het leger heeft gediend en als brandweerman bij het Ministerie van Olie heeft gewerkt. Verweerder heeft terecht gesteld dat dit niet te rijmen valt met de verklaring van eiser dat hij in zijn jeugd is veroordeeld tot 79 zweepslagen vanwege het drinken van een glas bier. Het is immers, gelet op de rol die het Islamitische geloof binnen de Iraanse samenleving speelt, niet aannemelijk dat de Iraanse overheid bij de aanstelling van eiser geen onderzoek zou hebben gedaan naar eisers antecedenten en levenswijze. Daarnaast heeft eiser niet aangetoond dat er een verband bestaat tussen zijn deelname aan de demonstratie in de zomer van 2009 en zijn ontslag als brandweerman.

13. Eiser heeft voorts betoogd dat verweerder ten onrechte zijn verklaringen met betrekking tot zijn bekering tot het christendom ongeloofwaardig heeft bevonden.

14. Zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), onder meer 17 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2011, past verweerder bij de beoordeling van de door een vreemdeling aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging een vaste gedragslijn toe, bestaande uit een vragenlijst die in overleg met onder meer kerkelijke instanties en met een organisatie die de belangen behartigt van christelijke asielzoekers, tot stand is gekomen. De daarin opgenomen vragen kunnen – voor zover toepasselijk in het concrete geval – grofweg worden onderverdeeld in vragen over de motieven voor en het proces van bekering waaronder de betekenis en praktische uitvoering van een eventuele doop en doopplechtigheid, en over de persoonlijke betekenis van de bekering of de geloofsovertuiging voor een vreemdeling. Voorts betreft het vragen die betrekking hebben op algemene, basale kennis van de geloofsleer en geloofspraktijk. Ten slotte verwacht verweerder dat een vreemdeling die stelt dat kerkgang onderdeel is van zijn geloofsovertuiging, daarover vragen weet te beantwoorden, bijvoorbeeld waar de kerk zich bevindt die hij bezoekt, op welk tijdstip de dienst of de mis plaatsvindt, en hoe deze verloopt.

Uit de Afdelingsuitspraak van 24 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA0955) volgt dat niet alle drie categorieën waarover de staatssecretaris in het kader van de hiervoor bedoelde vaste gedragslijn vragen pleegt te stellen, in de besluitvorming dienen terug te komen. Het staat verweerder vrij aan de motieven voor en het proces van bekering een doorslaggevend gewicht toe te kennen.

15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bovenstaande gedragslijn gevolgd.

16. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder en zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser summiere verklaringen heeft afgelegd over de wijze waarop hij met het christendom in Nederland in aanraking is gekomen en dat eiser niet kan aangeven op grond waarvan zijn innerlijke aantrekking tot het christelijk geloof is ontstaan.

De brief van de heer Boonstra van de evangelische gemeente Victory Outreach Almere kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat uit de Afdelingsuitspraak van 6 maart 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:890) volgt dat de vreemdeling zelf overtuigende verklaringen dient af te leggen met betrekking tot zijn bekering en het proces dat tot zijn bekering heeft geleid.

Verder heeft eiser in het aanvullend gehoor verklaard dat hij in Utrecht naar de kerk ging, terwijl uit de brief van de heer Boonstra blijkt dat het de Victory Outreach kerk in Almere is.

Ook de doopakte van de Victory Outreach kerk in Almere, waaruit blijkt dat eiser op 15 november 2015 is gedoopt, maakt de bekering van eiser niet geloofwaardig. Verweerder heeft terecht gesteld dat het relatief eenvoudig is om zich bij een kerk aan te sluiten en zich te laten dopen, zodat met een doopakte een oprechte diepgewortelde overtuiging niet aannemelijk wordt gemaakt. De zelf geschreven brief van eiser van 19 januari 2016, waarin eiser schrijft dat hij in een depressie verkeerde en dat kerkgang een gevoel van opluchting bij hem teweeg bracht, kan evenmin tot een ander oordeel leiden. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze brief eerst na verweerders voornemen van 17 december 2015 is ingediend. Evenmin valt in te zien waarom eiser niet eerder over zijn bekering en het bekeringsproces heeft verklaard dan tijdens het aanvullend gehoor op 20 augustus 2015, te meer daar uit de verklaring van de heer Boonstra van de evangelische gemeente Victory Outreach Almere blijkt dat eiser sinds juli 2015 deze kerk bezoekt en het eerste gehoor op 31 juli 2015 heeft plaatsgevonden. De verklaring die eiser hiervoor heeft gegeven, dat hij nog niet was gedoopt en zich middels Bijbelstudie aan het verdiepen was in de leer van de Evangelische gemeente Victory Outreach, heeft verweerder onvoldoende kunnen achten. Verweerder heeft daarom terecht gesteld dat de bekering van eiser tot het christendom ongeloofwaardig is.

17. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in aanmerking dient te komen voor een verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.

18. Het beroep is ongegrond.

19. Gelet op de beslissing in de hoofdzaak zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen.

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep (AWB 16/2511) ongegrond.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening (AWB 16/2512) af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, (voorzieningen)rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.