Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:2397

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-03-2016
Datum publicatie
08-03-2016
Zaaknummer
4741280/16-50020
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Artikel 27 WOR (vervangende toestemming)

Wetsverwijzingen
Wet op de ondernemingsraden
Wet op de ondernemingsraden 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/665
JAR 2016/80
AR-Updates.nl 2016-0242
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Den Haag

Zaaknr.: 4741280/16-50020

Uitspraakdatum: 4 maart 2016

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

de naamloze vennootschap HTM PERSONENVERVOER N.V.,

gevestigd te Den Haag,

verzoekende partij,

verder te noemen: de HTM

gemachtigde: mr. M.J.M.T. Keulaerds,

tegen

DE ONDERNEMINGSRAAD VAN DE HTM,

gevestigd te Den Haag,

verwerende partij,

verder te noemen: de OR

gemachtigde: mr. E.A. van Win.

1 Het procesverloop

1.1.

De HTM heeft een verzoek gedaan tot het verlenen van vervangende toestemming als bedoeld in artikel 27 lid 4 van de Wet op de Ondernemingsraden. De OR heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 12 februari 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft - naast de door beide partijen overgelegde pleitnotities - aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft de HTM nog stukken ingezonden.

2 De feiten

2.1.

In 2015 heeft tussen de HTM en de OR overleg plaatsgevonden over de personele gevolgen van de door de HTM voorgenomen invoering van een nieuwe dienstregeling voor de door de HTM geëxploiteerde tramlijnen voor het jaar 2016.

2.2.

De HTM is krachtens de haar verleende concessie verplicht tot het jaarlijks aanpassen van de dienstregeling, rekening houdende met andere aanbieders van vervoer, zoals de NS en de RET.

2.3.

Per 13 december 2015 is de dienstregeling voor 2016 in werking getreden. Aan de dienstregeling dient gekoppeld te worden de regeling van diensten en werktijden van het personeel van de HTM (het zg “dienstenpakket”).

2.4.

In de geldende HTM-CAO 2012-2016 zijn regels opgenomen waar het dienstenpakket aan dient te voldoen. Het dienstenpakket dient met instemming van de OR te worden vastgesteld.

3 Het verzoek

3.1.

De HTM verzoekt vervangende toestemming voor de invoering van het Dienstenpakket Rail 2016. Aan dit verzoek legt de HTM ten grondslag dat de OR op onredelijke gronden toestemming onthouden heeft aan het dienstenpakket. Aanvankelijk heeft de OR niet gemotiveerd - dus niet met redenen omkleed - waarom instemming werd onthouden. Telkens kwam de OR met nieuwe en niet uitputtende lijsten met bezwaren. Eerst in deze procedure geeft de OR aan waarin de bezwaren gelegen zijn.

3.2.

Primair is het belang van de HTM bij de invoering van het dienstenpakket groter dan dat van de OR, die op onredelijke gronden instemming geweigerd heeft. Subsidiair is sprake van zwaarwegende bedrijfsorganisatorische en bedrijfseconomische belangen van de HTM bij invoering van het dienstenpakket.

4 Het verweer

4.1.

De OR verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de weigering van de OR om in te stemmen met het besluit tot invoering van de nieuwe dienstregeling niet onredelijk is en dat er geen sprake is van zwaarwegende bedrijfsorganisatorische, bedrijfseconomische of bedrijfssociale redenen voor de invoering van de nieuwe dienstregeling Hij voert daartoe – kort samengevat – het volgende aan.

4.2.

Er wordt in het dienstenpakket geen, althans onvoldoende rekening gehouden met de gerechtvaardigde wensen van de medewerkers, zoals die kenbaar zijn uit het Medewerkers Tevredenheids Onderzoek dat recent is uitgevoerd. Op punten is het dienstenpakket zelfs strijdig met de CAO. Het aantal slipmomenten dient gereduceerd te worden. Ook dient de HTM verdergaande maatregelen te treffen ten behoeve van de veiligheid van het rijdend personeel.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of vervangende toestemming verleend moet worden voor de invoering van het Dienstenpakket Rail 2016. De primaire standpunten van partijen over die vraag zijn echter door de kantonrechter niet zonder meer op hun inhoudelijke juistheid te toetsen. Partijen hebben ter onderbouwing van hun standpunten een indrukwekkende hoeveelheid tekst en producties aan de kantonrechter voorgelegd. Partijen zijn het er daarbij (terecht) over eens dat het om een zeer complexe materie gaat. Vele producties gaan zeer gedetailleerd de roostertechnische diepte in. Als voorbeeld kan verwezen worden naar de producties 11, 19 en 24 (de randvoorwaardenlijst) van de HTM en de producties 4 tot en met 7 van de OR, waar de kantonrechter met zijn kennis en ervaring weinig van maken kan.

5.2.

Normaliter zou de kantonrechter een deskundige benoemen om na onderzoek een (wellicht groot) aantal vragen te beantwoorden. Dat zou uiteindelijk helderheid kunnen brengen in de kwestie. De kantonrechter heeft zich echter afgevraagd of het wel die richting in zou moeten gaan. Het zou immers een aanzienlijke procedurele vertraging kunnen opleveren. Om die reden dient uit proceseconomische en praktische overwegingen bezien te worden of het subsidiaire standpunt van de HTM, gegrond op de zwaarwegende bedrijfsorganisatorische en -economische belangen van de HTM, tot de verzochte toestemming zou kunnen leiden. Dat is in deze zaak het geval, zodat de vervangende toestemming verleend zal worden. Daartoe is het navolgende te overwegen.

5.3.

De HTM heeft betoogd dat indien tegemoetgekomen zou worden aan de eisen van de OR, dit aanzienlijke extra bedragen zou gaan kosten aan de HTM, terwijl er met de Bonden nu juist concrete afspraken werden gemaakt over extra investeringen ten behoeve van verbetering van de arbeidsomstandigheden van (met name: het rijdend) personeel. Er zijn door de HTM in dat kader concrete jaarlijkse bedragen (€ 1.202.171,00 en € 2.011.143,00) genoemd. In de nader door de HTM overgelegde producties (33 en 35) worden die bedragen gespecificeerd. Onweersproken is dat deze bedragen ruimschoots uitstijgen boven hetgeen met de Bonden afgesproken werd door de HTM. Die afspraken kwam de HTM – eveneens onweersproken – na.

5.4.

Vaststaat dat de Dienstregeling 2016 in werking is getreden en dat een terugkeer naar (een) oude dienstregeling(en) niet mogelijk is. Er bestaat onmiskenbaar tijdsdruk. Op grond van hetgeen in deze zaak gebleken is, dient het door de HTM gestelde bedrijfseconomische belang als voldoende zwaarwegend te worden aangemerkt. Op die grond is de verzochte vervangende toestemming te verlenen.

5.5.

Aan het voorgaande wil de kantonrechter geheel ten overvloede nog het navolgende toevoegen. Uit hetgeen zijdens de OR is aangevoerd, alsmede op grond van hetgeen ter zitting bleek, valt af te leiden dat de werknemers van de HTM zich ernstig zorgen maken over (met name) hun veiligheid. Of de zorg objectief gerechtvaardigd is, kan de kantonrechter niet beoordelen, maar die in elk geval subjectief bestaande zorg van het personeel dient door wel alle betrokkenen, dus ook de HTM, serieus genomen te worden. Veiligheid is een niet te onderschatten aspect van arbeidsomstandigheden. Daarom mag de HTM in overweging gegeven worden om alles in het werk te stellen om binnen de kaders van het dienstenpakket de aandacht (en maatregelen) voor veiligheid te optimaliseren, niet slechts tijdelijk, maar structureel. Zoals gezegd is dit advies geheel ten overvloede.

5.6.

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van de HTM zal honoreren. De kantonrechter ziet geen aanleiding tot toepassing van artikel 289 Rv.

6 De beslissing

De kantonrechter:

Verleent vervangende toestemming aan de HTM voor de invoering van Dienstenpakket Rail 2016.

Deze beschikking is gegeven door mr. W. ten Cate, kantonrechter, en op 4 maart 2016 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter